Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijnwaardenStaatscourant 2016, 71973Overig



Besluit maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2017

Logo Rijnwaarden

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden; gelet op de artikelen 11, tweede en derde lid, 12 derde en vierde lid, 13 tweede lid,14 eerste lid,16, 17 eerste en tweede lid, en 21 derde lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2015; besluit vast te stellen het Besluit maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2017

 

Artikel 1.

Begripsbepalingen

1. Dit besluit verstaat onder:

a. het besluit: het Besluit maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2017;

b. CAK: het Centraal Administratiekantoor dat inkomensonafhankelijke en inkomensafhankelijke eigen bijdragen vast stelt en int;

c. Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV): collectief vraagafhankelijk vervoer van Avan, het Aanvullend vervoer in de regio Arnhem-Nijmegen;

d. het college: het college van burgemeester en wethouders;

e. kostprijs: de maximale kosten waarover belanghebbende een eigen bijdrage is verschuldigd;

f. de verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2015;

g. de wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

2. Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de verordening en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

Artikel 2.

Verstrekking, weigeringsgronden persoonsgebonden budget

1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. De cliënt moet bij de indicatie wel in staat worden geacht om (eventueel met mantelzorger of cliëntondersteuner) de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en verantwoordelijkheden (o.a. voor toetsbare verantwoording) op zich te kunnen nemen.

2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

4. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:

a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;

b. indien het college eerder heeft vastgesteld dat: - de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; - de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; - de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

 

Artikel 3.

Hoogte persoonsgebonden budget

1. De hoogte van een persoonsgebonden budget:

a. wordt mede bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden;

b. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

c. bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.

2. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:

a. een maatwerkvoorziening, niet zijnde een dienst, wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorzieningin natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, kan de kostprijs daarop gebaseerd worden, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de voorziening technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud, reparatie en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud, reparatie en verzekering.

b. huishoudelijke hulp bedraagt € 15,00 per uur.

c. individuele begeleiding door een niet daartoe opgeleid persoon die mantelzorger is of afkomstig is uit het sociale netwerk van de cliënt, wordt bepaald per uur op basis van het tarief per uur voor mantelzorgers in de Wet langdurige zorg; maximaal € 20,00 per uur

d. individuele begeleiding door een daartoe opgeleid persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde beroepsorganisatie) bedraagt € 32,26 per uur

e. begeleiding groep of dagbesteding bedraagt € 39,87 per dagdeel

f. vervoer bij begeleiding groep of dagbesteding bedraagt € 4,80 per dag g. kortdurend verblijf- en respijtzorg uitgevoerd door daartoe opgeleide personen bedraagt € 90,90 per etmaal.

h. persoonlijke verzorging bedraagt € 27,02 per uur.

3. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.

 

Artikel 4.

Verantwoording persoonsgebonden budgetDegene die een persoonsgebonden budget ontvangt waar het trekkingsrecht niet op van toepassing is, verstrekt op verzoek van het college binnen in de beschikking vastgestelde termijn:

a. een factuur van de voorziening;

b. voor zover van toepassing het onderhoud/reparatie en verzekeringscontract inclusiefbetalingsbewijs van de gemaakte kosten;

c. gegevens waaruit blijkt aan welke vereisten de aangeschafte voorziening voldoet.

 

Artikel 5. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten

De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de bijdrage zijn gelijk aan die genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Voor minderjarige kinderen wordt een eigen bijdrage opgelegd aan de ouders als een woningaanpassing wordt verstrekt.

1. Het bedrag dat de ongehuwde persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt dient te betalen, bedraagt € 17,50 per vier weken bij een bijdrageplichtig inkomen tot € 22.632,00. Indien dat inkomen meer bedraagt, wordt het bedrag van € 17,50 verhoogd met 1/13 deel van 12,5 % van het verschil tussen dat inkomen en € 22.632,00. 

2. Het bedrag dat de ongehuwde persoon die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt dient te betalen, bedraagt € 17,50 per vier weken bij een bijdrageplichtig inkomen tot € 17.033,00. Indien dat inkomen meer bedraagt, wordt het bedrag van € 17,50 verhoogd met 1/13 deel van 12,5 % van het verschil tussen dat inkomen en € 17.033,00.

3. Gehuwde personen indien één van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt, zijn vrijgesteld van deze bijdrage bij een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen tot € 35.000,00. Indien dat gezamenlijke inkomen meer bedraagt, wordt het bedrag 1/13 deel van 12,5 % van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 35.000,00.

4. Het bedrag dat gehuwde personen die beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dienen te betalen bedraagt € 17,50 per vier weken bij een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen van € 23.525,00. Indien dat gezamenlijke inkomen meer bedraagt, wordt het bedrag van € 17,50 verhoogd met 1/13 deel van 12,5 % van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 23.525,00.

5. De hoogte van de bijdrage bedraagt nooit meer dan de kostprijs van de voorziening.

6. De kostprijs van de voorziening is:a. het toegekende en betaalde persoonsgebonden budget, danwel deb. de huurprijs die het College verschuldigd is aan de leverancier, danwel dec. de koopprijs die het College verschuldigd is aan de leverancier end. de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering, tenzij de afschrijftermijn van de voorziening is verstreken

 

Artikel 6. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Door het voeren van jaarlijkse evaluatiegesprekken met aanbieders en onafhankelijke cliëntervaringsonderzoeken, wordt toezicht gehouden op het naleven van de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in artikel 13, eerste lid, van de verordening.

 

Artikel 7. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Calamiteiten en geweldsincidenten dienen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 5 werkdagen gemeld te worden bij de toezichthoudend ambtenaar.

 

Artikel 8. Waardering mantelzorgers

Alle mantelzorgers van cliënten binnen de gemeente Rijnwaarden worden waar mogelijk gewaardeerd voor hun inzet met een van de vormen van waardering die de gemeente jaarlijks of structureel organiseert: huishoudelijke hulp binnen de Huishoudelijke Hulp Toelage, respijtzorg, inzet van vrijwilligers, mantelzorgmakelaar, cursussen, themabijeenkomsten, recreatieve bijeenkomsten en een goed geoutilleerd steunpunt mantelzorg. Omdat het gaat om een waardering kunnen individuele mantelzorgers geen aanspraak maken op zelf te kiezen vormen van waardering.De verschillende vormen van waardering worden toegekend:

1. HHT door de aanbieders van HHT op basis van de ‘Beleidsregel regeling HHT Rijnwaarden’;

2. Respijtzorg en mantelzorgmakelaar door het sociaal team op basis van lokale regelgeving maatwerkvoorzieningen;

3. Cursussen, thema- en recreatieve bijeenkomsten door het mantelzorgsteunpunt op basis van door het steunpunt gehanteerde criteria

 

Artikel 9. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen voor kosten van o.a. taxi, autoaanpassing, verhuiskosten, sportrolstoel/sportvoorziening.

Er kan een tegemoetkoming worden verstrekt voor de volgende kosten:

a. Vervoer met eigen auto of vervoer door derden, deze bedraagt maximaal € 825,00 per jaar en kan alleen worden verstrekt als reizen met collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is.

b. Een autoaanpassing, deze bedraagt maximaal € 5.000,00 per zeven jaar en wordt in beginsel alleen verstrekt als: - cliënt in het bezit is van een eigen auto; - cliënt niet kan reizen met het collectief vraagafhankelijk vervoer; - er naast de tegemoetkoming geen andere vervoersvoorziening wordt verstrekt; - de noodzaak van de aanpassing, algemeen gebruikelijke aanpassingen zijn uitgesloten, door het CBR is vastgesteld.

c. Verhuiskosten, deze bedragen maximaal € 4.000,00 en zijn alleen bestemd voor noodzakelijke kosten die gerelateerd zijn aan de verhuizing. In plaats van een tegemoetkoming verhuiskosten, kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing worden verstrekt ter hoogte van deze tegemoetkoming (max. € 4.000,00) op voorwaarde dat hiermee een adequate aanpassing in de huidige woning wordt gerealiseerd.

d. Aanschaf, reparatie en onderhoud van een sportvoorziening, deze bedraagt: € 2.800,00 voor een periode tenminste 3 jaar.e. Het bezoekbaar maken van de woning, deze bedraagt maximaal € 4.000,00 en wordt eenmalig verstrekt.

 

Artikel 10. Vervoersondersteuning

1. Degene die in aanmerking komt voor collectief vraagafhankelijk vervoer ontvangt voor het gebruik daarvan een kortingspas, gekoppeld met een maximum aantal budgetkilometers.

2. Degene aan wie vervoersondersteuning voor Aanvullend Vervoer op basis van de Wmo is toegekend kan via AVAN reizen met een maximum van 25 kilometer per rit (enkele reis) gebruik maken voor een lager tarief dan het reguliere tarief voor aanvullend Openbaar Vervoer (het zogenaamde Wmo-tarief).

3. Het maximum aantal kilometers (budgetkilometers) dat met tariefkorting gereisd kan worden bedraagt in beginsel 600 per kalenderjaar. Bij eerste verstrekking in de loop van een kalenderjaar wordt het budget toegekend naar rato van het aantal maanden dat nog resteert.

4. Het aantal budgetkilometers bedraagt in beginsel 300 kilometer voor belanghebbenden die zich in de directe woonomgeving zelfstandig met een vervoermiddel kunnen verplaatsen.

5. Het feitelijk aantal budgetkilometers wordt op basis van de vervoersbehoefte vastgesteld, maar bedraagt nooit meer dan 1800 kilometer per kalenderjaar.

 

Artikel 11.

Tarief huishoudelijke hulp in natura

De tarieven voor huishoudelijke hulp bedragen:

a. voor huishoudelijke hulp 1: € 18,17 per uur of € 20,62 per uur, afhankelijk van de zorgaanbieder

b. voor huishoudelijke hulp 2: € 23,08 per uur.

 

Artikel 12. Afweging verhuizen, aanpassen woning

Het verstrekken van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de verordening wordt niet toegepast: a. indien de kosten van de noodzakelijke woningaanpassing minder bedragen dan € 4.000,00, of b. indien voor het te bereiken resultaat een traplift noodzakelijk is waardoor de kosten boven de grens van € 4.000,00 uit komen en daarnaast maximaal eventueel een douchezitje en drempelhulpen.

 

Artikel 13. Maatwerkvoorzieningen en afschrijftermijnen

1. Indien de cliënt (mede)eigenaar is van de woning en de woonvoorziening bestaat uit een bouwkundige of woontechnische ingreep aan die woning, waarvan de afschrijvingstermijn voor de helft of meer is verstreken, dan wordt bij de bepaling van de maatwerkvoorziening rekening gehouden met afschrijvingstermijn van de woonvoorziening.

2. Voor het bepalen van de maatwerkvoorziening ter vervanging van een bouwkundige of woontechnische ingreep aan de woning worden in beginsel de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd:

a. Keuken 15 jaar

b. Badkamer 30 jaar

c. Toilet en kranen 15 jaar

 

Artikel 14. Kosten woningaanpassing

Het college rekent de volgende uitgaven tot kosten van een woningaanpassing bij woningaanpassingen van meer dan € 20.000,00:

a. aanneemsom inbegrepen loon- en materiaalkosten voor het realiseren van de woonvoorziening. Als de voorziening door zelfwerkzaamheid tot stand komt ,vervalt de post loonkosten;

b. architectenhonorarium tot ten hoogste 10 % van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in DNR2005 van de BNA en alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect de woningaanpassing ontwerpt;

c. de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is en de bouwkosten meer bedragen dan € 1000,00 tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

d. bouwleges voor zover deze betrekking hebben op het realiseren van de woonvoorziening;

e. verschuldigde en niet verreken- of terugvorderbare omzetbelasting;

f. renteverlies i.v.m. het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden, voordat de financiële tegemoetkoming is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;

g. door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet waren te voorzien;

h. kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

i. kosten van heraansluiting van openbare nutsvoorzieningen;

j. administratiekosten tot ten hoogste € 350,00 voor de verhuurder die een woningaanpassing realiseert voor een persoon met beperkingen, voor zover de kosten onder a. tot en met g. meer bedragen dan € 3.500,00.

 

Artikel 15.Anti-speculatiebeding

Bij een woningaanpassing van meer dan € 20.000,00 wordt een anti-speculatiebeding toegepast. Bij verkoop van de woning binnen 10 jaar nadat de aanpassing is gerealiseerd dient een evenredig deel van de verstrekte vergoeding voor de aanpassing te worden terugbetaald. Het terug te betalen bedrag daalt jaarlijks met 10%. Bij verkoop in het eerste jaar na gereedmelding dient 100% van de vergoeding te worden terugbetaald, in het tweede jaar 90% van de vergoeding, in het derde jaar 80% van de vergoeding, enzovoort. Tenslotte, in het tiende jaar 10% van de vergoeding.

 

Artikel 16. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in dit besluit indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt

 

Artikel 17. Intrekking oude regeling

Het Besluit financiële tegemoetkoming Wmo individuele verstrekkingen 2015 wordt per 1 januari 2017 ingetrokken.

 

Artikel 18. Inwerkingtreding en citeerartikel

1. Dit besluit treedt in werking na publicatie, maar niet eerder dan 1 januari 2017.

2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Rijnwaarden 2017.