Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2016, 69148Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 2016, nr. WJZ / 16189044, houdende wijziging van de Beleidsregels kwaliteit opvang dieren in verband met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 3.8, eerste lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, en 3.40, op artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

ARTIKEL I

De Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten worden als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 9, 13, eerste lid, en in voorkomend geval van artikel 15, tweede lid, van de Flora- en faunawet’ vervangen door: de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en de artikelen 3.24, eerste en tweede lid, en 3.25, van het Besluit natuurbescherming.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de artikelen 3.8, eerste lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, en 3.40, op artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

B

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Bijlage. Protocol opvang niet aangewezen diersoorten en beschermde diersoorten.

2. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. De begripsomschrijvingen ‘beschermde inheemse diersoort’ en ‘beschermde uitheemse diersoort’ vervallen.

b. In de omschrijving van het begrip ‘niet aangewezen diersoorten’ wordt ‘beschermde inheemse en beschermde uitheemse diersoorten’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten en niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

c. In de alfabetische ordening worden twee begripsomschrijvingen ingevoegd, luidende:

  • van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;

  • niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit houders van dieren, niet zijnde een diersoort als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;.

3. Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘beschermde uitheemse diersoort’ vervangen door: niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

b. In onderdeel b wordt ‘beschermde inheemse diersoort’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

4. In artikel 3, derde lid, wordt ‘beschermde inheemse dieren’ vervangen door: dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

5. In artikel 4, eerste lid, onderdeel j, wordt ‘beschermde inheemse diersoorten’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

6. In de artikelen 10, eerste lid, en 11 eerste lid wordt ‘‘dier behorend tot een beschermde uitheemse soort, beschermde inheemse soort of niet aangewezen soort’’ telkens vervangen door: ‘dier behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of een niet aangewezen diersoort’.

7. Artikel 22, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘beschermde uitheemse diersoort’ vervangen door: niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

b. In onderdeel b wordt ‘beschermde inheemse diersoort’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

8. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het opschrift wordt ‘beschermde inheemse diersoorten’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

b. In het eerste lid wordt ‘het beschermde inheemse dier’ vervangen door: een dier van een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

9. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het opschrift wordt ‘beschermde uitheemse diersoorten’ vervangen door: niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

b. In het eerste lid wordt ‘een beschermd uitheems dier’ vervangen door: een dier van een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

10. In het opschrift van artikel 25 wordt ‘beschermde inheemse dieren’ vervangen door: dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

11. Artikel 29, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘beschermde inheemse diersoort’ vervangen door: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

b. In onderdeel b wordt ‘beschermde uitheemse diersoort’ vervangen door: niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort.

12. Artikel 34, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘beschermde inheemse dieren’ vervangen door: dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

b. In onderdeel b wordt ‘beschermde uitheemse dieren’ vervangen door: dieren van niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten.

ARTIKEL II

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2017.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 17 december 2016

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

De Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten bieden het toetsingskader voor de Staatssecretaris van Economische Zaken voor de verlening van ontheffingen aan opvangcentra op grond van de Flora- en faunawet voor het vangen, onder zich hebben en in voorkomend geval weer in de natuur uitzetten van dieren van beschermde inheemse en uitheemse soorten. Daarnaast geldt dit beleidskader voor de ontheffingen op grond van de Wet dieren, voor het houden van soorten die niet zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling houders van dieren. Het protocol in de bijlage bij de beleidsregels bevat de kwaliteitseisen waaraan de opvangcentra dienen te voldoen. Het protocol geeft mede invulling aan de vrijstellingen, bedoeld in artikel 2.3 in samenhang met bijlage 2, onderdelen d, e en f, van de Regeling houders van dieren.

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden, die in plaats is gekomen van de voormalige Flora- en faunawet. De inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming noopt tot wijziging van de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten. Onderhavige beleidsregel voorziet daar in.

2. Verschillen Flora- en faunawet en Wet natuurbescherming

De Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten hadden inhoudelijk betrekking op de artikelen 75, derde en vijfde lid, en 79, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Artikel 75, derde en vijfde lid, van de Flora- en faunawet bood de grondslag voor het verlenen van een ontheffing van het verbod op het vangen, onder zich hebben en uitzetten van dieren van beschermde inheemse of uitheemse soorten. Deze verboden waren neergelegd in artikel 9, 13 en 15 van de Flora- en faunawet. Artikel 79, eerste lid, van de Flora- en faunawet bood de grondslag voor het stellen van voorschriften bij het verlenen van ontheffingen.

De Minister van Economische Zaken was onder de voormalige Flora- en faunawet in alle gevallen bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing voor de opvang van dieren. Dit verandert met de Wet natuurbescherming. Op grond van die wet zijn gedeputeerde staten van de provincies in een aantal gevallen bevoegd gezag voor het verlenen van een dergelijke ontheffing. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen:

  • het vangen, onder zich hebben of vervoeren van uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn (ontheffing van de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.2, zesde lid, van de Wet natuurbescherming, op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming);

  • het vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied (ontheffing van artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming);

  • het onder zich hebben of vervoeren van dieren genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn (ontheffing van artikel 3.6, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming);

  • het vangen van in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming (ontheffing van artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, op grond van artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming)1;

  • het uitzetten van dieren in de natuur in Nederland (artikel 3.34, eerste lid, van de Wet natuurbescherming)2.

De Minister van Economische Zaken blijft bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing voor de volgende categorieën van gevallen:

  • het onder zich hebben van gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn (ontheffing van artikel 3.24, eerste en tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op grond van artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming);

  • het onder zich hebben van dieren van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening (ontheffing van artikel 3.24, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op grond van artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming);

  • het onder zich hebben van uit het wild afkomstige dieren van de soorten, genoemd in bijlage 1 bij het Besluit natuurbescherming (ontheffing van artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, op grond van artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming);

  • het vangen en onder zich hebben van beschermde mariene soorten (ontheffing van de artikelen 3.5, eerste lid, 3.6, tweede lid, en 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, op grond van artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming in samenhang met artikel 1.5, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming).3

Ten aanzien van de categorieën gevallen waarin gedeputeerde staten van de provincies bevoegd gezag zijn, is het aan hen om beleidsregels vast te stellen. Zij hebben evenwel aangegeven voornemens te zijn de inhoud van het protocol in de bijlage bij de beleidsregels te willen toepassen bij het verlenen van ontheffingen voor de opvang van dieren.4

De Wet natuurbescherming heeft geen gevolgen voor de bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken op grond van de Wet dieren.

3. Inhoud onderhavige beleidsregel

In de eerste plaats voorziet onderhavige beleidsregel in het opnemen van een nieuwe, aangepaste grondslag voor de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten (nieuw derde lid van artikel 1 van de beleidsregels; zie artikel I, onderdeel A, onderdeel 2), nu de grondslag van de voormalige Flora- en faunawet is vervallen. Deze grondslag wordt nu gevormd door de in paragraaf 2 beschreven bevoegdheden die de Minister van Economische Zaken onder de Wet natuurbescherming heeft voor de opvang van dieren. In artikel 1 van de beleidsregels zijn voorts de verwijzingen naar de betreffende verbodsbepalingen geactualiseerd, ten aanzien waarvan de Minister ontheffing kan verlenen (artikel I, onderdeel A, onderdeel 1).

Als grondslag is tevens toegevoegd artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren, op grond waarvan ontheffing kan worden verleend van het bepaalde bij of krachtens die wet, waaronder van het verbod van artikel 2.2 van de Wet dieren ten aanzien van dieren van soorten die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren, is tevens de grondslag voor de vrijstellingen bedoeld in artikel 2.3 in samenhang met bijlage 2, onderdelen d, e en f, van de Regeling houders van dieren, die verwijzen naar het protocol in de bijlage bij de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten.

In de tweede plaats voorziet onderhavig beleidsregel in een technische, niet-inhoudelijke, wijziging van het protocol in de bijlage bij de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten. Het protocol maakte – net als de voormalige Flora- en faunawet – onderscheid tussen beschermde inheemse en beschermde uitheemse diersoorten. De Wet natuurbescherming gebruikt dit terminologische onderscheid niet. Dit noopt tot wijziging van het protocol overeenkomstig artikel I, onderdeel C, van onderhavige beleidsregel, in de zin dat de begrippen ‘beschermde inheemse diersoort’ en ‘beschermde uitheemse diersoort’ in de begripsbepalingen en in het lichaam van het protocol worden vervangen door de begrippen ‘van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’, onderscheidenlijk ‘niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’. Deze wijziging heeft – zoals gezegd -– geen gevolgen voor de inhoud van het protocol.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Het onder zich hebben van deze dieren is – anders dan onder de Flora- en faunawet – niet verboden onder de Wet natuurbescherming.

X Noot
2

Het protocol bevat eisen aan het beleid van een opvangcentrum voor het uitzetten van dieren, zowel in Nederland als in het buitenland. Het uitzetbeleid is een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel van de werkwijze van een opvangcentrum. Hoewel het verlenen van een ontheffing voor het uitzetten van dieren in Nederland een bevoegdheid is van gedeputeerde staten van de provincies, bevatten onderhavige beleidsregels van de Minister van Economische Zaken om die reden toch eisen over dit onderwerp.

X Noot
3

De bruinvis, gewone dolfijn, gewone zeehond, grijze zeehond, tuimelaar, witflankdolfijn, en witsnuitdolfijn. Zoals aangekondigd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016/17, 33 348, nr. 192), wordt samen met provincies overwogen om ook de bevoegdheid voor de opvang bij de provincies neer te leggen, mede in het licht van de herijking in de eerste helft van 2017 van het opvangbeleid van deze soorten op basis van het advies van de daartoe binnenkort in te stellen wetenschappelijke commissie.

X Noot
4

Artikel 4, tweede lid, van beleidsregels bepalen dat op grond van de voormalige Flora- en faunawet verleende ontheffingen voor onbepaalde tijd van toepassing blijven tot 1 januari 2019. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming worden provincies in bepaalde gevallen bevoegd gezag ten aanzien van deze ontheffingen. Het is aan provincies hoe zij in die gevallen met deze ontheffingen wensen om te gaan.