TOELICHTING
In de Aanwijzing besteedbare middelen Wlz 2016 is voor het kalenderjaar 2016 een bedrag
ad € 148,687 miljoen voor de beheerskosten beschikbaar gesteld. Het beschikbare bedrag
voor taken als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, Wlz komt uit op € 71,203 miljoen
en het beschikbare bedrag voor overige bij of krachtens de Wlz geregelde taken bedraagt
€ 77,484 miljoen.
Toelichting artikel 1, artikel 2
In artikel 1 van de onderhavige nadere aanwijzing wordt voor de uitvoering van de
Wlz het voor de beheerskosten besteedbaar gestelde bedrag met een bedrag ad € 7,730
miljoen vermeerderd. Dit bedrag heeft betrekking op de beheerskosten die de Wlz-uitvoerders
en zorgkantoren tezamen maken in het kader van de uitvoering van de Wet langdurige
zorg (Wlz). Hieronder volgt een toelichting op dit bedrag.
Artikel 2 geeft aan dat het bedrag voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede
lid, van de Wet langdurige zorg met € 7,198 miljoen worden vermeerderd en het bedrag
voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken met € 0,532 miljoen worden
vermeerderd.
1. Loon- en prijsontwikkeling
De besteedbare middelen worden jaarlijks aangepast op grond van de werkelijke loon-
en prijsontwikkeling. Voor het jaar 2016 wordt uitgegaan van een loon- en prijsontwikkeling
van 1,19%. Het bedrag van de aanpassing op grond van de loon- en prijsontwikkeling
bedraagt € 1,728 miljoen (1,19% van € 145,190 miljoen, zijnde de structurele middelen
voor 2016). Aangezien voorcalculatorisch € 2,468 miljoen is verstrekt, worden de middelen
€ 0,740 miljoen neerwaarts bijgesteld. Het gaat om een neerwaartse bijstelling van
€ 0,341 voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige
zorg en een neerwaartse bijstelling van € 0,399 miljoen voor de overige bij of krachtens
die wet geregelde taken.
2. Aanpassingen in verband met volume-ontwikkelingen op het terrein van de taken als
bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, Wlz
2.1 Uitvoeringskosten persoonsgebonden budget (PGB)
In de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016 is uitgegaan van 32.700
PGB-ers (geraamde stand 1 juli 2016). Inmiddels staat vast dat de stand 1 juli 2016
uitkomt op 35.432. Deze bijstelling betekent dat voor de uitvoering van de PGB een
opwaartse correctie op de besteedbare middelen plaatsvindt. Deze opwaartse correctie
is € 0,545 miljoen en is gelijk aan het te laag geraamde aantal PGB-ers op 1 juli
2016 (2.732) vermenigvuldigd met € 199,54. Dit is het bedrag aan beheerskosten dat
in 2016 per PGB-budgethouder beschikbaar wordt gesteld.
2.2 Bewuste-keuze gesprekken nieuwe PGB-ers
Zorgkantoren zijn nieuwe PGB-budgethouders persoonlijker gaan benaderen onder andere
door het voeren van bewuste-keuze gesprekken. Bij de beschikbaarstelling van het budget
2016 is uitgegaan van 4.500 personen en een bedrag van € 264,46 per persoon waarmee
een of meerdere gesprekken gevoerd gaan worden.
Inmiddels wordt verwacht dat het aantal gesprekken voor 2016 zal uitkomen op 11.000.
Een opwaartse bijstelling van 6.500. Deze bijstelling betekent een opwaartse correctie
op de besteedbare middelen.
Deze opwaartse correctie bedraagt € 1,719 miljoen en zit incidenteel verwerkt in het
in artikel 1 genoemde bedrag. De bijstelling is gelijk aan het te laag geraamde aantal
gesprekken 6.500 vermenigvuldigd met € 264,46. Dit is het bedrag dat in 2016 per gesprek
beschikbaar wordt gesteld.
Bij de definitieve vaststelling door Zorginstituut Nederland zal worden uitgegaan
van het werkelijk aantal gesprekken. Mocht het werkelijk aantal gesprekken zodanig
afwijken dat het totaal aan besteedbaar gestelde middelen te laag is dan zal het bedrag
via een nadere aanwijzing worden bijgesteld.
2.3 Huisbezoeken PGB-ers
Vanaf 2015 ontvangen zorgkantoren via het beheerskostenbudget een vergoeding voor
huisbezoeken PGB-ers. Bij de beschikbaarstelling van het budget 2016 is uitgegaan
van 10.000 en een bedrag van € 508,50 per huisbezoek.
Inmiddels wordt verwacht dat het aantal huisbezoeken voor 2015 zal uitkomen op 12.000.
Een opwaartse bijstelling van 2.000. Deze bijstelling betekent een incidentele opwaartse
correctie op de besteedbare middelen. Deze opwaartse correctie bedraagt € 1,017 miljoen
en zit incidenteel verwerkt in het in artikel 1 genoemde bedrag. De bijstelling is
gelijk aan het te laag geraamde aantal gesprekken 2.000 vermenigvuldigd met € 508,50.
Dit is het bedrag dat in 2016 per bezoek beschikbaar wordt gesteld.
Bij de definitieve vaststelling door Zorginstituut Nederland zal worden uitgegaan
van het werkelijk aantal huisbezoeken. Mocht het werkelijk aantal huisbezoeken zodanig
afwijken dat het totaal aan besteedbaar gestelde middelen te laag is dan zal het bedrag
via een nadere aanwijzing worden bijgesteld.
Naast bijstellingen in verband met loon- en prijsontwikkeling en volume-ontwikkelingen
zijn er ook bijstellingen met een specifieke achtergrond. Deze worden onderstaand
toegelicht. Daarbij wordt in de eerste plaats ingegaan op taken als bedoeld in artikel
4.2.4, tweede lid, Wlz en vervolgens op de overige bij of krachtens de Wlz wet geregelde
taken.
3. Aanpassingen in verband met specifieke ontwikkelingen op het terrein van de taken
als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, Wlz
3.1 Extra inspanningen trekkingsrechten PGB
Het invoeren van het systeem van trekkingsrechten voor PGB-houders heeft ook in 2016
nog geleid tot extra inspanningen en hieraan gekoppelde meerkosten bij zorgkantoren.
De kosten zijn ten opzichte van 2015 wel gedaald van € 5,850 miljoen naar € 1,500
miljoen. Om deze extra kosten te dekken wordt dit bedrag voor 2016 incidenteel aan
de besteedbare middelen toegevoegd.
3.2 Meerzorg
Met ingang van 1 januari 2016 is de meerzorgregeling in de gehandicaptenzorg uitgebreid
naar de sector verpleging en verzorging en geestelijke gezondheidszorg. De meerzorgregeling
voorziet erin dat cliënten die aantoonbaar meer zorg behoeven dan hun zorgprofiel,
meerzorg kunnen ontvangen op basis van de Wet langdurige zorg.
Deze uitbreiding heeft tot gevolg dat meer mensen een beroep op deze regeling doen.
De praktijk leert dat kosten van de uitvoering voor iemand met een PGB gemiddeld uitkomen
op € 592 en voor iemand met Zorg in Natura (ZIN) of een Modulair Pakket Thuis (MPT)
op € 355.
De inschatting is dat uitbreiding geleid heeft tot een uitbreiding van tweederde van
het aantal mensen dat voorafgaande aan de uitbreng een beopep op meerzorgregeling
deed.
Alleen wat de uitbreiding wordt het budget verhoogd. Het gaat daarbij om 500 personen
met een PGB en 1.300 personen met ZIN of een MPT. Uitgaande van deze aantallen en
de hiervoor aangegeven uitvoeringskosten per persoon komen de extra kosten voor 2017
uit op € 0,758 miljoen. Om deze extra kosten te dekken wordt dit bedrag voor 2016
incidenteel aan de besteedbare middelen toegevoegd en zal aan de zorgkantoren worden
gevraagd in de financiële verantwoording een opgave te doen van het aantal extra uitgevoerde
aanvragen meerzorg uitgesplitst naar PGB en ZIN/MPT.
3.3 Ondersteuning Wlz-indiceerbaren
Van zorgkantoren worden ten aanzien van de ondersteuning van Wlz-indiceerbaren dit
jaar en de eerste helft van volgend jaar extra inspanningen gevraagd. Om aan de hieruit
voortvloeiende kosten tegemoet te komen wordt incidenteel € 0,500 miljoen aan de besteedbare
middelen toegevoegd.
4. Aanpassingen in verband met specifieke ontwikkelingen op het terrein van de voor
de overige bij of krachtens de Wlz wet geregelde taken
4.1 Project ‘Leven zoals je wilt’
In het project ‘Leven zoals je wilt’ gaat het om een experiment om de inkoop van zorg
optimaal te laten aansluiten bij de gewenste invulling van de individuele klant. Het
project loopt van mei 2016 tot en met eind 2018. Om de kosten 2016 van dit project
te dekken wordt incidenteel € 0,081 miljoen aan de besteedbare middelen toegevoegd.
Toelichting artikel 3 Te goeder trouw en terugvorderen
Uit het bedrag, bedoeld in artikel 2, voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4 tweede
lid, van de Wet langdurige zorg, wordt aan zorgkantoren incidenteel in totaal maximaal
een bedrag van € 1,500 miljoen beschikbaar gesteld voor de kosten van onderzoek bij
cliënten die betrokken zijn bij fraude/oneigenlijk gebruik PGB. Het betreft hier zaken
die onder de AWBZ zijn ontstaan, maar in 2016 tot kosten hebben geleid.
Dit bedrag wordt aan de middelen toegevoegd. Voor deze middelen geldt dat ze niet
voor andere doelen mogen worden aangewend. Om dit te bewerkstelligen worden deze middelen
niet aan de budgetten van de zorgkantoren toegevoegd, maar kunnen zij de betreffende
kosten bij het Zorginstituut indienen en zullen deze kosten vervolgens door het Zorginstituut
worden vergoed. Daartoe doen de zorgkantoren in de loop van 2017 een opgave van de
kosten aan het Zorginstituut. Deze opgaven zullen vervolgens door de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) worden gecontroleerd. Indien de door de zorgkantoren ingediende kosten onder
het beschikbaar gestelde bedrag blijven, vloeien de overblijvende middelen terug in
het Fonds langdurige zorg. In geval dat het ingediende bedrag boven het beschikbaar
gestelde bedrag uitkomt, zullen de kosten naar rato worden vergoed.
Het gaat om zowel de kosten in 2016 van het bij cliënten vaststellen of er wel/niet
sprake is van ‘te goeder trouw’ als de in 2016 opgetreden vervolgkosten. Bij de vervolgkosten
kan het gaan om de kosten van het verhalen van de vordering bij klanten die niet te
goeder trouw zijn als de kosten van het verhalen van vordering bij zorgaanbieders
namens cliënten die wel te goeder trouw zijn.
Bij het opstellen van de Nadere Aanwijzing 2017 zal worden bezien in hoeverre ook
in 2017 er nog vervolgkosten optreden en aanvullende dekking hiervoor op zijn plaats
is.
Toelichting artikel 4 onafhankelijke cliëntondersteuning
In het kader van onafhankelijke cliëntondersteuning zijn door Wlz-uitvoerders, zorgkantoren
contracten afgesloten met MEE NL en Zorgbelang. Daartoe is in de Aanwijzing 2016 € 7,500
miljoen aan de besteedbare middelen beschikbaar gesteld en door het Zorginstituut
over Wlz-uitvoerders verdeeld. Er is geconstateerd dat het beschikbaar gestelde bedrag
niet voldoende is en wordt aanvullend € 0,850 miljoen structureel beschikbaar gesteld.
Omdat de verdeling van de gelden over Wlz-uitvoerders niet volledig aansluit bij de
afgesloten contracten wordt toegestaan dat Wlz-uitvoerders onderling de budgetten
herverdelen. Om te zorgen dat de niet-bestede gelden in het Fonds langdurige zorg
worden teruggestort zal de Wlz-uitvoerders worden gevraagd om in de financiële verantwoording
een opgave te doen van de afgesloten contracten. Indien daaruit blijkt dat een deel
van de beschikbaar gestelde middelen niet is besteed dan zal het Zorginstituut een
korting op de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten toepassen.
Totaal
In totaal gaat het om een stijging van € 7,730 miljoen. Bestaande uit een structurele
stijging van € 0,655 miljoen en een incidentele toevoeging van € 7,075. Opgeteld bij
het bedrag dat in de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016 al voor
het kalenderjaar 2016 beschikbaar is gesteld, komen de besteedbare middelen 2016 voor
de beheerskosten Wlz in totaal uit op € 156,417 miljoen. Het structurele deel bedraagt
€ 146,502 miljoen. Daarvan is € 68,967 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld
in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg en € 77,535 miljoen voor
de overige bij of krachtens die wet geregelde taken.Het incidentele deel bedraagt
€ 9,915 miljoen. Daarvan is € 9,434 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in
artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg en € 0,481 miljoen voor de overige
bij of krachtens die wet geregelde taken.
Toelichting artikel 5
In artikel 5 staat dat Wlz-uitvoerders in het financieel verslag financiële verantwoording
afleggen over het jaar 2016. Hierin wordt aangegeven welk beheerskostenbudget voor
de uitvoering van de Wlz is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering
van de Wlz. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten opgeteld bij de
primo stand wettelijke reserve uitvoering Wlz 2016 en in het financieel verslag vastgelegd
als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering Wlz 2016. De Wlz-uitvoerder die
als zorgkantoor is aangewezen verantwoordt zich zowel over de beheerskostenbudgetten
die hij in zijn hoedanigheid van zorgkantoor rechtstreeks van het Zorginstituut ontvangt
als over de beheerskostenbudgetten voor de uitvoering van de overige taken die hij
van ZN ontvangt. Een Wlz-uitvoerder die geen zorgkantoor is, verantwoordt zich alleen
over de middelen die hij als Wlz-uitvoerder van het Zorginstituut toegekend krijgt.
Toelichting artikel 6
In artikel 5 staat dat de aanwijzing in werking treedt met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot
en met 19 december 2016. Deze data zijn zodanig gekozen dat het Zorginstituut zijn
op deze aanwijzing gebaseerde beleidsregels in december 2016 kan vaststellen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn