Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2016, 2016-0000259099, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014-2010 in verband met het toevoegen van vereenvoudigde kostenopties, het verhogen van het subsidieplafond in het kader van duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen en een technische aanpassing met betrekking tot de doelgroep van actieve inclusie

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING ESF 2014-2020

A

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid vervalt: uitsluitend.

2. Na het elfde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 12. Onverminderd de subsidievormen, genoemd in het eerste lid, komen de volgende kostensoorten tevens voor subsidiëring in aanmerking:

    • a. standaardschalen van eenheidskosten;

    • b. lump sums;

    • c. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.

  • 13. De minister stelt ambtshalve vast welke subsidievorm, bedoeld in het eerste of twaalfde lid, wordt toegepast, alsmede in hoeverre een eventuele combinatie van deze subsidievormen mogelijk is.

B

In bijlage 1 komt artikel A4, eerste lid, onderdeel f, te luiden:

  • f. leerlingen die ingeschreven staan bij een school voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel praktijkonderwijs, alsmede leerlingen die in de periode van 24 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van hun deelname aan het project, ingeschreven hebben gestaan bij een dergelijke school, en in aanvulling op het regulier onderwijs, of na het verlaten van de school ondersteuning of begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie;.

C

In bijlage 1 wordt in artikel B3 ‘€ 13.000.000,–’ vervangen door: € 30.000.000,–.

D

In bijlage 1 wordt artikel B11 als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van artikel 7, vijfde lid, wordt op de aanvraag met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk uiterlijk dertig weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat Artikel I, onderdelen A en B, terugwerken tot en met 18 september 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 december 2016

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

TOELICHTING

ARTIKEL I

Onderdeel A

Deze regelwijziging betreft een nadere uitwerking van het Europeesrechtelijke kader voor het ESF in de programmaperiode 2014-2020, waarmee het expliciet mogelijk wordt gemaakt om gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties bij het afrekenen van projecten gesubsidieerd met ESF-bijdragen. Dit is een toevoeging op de reeds bestaande mogelijkheid om af te rekenen op basis van werkelijk gemaakte en betaalde kosten.

De nadere uitwerking is in het verlengde van en geschiedt met inachtneming van:

  • Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad.

  • (hierna: Structuurfondsenverordening); en,

  • Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad. (hierna: ESF-verordening).

Waar het voorheen alleen mogelijk was om af te rekenen op basis van werkelijk gemaakte en betaalde kosten (artikel 67, eerste lid, onderdeel a, van de Structuurfondsenverordening), heeft de Europese Commissie enkele nieuwe, vereenvoudigde, kostenverantwoordingsopties opgenomen onder artikel 67, eerste lid, onderdeel b tot en met d, van de Structuurfondsenverordening en in artikel 14 van de ESF-verordening.

Met deze vereenvoudigde kostenopties wordt het mogelijk om af te rekenen op basis van standaardprijzen. Financiële bewijsstukken dienen hierbij niet meer als basis voor de verantwoording, maar enkel nog de stukken die de prestatie aantonen. Voor deze standaardprijzen is een gedegen onderbouwing vereist die gebaseerd is op een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode op basis van:

  • a. statistische gegevens of andere objectieve informatie;

  • b. de gecontroleerde historische gegevens van individuele begunstigden;

  • c. de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden.

Het is tevens mogelijk gebruik te maken van een methode die al wordt toegepast bij andere Europese fondsen of soortgelijke acties die volledig nationaal gefinancierd worden.

Binnen deze kaders kan de lidstaat ervoor kiezen om gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties door hierover afspraken op te nemen in de beschikking tot subsidieverlening, zoals bedoeld in artikel 67, zesde lid, van de Structuurfondsenverordening. Nederland kiest ervoor de Europese Commissie vooraf om goedkeuring te vragen van een voorstel voor vereenvoudigde kostenopties. De Commissie stelt dan een gedelegeerde handeling vast waarmee aan de lidstaat juridische zekerheid wordt verschaft over de mogelijkheid om de voorgestelde vereenvoudigde kostenoptie toe te passen (zie hierover artikel 14, eerste lid, van de ESF-verordening).

Van belang is dat het initiatief voor het gebruik van vereenvoudigde kostenopties bij de minister ligt. De reden voor deze beperking is gelegen in het feit dat het proces tot formele goedkeuring van voorstellen voor vereenvoudigde kostenopties via de Europese Commissie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de ESF-verordening, erg arbeidsintensief is. Het is derhalve niet mogelijk om individuele voorstellen door aanvragers en begunstigden te behandelen.

Onderdeel B

Dit betreft een technische aanpassing van de omschrijving van de doelgroep van (ex-)leerlingen binnen het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, met als doel de toerekening van projectkosten aan deze doelgroep te vereenvoudigen. Met deze nieuwe bepaling voor de doelgroep hoeft niet meer te worden aangetoond wat de leeftijd van de deelnemer is, in welke klas de deelnemer zit en of de deelnemer beschikt over een indicatiestelling voor het voortgezet speciaal onderwijs of het praktijkonderwijs.

Onderdeel C

Dit onderdeel bevat een aanpassing van het in bijlage 1 van de regeling opgenomen hoofdstuk V (Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen) in Investeringsprioriteit B (Actief en gezond ouder worden). Het subsidieplafond in het kader van hoofdstuk V van bijlage 1, Actie B, wordt verhoogd van € 13.000.000,– naar € 30.000.000,–.

De aanvraagronde in het kader van bijlage 1, hoofdstuk V (Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen), die heeft plaatsgevonden van 14 november 2016 tot en met 25 november 2016 is succesvol verlopen. In totaal is naar schatting voor een bedrag van € 30.000.000,– subsidie aangevraagd. Hiermee is het beschikbaar gestelde budget van € 13.000.000,– overschreden. Het is wenselijk de getoonde belangstelling voor het thema duurzame inzetbaarheid van werknemers te honoreren om de duurzame inzetbaarheid van werknemers zoveel mogelijk te stimuleren. Alle plannen die voldoen aan de voorwaarden van de regeling zullen worden gehonoreerd. Daarom wordt het subsidieplafond in artikel B3 verhoogd naar € 30.000.000,–.

Onderdeel D

In afwijking van de algemene bepalingen met betrekking tot de beslistermijn van de subsidieaanvraag, is besloten dat binnen uiterlijk dertig weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag een beschikking wordt afgegeven. Deze langere beslistermijn is in de regeling opgenomen vanwege het grote aantal aanvragen dat is ingediend. Om alle aanvragen te kunnen beoordelen, zoals wordt beoogd met de verhoging van het subsidieplafond in onderdeel C, is een langere beslistermijn vereist.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

In dit artikel wordt de spoedige inwerkingtreding van de regeling geregeld. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn. Spoedige inwerkingtreding is zeer wenselijk, zodat in het kader van de verhoging van het subsidieplafond zo spoedig mogelijk beschikkingen met betrekking tot de verlening van subsidies kunnen worden genomen.

Vanwege de aanmerkelijke lastenverlichting die het gebruik van vereenvoudigde kostenopties, alsmede de wijziging van de bepaling van de doelgroep van (ex-) leerlingen binnen het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, met zich mee kunnen brengen, is het wenselijk dat de wijziging in Artikel I, onderdelen A en B, terug werken tot en met 18 september 2014. Dit is de datum dat het operationeel programma ESF voor Nederland door de Europese Commissie is goedgekeurd. Op deze manier kan, in voorkomende gevallen, voor lopende projecten, in overleg met de begunstigden worden besloten om over te stappen op een afrekenmethodiek gebaseerd op vereenvoudigde kostenopties en kan de vereenvoudigde doelgroepenbepaling voor leerlingen binnen het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs voor alle projecten waarvoor de subsidie nog moet worden vastgesteld, worden toegepast.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Naar boven