Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2016
Nr. 67087

Gepubliceerd op 6 december 2016 09:00



Regeling van de Minister van Economische Zaken van1 december 2016, nr. WJZ/16147592, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-susbidies in verband met aanpassingen in de Investeringssubsidie duurzame energie

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, 4, 19, 25, 34, eerste lid, en 50, vierde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

Titel 4.5 van de Regeling nationale EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.5.3, tweede lid, vervalt ‘uiterlijk drie maanden’.

B

In artikel 4.5.4, onderdeel a, wordt ‘een grond-waterwarmtepomp, een water-waterwarmtepomp of een hybride warmtepomp’ vervangen door: een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp.

C

Artikel 4.5.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De subsidie voor een verwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.4 met een lucht-waterwarmtepomp bedraagt bij een thermisch vermogen:

    • a. tot 3,5 kW: € 1.000;

    • b. van 3,5 kW tot en met 10 kW: € 2.000, en

    • c. van meer dan 10 kW: € 2.000 vermeerderd met € 100 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW.

2. Het derde en vierde lid vervallen.

3. Het vijfde lid wordt vernummerd tot derde lid.

D

In artikel 4.5.9, eerste lid, wordt ‘€ 0,50 per kWh’ vervangen door ‘€ 0,75 per kWh’ en ‘€ 0,25 per kWh’ door ‘€ 0,30 per kWh’.

E

Artikel 4.5.11 komt te luiden:

Artikel 4.5.11. Hoogte en berekening subsidiebedrag op biomassa gestookte ketel

De subsidie voor een op biomassa gestookte ketel als bedoeld in artikel 4.5.7 bedraagt bij een thermisch vermogen:

  • a. tot en met 40 kW: € 2.500, en

  • b. vanaf 40 kW: € 2.500 vermeerderd met € 110 per kW vermogen van de ketel hoger dan 40 kW.

F

Artikel 4.5.12 komt te luiden:

Artikel 4.5.12. Afwijzingsgronden

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. de aanvrager voor dezelfde installatie voor de productie van duurzame energie op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een verzoek heeft ingediend bij de minister om een verklaring dat sprake is van een energie-investering als bedoeld in dat artikel;

    • b. de installatie voor de productie van duurzame energie is of wordt geïnstalleerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit 2012;

    • c. blijkens het bewijs van aanschaf de installatie voor de productie van duurzame energie vóór 1 januari 2016 is aangeschaft;

    • d. ten aanzien van dezelfde installatie voor de productie van duurzame energie reeds subsidie is verstrekt;

    • e. in geval van een aanvraag van een natuurlijke persoon ten behoeve van een installatie voor de productie van duurzame energie bestemd voor de eigen woning, de installatie nog niet is geïnstalleerd;

    • f. in geval van een aanvraag van een natuurlijke persoon ten behoeve van een installatie voor de productie van duurzame energie bestemd voor de eigen woning, de aanvraag later dan zes maanden na het installeren ervan is ingediend;

    • g. de aanvraag betrekking heeft op een gebruikte installatie voor de productie van duurzame energie.

  • 2. De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing op een hernieuwde aanvraag, indien deze aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden nadat een aanvraag voor dezelfde installatie voor de productie van duurzame energie is afgewezen in verband met de uitputting van het subsidieplafond.

G

Aan artikel 4.5.15 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De aanvraag, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het besluit, gaat vergezeld van het bewijs van aanschaf van elk van de installaties voor de productie van duurzame energie.

H

Aan artikel 4.5.16 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de vervreemding van de woning of het bedrijf waarin de installatie voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd.

I

Artikel 4.5.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen a en b worden geletterd b en c.

b. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • a. een vermelding van de locatie waar de installatie voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd indien deze afwijkt van het post- en bezoekadres;

2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.

b. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. een vermelding van de beoogde locatie van elk van de installaties voor de productie van duurzame energie;.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De subsidieaanvrager verstrekt gegevens waaruit blijkt dat de installatie voor de productie van duurzame energie voldoet aan de technische eisen, afhankelijk van de installatie, bedoeld in artikel 4.5.4, 4.5.5, 4.5.6 of 4.5.7.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 1 december 2016

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

Met de onderhavige regeling wordt de module investeringssubsidie duurzame energie (hierna: ISDE) in de Regeling nationale EZ-subsidies op een aantal punten gewijzigd. Aanleiding hiervoor is een evaluatie van het functioneren van de regeling sinds de start. Voorts wordt de ISDE op een aantal punten gewijzigd ter vereenvoudiging van de uitvoering.

2. Inhoud van de regeling

2.1. Aanpassing technische eisen verwarmingstoestel met warmtepomp

In de ISDE werd aan een verwarmingstoestel met warmtepomp de eis gesteld dat deze een bepaalde warmtepomp heeft, te onderscheiden naar de bron (zoals lucht-water) of te onderscheiden naar de toepassing (hybride of warmtepompboiler). Deze gronden voor het maken van onderscheid overlappen elkaar aangezien een warmtepomp altijd een bron én een toepassing heeft. Dit veroorzaakte verwarring onder aanvragers van de subsidie. Derhalve komt het onderscheid op basis van toepassing in de artikelen 4.5.4 en 4.5.8 te vervallen (zie artikel I, onderdelen B en C). Dit geldt voor de categorieën hybride warmtepompen en warmtepompboiler. Deze wijziging is van invloed op de hoogte en berekening van de subsidiebedragen voor verwarmingstoestellen met warmtepomp in artikel 4.5.8. Door de wijziging in artikel I, onderdeel C, vindt slechts een categorisering plaats op basis van de warmtebron van de pomp. Daarbij zijn in artikel 4.5.8 de bedragen dusdanig aangepast dat slechts ten aanzien van een zeer gering aantal apparaten het subsidiebedrag verandert. In het eerste lid van onderdeel C worden daartoe de kleine lucht-waterpompen in twee vermogenscategorieën verdeeld. Voor lucht-waterpompen met een vermogen tot 3,5 kW bedraagt de subsidie € 1000. Dit bedrag sluit aan bij het subsidiebedrag voor kleine hybride warmtepompen zoals dat in 2016 gold. Voor de lucht-waterwarmtepompen met een vermogen vanaf 3,5 kW wijzigen de subsidiebedragen niet.

2.2. Wijziging van hoogte van subsidiebedragen

In de ISDE zijn forfaitaire bedragen vastgesteld. Deze bedragen zijn afhankelijk van technische parameters zoals het productievermogen van de installatie. De regeling geeft een stimulans aan de verkoop en ingebruikname van deze installaties. Met de subsidie wordt de terugverdientijd gereduceerd. De regeling is niet bedoeld om de gehele onrendabele top van de technieken te subsidiëren. Uitgangspunten zijn dat de subsidiehoogte tussen circa 20% en 30% van de investeringskosten bedraagt en de maximale steunintensiteit uit de algemene groepsvrijstellingsverordening1 niet wordt overschreden.

In 2016 is gebleken dat de aanmoedigingspremie die onderhavige regeling tracht te geven, niet voor alle technieken binnen de regeling momenteel ongeveer gelijk is en voldoende stimuleringseffect heeft. Derhalve wordt in artikel I, onderdeel D, de subsidie voor zonneboilers verhoogd. Voor installaties van ten hoogste 10 vierkante meter bedraagt het subsidiebedrag € 0,75 per kWh. Voor de installaties met een apertuuroppervlakte van 10 tot en met 200 vierkante meter bedraagt het nieuwe subsidiebedrag € 0,30 per kWh.

Bij op biomassa gestookte ketels is het subsidiebedrag voor ketels met een vermogen tot 40 kW relatief ruim, terwijl het voor de grotere ketels een relatief beperkt stimuleringseffect heeft. Ook voor deze ketels zijn de subsidiebedragen derhalve enigszins aangepast in 2017 (zie het nieuwe artikel 4.5.11 van de ISDE bij artikel I, onderdeel E). Voor ketels met een vermogen tot 40 KW bedraagt de subsidie € 2.500 en daarboven bedraagt de subsidie € 110 voor elke kW meer.

2.3 Wijziging van subsidiabele kosten en afwijzingsgronden

In de loop van 2016 is gebleken dat de termijn van drie maanden waarbinnen een particulier een aanvraag voor subsidie kan indienen nadat het apparaat is aangeschaft relatief kort is. Daarom vervalt op grond van artikel I, onderdeel A, van onderhavige regeling de zinsnede ‘uiterlijk drie maanden’ in artikel 4.5.3 van de ISDE-module en worden alle kosten die ten behoeve van een installatie van duurzame energie sinds 2016 worden gemaakt aangemerkt als in aanmerking komende kosten.

In artikel I, onderdeel F, worden in een nieuw artikel 4.5.12 de afwijzingsgronden geherformuleerd. Een nieuwe afwijzingsgrond voor particulieren betreft de indiening van de aanvraag later dan zes maanden na het installeren van de installatie. Deze afwijzingsgrond vervangt de driemaandentermijn na aanschaf van de installatie voor wat betreft de subsidieaanvraag door particulieren. Op deze manier wordt het risico beperkt dat een aanvrager te laat zijn subsidieaanvraag indient.

In het nieuwe artikel 4.5.12, eerste lid, wordt met de onderdelen d en g beoogd te voorkomen dat voor eenzelfde apparaat twee keer subsidie verleend wordt. De afwijzingsgrond in onderdeel h dat een aanvraag betrekking heeft op een gebruikte installatie leidt er tevens toe dat geen subsidie wordt verleend voor bijvoorbeeld showroommodellen. Dit is gerechtvaardigd omdat showroommodellen doorgaans tegen sterk gereduceerde prijzen worden aangeboden.

2.5. Informatieverplichtingen

De te subsidiëren installaties voor de productie van duurzame energie kunnen op andere locaties geplaatst zijn (voor particulieren) of geplaatst worden (in het geval van bedrijven) dan het bezoek- of postadres. Mede met het oog op de handhaving wordt door de wijziging van artikel I, onderdeel I, van artikel 4.5.17 geregeld dat bij de subsidieaanvraag de locaties van de installaties of in voorkomend geval de beoogde locaties van de installaties worden gemeld.

Het tweede lid van artikel 4.5.16 heeft ten doel te bewerkstelligen dat een apparaat waarvoor subsidie is aangevraagd ook daadwerkelijk wordt geïnstalleerd en gebruikt voor de productie van hernieuwbare energie. Wellicht ten overvloede wordt aan dit artikel een derde lid toegevoegd waarin is opgenomen dat het tweede lid uiteraard niet betekent dat een woning of bedrijfspand, waarin een gesubsidieerd apparaat is geïnstalleerd, niet zou mogen worden verkocht.

Aan artikel 4.5.17 wordt bovendien een vijfde lid toegevoegd. De subsidieaanvrager is verplicht aan te tonen dat een bepaald type apparaat voldoet aan de eisen in de ISDE. Ter uitvoering van de subsidieregeling zijn lijsten met zoveel mogelijk apparaten beschikbaar waarvan is vastgesteld dat zij aan de eisen van de ISDE voldoen. Voor apparaten op deze lijst kan de aanvrager voor zijn verplichting van artikel 4.5.17, vijfde lid, volstaan met een verwijzing naar die lijst. Indien een apparaat niet op de lijst staat, kan subsidie worden aangevraagd, maar dient de aanvrager documentatie aan te leveren om te bewijzen dat het apparaat voldoet aan de eisen in de ISDE. Door de wijziging van artikel I, onderdeel I, wordt deze verplichting geëxpliciteerd.

2.6 Overgangsrecht

In artikel 5.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies is het overgangsrecht geregeld. Op grond van die bepaling worden aanvragen die uiterlijk op 31 december 2016 zijn ingediend, beoordeeld en beschikt op basis van de regeling zoals die in 2016 van toepassing was. De datum van indiening van de aanvraag is daarmee bepalend voor welke versie van de regeling van toepassing is.

3. Administratieve lasten

De wijzigingen die met de onderhavige regeling worden doorgevoerd hebben nauwelijks gevolgen voor de administratieve lasten voor bedrijven of burgers. Enkele wijzigingen in de regeling zijn zelfs doorgevoerd met het oog op een nog eenvoudigere uitvoering. Het gebruik van het digitale aanvraagloket is in de meeste gevallen heel efficiënt en snel gebleken. De administratieve lasten voor de particuliere aanvrager bestaan uitsluitend uit een eenmalige aanvraag. Voor overige aanvragers bestaan de administratieve lasten in de aanvraagfase en bij het vaststellen van de subsidie.

In het geval een aanvrager subsidie aanvraagt voor een apparaat dat niet reeds bekend is, dient de aanvrager zelf documenten aan te leveren die aantonen dat het desbetreffende apparaat aan de eisen in onderhavige regeling voldoet, indien. Deze verplichting voor aanvragers bestond ook al voor 1 januari 2017 uit hoofde van de bepalingen over het indienen van een aanvraag uit de Algemene wet bestuursrecht, maar is ter verduidelijking met ingang van 2017 in de regeling opgenomen.

4. Staatssteun

Onderhavige regeling leidt tot enkele technische en inhoudelijke aanpassingen. De wijzigingen in de ISDE-module van de Regeling nationale EZ-subsidies blijven binnen de bij artikel 41 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening gestelde kaders inzake subsidiabele kosten en steunintensiteit. De nieuwe elementen van de subsidiemodule ISDE zullen ter kennisneming aan de Europese Commissie worden toegezonden, conform artikel 11, onder a, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

5. Notificatie

De ISDE is ingevolge richtlijn nr. 98/34/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG 1998, L 204) voorgelegd aan de Europese Commissie. De wijzigingen in onderhavige regeling hebben geen betrekking op de technische voorschriften in de ISDE en behoeft derhalve geen aanvullende notificatie.

6. Vaste verandermomenten

De inwerkingtreding van onderhavige regeling wijkt af van het beleid inzake de vaste verandermomenten. Weliswaar is de inwerkingtredingsdatum voorzien met ingang van 1 januari 2017 en daarmee op een van de vier voorziene inwerkingtredingsmomenten voor ministeriële regelingen; de bekendmaking van onderhavige regeling houdt geen rekening met de termijn van twee maanden.

Afwijking van het beleid is gerechtvaardigd aangezien het een subsidieregeling betreft die niet belastend is voor burgers. De afwijking is noodzakelijk omdat onderhavige regeling op hetzelfde moment in werking dient te treden als de separate regeling die de openstelling van onder andere deze subsidiemodule in de Regeling nationale EZ-subsidies regelt.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl