Overwegingen ten aanzien van het besluit
op het Camee liggen twee gehandicaptenparkeerplaatsen voor algemeen gebruik door uitsluitend gehandicapten, zonder een parkeerduurbeperking;
- dergelijke gehandicaptenparkeerplaatsen worden aangeduid met borden E6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- ingevolge artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 mogen op dergelijke parkeerplaatsen slechts worden geparkeerd:
a. een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;
b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt;
- in lid 2 van artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is geregeld, dat – indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld – artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep;
- omdat de parkeervakken in sub 1 deel uitmaken van openbare parkeerplaatsen die bedoeld zijn voor bezoekers van de bewoners, is het ook in dit geval gewenst op deze gehandicaptenparkeerplaatsen een maximale parkeerduur vast te stellen;
- gebleken is namelijk dat op deze gehandicaptenparkeerplaatsen veelvuldig en langdurig dezelfde auto geparkeerd staat, met als gevolg dat gehandicapte bezoekers van de bewoners hun auto niet op die parkeerplaatsen niet kunnen parkeren en is ongewenst;
- met sub 2 van het besluit wordt dat ongewenste gebruik onmogelijk;
- gevolg van dit besluit is, dat ook voor het parkeren op die gehandicaptenparkeerplaatsen tevens gebruik moet worden gemaakt van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen;
- bij de behoefte aan gehandicaptenparkeerplaatsen voor algemeen gebruik gaat om een beoordeling in het licht van de doelstelling in artikel 2, lid 1, sub c, van de Wegenverkeerswet 1994, in dit geval het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg voor personen die door hun handicap niet in staat zijn zich zelfstandig lopend over een grotere afstand te verplaatsen, dan wel bij verplaatsing buitenshuis zijn aangewezen op gebruikmaking van een rolstoel of duwwagen of een andersoortig gehandicaptenvoertuig;