Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZuidplasStaatscourant 2016, 668Instelling gemeenschappelijke regelingen

Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Hitland

Logo Zuidplas

I. Begripsbepalingen

Artikel 1.

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    deelnemende gemeente: de aan de regeling deelnemende gemeente;

  • b.

    gebied: het gebied begrensd door de Groenendijk, ’s Gravenweg en Schielandweg in de gemeente Zuidplas en de Klaas Klinkertkade in de gemeente Capelle aan den IJssel;

  • c.

    gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

  • d.

    recreatieschap: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als genoemd in artikel 2;

e. regeling: deze gemeenschappelijk regeling.

II. Het openbaar lichaam

Paragraaf 1: De samenstelling van het algemeen bestuur.

Artikel 5.
  • 1.

    Het aantal leden van het algemeen bestuur is vier leden per deelnemende gemeente.

  • 2.

    Door de raad van elke deelnemende gemeente worden vier leden uit het college van burgemeester en wethouders dan wel de raad aangewezen.

  • 3.

    Door de raad van elke deelnemende gemeente wordt tevens een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aangewezen. Op hen zijn de op de leden van het algemeen bestuur betrekking hebbende bepalingen van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege het recreatieschap aangesteld of daaraan ondergeschikt. Onder ambtenaar wordt mede verstaan degene die op arbeidsovereenkomst naar Burgerlijk Recht werkzaam is.

Artikel 6.
  • 1.

    De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een tijdvak gelijk aan dat van de leden van de gemeenteraad, met dien verstande, dat zij voor de eerste maal worden aangewezen voor het tijdvak eindigende met ingang van de dag, waarop in 2018 de raden van de deelnemende gemeenten in nieuwe samenstelling in vergadering bijeenkomen.

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten wijzen zo mogelijk in de eerste vergadering van elke zittingsperiode de leden van het algemeen bestuur aan.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur dat ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders dan wel de raad houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

  • 4.

    De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dat ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur en de voorzitter van de raad die hen heeft aangewezen in kennis.

  • 5.

    Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou hebben moeten aftreden.

  • 6.

    Onverminderd het bepaalde in lid 3 behouden leden van het algemeen bestuur hun lidmaatschap, totdat in hun opvolging is voorzien, echter ten hoogste twee maanden nadat het verzoek om ontslag is ingediend of zich anderszins een grond tot aftreden heeft voorgedaan.

  • 7.

    De besluiten tot benoeming of ontslag van leden van het algemeen bestuur worden in afschrift aan de voorzitters van de raden van de deelnemende gemeenten en aan de voorzitter van het algemeen bestuur gezonden.

Artikel 2.

De raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Zuidplas vormen een openbaar lichaam, genaamd: Recreatieschap Hitland. Het is gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel.

Artikel 3.

Het bestuur van het recreatieschap bestaat uit:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

III De taak van het recreatieschap

Artikel 4.

1. Het recreatieschap heeft tot taak het in onderlinge samenhang behartigen van het gemeenschappelijk belang van de deelnemende gemeenten voor wat betreft natuur en landschap, de ontsluiting, de ontwikkeling, de aanleg en het beheer in het kader van de openluchtrecreatie en het toerisme en het behouden en recreatief ontsluiten van het agrarisch open middengebied in het gebied.

2. Aan het recreatieschap worden ter vervulling van de in lid 1 omschreven taak alle bevoegdheden van regeling en bestuur toegekend binnen de grens van artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

IV. Het algemeen bestuur

Paragraaf 2: De werkwijze van het algemeen bestuur

Artikel 7.

Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of door ten minste één van de leden schriftelijk, met opgave van redenen, wordt gevraagd.

Artikel 8.
  • 1.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 2.

    Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering van het algemeen bestuur één stem.

  • 3.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur wordt niet beraadslaagd noch een besluit genomen over:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het voorlopig vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen;

    • d.

      het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling;

    • e.

      het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het recreatieschap en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling;

    • f.

      het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen, dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan.

  • 4.

    In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over het doen van een uitgaaf op de begroting niet voorkomende, of daarop uitgetrokken post te boven gaande en het aanwijzen van de middelen ter dekking van zodanige uitgaaf;

  • 5.

    Het algemeen bestuur besluit behoudens het bepaalde in artikel 40, lid 3, met meerderheid van stemmen.

Artikel 9.

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

Paragraaf 3: De bevoegdheden van het algemeen bestuur.

Artikel 10.

Aan het algemeen bestuur behoort met betrekking tot de in artikel 4 omschreven taak van het recreatieschap alle bevoegdheid, tenzij bij wet of in deze regeling anders is bepaald.

Artikel 11.

De deelnemende gemeenten kunnen met eensluidende besluiten de grenzen van het gebied wijzigen.

Artikel 12.

Tot de bevoegdheid van het algemeen bestuur behoort onder andere:

  • a.

    het vaststellen van instructies en reglementen, die ten doel hebben een doelmatig beheer te bevorderen;

  • b.

    het met inachtneming van het bepaalde in artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen instellen van commissies van advies;

c. het vaststellen van een verordening tot het heffen van belastingen op grond van artikel 30, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor zover deze verordening blijft binnen de aan het recreatieschap opgedragen taak, alsmede het heffen van retributies;

Artikel 13.
  • 1.

    De deelnemende gemeenten plegen met het dagelijks bestuur overleg over de bij hen in voorbereiding zijnde besluiten waarvan de kennisneming voor de uitoefening van de bevoegdheden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van belang is.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten geven aan het dagelijks bestuur terstond kennis van de hunnerzijds genomen besluiten waarvan de kennisneming voor de uitoefening van de bevoegdheden van het algemeen en het dagelijks bestuur van belang is.

  • 3.

    Onder besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden in ieder geval gerekend

besluiten genomen ingevolge de Wet ruimtelijke ordening, voor zover betrekking hebbende op het gebied.

Artikel 14.

De leden en adviseurs van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur hebben, indien het algemeen bestuur dit bepaalt recht op vergoeding van reiskosten naar een tarief dat door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

V. Het dagelijks bestuur.

Paragraaf 1: De samenstelling van het dagelijks bestuur.

Artikel 15.
  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, te weten:

    • a.

      de voorzitter van het algemeen bestuur;

    • b.

      de vice-voorzitter van het algemeen bestuur;

    • c.

      één van de leden van het algemeen bestuur, benoemd door de raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;

    • d.

      één van de leden van het algemeen bestuur, benoemd door de raad van de gemeente Zuidplas.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur worden in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling aangewezen.

  • 3.

    In geval van ontstentenis van een lid van het dagelijks bestuur of verhindering tot het vervullen van zijn taak treedt een ander als zodanig aangewezen lid van het algemeen bestuur op als lid van het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 5.

    In tussentijdse vacatures voorziet het algemeen bestuur ten spoedigste, doch in elk geval binnen twee maanden.

Paragraaf 2: De werkwijze van het dagelijks bestuur

Artikel 16.
  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter dit nodig oordeelt, of ten minste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van het te behandelen onderwerp of de te behandelen onderwerpen verzoekt, in welk laatste geval de vergadering binnen twee weken plaatsvindt.

  • 2.

    Artikel 53, eerste en tweede lid, van de gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Elk lid van het dagelijks bestuur heeft in de vergadering van het dagelijks bestuur één stem.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan het algemeen bestuur wordt medegedeeld.

Paragraaf 3: De bevoegdheden van het dagelijks bestuur.

Artikel 17.
  • 1.

    Aan het dagelijks bestuur is opgedragen:

    • a.

      een voortdurend toezicht op al wat het recreatieschap aangaat;

    • b.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing moet worden voorgelegd;

    • c.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • d.

      het afkondigen van besluiten waarvan de afkondiging bij de wet, bij de regeling of bij besluit van het algemeen bestuur is voorgeschreven;

    • e.

      het desgevraagd dienen van bericht en raad over alle zaken het recreatieschap betreffende aan de departementen van algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten, tenzij zulks bepaaldelijk van het algemeen bestuur wordt verlangd;

  • f.

    het beheren van de inkomsten en uitgaven van het recreatieschap, voor zover dit niet bij of krachtens de regeling aan anderen is opgedragen;

  • g.

    de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijke beheer en de boekhouding;

  • h.

    het toezicht op het beheer en onderhoud van alle werken, inrichtingen en eigendommen;

  • i.

    het vaststellen van de voorwaarden van aanbesteding of uitvoering van de werken en leveranties welke vaststelling het algemeen bestuur niet aan zich heeft gehouden;

  • j.

    het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

  • k.

    het stellen van nadere regels als bedoeld in artikel 34, lid 2;

  • l.

    zorg te dragen voor de aanstelling of indienstneming, de schorsing en het ontslag van het overige personeel als bedoeld in artikel 30;

  • m.

    het hebben van de zorg en voor het houden van voortdurend toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het recreatieschap naar een door het algemeen bestuur, met inachtneming van de Archiefwet 1995, te treffen regeling.

2. Het dagelijks bestuur zendt zo spoedig mogelijk de door het algemeen bestuur vastgestelde verordeningen, reglementen en instructies aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 18.

Tot de bevoegdheid, bedoeld in artikel 17, lid 1 onder c, behoort de bevoegdheid tot het op kosten van de overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd met een verordening van het algemeen bestuur is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen of nagelaten, beschadigd of weggenomen. Spoedeisende gevallen uitgezonderd wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

Artikel 19.
  • 1.

    De ingevolge het bepaalde in artikel 18 verschuldigde kosten kan het dagelijks bestuur bij dwangbevel invorderen. Dit wordt op kosten van de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven.

  • 2.

    Verzet tegen het dwangbevel binnen dertig dagen na de betekening door dagvaarding van het recreatieschap schorst de tenuitvoerlegging.

VI Inlichtingen- , informatie- en verantwoordingsplicht

Artikel 20.
  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is.

  • 2.

    Het algemeen bestuur brengt jaarlijks voor 1 mei verslag uit van de werkzaamheden van het recreatieschap over het afgelopen jaar. Dit verslag wordt in ieder geval toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen schriftelijk en zo spoedig mogelijk.

4. De wijze van de in het eerste en het derde lid van dit artikel genoemde informatie- en inlichtingenverstrekking wordt geregeld in de reglementen van orde van de desbetreffende besturen.

Artikel 21.
  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de raad die hem heeft aangewezen alle inlichtingen, die door de raad of één of meer leden daarvan worden verlangd, op een door die raad nader te bepalen wijze.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad die hem heeft aangewezen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid

  • 3.

    De raad kan een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur dat zijn vertrouwen niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. Op het ontslagbesluit zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 22.

Het dagelijks bestuur geeft aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. De informatie wordt zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden na een vergadering van het algemeen bestuur schriftelijk verstrekt.

Artikel 23.
  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur verstrekken - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die door het algemeen bestuur dan wel één of meer leden daarvan, hetzij mondeling in een vergadering van het algemeen bestuur, hetzij schriftelijk worden verlangd en wel door:

    • a.

      mondelinge beantwoording van de gestelde vragen in dezelfde vergadering van het algemeen bestuur;

    • b.

      toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe;

    • c.

      schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur of één lid daarvan, nadat inlichtingen zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, in een vergadering of schriftelijk ter verantwoording roepen.

  • 3.

    Zij zijn - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

VII. De voorzitter

Artikel 24.

1. Voorzitter en vicevoorzitter worden door het algemeen bestuur aangewezen en zijn – bij toerbeurt telkens voor de helft van het tijdvak van aanwijzing - een lid van het algemeen bestuur uit de vertegenwoordigers van de gemeente Capelle aan den IJssel respectievelijk uit de vertegenwoordigers van de gemeente Zuidplas.

  • 2.

    Voorzitter en vicevoorzitter zijn voorzitter respectievelijk vicevoorzitter van het algemeen en het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de voorzitter respectievelijk de vicevoorzitter.

  • 4.

    Bij afwezigheid van de voorzitter wordt deze vervangen door de vicevoorzitter.

  • 5.

    De voorzitter respectievelijk de vicevoorzitter treden als zodanig af wanneer hij als lid van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aftreedt.

  • 6.

    Voorzitter en vicevoorzitter blijven het voorzitterschap respectievelijk het vicevoorzitterschap bekleden tot in zijn opvolging is voorzien, echter tot ten hoogste twee maanden nadat hij ingevolge het vijfde lid is afgetreden.

Artikel 25.

1. De voorzitter is verantwoordelijk voor het ontvangen van alle aan het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur gerichte stukken en het terstond ter tafel brengen in die vergadering waarin zij behoren.

2. Hij is belast met het zonodig instellen van een voorlopig onderzoek, voordat bepaalde zaken ter overweging en beslissing worden voorgelegd aan het algemeen en/of het dagelijks bestuur.

3. Ten behoeve van het onderzoek als bedoeld in het tweede lid, is het personeel van het recreatieschap verplicht hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Artikel 26.

De voorzitter tekent alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 27.
  • 1.

    De voorzitter vertegenwoordigt het recreatieschap in en buiten rechte.

  • 2.

    De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 3.

    Indien de voorzitter behoort tot de raad van de gemeente, die partij is in een geding of rechtshandeling, wordt hij vervangen door de vice-voorzitter.

VIII. Personeel

Paragraaf 1: De secretaris

Artikel 28.
  • 1.

    De secretaris wordt benoemd door het algemeen bestuur.

  • 2.

    Hij is secretaris van het algemeen en het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de secretaris.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt voor de secretaris een instructie vast, waarin onder meer zijn vervanging is geregeld.

5. De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij alles wat de hun opgedragen taken betreft terzijde.

6. Hij woont de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur bij, heeft daarin een adviserende stem, en maakt van deze vergaderingen een verslag, welk verslag in de volgende vergadering van het desbetreffende bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.

7. Door hem worden alle stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend.

8. De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden overeenkomstig een door het dagelijks bestuur te treffen voorziening.

Paragraaf 2: De penningmeester

Artikel 29.

1. Ten behoeve van de financieel-economische administratie kan het algemeen bestuur een penningmeester benoemen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de penningmeester.

  • 3.

    De penningmeester is belast met het bijhouden van de financieel-economische administratie.

  • 4.

    De penningmeester woont de vergadering van het algemeen en het dagelijks bestuur bij en heeft daarin een adviserende stem.

5. De penningmeester is voor het financieel beheer verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.

6. Het algemeen bestuur stelt voor de penningmeester een instructie vast, waarin onder meer zijn vervanging is geregeld.

Paragraaf 3: Overig personeel

Artikel 30.

Vervallen.

Paragraaf 4: Adviseurs.

Artikel 31.

Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen personen dan wel instanties als adviseurs aanwijzen en uitnodigen de vergaderingen bij te wonen, al dan niet uitsluitend voor een bepaald onderwerp en/of bepaalde tijd. De besturen kunnen deze aanwijzing(en) te allen tijde intrekken.

Paragraaf 5: Bezoldiging

Artikel 32.

Vervallen.

IX Verordeningen

Artikel 33.

Het algemeen bestuur is bevoegd ten behoeve van de uitoefening van de taak van het recreatieschap verordeningen vast te stellen. Op overtreding van de bij of krachtens deze verordeningen gegeven voorschriften kan straf of bestuursdwang worden gesteld. Ten aanzien van die verordeningen zijn de artikelen 147 - 151 van de gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34.

1. Het algemeen bestuur kan in de verordeningen van het recreatieschap het dagelijks bestuur bevoegd verklaren nadere regels te stellen met betrekking tot bepaalde in de verordening aangewezen onderwerpen.

2. De afkondiging van de verordeningen van het recreatieschap vindt plaats door het dagelijks bestuur in het elektronisch publicatieblad van de deelnemende gemeenten.

Artikel 35.

1. Voorzover een verordening van het recreatieschap voorziet in hetzelfde onderwerp als een van de van de regeling deelnemende gemeenten, regelt eerstgenoemde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen dat de verordening van een gemeente voor het gehele gebied, dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.

2. Voorzover een verordening van de deelnemende gemeenten in hetzelfde onderwerp voorziet als een eerder in werking getreden verordening van het recreatieschap, geldt eerstbedoelde verordening niet voor het binnen het gebied gelegen deel van de gemeente.

X. Financiële bepalingen

Paragraaf 1: Administratie

Artikel 36.
  • 1.

    Het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 3l december.

  • 2.

    Ten aanzien van de controle op de administratie en het geldelijk beheer zijn de artikelen 212 tot en met 215 van de gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37.

1. Het algemeen bestuur stelt onder goedkeuring van gedeputeerde staten een verordening vast betreffende het financieel beheer van het recreatieschap.

2. Deze verordening bevat behalve andere bepalingen, die het algemeen bestuur te dien aanzien nodig acht, voorschriften met betrekking tot:

  • a.

    de wijze waarop betalingen en ontvangsten geschieden;

  • b.

    de inrichting van de financiële administratie;

  • c.

    de verzekering van gelden van het recreatieschap;

  • d.

    de belegging van overtollige kasgelden;

  • e.

    het reservefonds.

Artikel 38.

Burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten kunnen het geldelijk beheer en de boekhouding te allen tijde aan een onderzoek van hunnentwege onderwerpen. Aan de daartoe door hen aan te wijzen ambtenaren verstrekt het dagelijks bestuur desgevraagd alle voor dit onderzoek nodig inlichtingen.

Paragraaf 2: Begroting

Artikel 39.

1. De begroting vergezeld van een voortschrijdend financieel vijfjarenplan wordt uiterlijk 15 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt,door het algemeen bestuur vastgesteld.

2. De cijfers van het eerste jaar van het vijfjarenplan zijn identiek aan de begrotingscijfers. De cijfers van de overige jaren geven de maximaal in die jaren te besteden gelden aan, gebaseerd op het prijspeil van het vijfjarenplan.

3. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, onder vermelding van de termijn waarbinnen de raden van de deelnemende gemeenten kunnen reageren, toe aan de raden van deze gemeenten. In de ontwerpbegroting wordt als uitgavenplafond aangehouden het voor dat jaar in het laatst vastgestelde vijfjarenplan opgenomen bedrag aan uitgaven.

4. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, derde lid, van de gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

5. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen omtrent de ontwerp-begroting het dagelijks bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

6. Na vaststelling van de begroting zendt het dagelijks bestuur deze aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake gedeputeerde staten binnen acht weken na toezending van hun gevoelen kunnen doen blijken. Indien de begroting geheel conform het in lid 3 genoemde ontwerp is vastgesteld, kan worden volstaan met de mededeling hiervan aan de deelnemers.

7. Het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Het bepaalde in het derde en het vijfde lid is echter niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een verhoging van het nadelig exploitatie-saldo dan wel verlaging van het exploitatie-overschot van het desbetreffende begrotingsjaar.

8. De begroting, alsmede de besluiten tot wijziging daarvan, worden binnen veertien dagen na vaststelling door het dagelijks bestuur aan gedeputeerde staten ter goedkeuring gezonden. Van de beslissing van dit college wordt mededeling gedaan aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 40.

1. Buiten de begroting kunnen geen uitgaven geschieden dan nadat door gedeputeerde staten een besluit tot wijziging van de begroting is goedgekeurd.

2. In gevallen van dringende spoed kan een zodanige uitgaaf worden gedaan, mits het besluit van het algemeen bestuur tot wijziging van de begroting terstond ter verkrijging van de goedkeuring aan gedeputeerde staten wordt gezonden.

3. Het in artikel 39, lid 3, bedoeld uitgavenplafond mag door de wijziging van de begroting niet worden overschreden. Indien zulks echter in een geval van dringende spoed onontkoombaar is, dient de vaststelling van de desbetreffende begrotingswijziging te geschieden bij een besluit van het algemeen bestuur, dat met tweederde van het aantal leden wordt vastgesteld.

  • 4.

    Het bepaalde in artikel 209 van de gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het bepaalde in artikel 39, leden 5, 6 en 8, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3: Rekening

Artikel 41.

1. Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen boekjaar tijdig, onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de gemeentewet aangewezen deskundigen en van hetgeen het dagelijks bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan. Het algemeen bestuur onderzoekt de rekening zonder uitstel.

2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening voor 15 april volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft vast. Het dagelijks bestuur doet van deze vaststelling, onder toezending van een exemplaar van de rekening, eveneens voor genoemde 15 april mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.

3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen 2 weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft aan gedeputeerde staten.

4. De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur en de penningmeester tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

Artikel 42.
  • 1.

    Het voordelig saldo van een vastgestelde rekening wordt gestort in een reservefonds.

  • 2.

    Het aldus te vormen reservefonds wordt beheerd met inachtneming van het terzake bepaalde in de verordening betreffende het financieel beheer, bedoeld in artikel 37.

3. Het nadelig saldo van een vastgestelde rekening wordt ten laste gebracht van het reservefonds als bedoeld in lid 1.

4. Indien het in lid 3 bedoelde reservefonds niet toereikend is, wordt het nadelig saldo van een vastgestelde rekening ten laste gebracht van de deelnemende gemeenten.

5. Het nadelig saldo als bedoeld in lid 4 wordt over de deelnemende gemeenten verdeeld op de in artikel 45, lid 1, genoemde wijze.

Paragraaf 4: Geldmiddelen

Artikel 43.

De geldmiddelen van het recreatieschap worden gevormd door:

a. bijdragen van de deelnemende gemeenten, volgens de hierna in artikel 45 getroffen regeling;

  • b.

    subsidies, bijdragen en schenkingen van anderen;

  • c.

    overige inkomsten.

Artikel 44.

1. De invordering van de door het recreatieschap te heffen belastingen geschiedt op overeenkomstige wijze als die van de gemeentelijke belastingen. De penningmeester is met deze invordering belast.

2. De betekening van stukken betreffende de vervolging ter invordering van belastingen van het recreatieschap en de tenuitvoerlegging van dwangbevelen geschieden door een deurwaarder, daartoe door het dagelijks bestuur aan te wijzen.

Artikel 45.

1. De deelnemende gemeenten betalen een bijdrage in de algemene kosten van het recreatieschap in verhouding tot het aantal inwoners van Capelle aan den IJssel (gemeente) en Zuidplas (gemeente) op 1 januari van het betrokken boekjaar.

2. Ten aanzien van de verdeling van de kosten, verbonden aan de aankoop van gronden, de voorbereiding en uitvoering van afzonderlijke recreatieobjecten, alsmede het beheer en de exploitatie hiervan, indien een en ander geschiedt door en voor rekening van het recreatieschap, zal voor elk object door het algemeen bestuur een afzonderlijke regelingworden vastgesteld.

XI. Geschillen

Artikel 46.

1. Voordat over een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De samenstelling van de geschillencommissie wordt geregeld door het algemeen bestuur.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit aan het algemeen bestuur over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

XII. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 47.

1. Toetreding door andere gemeenten tot de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de raden en burgemeesters en wethouders van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het besluit tot toetreding behoeft goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 3.

    Bij toetreding kan het algemeen bestuur een inlegsom vaststellen te betalen door de toetredende gemeente.

4. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin het desbetreffende besluit is opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 48.

1. Een deelnemende gemeente kan uittreden bij een daartoe strekkend besluit van de raad en van burgemeester en wethouders van die gemeente, dat binnen twee weken nadat het is genomen wordt toegezonden aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het besluit tot uittreding behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 3.

    De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin gedeputeerde staten hieraan goedkeuring hebben gehecht en niet eerder dan nadat het desbetreffende besluit is opgenomen in de registers als genoemd in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

4. Het algemeen bestuur stelt voor elk geval een door de uittredende gemeente aan het recreatieschap te betalen uittredingssom vast.

5. Ten aanzien van het bepaalde in lid 4 beslist het algemeen bestuur met meerderheid van de stemmen.

6. De deelnemende gemeenten voorzien in de nodige wijzigingen van de regeling. Artikel 49 is daarbij van toepassing.

Artikel 49.

1. Zowel het dagelijks bestuur als de raad of burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente kunnen het algemeen bestuur voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

2. Aan een besluit van het algemeen bestuur daartoe kan eerst uitvoering worden gegeven, nadat het is bekrachtigd bij besluiten van de raden en burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

3. De wijziging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het desbetreffende besluit is ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 50.

De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de raden en van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

Artikel 51

1. Het dagelijks bestuur zal, nadat tot opheffing is besloten, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van het recreatieschap en stelt daartoe zo spoedig mogelijk een ontwerpliquidatieplan op.

2. Het liquidatieplan wordt, de raden en burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld door het algemeen bestuur en behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

3. Het liquidatieplan regelt de verplichting van de deelnemende gemeenten met betrekkina tot de financiële gevolgen van de opheffing.

4. Het liquidatieplan voorziet ook in de financiële gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. De uit de liquidatie voortvloeiende personele kosten worden door de deelnemende gemeenten gedragen volgens een in het liquidatieplan opgenomen verdeelsleutel.

5. Tenzij het algemeen bestuur anders beslist, is hij belast met de liquidatie van het recreatieschap.

6. Zo nodig blijven het algemeen en het dagelijks bestuur ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

XIII. Overgangsbepalingen

Artikel 52.

Door het recreatieschap worden van het recreatieschap zoals dat bestond op de dag van inwerkingtreding van deze regeling overgenomen alle rechten en verplichtingen, alle roerende goederen, alsook - tegen boekwaarde - alle onroerende goederen.

Artikel 53.

Het op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van de regeling bij het recreatieschap zoals dat bestond tot op de dag van inwerkingtreding in dienst zijnde personeel gaat met ingang van de dag van inwerkingtreding van de regeling ten minste in dezelfde schaal of loongroep, op dezelfde voet, tegen hetzelfde salaris of loon en in dezelfde rechtspositie over in dienst van het recreatieschap.

Artikel 54.

1. De eerste benoeming van de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur heeft plaats met ingang van de dag waarop de regeling in werking zal zijn getreden.

2. Zolang nog geen algemeen bestuur en/of dagelijks bestuur overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de regeling zijn benoemd, treedt als zodanig op het bestuur van het recreatieschap zoals dat bestond tot op de dag van de inwerkingtreding van de regeling.

3. De voorzitter van laatstgenoemd bestuur roept binnen één maand, nadat de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen deze voor de eerste maal in vergadering bijeen.

Artikel 55.

Waar de regeling nadere uitwerking in verordeningen, reglementen en instructies behoeft, geschiedt dit zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een jaar na inwerkingtreding van de regeling.

XIV. Slotbepalingen

Artikel 56.

Burgemeester en wethouders van Zuidplas dragen zorg voor de toezending van de regeling, alsmede de besluiten tot toetreding, uittreding, wijziging of opheffing aan gedeputeerde staten.

Artikel 57.

1. Burgemeester en wethouders van elke deelnemende gemeente zijn gehouden binnen een maand na ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 56 gevolg te geven aan de in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen neergelegde verplichting tot vermelding in het door hen gehouden register.

2. Van de dag, waarop aan de in lid 1 bedoelde verplichting is voldaan geven burgemeester en wethouders van elke deelnemende gemeente terstond kennis aan het algemeen bestuur.

Artikel 58.
  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarop deze is opgenomen in het in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde register van elke deelnemende gemeente.

Artikel 59.

De regeling kan worden aangehaald als: 'Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Hitland'.

Toelichting artikelsgewijs op de wijzigingen in de gewijzigdegemeenschappelijke regelingRecreatieschap Hitland

Artikel 1

Het gebied is omschreven in plaats van verwijzing naar een kaartbijlage. Lid 2 omvattende verwijzingen naar de Gemeentewet is vervallen, omdat dit nu wettelijk is vastgelegd.

Artikel 2

Dit artikel somt de deelnemers aan de regeling op. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Zuidplas nemen nu ook deel in de regeling. Lid 2 inzake het rechtsgebied was overbodig en is daarom vervallen.

Artikel 5

Het aantal leden van het algemeen bestuur is gewijzigd van twee naar vier leden per deelnemende gemeente en de raad van een deelnemende gemeente wijst deze aan uit het college van burgemeester en wethouders dan wel de raad. Lid 3 geeft aan, dat door de raad ook een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden wordt aangewezen.

Artikel 7

Lid 2,3 en 4 zijn vervallen, omdat dit in een reglement van orde geregeld is.

Artikel 8

Artikel 8 is aangepast aan wat nu in de gewijzigde wet gemeenschappelijke regelingen geregeld is. De leden 4 b tot en met e zijn vervallen. Lid 5 is aangepast omdat artikel 11 lid 1 is vervallen en bijgevolg het eerdere voorbehoud ten aanzien van het bepaalde in artikel 11, lid 1 ook kan vervallen.

Artikel 10

In artikel 10 van de regeling wordt nu in overeenstemming met de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen bepaald, dat alle bevoegdheden toekomen aan het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling zelf anders is bepaald.

Artikel 11

In dit artikel is nu opgenomen, dat (slechts) de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling bij eensluidende besluiten de grenzen van het gebied kunnen wijzigen.

Artikel 12

Artikel 12 is aangepast aan wat nu in de gewijzigde wet gemeenschappelijke regelingen geregeld is. Een aantal bevoegdheden van het algemeen bestuur is nu wettelijk aan het dagelijks bestuur voorbehouden en is daarmee hier vervallen.

Artikel 15

Dit artikel geeft de samenstelling van het dagelijks bestuur weer. Het aantal leden is gewijzigd van twee naar vier, te weten de voorzitter en vicevoorzitter van het algemeen bestuur en een lid van het algemeen bestuur, benoemd door de raad van de gemeente Capelle aan den IJssel respectievelijk de gemeente Zuidplas.

Artikel 17

Lid 3 inzake het bevoegd verklaren te besluiten tot het verrichten van bepaalde burgerrechtelijke rechtshandelingen is vervallen, omdat die bevoegdheid nu wettelijk aan het dagelijks bestuur toekomt.

Artikel 30

Artikel 30 inzake aanstelling of indienstneming, schorsing en ontslag van personeel is vervallen, omdat dit wettelijk geregeld is.

Artikel 32

Artikel 32 inzake bezoldiging van personeel is vervallen, omdat dit wettelijk geregeld is.

Artikel 34

Lid 1 inzake het ter beoordeling toezenden van een verordening is vervallen, omdat dit wettelijk geregeld is. Nu lid 2 is aangepast aan tegenwoordige communicatiemiddelen.

Artikel 39

De termijnen van uiterlijke toezending van een ontwerpbegroting en van vaststelling van een begroting zijn aangepast aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 41

De termijn van toezending van een jaarrekening aan gedeputeerde staten is aangepast aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen.

Aanpassingen van verwijzingen naar wettelijke regelingen in de tekst

Artikel 15

Lid 6 is vervallen, omdat het van toepassing verklaren van enkele artikelen van de Gemeentewet niet meer relevant is. Artikel 87a Gemeentewet is vervallen en artikel 95 Gemeentewet inzake vergoedingen voor raadsleden is niet meer van toepassing.

Artikel 16

In lid 2 ‘Artikel 53, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet’ in plaats van ‘Artikel 52, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet’. Lid 4 is vervallen, omdat artikel 98 Gemeentewet inzake verordeningen voor vergoedingen voor raadsleden niet meer van toepassing is.

Artikel 21

Lid 4 is vervallen, omdat artikel 87a van de Gemeentewet is vervallen en bijgevolg niet meer van toepassing is.

Artikel 23

In lid 4 is de zinsnede met verwijzing naar artikel 87a Gemeentewet vervallen.