De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
Gelet op de artikelen 7, vierde lid, en 23, vierde lid, van de Wet strategische diensten;
Besluit:
ARTIKEL I
De Uitvoeringsregeling strategische diensten wordt gewijzigd als volgt:
A
In artikel 1 wordt `de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie’ vervangen
door: de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
B
In artikel 2 komt de landenlijst te luiden als volgt: Afghanistan, Belarus, Birma/Myanmar,
Centraal Afrikaanse Republiek, Congo, Egypte, Eritrea, Guinee, India, Irak, Iran,
Israël, Jemen, Libanon, Libië, Noord-Korea, Oekraïne, Pakistan, Qatar, Rusland, Saoedi-Arabië,
Soedan, Somalië, Syrië, Verenigde Arabische Emiraten, Zimbabwe, Zuid-Soedan.
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
L. Ploumen
TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Aanleiding
Aanleiding voor de wijziging van de Uitvoeringsregeling strategische diensten is het
ondertekenen door landen van het Chemisch Wapenverdrag, het opheffen van sancties
met een wapenembargo of juist het invoeren van sancties met een wapenembargo op een
aantal landen, het gewapend conflict in Jemen en de betrokkenheid daarbij van Qatar,
Saoedie-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.
2. Administratieve lasten
Met het wegvallen van de plicht tot mededeling per transactie als bedoeld in artikel
7, derde lid, onder b, van de Wet strategische diensten voor een aantal landen, dalen
de administratieve lasten. Tegelijkertijd wordt voor een aantal nieuwe landen de mededelingsplicht
ingevoerd. Per saldo blijven de administratieve lasten ongeveer gelijk.
3. Vaste verandermomenten
Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake
vaste verandermomenten. Dit wordt gerechtvaardigd in het kader van de effectiviteit
van sancties.
II. ARTIKELEN
Artikel 2
In artikel 2 van de Uitvoeringsregeling strategische diensten worden de gevoelige
landen aangewezen ten aanzien waarvan per dienstverlening een mededeling moet worden
gedaan. Als zodanig zijn de landen aangewezen waartegen een wapenembargo van kracht
is dat is vastgelegd in een nationale sanctieregeling en de landen die geen partij
zijn bij het op 1 juli 1968 te Londen, Moskou en Washington tot stand gekomen Verdrag
inzake de niet-verspreiding van kernwapens of die geen partij zijn bij het op 3 september
1992 te Geneve tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie,
de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging
van deze wapens ( Trb. 1993, 162).
Naar aanleiding van de ondertekening door Angola van het Chemisch Wapenverdrag en
de opheffing van de sancties op Ivoorkust en Liberia is er geen aanleiding meer om
een mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder b, van de Wet strategische
diensten in stand te houden. Het omgekeerde geldt voor de Centraal Afrikaanse Republiek,
Jemen en Rusland waar sancties met een (gedeeltelijk) wapenembargo op van toepassing
zijn verklaard. Wat Qatar, Saoedie-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten betreft,
is het invoeren van de mededelingsplicht gerechtvaardigd door het gewapend conflict
in Jemen en het strikte Nederlands exportcontrolebeleid.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
L. Ploumen