Bekendmaking wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel

Gezien de aanvraag van organisaties van werkgevers en werknemers in de bedrijfstak voor de Detailhandel te weten;

Bond van Detailhandelaren in Aardappelen, Groente, Fruit, Bond van Detaillisten in de Parfumeriehandel, Brancheorganisatie voor de Tabaksdetailhandel, Inretail, Koninklijke Nederlandse Drogisten Bond, Nederlandse Boekverkopersbond, Nederlandse Juweliers- Uurwerkbranche, Nederlandse Piano- en Muziekinstrumentenbranche, Vereniging van Muziekhandelaren en -uitgevers in Nederland, Nederlands Verbond van detailhandelaren in Verf en Wandbekleding, Nederlandse Vereniging van Entertainment Retailers, Novaka Organisatie Kantoorvakhandel, Nederlandse Unie van Optiekbedrijven (NUVO), Slijtersunie, Stichting Nederlandse Fotovakhandel, Tuinbranche Nederland, Uneto – VNI, VBW Centrale Vereniging Bloemendetailhandel, Verbond van de Nederlandse Visdetailhandel, Vereniging GEBRA, Vereniging Landelijke Organisatie DIBEVO, Vereniging van Winkelketens in de Doe-Het-Zelfbranche, Werkgeversvereniging voor Homeshopping Bedrijven, Vereniging van Drogisterij en aanverwante Filliaalbedrijven (VDF), Vereniging Drankenhandel Nederland (VDN), Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Textiel (VGT), Vereniging van grootwinkelbedrijven in Schoenen (VGS), Unie van filiaal en franchise optiek- en hoortoestelbedrijven Nederland (UFON), Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Speciale Branches (VGSB), Nederlandse Schoenmakers Vereniging (NSV), NOVOS-Orthobanda, FNV en CNV Vakmensen, daartoe strekkende dat de verplichting tot deelnemen in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel, ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, wordt gewijzigd;

Gelet op de artikelen 10, eerste lid en 16 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;

BESLUIT:

I

Wijzigt zijn besluit van 9 december 1971, nr. 45361, Stcrt. 1971, nr. 255 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 oktober 2014, Stcrt. 2014, 6 oktober 2014, nr. 28300) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel.

De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:

De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel is verplicht gesteld voor de werknemers vanaf de eerste dag van de maand, waarin de 20-jarige leeftijd wordt bereikt tot de eerste dag van de maand, waarin de 67-jarlge leeftijd wordt bereikt, met dien verstande dat de verplichtstelling niet geldt voor de werknemers:

  • 1. werkzaam in de detailhandel die:

    • a. niet bij wijze van beroep tegen loon arbeid verrichten, wanneer zij alleen in buitengewone gevallen tegen loon arbeid van korte duur verrichten;

    • b. onverminderd het bepaalde onder c, werkzaam zijn bij een werkgever, in wiens onderneming de detailhandel in loonbedrag overtroffen wordt door het loonbedrag in verband met andere in die onderneming plaatsvindendende bedrijvigheid;

    • c. ingevolge enige beschikking krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze beschikking luidde op 1 januari 1972, verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds, dan wel bij het in dienst treden, bij het bereiken van de daartoe vereiste leeftijd of bij een wijziging van het personeelsbestand van de betrokken onderneming tot deelneming daarin verplicht worden;

  • 2. werkzaam in het schoenherstellersbedrijf, het maatschoenmakersbedrijf en/of het orthopedisch schoenmakersbedrijf die ingevolge enige beschikking krachtens artikel 3 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (wet van 17 maart 1949, Stb. J121), zoals deze luidde op 1 januari 1977, verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds, dan wel bij het in dienst treden, bij het bereiken van de daartoe vereiste leeftijd of bij een wijziging van het personeelsbestand van de betrokken onderneming tot deelneming daarin verplicht worden.

Hierbij wordt verstaan onder:

a. werknemer:
  • 1. degene die tot een werkgever in dienstbetrekking staat in de zin van de sociale werknemersverzekeringen;

  • 2. degene die tot een werkgever in dienstbetrekking staat en die niet langer verzekeringsplichtig is voor de sociale werknemersverzekeringen, vanwege het bereiken van de leeftijd waarop hij of zij recht krijgt op een AOW-uitkering, maar die dat wel was geweest wanneer de werknemer deze leeftijd nog niet zou hebben bereikt;

Niet als werknemer wordt beschouwd degene die werkzaam is in een onderneming met een afdeling waarin het schoenherstellersbedrijf, het maatschoenmakersbedrijf en/of het orthopedisch schoenmakersbedrijf wordt uitgeoefend, voor zover hij niet uitsluitend of in hoofdzaak belast is met werkzaamheden in of ten behoeve van de betreffende afdeling;

b. werkgever:
  • de natuurlijke of rechtspersoon, die de detailhandel uitoefent, met uitzondering van:

    • 1. de natuurlijke of rechtspersoon, die sedert 1 januari 1969 onafgebroken aangesloten is bij een der brancheorganisaties die op dat moment deel uitmaakten van de Raad voor het Grootwinkelbedrijf en aan wiens onderneming tevens sedert die datum onafgebroken een ondernemingspensioenfonds is verbonden, zolang de aan de deelnemers in dat fonds toegezegde en toe te zeggen rechten niet worden verminderd en de overige pensioenvoorwaarden in hun geheel niet ongunstiger worden ten opzichte van de situatie per 1 januari 1969;

    • 2. de rechtspersoon, die sedert 1 januari 1969 onafgebroken aangesloten is bij de Nederlandse Vereniging van Coöperatieve Werkgevers en uit dien hoofde verplicht is aangesloten te zijn bij de Stichting Co-op Pensioenfonds;

    • 3. publiekrechtelijke lichamen of door deze in het leven geroepen en beheerde rechtspersonen, die de detailhandel uitoefenen;

      met dien verstande, dat in afwijking van het hiervoor onder 1, 2 en 3 bepaalde, wel als werkgever wordt beschouwd de natuurlijke of rechtspersoon, het publiekrechtelijk lichaam of een door dit in het leven geroepen en beheerde rechtspersoon die de detailhandel uitoefent, als hiervoor bedoeld, wiens verzoek – ingediend vóór 1 juli 1972 – om als werkgever te worden beschouwd, door het bestuur van het hiervoor genoemde bedrijfspensioenfonds is ingewilligd en wel met ingang van de datum van inwilliging;

  • de natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft waarin het schoenherstellersbedrijf, het maatschoenmakersbedrijf en/of het orthopedisch schoenmakersbedrijf wordt uitgeoefend;

c. detailhandel:
  • 1. het bedrijf van het kopen en aan particulieren verkopen van waren;

  • 2. het vervullen van de functie van het in een winkel aan particulieren verkopen van waren anders dan in de uitoefening van een bedrijf bedoeld onder 1, een en ander met uitzondering van het apothekersbedrijf;

d. winkel:

iedere voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin waren aan particulieren plegen te worden verkocht;

e. waren:

alle waren met uitzondering van automobielen, benzine, bloembollen, landbouwzaden, levend pluimvee, pootaardappelen, scheepsbenodigdheden en tuinbouwzaden.

Onder het ‘kopen van waren’ wordt mede verstaan het verkrijgen van waren uit een afdeling of een onderdeel van de eigen onderneming, waarin een ander bedrijf wordt uitgeoefend.

Onder het ‘aan particulieren verkopen van waren’ wordt mede verstaan het daarmede gepaard gaande verkopen van waren aan instellingen of aan personen, die deze in een door hen gedreven onderneming aanwenden, tenzij dit geschiedt in verband met het verkopen aan wederverkopers;

f. schoenherstellersbedrijf:

de onderneming waarin, of de onderneming met een afdeling waarin het schoenherstellersbedrijf wordt uitgeoefend, waaronder wordt verstaan de reparatie van schoeisel en lederweren;

g. maatschoenmakersbedrijf:

de onderneming waarin, of de onderneming met een afdeling waarin maatschoeisel wordt vervaardigd of verwerkt, dan wel uitsluitend of voor een gedeelte onderdelen voor maatschoeisel worden vervaardigd;

h. orthopedisch schoenmakersbedrijf:

de onderneming waarin, of de onderneming met een afdeling waarin orthopedisch schoeisel wordt vervaardigd of verwerkt, dan wel uitsluitend of voor een gedeelte onderdelen voor orthopedisch schoeisel worden vervaardigd.

II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 1 november 2016

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes

Naar boven