Gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden

Logo Goes

De colleges van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal, ieder voor zover zij bevoegd zijn;

 

overwegende dat bij eensluidend besluit van de colleges van 21 mei 2013 is aangegaan de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;

 

dat vervolgens de colleges bij eensluidend besluit van 27 januari 2015 de taken en bevoegdheden voor de in de regeling aangegeven taakvelden hebben overgedragen aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;

 

dat de Wet gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2015 is gewijzigd en dat als gevolg daarvan de geldende regeling moet worden aangepast;

 

dat van die wijziging gebruik wordt gemaakt om het op 27 januari 2015 vastgestelde delegatiebesluit in de regeling op te nemen;

 

overwegende dat:

  • de gemeenteraad van Borsele bij besluit van 7 april 2016;

  • de gemeenteraad van Goes bij besluit van 16 juni 2016;

  • de gemeenteraad van Kapelle bij besluit van 10 mei 2016;

  • de gemeenteraad van Noord-Beveland bij besluit van 28 april 2016 en;

  • de gemeenteraad van Reimerswaal bij besluit van 31 mei 2016;

toestemming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verleend voor het wijzigen van deze gemeenschappelijke regeling door de onderscheiden colleges;

 

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet;

besluiten:

 

vast te stellen de navolgende (gewijzigde) gemeenschappelijke regeling:

 

SAMENWERKING DE BEVELANDEN

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Deze regeling verstaat onder:

     

    a. de regeling:

    de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;

     

    b. gemeenten:

    de aan de regeling deelnemende gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal;

     

    c. de wet:

    de Wet gemeenschappelijke regelingen;

     

    d. gedeputeerde staten:

    gedeputeerde staten van de provincie Zeeland;

     

    e. de werkorganisatie:

    de ambtelijke organisatie, werkzaam binnen de regeling.

  • 2.

    Daar waar in deze regeling artikelen en bepalingen van enige wet of andere regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, dienen in die artikelen in plaats van ‘de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’ en ‘de burgemeester’ te worden gelezen onderscheidenlijk: ‘het openbaar lichaam’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘de voorzitter’.

Artikel 2 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam met de naam Samenwerking De Bevelanden. Het openbaar lichaam is een rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Goes.

  • 2.

    Het rechtsgebied van de regeling omvat het grondgebied van de gemeenten.

  • 3.

    Als de regeling diensten aanbiedt aan een andere gemeente dan de gemeenten, omvat het rechtsgebied van de regeling tevens het grondgebied van die andere gemeente.

  • 4.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 3 Bestuursorganen

De regeling kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 4 Belang

  • 1.

    De regeling bevordert een duurzame, robuuste samenwerking met flexibiliteit binnen geldende marges door het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten, het vergroten van het gemeenschappelijke kennisniveau en het inspelen op dwingende, bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen die op termijn de bestuurskracht van de individuele gemeenten sterk zullen beïnvloeden, met het doel: het vergroten van de bestuurskracht, met behoud van de huidige bestuurlijke schaal, door bundeling van ambtelijke expertise op operationeel, tactisch en/of strategisch niveau met als resultaat: verhoogde kwaliteit, continuïteit en efficiëntie.

  • 2.

    De regeling behartigt de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten.

Artikel 5 Taakvelden, taken en bevoegdheden

  • 1.

    De behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen heeft betrekking op de volgende taakvelden:

    • a.

      samenwerking op het gebied van ICT;

    • b.

      samenwerking op het gebied van informatievoorziening;

    • c.

      samenwerking ten aanzien van P&O en salarisadministratie;

    • d.

      samenwerking op het gebied van werk, zorg en inkomen.

  • 2.

    Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde taakvelden worden de navolgende taken en bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling.

    A Taakveld ICT

    A.1. Uitvoering taken en bevoegdheden

    Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van ICT behoren:

    • a.

      het gevraagd en ongevraagd adviseren over ICT aan de deelnemende gemeenten;

    • b.

      het realiseren van ICT-projecten voor de deelnemende gemeenten;

    • c.

      het ondersteunen van de medewerkers van de deelnemende gemeenten bij het gebruik van ICT;

    • d.

      het beheer van de technische infrastructuur;

    • e.

      het vertegenwoordigen van de colleges met betrekking tot ICT in overlegstructuren.

    B Taakveld informatievoorziening

    B.1. Uitvoering taken en bevoegdheden

    Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van informatievoorziening behoren:

    • a.

      het gevraagd en ongevraagd adviseren over informatievoorziening aan de deelnemende gemeenten;

    • b.

      het adviseren over het strategische en meerjarige informatiebeleid;

    • c.

      het uitvoeren van het programma-, project-,inkoop- en contractmanagement;

    • d.

      de uitvoering van de informatiebeveiliging;

    • e.

      gegevensmanagement;

    • f.

      functioneel applicatiebeheer;

    • g.

      het vertegenwoordigen van de colleges in overlegstructuren.

    C Taakvelden P&O en salarisadministratie

    C.1. Uitvoering taken en bevoegdheden

    Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van P&O en salarisadministratie behoort het voorbereiden van de besluitvorming, daaronder begrepen het gevraagd en ongevraagd adviseren, alsmede het bieden van (facilitaire) ondersteuning bij de uitvoering van de genomen besluiten.

    C.2. Behoud verantwoordelijkheden en bevoegdheden

    De gemeenten behouden hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van rechtspositionele besluiten, organisatiewijzigingen en/of ontwikkelingen van de gemeentelijke organisatie. De regeling kan een deelnemende gemeente desgewenst daarin ondersteunen en/of faciliteren.

    D Taakveld werk, inkomen en zorg (WIZ)

    D.1. Taken en bevoegdheden

    • 1.

      Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges alle uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling:

      • a.

        Participatiewet;

      • b.

        Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004);

      • c.

        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw);

      • d.

        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);

      • e.

        Wet Inburgering (Wi);

      • f.

        Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (Wgs);

      • g.

        Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling gpk), op grond van artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW).

    • 2.

      Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges de navolgende uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling:

      • a.

        verstrekkingen in het kader van art. 1.13 van de Wet kinderopvang (Wko);

      • b.

        het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 285 eerste lid, onder f, en tweede lid van de Faillissementswet (Fw) in het kader van de Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;

      • c.

        de toekenning van maatwerkvoorzieningen in het kader van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

      • d.

        de uitvoering van hoofdstuk 5 paragraaf 1, taakstelling huisvesting vergunninghouders, van de Huisvestingswet 2014;

      • e.

        uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi), voor zover dat betrekking heeft op het taakveld van WIZ.

    • 3.

      Tevens dragen de colleges aan het dagelijks bestuur van de GR de taken en bevoegdheden over ten aanzien van de uitvoering van wet- en regelgeving die in plaats treedt van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving, alsmede het ter zake geldende overgangsrecht.

    D.2. Minimabeleid

    Aan het dagelijks bestuur van de GR wordt de uitvoering opgedragen van het door de deelnemende gemeenten vastgestelde Minimabeleid, waaronder voor de gemeenten Goes, Kapelle, Borsele en Reimerswaal de uitvoering van de Verordening Declaratiefonds.

    D.3. Samenwerking met andere partijen

    • 1.

      Het bepaalde in onderdeel D.1. vindt waar mogelijk plaats in samenwerking met (keten)partners en derden die door de GR worden ingeschakeld bij de uitvoering van genoemde regelingen.

    • 2.

      Het dagelijks bestuur van de GR vervult hierbij de regiefunctie namens de colleges.

    D.4. Advisering

    • 1.

      Het dagelijks bestuur van de GR kan gevraagd en ongevraagd het bestuur van de deelnemende gemeenten adviseren over het te voeren beleid op het terrein van werk, inkomen, sociale zekerheid, minimabeleid, zorg en de ontwikkelingen op de lokale / regionale arbeidsmarkt.

    • 2.

      Het dagelijks bestuur van de GR adviseert het bestuur van de deelnemende gemeenten in ieder geval ten aanzien van de gemeenschappelijke regeling de Betho in het kader van de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en Participatiewet.

    D.5. Algemene voorzieningen Wmo

    • 1.

      Het dagelijks bestuur van de GR signaleert en adviseert gevraagd en ongevraagd de colleges ten aanzien van algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

    • 2.

      Het dagelijks bestuur van de GR kan algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met een bovengemeentelijk karakter initiëren in samenwerking met de colleges.

    D.6. Vertegenwoordiging in overleg

    Het dagelijks bestuur van de GR vertegenwoordigt binnen haar bevoegdheden de colleges in alle met bovengenoemde taken samenhangende overlegstructuren.

    D.7. Cliëntenraad

    Het dagelijks bestuur van de GR onderhoudt de relatie met de cliëntenraad als vertegenwoordigend orgaan van de cliënten van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Naast de in lid 2 bedoelde taken en bevoegdheden en hetgeen rechtstreeks door de wet aan het samenwerkingsverband is opgedragen, omvat de behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen in ieder geval de volgende taken en bevoegdheden:

    • a.

      het treffen van een regeling voor het voeren van een secretariaat;

    • b.

      het vertegenwoordigen van de regeling in algemene termen.

  • 4.

    Aan de in lid 1 genoemde taakvelden kunnen bij eensluidende besluiten door de colleges taakvelden aan de regeling worden toegevoegd. Artikel 1, tweede lid, van de wet is op die besluiten van toepassing.

  • 5.

    De regeling kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere gemeenten verlenen.

Artikel 6 Bezwaarschriftencommissie

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7 Klachtrecht

  • 1.

    Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Voor de externe behandeling van klachten wordt aangesloten bij de Stichting De Zeeuwse Ombudsman.

Hoofdstuk 3 Het algemeen bestuur

Artikel 8 Samenstelling algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur van de regeling bestaat uit tien leden, twee leden per gemeente, waaronder de voorzitter.

  • 2.

    Ieder college van de gemeenten wijst de burgemeester en een wethouder aan.

  • 3.

    In geval van langdurige afwezigheid van een lid van het algemeen bestuur wordt een plaatsvervanger aangewezen door het college, die het desbetreffende bestuurslid vertegenwoordigt.

  • 4.

    De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 5.

    Het algemeen bestuur wijst de burgemeester van de gemeente Goes aan als voorzitter en wijst tevens diens plaatsvervanger aan.

  • 6.

    De leden van het algemeen bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in de leden 7 tot en met 10, zitting gedurende de zittingsduur van de colleges.

  • 7.

    De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de leden van de colleges van de gemeenten aftreden.

  • 8.

    Het lid dat tussentijds ophoudt lid van het college van burgemeester en wethouders te zijn, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Dit geldt ook voor de voorzitter.

  • 9.

    Het lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens of wier plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 10.

    De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur alsmede het college die hem of haar heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.

  • 11.

    Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 12.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.

Artikel 9 Bevoegdheden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

  • 3.

    De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:

    • a.

      het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;

    • b.

      het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzingen en de jaarstukken;

    • c.

      het vaststellen van een reglement van orde;

    • d.

      het vaststellen van de Financiële verordening en de Controleverordening;

    • e.

      het vaststellen van een regeling houdende de rechtspositie van het bij de gemeenschappelijke regeling in dienst zijnde personeel;

    • f.

      het vaststellen van een regeling tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en een regeling voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • g.

      het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;

    • h.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur of diens waarnemer;

    • i.

      het vaststellen van een instructie voor de in het vorige lid bedoelde directeur.

Artikel 10 Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis gebracht van de colleges en de raden van de gemeenten en van gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen). In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 4.

    Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet, genoemde stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

  • 5.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 6.

    De deuren worden gesloten wanneer een derde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 7.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

  • 8.

    Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur).

  • 9.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 11 Besloten vergadering

  • 1.

    Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur over de geheimhouding van de inhoud van stukken is het bepaalde in artikel 23, leden 1 tot en met 4, van de wet van toepassing.

  • 2.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

Hoofdstuk 4 Het dagelijks bestuur

Artikel 12 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat ten minste uit een voorzitter en vier leden, met dien verstande dat in het dagelijks bestuur elk van de gemeenten vertegenwoordigd is.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat overeenkomstig artikel 8 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.

  • 3.

    De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur zijn tevens voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 4.

    In geval van langdurige afwezigheid van een lid van het dagelijks bestuur wordt een plaatsvervanger aangewezen door het algemeen bestuur, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8, derde lid, van deze regeling.

  • 5.

    De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.

Artikel 13 Einde lidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Na raadsverkiezingen treden de leden van het dagelijks bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode afloopt van het college waaruit zij zijn benoemd. Zij blijven hun functie vervullen tot het moment dat in de opvolging is voorzien.

Artikel 14 Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert minimaal vijf keer per jaar of zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.

  • 2.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.

  • 5.

    Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Voor besluitvorming zijn minimaal drie leden van het dagelijks bestuur in de vergadering aanwezig.

Artikel 15 Taak

De taak van het dagelijks bestuur is:

  • 1.

    Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden die op grond van het in artikel 5 van deze regeling bepaalde aan het dagelijks bestuur zijn gedelegeerd.

  • 2.

    Voorts is het dagelijks bestuur belast met:

    • a.

      het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de regeling;

    • b.

      het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de regeling, alsmede op al wat de regeling aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;

    • c.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel, met uitzondering van de directeur;

    • d.

      het behartigen van de belangen van de regeling bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de regeling van belang is.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.

Hoofdstuk 5 De voorzitter

Artikel 16 Taak

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt de regeling in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.

  • 4.

    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij de regeling is betrokken, wordt de regeling door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.

Hoofdstuk 6 Overleg portefeuillehouders

Artikel 17 Samenstelling en werkwijze

  • 1.

    Per taakveld stelt het algemeen bestuur een overleg van portefeuillehouders in. Dit overleg is een vaste commissie van advies ten behoeve van het dagelijks bestuur en draagt zorg voor de advisering aan het dagelijks bestuur voor wat betreft de taakvelden.

  • 2.

    Het overleg bestaat uit de portefeuillehouders van de gemeenten.

  • 3.

    Het overleg kiest uit zijn midden een voorzitter.

  • 4.

    Het overleg wordt voorzien van ambtelijke ondersteuning.

  • 5.

    Bij afwezigheid kan een portefeuillehouder worden vervangen door een andere vertegenwoordiger van dezelfde gemeente.

  • 6.

    Het lidmaatschap van het overleg eindigt op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college afloopt.

  • 7.

    Het lidmaatschap eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van het college, waaruit het lid is aangewezen.

  • 8.

    Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende portefeuillehouders bevoegd advies uit te brengen.

  • 9.

    Het overleg van portefeuillehouders stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

Hoofdstuk 7 Inlichtingen en verantwoording

Artikel 18 Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur

  • 1.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de colleges en aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de colleges en aan de raden van de gemeenten alle inlichtingen die door een of meer colleges of raden dan wel een of meerdere leden van die raden worden verlangd. Die inlichtingen wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige colleges en raden.

  • 3.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur verstrekt alle inlichtingen die door het college door wie hij is benoemd alsmede door de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, worden verlangd.

Artikel 19 Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd alsmede aan de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college door wie hij is benoemd worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Hoofdstuk 8 Personeel, directie en regiegroep

Artikel 20 Personeel

  • 1.

    Bij de regeling is personeel werkzaam voor de uitvoering van de aan de Samenwerking De Bevelanden opgedragen taken, in dienstverband of op detacheringsbasis.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt voor het in dienst zijnde personeel van de regeling de arbeidsvoorwaardenregeling vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt.

  • 3.

    Naast het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan het algemeen bestuur een aanvullende rechtspositieregeling vaststellen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

Artikel 21 De directeur

  • 1.

    De bestuursorganen van de regeling worden bijgestaan door een directeur. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. De directeur heeft geen stemrecht.

  • 2.

    De directeur handelt in overeenstemming met de door het algemeen bestuur vastgestelde instructie.

  • 3.

    De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de regeling.

  • 4.

    De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 5.

    De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Artikel 22 Regiegroep

  • 1.

    De gemeentesecretarissen (of de daarvoor aangewezen directieleden) van de gemeenten vormen een regiegroep.

  • 2.

    De regiegroep geeft namens de colleges van de gemeenten inhoud en vorm aan het opdrachtgeverschap aan de werkorganisatie.

  • 3.

    Tussen de regiegroep en de directeur is geen sprake van een hiërarchische verhouding.

  • 4.

    Voor de nadere uitwerking van de taak van de regiegroep stelt de regiegroep, in nauw overleg met de directeur en rekening houdend met de in artikel 9, derde lid, sub i, bedoelde instructie, een reglement vast.

Hoofdstuk 9 Het beleidsplan en het beleidsverslag

Artikel 23 Beleidsplan en beleidsverslag

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks, gelijktijdig met de ontwerpbegroting, vóór 15 april een ontwerp van het meerjarenbeleidsplan voor de komende periode toe aan de raden van de gemeenten.

  • 2.

    Het ontwerp van het meerjarenbeleidsplan wordt voor een ieder, samen met de ontwerpbegroting, ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190, leden 2 en 3, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De raden van de gemeenten kunnen binnen acht weken na toezending van het ontwerp van het meerjarenbeleidsplan het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de zienswijzen, waarin de gevoelens van de raden zijn vervat, bij het ontwerp van het meerjarenbeleidsplan zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt het meerjarenbeleidsplan uiterlijk vast op 1 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor het beleidsplan moet dienen.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt op basis van het meerjarenbeleidsplan het bedrijfsplan van de regeling vast. Als de raad van een gemeente ten aanzien van een bepaald onderwerp een eigen beleid wenst uit te voeren dat afwijkt van het gemeenschappelijke beleid, wordt ook het afwijkende beleidsstandpunt van deze gemeente in het bedrijfsplan opgenomen en door de regeling uitgevoerd. Op de financiële gevolgen hiervan is artikel 25, derde lid, van toepassing.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur bereidt het beleidsverslag over het afgelopen jaar voor. Het beleidsverslag wordt ter vaststelling aan het algemeen bestuur voorgelegd dat er vóór 1 juli over beslist.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur zendt het beleidsplan en beleidsverslag binnen twee weken na vaststelling aan de raden van de gemeenten.

Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen

Artikel 24 Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 15 april de ontwerpbegroting van de regeling voor het komende kalenderjaar, samen met een memorie van toelichting en de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), toe aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in artikel 190, eerste lid, van de Gemeentewet is van toepassing.

  • 2.

    De ontwerpbegroting wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190, leden 2 en 3, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De raden van de gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling aan de raden van de gemeenten.

  • 6.

    Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen zo mogelijk van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de gemeenten.

  • 7.

    Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.

Artikel 25 Bijdragen van de gemeenten

  • 1.

    In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de regeling. De vergoeding voor diensten van de gemeente aan de regeling wordt afzonderlijk in rekening gebracht bij de regeling.

  • 2.

    De gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

  • 3.

    De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

  • 4.

    Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet.

Artikel 26 Reserve

  • 1.

    De regeling vormt een reserve (fonds) ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal 5% van de jaarlijkse apparaatskosten.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken daaromtrent geeft het dagelijks bestuur toepassing aan afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve.

Artikel 27 Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt jaarlijks vóór 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken, het jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden en een berekening van de door de gemeenten te betalen bijdragen, samen met het rapport van de met de controles belaste accountant.

  • 2.

    De jaarstukken en het verslag worden gelijktijdig aan de raden van de gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, alsmede de bijdragen die de deelnemers betalen in het eventuele exploitatietekort.

  • 4.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten gezonden, uiterlijk vóór 1 augustus.

  • 5.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

Hoofdstuk 11 Het archief

Artikel 28 Archief

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet vast te stellen regeling.

  • 2.

    De in lid 1 bedoelde regeling wordt aan gedeputeerde staten meegedeeld.

  • 3.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.

Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging, geschillen en opheffing

Artikel 29 Toetreding, uittreding

  • 1.

    Het bestuur van de gemeente die wenst toe te treden, richt daartoe een verzoek aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen dertien weken na ontvangst door aan de besturen van de gemeenten onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

  • 3.

    Toetreding vindt plaats indien de gemeenten daarmee instemmen.

  • 4.

    Elke gemeente kan bij besluit van het college bepalen dat de deelneming aan deze gemeenschappelijke regeling wordt opgezegd.

  • 5.

    Van het besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk dertien weken vóór het einde van het kalenderjaar kennisgegeven aan het algemeen bestuur.

  • 6.

    Ingaande de inwerkingtreding van de regeling, is uittreding door deelnemers gedurende een periode van vijf kalenderjaren niet mogelijk. Na het verstrijken van deze periode is uittreding te allen tijde mogelijk, mits daarvan conform het vierde lid, met een opzegtermijn van tenminste één kalenderjaar, van tevoren schriftelijk aankondiging is gedaan en wordt voldaan aan de daaraan door het algemeen bestuur te stellen voorwaarden.

  • 7.

    Het algemeen bestuur regelt de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van de uittreding.

  • 8.

    Voor de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in het zevende lid wordt door de regeling en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.

  • 9.

    Van elk besluit tot toe- of uittreding van een gemeente wordt terstond kennis gegeven aan de colleges en raden van de gemeenten en gedeputeerde staten en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

  • 10.

    Het algemeen bestuur zorgt voor alle openbaarmaking als er sprake is van wijziging, verlenging of opheffing van de regeling of toetreden en uittreding van deelnemende gemeenten.

Artikel 30 Wijziging

  • 1.

    Voor zover elders in deze regeling niet anders is bepaald, wordt de regeling gewijzigd, indien de colleges van tweederde van de gemeenten daartoe eensluidend besluiten.

  • 2.

    Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de colleges van de gemeenten.

  • 3.

    Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de colleges van de gemeenten, die binnen dertien weken na ontvangst een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur mededelen.

  • 4.

    Voorstellen uitgaande van één of meer gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen binnen acht weken aan de colleges van de gemeenten doet toekomen, waarna deze gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.

  • 5.

    De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan gedeputeerde staten en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, geschiedt door het dagelijks bestuur.

Artikel 31 Geschillen

  • 1.

    Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 5.

    Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil, wordt bij het verzoek om een beslissing van gedeputeerde staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 32 Ontbinding en liquidatie

  • 1.

    De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 van de wet, bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van de gemeenten.

  • 2.

    Ingeval van een besluit tot ontbinding van de regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een tweederde meerderheid genomen, nadat de raden van de gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten over de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de regeling over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 7.

    Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van de regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten en gedeputeerde staten, mede met het oog op de vereiste goedkeuring door gedeputeerde staten van de wijziging van de regeling conform de artikelen 26, 27, 36 en 37 van de wet en naar het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel van het ressort waaronder de regeling valt.

  • 8.

    De organen van de regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.

  • 9.

    Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: ‘gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden in liquidatie’.

Hoofdstuk 13 Slotbepalingen

Artikel 33 Inwerkingtreding

  • 1.

    Het college van de gemeente Goes draagt zorg voor het inzenden van de regeling en van besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan gedeputeerde staten en de Kamer van Koophandel.

  • 2.

    De gemeenten dragen zorg voor inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet.

  • 3.

    Het college van de gemeente Goes draagt namens alle gemeenten zorg voor bekendmaking in een regionaal dagblad. De kosten daarvan komen ten laste van de regeling.

  • 4.

    De regeling treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid treedt artikel 5, tweede lid, onderdeel B, Taakveld informatievoorziening, in werking op een nader door de colleges te bepalen tijdstip.

Artikel 34 Titel

De regeling kan worden aangehaald als ‘gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden’.

Artikel 35 Slotbepalingen

  • 1.

    De bij besluit van 21 mei 2013 aangegane gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden wordt ingetrokken.

  • 2.

    In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele d.d. 19 april 2016,

E.J. Gelok,

burgemeester.

J.P. van den Berge,

secretaris.

 

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes d.d. 26 mei 2016,

mr. L.J. Verhulst,

burgemeester.

mr. H.E. Schild,

secretaris.

 

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle d.d. 24 mei 2016,

mr. A.B. Stapelkamp,

burgemeester.

mr. A.J. van den Berge,

secretaris.

 

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland d.d. 10 mei 2016,

M.J.A. Delhez MSc,

burgemeester.

drs. D. Sinke,

secretaris.

 

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal d.d. 22 april 2016,

P.A. Zoon,

wnd. burgemeester.

mr. W. Davidse,

wnd. secretaris.

Naar boven