Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 augustus 2016, nr. DGP/ARBVW 2016-791223, houdende wijziging van het Instellingsbesluit commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 12a, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 9 van het Instellingsbesluit commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. De leden van de commissie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, alsmede haar secretarissen en de deskundigen die aan de werkzaamheden van de commissie deelnemen, ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering ter hoogte van 1,8% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, met dien verstande dat de voorzitter per vergadering een vergoeding ontvangt ter hoogte van 130% van de vergoeding per vergadering die de overige leden ontvangen.

  • 2. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering.

  • 3. Van de toekenning van vergoeding zijn uitgesloten functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel van een instelling van wie de personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

TOELICHTING

De Minister heeft in 2007 door middel van het Instellingsbesluit commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie (hierna: het Instellingbesluit) de commissie werktijdenmodaliteiten sector politie (hierna: modaliteitencommissie) ingesteld. De modaliteitencommissie heeft tot taak advies uit te brengen aan het bevoegd gezag in de gevallen bedoeld in artikel 12a, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

De vergoeding voor de modaliteitencommissie is in 2007 in het Instellingsbesluit opgenomen. De vergoeding per vergadering bedraagt voor de leden € 124,79 en voor de voorzitter € 187,19, oftewel 150% van de vergoeding van de leden. In 2015 heeft, naar aanleiding van een afspraak hierover in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014, een evaluatie van de modaliteitencommissie plaatsgevonden. In het verlengde hiervan is met de politievakorganisaties afgesproken om de vergoedingen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 aan te passen. Hiervoor is aangesloten bij het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies. Reden hiervoor is dat het Vacatiegeldenbesluit 1988, waar in het Instellingsbesluit naar werd verwezen, is vervallen per 13 februari 2009, bij inwerkingtreding van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies krijgt een voorzitter een vergoeding van (maximaal) 130% van de vergoeding van de overige leden. Datzelfde artikel geeft aan dat de vergoeding per vergadering geldt, en maximaal 3% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het BBRA 1984 bedraagt. Door de hoogte van de vergoedingen op deze wijze te formuleren, volgen deze automatisch de loonontwikkeling in deze salarisschaal.

De omvang en zwaarte van de werkzaamheden van de modaliteitencommissie zijn vergeleken met door de politie ingestelde commissies, zoals de commissie toezicht arrestantenzorg en de klachten- en bezwaaradviescommissie. Op basis van deze vergelijking is de vergoeding voor de modaliteitencommissie bepaald op een percentage van 1,8.

De vergoeding per vergadering is aldus met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 voor de leden vastgesteld op 1,8% van het maximum van salarisschaal 18 van het bijlage B van het BBRA 1984. De voorzitter ontvangt per vergadering een vergoeding ter hoogte van 130% van de vergoeding per vergadering die de overige leden ontvangen.

In plaats van vervanging van de verwijzing in het eerste lid naar het Vacatiegeldenbesluit 1988 door een verwijzing naar de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, is een derde lid toegevoegd. Reden hiervoor is dat de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies minder personen uitsluit van het toekennen van een vergoeding dan het Vacatiegeldenbesluit 1988, terwijl het Instellingsbesluit is geschreven met de intentie om de personen genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a van het Vacatiegeldenbesluit 1988 uit te zonderen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Naar boven