DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Overwegende,
Dat TAQA Energy B.V. het voornemen heeft om gas op te slaan in de bodem van de omgeving
van Bergen, welk voornemen hierna wordt aangeduid als het project ‘gasopslag Bergermeer’;
Dat de realisatie van voornoemde opslaglocatie en de gasbehandelingsinstallatie in
de Boekelermeer moeten worden aangemerkt als de aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken
ten behoeve van de opslag van stoffen als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, aanhef
en onderdeel b, van de Mijnbouwwet, zodat op de aanleg van dit mijnbouwwerk artikel
3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing
is;
Dat dit onder meer betekent dat de voorbereiding en bekendmaking van diverse voor
het project ‘gasopslag Bergermeer’ benodigde besluiten zijn gecoördineerd, overeenkomstig
artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro, waarbij de Minister van Economische
Zaken met deze coördinatie is belast;
Dat ten behoeve van het project gasopslag Bergermeer gebleken is, dat een nader besluit
benodigd is dat zijn grondslag heeft in een uitvoeringsbesluit dat ten behoeve van
dit project is genomen;
Dat dit meer specifiek het volgende besluit betreft:
De goedkeuring van het Waterinjectieprotocol dat ingevolge de op 22 april 2015 verleende
omgevingsvergunning dient te worden opgesteld voordat met deze activiteit mag worden
gestart;
Dat het goedkeuringsbesluit daarmee kan worden geacht onderdeel uit te maken van deze
omgevingsvergunning;
Dat de genoemde omgevingsvergunning een besluit is als bedoeld in artikel 4 van het
Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling;
Dat voor de realisatie van de opslaglocatie en de gasbehandelingsinstallatie benodigde
uitvoeringsbesluiten inmiddels van kracht en onherroepelijk zijn;
Dat, op grond van artikel 141c, eerste lid, van de Mijnbouwwet, gelezen in samenhang
met artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit het onderhavige goedkeuringsbesluit binnen
het toepassingsbereik van de rijkscoördinatieregeling valt;
Dat hier sprake is van een enkel besluit dat geen wijzigingen in de reeds vergunde
activiteit aanbrengt;
Dat het goedkeuringsbesluit leidt tot een concrete uitwerking van de vergunde activiteit;
Dat op grond van artikel 141c, derde lid van de Mijnbouwwet de Minister van Economische
Zaken kan bepalen dat het desbetreffende besluit, in afwijking van het voorgaande
niet als een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt, en daarmee niet in de gecoördineerde voorbereiding
wordt betrokken, wanneer dat besluit de gecoördineerde voorbereiding zou belemmeren
of ernstig zou bemoeilijken;
Dat het mee coördineren van het goedkeuringsbesluit de procedure zou belemmeren of
ernstig bemoeilijken, omdat de doorlooptijd langer zou zijn, indien de het goedkeuringsbesluit
overeenkomstig afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht zou worden voorbereid;
Gelet op artikel 141a, derde lid, van de Mijnbouwwet;
Besluit: