Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2016, 47624Onteigeningen

Besluit van 23 augustus 2016, nr. 2016001393 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Barneveld krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Harselaar)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De gemeenteraad van Barneveld (hierna verzoeker) heeft Ons bij besluit van 8 juli 2015, nummer VII-4, verzocht om in die gemeente over te gaan tot het aanwijzen van onroerende zaken ter onteigening, begrepen in het onteigeningsplan Harselaar. De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a.

Burgemeester en wethouders van Barneveld hebben bij brief van 22 juli 2015, kenmerk 638381, het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Bij brieven van 20 november 2015, kenmerk 652759 en 17 maart 2016, kenmerk 664033, hebben burgemeester en wethouders van Barneveld Ons te kennen gegeven wegens minnelijke eigendomsverkrijging niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor een aantal onroerende zaken. Het betreft de grondplannummers 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14. Omdat de noodzaak van onteigening voor deze grondplannummers hiermee is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die nog in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn gelegen in de volgende bestemmingsplannen:

  • 1. Harselaar-Oost, vastgesteld op 25 september 2012 en onherroepelijk sinds 17 november 2012. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan ligt deels het grondplannummer 3, waaraan de bestemming Groen en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 is toegekend.

  • 2. Harselaar-Driehoek, vastgesteld op 1 maart 2011 en onherroepelijk sinds 27 december 2012. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan liggen deels het grondplannummer 3 en de grondplannummers 4 en 5, waaraan de onderscheiden bestemmingen Verkeer en Water en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 zijn toegekend.

  • 3. Harselaar-Zuid Fase 1a, vastgesteld op 17 december 2013 en onherroepelijk per 1 juli 2015. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan liggen de grondplannummers 1 en 2, waaraan de bestemming Verkeer en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 is toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 19 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 in de gemeente Barneveld en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Barneveld van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 14 januari 2016 openbaar kennis gegeven in de Barneveldse Krant. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 14 januari 2016, nr. 83.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De hiervoor genoemde bestemmingsplannen voorzien onder meer in de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg c.q. doorgangsweg vanaf rijksweg A1 (Amersfoort-Apeldoorn).

De gemeente Barneveld is bereikbaar via de rijkswegen A1, A30 en de A12. Door uitbreiding van bestaande en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen in het gebied van de Harselaar zal de verkeersdruk verder toenemen. Een nieuwe ontsluitingsweg aldaar is nodig om het verkeer adequaat te kunnen afwikkelen. De weg zal tevens dienen als omleidingsroute vanwege de aanleg van de Harselaartunnel onder de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. De nieuwe weg heeft ook een functie als doorgangsweg naar de dorpen Barneveld en Voorthuizen. De weg begint bij de aansluiting van de Mercuriusweg op rijksweg A1 (aansluiting 16 – Voorthuizen) en volgt vervolgens door de bedrijfsgebieden van de Harselaar een slingerend tracé richting Barneveld en Voorthuizen. De ontsluitingsweg bestaat (grotendeels) uit twee rijstroken en wordt voorzien van parallelwegen en waar nodig fietspaden, groenstroken en watergangen.

In de door de verzoeker om onteigening gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door de bestemmingsplannen met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding, als ook door de zakelijke beschrijving behorende bij het onteigeningsplan en het Verkeerskundige ontwerp van de weg.

Om de werken en werkzaamheden ter uitvoering van de bestemmingsplannen tijdig te kunnen realiseren, wenst de gemeente Barneveld de eigendom, vrij van lasten en rechten, te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft de gemeenteraad van Barneveld tot zijn onteigeningsverzoek besloten, om de tijdige verwezenlijking van de bestemmingsplannen zeker te stellen.

Blijkens de zakelijke beschrijving wil de gemeente Barneveld zo snel mogelijk beginnen met de aanleg van de wegen, het bouwrijp maken van het bedrijventerrein en overgaan tot de uitgifte van bedrijfskavels. Het belangrijkste onderdeel daarvan is de aanleg van een ontsluitingsweg. Uit de situatie ter plaatse blijkt dat de werkzaamheden daarvoor inmiddels in volle gang zijn. De weg is grotendeels al aangelegd tot aan de te onteigenen gronden. De ontsluitingsweg moet uiterlijk in 2017 voltooid zijn.

Gelet op het vorenstaande is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen is daarover een zienswijze naar voren gebracht door GA1 B.V. en BPN B.V. Omdat deze vennootschappen tot één concern behoren, zullen wij ze hierna aanduiden als reclamanten.

GA1 is eigenares van de onroerende zaak met het grondplannummer 3. BPN B.V. was ten tijde van het verzoekbesluit eigenares van de onroerende zaken met de grondplannummers 4 en 5. Deze onroerende zaken, kadastraal bekend als gemeente Voorthuizen, sectie G 5451 (grondplannummer 4) en G 5181 (grondplannummer 5) zijn in het kadaster per 16 december 2015 samengevoegd tot één nieuw perceel, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie G 5463, waarvan BPN B.V. eigenares is. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 8 maart 2016 te Barneveld te houden hoorzitting. Reclamanten hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, omdat zij verhinderd waren. Op verzoek van reclamanten hebben Wij derhalve op 14 maart 2016 een onderzoek ter plaatse ingesteld, waarbij reclamanten tevens de zienswijze hebben toegelicht en aanvullende stukken en tekeningen hebben overhandigd. Het verslag van dit overleg is door Ons ter kennisneming zowel naar reclamanten als naar verzoeker gestuurd.

Wij hebben de zienswijze van reclamanten als volgt samengevat:

  • 1. De gemeenteraad heeft geen recht (meer) om de Kroon tot onteigening te verzoeken, gelet op de in het verleden gesloten overeenkomsten en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzochte onteigening zou vanwege het voorgaande in strijd zijn met het recht.

  • 2. De noodzaak tot onteigening ontbreekt, omdat -kort gezegd- de gemeente onjuiste verkeersgegevens aan het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek ten grondslag zou hebben gelegd.

  • 3. Om diezelfde reden ontbreekt ook de urgentie van de onteigening.

  • 4. Er is geen behoorlijk minnelijk overleg gevoerd.

De zienswijze van reclamanten geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Algemeen

Uit de zienswijze volgt dat partijen een lange geschiedenis met elkaar hebben. Al meer dan twintig jaar is de gemeente Barneveld in overleg om met (de rechtsvoorgangers) van reclamanten te komen tot beëindiging van bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie van het bedrijf te Kootwijkerbroek. Dit bedrijf heeft zich ontwikkeld uit het voormalig agrarisch bedrijf van de familie Van den Bosch tot de huidige hoogontwikkelde betonindustrie GA1 en BPN. De bedrijfsactiviteiten zijn evenwel op de bestaande locatie in strijd met het geldende bestemmingsplan (agrarische bestemming). Zowel de gemeente als reclamanten willen de bedrijfsactiviteiten verplaatsen naar het bedrijventerrein Harselaar-Driehoek. Op basis van het onherroepelijke bestemmingsplan Harselaar-Driehoek is, aldus de verzoeker, de hervestiging van de betonindustrie aldaar ook mogelijk gemaakt, op gronden die reclamanten daar al in eigendom hebben. Tot een verplaatsing is het om allerlei redenen niet gekomen. De gemeente treedt inmiddels handhavend op tegen verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie te Kootwijkerbroek. Reclamanten hebben zich in diverse bestuursrechtelijke procedures verzet tegen ondermeer de bestemmingsplannen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a.

Ad 1. Verzoek onteigening wel of niet in strijd met het recht.

Reclamanten doelen hier, zo blijkt uit de zienswijze met bijlagen, op overeenkomsten uit 2003 en 2005. In de overeenkomst en bijbehorende akte uit 2003 wordt uitvoering gegeven aan een eerder gesloten overeenkomst uit 2001 en een ruilovereenkomst uit 2002. Het gaat daarbij, kort gezegd, over aankoop en ruiling van gronden tussen partijen in en rondom het plangebied Harselaar-Driehoek.

Wij merken hierbij op dat in de akte uit 2003 de gemeente inderdaad onder meer de vrij gebruikelijke garantie heeft afgegeven dat de geruilde grond op dat moment niet ter onteigening is aangewezen. In deze akte is evenwel geen garantie opgenomen dat deze grond (bijvoorbeeld vanwege gewijzigde inzichten op het gebied van ruimtelijke ordening) in de toekomst nimmer ter onteigening zou worden aangewezen. De bepalingen in de akte staan derhalve naar Onze mening een onteigening niet in de weg.

In de bepalingen uit de overeenkomst uit 2005 zijn, zo merken Wij op, geen afspraken over het al dan niet inzetten van het onteigeningsinstrument. Evenmin zijn afspraken gemaakt over een gewenste verkeerskundige ontsluiting. Tenslotte wordt in deze overeenkomst bepaald dat de overeenkomst uit 2001 en de grondruilovereenkomst uit 2002 (voor zover nog niet uitgevoerd) zijn komen te vervallen.

Wat hier verder ook van zij, Wij zullen in het kader van de onteigeningsprocedure de geldigheid of uitleg van deze overeenkomsten niet (opnieuw) beoordelen. Dergelijke beoordelingen horen naar Onze mening thuis in een civielrechtelijke procedure. Wat betreft punt 2 van het hoorverslag inzake de grondruil merken Wij volledigheidshalve nog op, dat geconstateerd kan worden dat het gemis van de te onteigenen gronden hervestiging van het bedrijf ter plaatse niet in de weg hoeft te staat. Reclamanten kunnen desgewenst ook aansluitende gronden bijkopen. Het voortbestaan van de betonindustrie is, naar Onze mening, in die zin dus geborgd, evenwel op de nieuwe locatie in de Harselaar-Driehoek en niet op de huidige locatie, alwaar de bedrijfsactiviteiten in strijd zijn met het aldaar geldende bestemmingsplan.

Reclamanten betogen in dit verband ook dat het verzoeker weliswaar vrij stond om een van de voornoemde overeenkomsten afwijkend bestemmingsplan vast te stellen, maar dat de verzoeker in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (in het bijzonder met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van fair play) door Ons te verzoeken om de desbetreffende gronden ter onteigening aan te wijzen. Wij kunnen dit zienswijzepunt niet delen. Voortschrijdend inzicht heeft de verzoeker ertoe doen besluiten om na een bestuurlijke en planologische afweging het onderhavige bestemmingsplan vast te stellen waarin de randweg is opgenomen waarvoor deze onteigening nodig is. Voor zover reclamanten uit de eerdere overeenkomsten de verwachting hebben ontleend dat verzoeker niet tot onteigening zou overgaan, was reeds in de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestemmingsplan duidelijk dat deze verwachting niet uit zou komen. Een afweging aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de door reclamanten bedoelde zin zou in dit geval betekenen dat wij een oordeel zouden geven over de vraag of de verzoeker het bestemmingsplan gezien eerdere verwachtingen bij reclamanten had mogen vaststellen. Wij oordelen derhalve dat dit zienswijzepunt in feite planologisch van aard is. Planologische aspecten kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aan de orde worden gesteld. Reclamanten hebben van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Hun bezwaren daarover zijn ongegrond verklaard.

Ad 2. en 3. Noodzaak en urgentie.

Het belangrijkste bezwaar van reclamanten tegen de bestemmingsplannen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a en tegen de onderhavige onteigening ziet op de wijze van planuitvoering die de verzoeker voor staat c.q. de verkeerskundige slinger. Reclamanten stellen dat de noodzaak voor de aanleg van de slinger, die onderdeel vormt van de nieuwe ontsluitingsweg, ontbreekt.

Aangezien dit zienswijzepunt voornamelijk van planologische aard is, verwijzen wij in het algemeen eerst naar hetgeen wij hierover naar aanleiding van zienswijzepunt 1 hebben overwogen. Planologische aspecten kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld. Voor een heroverweging van verkeersgegevens en van de ligging van de slinger in de geprojecteerde ontsluitingswegingsweg, of een heroverweging van het bestemmingsplan, waarvoor reclamanten blijkens hun zienswijze pleiten, bestaat, zo overwegen Wij, in het kader van deze procedure geen mogelijkheid. Onder het kopje Noodzaak en urgentie hebben Wij het belang van de ontsluitingsweg uiteengezet.

Ten aanzien van de verkeersgegevens vermelden Wij, mede naar aanleiding van het hoorverslag van 14 maart 2015, volledigheidshalve nog het volgende. De verzoeker benadrukt dat de realisatie van de bedrijfsterreinen Harselaar-Driehoek en Harselaar Zuid fase 1a zal leiden tot een sterke toename van het (vracht)autoverkeer. Zij wijst daarbij nog op twee verkeersnotities (van 19 december 2012 en 5 september 2014) waarin wordt toegelicht dat de slinger, volgens het meest actuele verkeersmodel van de gemeente, noodzakelijk is. In de huidige situatie is er geen adequate verkeersontsluiting voor de (toekomstige) bedrijventerreinen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a aanwezig. De huidige interne wegenstructuur binnen het bestaande bedrijventerrein Harselaar-Oost is nu al intensief belast en ongeschikt om als ontsluitingsweg voor twee nieuwe bedrijventerreinen te dienen. De noodzakelijkheid van de slinger is tenslotte ook door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) erkend blijkens de uitspraak 27 december 2012. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat de raad van de gemeente Barneveld alle andere naar voren gebrachte verkeersalternatieven terecht naast zich neer heeft kunnen leggen. Recent nog heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, op een verzoek om een voorlopige voorziening door reclamanten op dezelfde gronden als in de zienswijze zijn opgenomen, geoordeeld dat schorsing van het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek niet aan de orde is.

Volgens Ons bestendig beleid wordt onteigening urgent geacht wanneer binnen maximaal vijf jaar na de datum van het koninklijk besluit een aanvang wordt gemaakt met de werkzaamheden waarvoor wordt onteigend. Wij hebben eerder opgemerkt dat de aanbesteding voor de aanlegwerkzaamheden en de gunning hebben plaatsgevonden en dat de aanleg van de ontsluitingsweg inmiddels is begonnen. De verzochte onteigening is daarmee urgent. Zonder de eigendom van voormelde gronden kan de ontsluitingsweg immers niet worden voltooid.

Ad 4.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan indien vóór de terinzagelegging van de onteigeningsstukken tijdig een begin met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, met de administratieve onteigeningsprocedure wordt begonnen. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken al een formeel bod is gedaan en genoegzaam is vast komen te staan, dat dit overleg voorlopig niet tot eigendomsoverdracht zal leiden.

Anders dan reclamanten stellen, zien Wij gelet op de overgelegde stukken en de verstrekte informatie, geen reden om te oordelen dat de verzoeker geen serieuze onderhandelingen met hen heeft gevoerd. Verzoeker heeft getracht om de onroerende zaken die nodig zijn voor de aanleg van de slinger minnelijk te verwerven. De verzoeker heeft reclamanten bij brieven van 10 oktober 2014 en 10 april 2015 een schriftelijk aanbod gedaan gericht op de aankoop van de daar benodigde gedeelten. Op 9 juni 2015 is door de verzoeker een nieuw schriftelijk aanbod gedaan, als gevolg van de vorming van nieuwe kadastrale percelen. Reclamanten melden op 3 juli 2015 telefonisch dat zij het aanbod op dit moment niet accepteren. In de daarop volgende bespreking op 1 september 2015 tussen verzoeker en reclamanten geven reclamanten te kennen dat zij de benodigde grond niet wensen te verkopen. Partijen hebben echter, ook daarna in diverse besprekingen in 2016 geen overeenstemming kunnen bereiken. Wij overwegen derhalve dat de verzoeker voldoende pogingen in het werk heeft gesteld om de onroerende zaken van reclamanten langs minnelijke weg te verkrijgen.

Voorts merken Wij op dat dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

Gelet op het vorenstaande geven de zienswijzen van reclamanten Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van de bestemmingsplannen niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de gemeente Barneveld de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de gemeenteraad van Barneveld tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet gedeeltelijk toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 22 april 2016, nr. RWS-2016/17016, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het besluit van de gemeenteraad van Barneveld van 8 juli 2015, nummer VII-4;

gelezen de voordracht van burgemeester en wethouders van Barneveld van 22 juli 2015, kenmerk 638381;

gelezen de brieven van burgemeester en wethouders van Barneveld van 20 november 2015, kenmerk 652759 en 17 maart 2016, kenmerk 664033;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 24 juni 2016, nr. W14.16.0101/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 11 augustus 2016, nr. RWS-2016/31663, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a van de gemeente Barneveld ten name van die gemeente ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Barneveld en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit dat ingevolge artikel 26 van de Wet op de Raad van State met het aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegde ontwerpbesluit, het voornoemd advies en het nader rapport in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 23 augustus 2016

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

LIJST VAN TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN ONTEIGENINGSPLAN: ONTSLUITING HARSELAAR-DRIEHOEK EN HARSELAAR-ZUID FASE 1A VERZOEKENDE INSTANTIE: GEMEENTE BARNEVELD

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Voorthuizen

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1

0

10

82

Terrein (Grasland)

4

26

06

G 5095

Gijsbert Roordink, gehuwd met Gerritje Eva van Ramselaar, Voorthuizen;

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Provincie Gelderland, Arnhem, Zetel: Arnhem

 

2

0

02

63

Terrein (Grasland)

0

10

68

G 5096

Roordink Beheer B.V., Voorthuizen, Zetel: Barneveld

 

3

0

96

01

Terrein (Grasland)

5

09

15

G 5450

GA1 B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

               

4 *

0

05

11

Terrein (Grasland)

0

30

50

G 5451

BPN B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

                   

5 *

0

50

10

Terrein (Akkerbouw)

5

17

00

G 5181

BPN B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

                   

*

0

55

21

Terrein (Grasland)

5

47

50

G 5463

BPN B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

                   
                 

*De grondplannummers 4 (sectie G, nummer 5451) en 5 (sectie G, nummer 5181) zijn in het kadaster per 16 december 2015 samengevoegd tot één nieuw perceel, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie G, nummer 5463, waarvan BPN B.V. eigenares is.

ONTWERP KONINKLIJK BESLUIT

Besluit van....tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Barneveld krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Harselaar).

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De gemeenteraad van Barneveld (hierna verzoeker) heeft Ons bij besluit van 8 juli 2015, nummer VII-4, verzocht om in die gemeente over te gaan tot het aanwijzen van onroerende zaken ter onteigening, begrepen in het onteigeningsplan Harselaar. De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a.

Burgemeester en wethouders van Barneveld hebben bij brief van 22 juli 2015, kenmerk 638381, het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Bij brieven van 20 november 2015, kenmerk 652759 en 17 maart 2016, kenmerk 664033, hebben burgemeester en wethouders van Barneveld Ons te kennen gegeven wegens minnelijke eigendomsverkrijging niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor een aantal onroerende zaken. Het betreft de grondplannummers 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14. Omdat de noodzaak van onteigening voor deze grondplannummers hiermee is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die nog in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn gelegen in de volgende bestemmingsplannen:

  • 1. Harselaar-Oost, vastgesteld op 25 september 2012 en onherroepelijk sinds17 november 2012. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan ligt deels het grondplannummer 3, waaraan de bestemming Groen en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 is toegekend.

  • 2. Harselaar-Driehoek, vastgesteld op 1 maart 2011 en onherroepelijk sinds27 december 2012. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan liggen deels het grondplannummer 3 en de grondplannummers 4 en 5, waaraan de onderscheiden bestemmingen Verkeer en Water en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 zijn toegekend.

  • 3. Harselaar-Zuid Fase 1a, vastgesteld op 17 december 2013 en onherroepelijk per1 juli 2015. Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan liggen de grondplannummers 1, 2, 12 en 13. Daaraan zijn de onderscheiden bestemmingen Verkeer, Groen en Water en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 19 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 in de gemeente Barneveld en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Barneveld van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 14 januari 2016 openbaar kennis gegeven in de Barneveldse Krant. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 14 januari 2016, nr. 83.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De hiervoor genoemde bestemmingsplannen voorzien onder meer in de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg c.q. doorgangsweg vanaf rijksweg A1 (Amersfoort-Apeldoorn).

De gemeente Barneveld is bereikbaar via de rijkswegen A1, A30 en de A12. Door uitbreiding van bestaande en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen in het gebied van de Harselaar zal de verkeersdruk verder toenemen. Een nieuwe ontsluitingsweg aldaar is nodig om het verkeer adequaat te kunnen afwikkelen. De weg zal tevens dienen als omleidingsroute vanwege de aanleg van de Harselaartunnel onder de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. De nieuwe weg heeft ook een functie als doorgangsweg naar de dorpen Barneveld en Voorthuizen. De weg begint bij de aansluiting van de Mercuriusweg op rijksweg A1 (aansluiting 16 – Voorthuizen) en volgt vervolgens door de bedrijfsgebieden van de Harselaar een slingerend tracé richting Barneveld en Voorthuizen. De ontsluitingsweg bestaat (grotendeels) uit twee rijstroken en wordt voorzien van parallelwegen en waar nodig fietspaden, groenstroken en watergangen.

In de door de verzoeker om onteigening gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door de bestemmingsplannen met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding, als ook door de zakelijke beschrijving behorende bij het onteigeningsplan en het Verkeerskundige ontwerp van de weg.

Om de werken en werkzaamheden ter uitvoering van de bestemmingsplannen tijdig te kunnen realiseren, wenst de gemeente Barneveld de eigendom, vrij van lasten en rechten, te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft de gemeenteraad van Barneveld tot zijn onteigeningsverzoek besloten, om de tijdige verwezenlijking van de bestemmingsplannen zeker te stellen.

Blijkens de zakelijke beschrijving wil de gemeente Barneveld zo snel mogelijk beginnen met de aanleg van de wegen, het bouwrijp maken van het bedrijventerrein en overgaan tot de uitgifte van bedrijfskavels. Het belangrijkste onderdeel daarvan is de aanleg van een ontsluitingsweg. Uit de situatie ter plaatse blijkt dat de werkzaamheden daarvoor inmiddels in volle gang zijn. De weg is grotendeels al aangelegd tot aan de te onteigenen gronden. De ontsluitingsweg moet uiterlijk in 2017 voltooid zijn.

Gelet op het vorenstaande is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen is daarover een zienswijze naar voren gebracht door GA1 B.V. en BPN B.V. Omdat deze vennootschappen tot één concern behoren, zullen wij ze hierna aanduiden als reclamanten.

GA1 is eigenares van de onroerende zaak met het grondplannummer 3. BPN B.V. was ten tijde van het verzoekbesluit eigenares van de onroerende zaken met de grondplannummers 4 en 5. Deze onroerende zaken, kadastraal bekend als gemeente Voorthuizen, sectie G 5451 (grondplannummer 4) en G 5451 (grondplannummer 5) zijn in het kadaster per 16 december 2015 samengevoegd tot één nieuw perceel, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie G 5463, waarvan BNP B.V. eigenares is. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden, in die zin dat de oude grondplannummers 4 en 5 zijn opgegaan in een nieuw grondplannummer 4.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 8 maart 2016 te Barneveld te houden hoorzitting. Reclamanten hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, omdat zij verhinderd waren. Op verzoek van reclamanten hebben Wij derhalve op 14 maart 2016 een onderzoek ter plaatse ingesteld, waarbij reclamanten tevens de zienswijze hebben toegelicht en aanvullende stukken en tekeningen hebben overhandigd. Het verslag van dit overleg is door Ons ter kennisneming zowel naar reclamanten als naar verzoeker gestuurd.

Wij hebben de zienswijze van reclamanten als volgt samengevat:

  • 1. De gemeenteraad heeft geen recht (meer) om de Kroon tot onteigening te verzoeken, gelet op de in het verleden gesloten overeenkomsten en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzochte onteigening zou vanwege het voorgaande in strijd zijn met het recht.

  • 2. De noodzaak tot onteigening ontbreekt, omdat -kort gezegd- de gemeente onjuiste verkeersgegevens aan het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek ten grondslag zou hebben gelegd.

  • 3. Om diezelfde reden ontbreekt ook de urgentie van de onteigening.

De zienswijze van reclamanten geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Algemeen

Uit de zienswijze volgt dat partijen een lange geschiedenis met elkaar hebben. Al meer dan twintig jaar is de gemeente Barneveld in overleg om met (de rechtsvoorgangers) van reclamanten te komen tot beëindiging van bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie van het bedrijf te Kootwijkerbroek. Dit bedrijf heeft zich ontwikkeld uit het voormalig agrarisch bedrijf van de familie Van den Bosch tot de huidige hoogontwikkelde betonindustrie GA1 en BPN. De bedrijfsactiviteiten zijn evenwel op de bestaande locatie in strijd met het geldende bestemmingsplan (agrarische bestemming). Zowel de gemeente als reclamanten willen de bedrijfsactiviteiten verplaatsen naar het bedrijventerrein Harselaar-Driehoek. Op basis van het onherroepelijke bestemmingsplan Harselaar-Driehoek is, aldus de verzoeker, de hervestiging van de betonindustrie aldaar ook mogelijk gemaakt, op gronden die reclamanten daar al in eigendom hebben. Tot een verplaatsing is het om allerlei redenen niet gekomen. De gemeente treedt inmiddels handhavend op tegen verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie te Kootwijkerbroek. Reclamanten hebben zich in diverse bestuursrechtelijke procedures verzet tegen ondermeer de bestemmingsplannen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a.

Ad 1. Verzoek onteigening wel of niet in strijd met het recht.

Reclamanten doelen hier, zo blijkt uit de zienswijze met bijlagen, op overeenkomsten uit 2003 en 2005. In de overeenkomst en bijbehorende akte uit 2003 wordt uitvoering gegeven aan een eerder gesloten overeenkomst uit 2001 en een ruilovereenkomst uit 2002. Het gaat daarbij, kort gezegd, over aankoop en ruiling van gronden tussen partijen in en rondom het plangebied Harselaar-Driehoek.

Wij merken hierbij op dat in de akte uit 2003 de gemeente inderdaad onder meer de vrij gebruikelijke garantie heeft afgegeven dat de geruilde grond op dat moment niet ter onteigening is aangewezen. In deze akte is evenwel geen garantie opgenomen dat deze grond (bijvoorbeeld vanwege gewijzigde inzichten op het gebied van ruimtelijke ordening) in de toekomst nimmer ter onteigening zou worden aangewezen. De bepalingen in de akte staan derhalve naar Onze mening een onteigening niet in de weg.

In de bepalingen uit de overeenkomst uit 2005 zijn, zo merken Wij op, geen afspraken over het al dan niet inzetten van het onteigeningsinstrument. Evenmin zijn afspraken gemaakt over een gewenste verkeerskundige ontsluiting. Wel is het zo, dat blijkens artikel 2 lid 4 van die overeenkomst, de gemeente nadrukkelijk is aangewezen als regiefunctiehouder over het (meest gewenste) gebruik van kavels in het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek. Tenslotte wordt in deze overeenkomst bepaald dat de overeenkomst uit 2001 en de grondruilovereenkomst uit 2002 (voor zover nog niet uitgevoerd) zijn komen te vervallen.

Wat hier verder ook van zij, Wij zullen in het kader van de onteigeningsprocedure de geldigheid of uitleg van deze overeenkomsten niet (opnieuw) beoordelen. Dergelijke beoordelingen horen naar Onze mening thuis in een civielrechtelijke procedure. Wat betreft punt 2 van het hoorverslag inzake de grondruil merken Wij volledigheidshalve nog op, dat geconstateerd kan worden dat het gemis van de te onteigenen gronden hervestiging van het bedrijf ter plaatse niet in de weg hoeft te staat.Reclamanten kunnen desgewenst ook aansluitende gronden bijkopen. Het voortbestaan van de betonindustrie is, naar Onze mening, in die zin dus geborgd, evenwel op de nieuwe locatie in de Harselaar-Driehoek en niet op de huidige locatie, alwaar de bedrijfsactiviteiten in strijd zijn met het aldaar geldende bestemmingsplan.

Reclamanten stellen voorts dat de verzoeker met deze onteigening in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wij kunnen dit zienswijzepunt niet delen. Uit alle stukken blijkt immers dat de verzoeker, ondanks de vele bestuurlijke en civiele procedures van reclamanten in de afgelopen jaren, telkens zorgvuldig alle belangen heeft afgewogen. Dat blijkt niet alleen uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de bestemmingsplanprocedures, maar ook uit (civiele) uitspraken van de rechtbank Arnhem en recente uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak en de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. Genoemde uitspraken hebben reclamanten overigens bij de zienswijze gevoegd. Ook overigens is ons niet gebleken dat de afweging van verzoeker om een onteigeningsprocedure te beginnen onzorgvuldig is geweest.

Ad 2. en 3. Noodzaak en urgentie.

Het belangrijkste bezwaar van reclamanten tegen de bestemmingsplannen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a en tegen de onderhavige onteigening ziet op de wijze van planuitvoering die de verzoeker voor staat c.q. de verkeerskundige slinger. Reclamanten stellen dat de noodzaak voor de aanleg van de slinger, die onderdeel vormt van de nieuwe ontsluitingsweg, ontbreekt.

Aangezien dit zienswijzepunt voornamelijk van planologische aard is, overwegen Wij in het algemeen eerst het volgende. Planologische aspecten kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aan de orde worden gesteld. Reclamanten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Hun bezwaren daarover zijn ongegrond verklaard. Voor een heroverweging van verkeersgegevens en van de ligging van de slinger in de geprojecteerde ontsluitingswegingsweg, of een heroverweging van het bestemmingsplan, waarvoor reclamanten blijkens hun zienswijze pleiten, bestaat, zo overwegen Wij, in het kader van deze procedure geen mogelijkheid. Onder het kopje Noodzaak en urgentie hebben Wij het belang van de ontsluitingsweg uiteengezet.

Ten aanzien van de verkeersgegevens vermelden Wij, mede naar aanleiding van het hoorverslag van 14 maart 2015, volledigheidshalve nog het volgende. De verzoeker benadrukt dat de realisatie van de bedrijfsterreinen Harselaar-Driehoek en Harselaar Zuid fase 1a zal leiden tot een sterke toename van het (vracht)autoverkeer. Zij wijst daarbij nog op twee verkeersnotities (van 19 december 2012 en 5 september 2014) waarin wordt toegelicht dat de slinger, volgens het meest actuele verkeersmodel van de gemeente, noodzakelijk is. In de huidige situatie is er geen adequate verkeersontsluiting voor de (toekomstige) bedrijventerreinen Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a aanwezig. De huidige interne wegenstructuur binnen het bestaande bedrijventerrein Harselaar-Oost is nu al intensief belast en ongeschikt om als ontsluitingsweg voor twee nieuwe bedrijventerreinen te dienen. De noodzakelijkheid van de slinger is tenslotte ook door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) erkend blijkens de uitspraak 27 december 2012. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat de raad van de gemeente Barneveld alle andere naar voren gebrachte verkeersalternatieven terecht naast zich neer heeft kunnen leggen. Recent nog heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, op een verzoek om een voorlopige voorziening door reclamanten op dezelfde gronden als in de zienswijze zijn opgenomen, geoordeeld dat schorsing van het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek niet aan de orde is.

Volgens Ons bestendig beleid wordt onteigening urgent geacht wanneer binnen maximaal vijf jaar na de datum van het koninklijk besluit een aanvang wordt gemaakt met de werkzaamheden waarvoor wordt onteigend. Wij hebben eerder opgemerkt dat de aanbesteding voor de aanlegwerkzaamheden en de gunning hebben plaatsgevonden en dat de aanleg van de ontsluitingsweg inmiddels is begonnen. De verzochte onteigening is daarmee urgent. Zonder de eigendom van voormelde gronden kan de ontsluitingsweg immers niet worden voltooid.

Gelet op het vorenstaande geven de zienswijzen van reclamanten Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van de bestemmingsplannen niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de gemeente Barneveld de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de gemeenteraad van Barneveld tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet gedeeltelijk toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van <datum, nr. RWS-2016/17016, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het besluit van de gemeenteraad van Barneveld van 8 juli 2015, nummer VII-4;

gelezen de voordracht van burgemeester en wethouders van Barneveld van 22 juli 2015, kenmerk 638381;

gelezen de brieven van burgemeester en wethouders van Barneveld van 20 november 2015, kenmerk 652759 en 17 maart 2016, kenmerk 664033;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van <datum, no.W....../IV>;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van <datum, nr. RWS->, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a van de gemeente Barneveld ten name van die gemeente ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Barneveld en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Optioneel: standaard publicatie

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

of

Optioneel: uitgebreide publicatie na inhoudelijk advies RvS

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit dat ingevolge artikel 26 van de Wet op de Raad van State met het aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegde ontwerpbesluit, het voornoemd advies en het nader rapport in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

LIJST VAN TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN ONTEIGENINGSPLAN: ONTSLUITING HARSELAAR-DRIEHOEK EN HARSELAAR-ZUID FASE 1A VERZOEKENDE INSTANTIE: GEMEENTE BARNEVELD

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Voorthuizen

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1

0

10

82

Terrein (Grasland)

4

26

06

G 5095

Gijsbert Roordink, gehuwd met Gerritje Eva van Ramselaar, Voorthuizen;

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Provincie Gelderland, Arnhem, Zetel: Arnhem

 

2

0

02

63

Terrein (Grasland)

0

10

68

G 5096

Roordink Beheer B.V., Voorthuizen, Zetel: Barneveld

 

3

0

96

01

Terrein (Grasland)

5

09

15

G 5450

GA1 B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

               

4

0

55

21

Terrein (Grasland)

5

47

50

G 5463

BPN B.V., Kootwijkerbroek, Zetel: Kootwijkerbroek

                   
 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Barneveld

Grondplan

nr.

Te onteigenen

Grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

A

ca

ha

a

ca

12

0

00

32

Terrein (Grasland)

2

93

65

B 5134

Gijsbertus Willem Kampert, gehuwd met Hendrika Gijsbertha van Luttikhuizen, Barneveld

                   

13

0

05

13

Terrein (Grasland)

1

37

96

B 5755

Gijsbertus Willem Kampert, gehuwd met Hendrika Gijsbertha van Luttikhuizen, Barneveld

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: gemeente Barneveld, Barneveld, Zetel: Barneveld

                   

ADVIES RAAD VAN STATE

No.W14.16.0101/IV

's-Gravenhage, 24 juni 2016

Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu met een schrijven van 22 april 2016, no.RWS-2016/17012, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a van de gemeente Barneveld.

Het ontwerpbesluit voorziet in de aanwijzing ter onteigening van gronden ten behoeve van de uitvoering van onder meer het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek dat is vastgesteld op 1 maart 2011. Dat bestemmingsplan maakt de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk. De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar heeft opmerkingen over de bespreking van de zienswijzen.

  • 1. Bespreking zienswijzen

    • a. Reclamanten wijzen in hun zienswijzengeschrift op overeenkomsten die zij in 2003 en 2005 met de gemeente Barneveld hebben gesloten over de ontwikkeling van hun gronden. Volgens reclamanten heeft de gemeente met deze overeenkomsten bij hen verwachtingen gewekt over ontwikkelingsmogelijkheden, die zij dient te respecteren en niet mag trachten te ontgaan door het doen van een verzoek om onteigening. Reclamanten betogen in dit verband onder meer dat het de raad weliswaar vrij stond om een van de overeenkomsten afwijkend bestemmingsplan vast te stellen, maar dat die vaststelling nog niet met zich meebrengt dat de gemeente bij het willen verwezenlijken van het bestemmingsplan niet meer aan die overeenkomsten gebonden zou zijn. Door de Kroon te verzoeken de desbetreffende gronden met het oog op realisering van de in het bestemmingplan mogelijk gemaakte ontsluitingsweg ter onteigening aan te wijzen, heeft de raad volgens het betoog van reclamanten – naar de kern weergegeven – gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van fair play.

      Uit het ontwerpbesluit blijkt dat de Kroon het standpunt van reclamanten niet deelt. In het ontwerpbesluit is echter niet gemotiveerd ingegaan op het betoog van reclamanten dat gehandeld wordt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Vermeld is dat uit alle stukken blijkt dat verzoeker, ondanks de vele bestuurlijke en civiele procedures van reclamanten in de afgelopen jaren, telkens zorgvuldig alle belangen heeft afgewogen. Daarbij wordt verwezen naar rechterlijke uitspraken. Met een dergelijke algemene verwijzing kan hier echter niet worden volstaan. In het bijzonder is hierbij het volgende van belang. Aan het oordeel van de Kroon ligt vermoedelijk vooral ten grondslag de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de beroepen tegen het bestemmingsplan Harselaar-Driehoek.1. In die uitspraak is weliswaar ingegaan op de overeenkomst uit 2005 in relatie tot de vaststelling van het bestemmingsplan, maar is geen oordeel gegeven over het hiervoor weergegeven betoog van reclamanten. Om die reden dient in het ontwerpbesluit nader gemotiveerd te worden ingegaan op bovengenoemd betoog van reclamanten.

      De Afdeling adviseert de motivering in het ontwerpbesluit met inachtneming van het vorenstaande aan te vullen.

    • b. Reclamanten voeren in hun zienswijzengeschrift ook aan – samengevat weergegeven – dat geen behoorlijk minnelijk overleg is gevoerd.

      In het ontwerpbesluit wordt dit onderdeel van de zienswijzen niet besproken. In de overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen moet alsnog gemotiveerd op dit betoog worden ingegaan. Daarbij dient te worden beschreven hoe de onderhandelingen en de biedingen zijn verlopen.

      De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit gemotiveerd op de hiervoor genoemde zienswijze in te gaan.

  • 2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

    De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De vicepresident van de Raad van State, J.P.H. Donner

REDACTIONELE BIJLAGE BIJ HET ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE BETREFFENDE NO.W14.16.0101/IV

  • Onder het kopje Planologische grondslag, onder 3, de vermelding van de grondplannummers 12 en 13 schrappen, nu blijkens de brief van verzoeker 17 maart 2016, kenmerk 66033, niet meer om aanwijzing daarvan ter onteigening wordt verzocht. In verband daarmee bezien of de opsomming van bestemmingen moet worden aangepast.

  • Gelet op het voorgaande de grondplannummers 12 en 13 verwijderen van de onteigeningslijst.

  • Onder het kopje Zienswijzen, tweede alinea, in de tweede volzin “G 5451 (grondplannummer 5)” vervangen door: G 5181 (grondplannummer 5). In de laatste volzin de passage “, in die zin dat de oude grondplannummers 4 en 5 zijn opgegaan in een nieuw grondplannummer 4” schrappen.

  • Op de onteigeningslijst grondplannummer 4 vervangen door afzonderlijke grondplannummers 4 en 5 – zoals die ook in de onteigeningslijst bij het ter inzage gelegde ontwerpbesluit waren opgenomen en op de grondplankaarten zijn aangegeven – en daarbij de actuele kadastrale aanduiding vermelden.

NADER RAPPORT

Rijkswaterstaat Corporate Dienst BJV Publiekrecht

Datum: 22 april 2015

Nummer: RWS-2016/31663

Onderwerp

Nader rapport inzake het ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a in de gemeente Barneveld

div. bijlagen

Aan de Koning

Hierbij bied ik Uwe Majesteit aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 24 juni 2016, nr. W14.16.0101/IV, inzake bovenvermeld ontwerpbesluit, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge de onteigeningswet voor de uitvoering van de bestemmingsplannen Harselaar-Oost, Harselaar-Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1a in de gemeente Barneveld.

De bestemmingsplannen voorzien onder meer in de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg c.q. doorgangsweg vanaf rijksweg A1 (Amersfoort-Apeldoorn). De gemeente Barneveld is bereikbaar via de rijkswegen A1, A30 en de A12. Door uitbreiding van bestaande en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen in het gebied van de Harselaar zal de verkeersdruk verder toenemen. Een nieuwe ontsluitingsweg aldaar is nodig om het verkeer adequaat te kunnen afwikkelen. De weg zal tevens dienen als omleidingsroute vanwege de aanleg van de Harselaartunnel onder de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. De nieuwe weg heeft ook een functie als doorgangsweg naar de dorpen Barneveld en Voorthuizen.

De Afdeling geeft U in overweging een besluit te nemen nadat rekening is gehouden met een aantal inhoudelijke opmerkingen aangaande de zienswijzen. Zowel de inhoudelijke als de redactionele opmerkingen zijn in het ontwerpbesluit verwerkt.

Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN LIEU,


X Noot
1.

Uitspraak van 27 december 2012 in zaak 201105472/1/R2 (www.raadvanstate.nl).