Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2016, 46176Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 2016, 2016-0000178184, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 in verband met het openen van nieuwe aanvraagtijdvakken duurzame inzetbaarheid en actieve inclusie en enkele technische wijzigingen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING ESF 2014–2020

A

Artikel 14 komt te luiden:

Artikel 14. Bevoorschotting

De minister kan uitsluitend na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie een voorschot verlenen tot maximaal de op de datum van ontvangst van dit verzoek bekende, verschuldigde subsidie.

B

In bijlage 1 komt artikel A9 te luiden:

Artikel A9. Bevoorschotting

  • 1. In afwijking van artikel 14 verleent de minister voor projecten als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel b, op verzoek van de subsidieontvanger, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A8, eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.

  • 2. In afwijking van artikel 14 kan de minister voor projecten als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdelen b en c, op verzoek van de subsidieontvanger, een voorschot verlenen tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag. In het verzoek wordt het voorschot gemotiveerd en gespecificeerd op basis van reeds gemaakte kosten.

C

In bijlage 1 wordt in artikel A11 ‘2 februari 2015, 09.00 uur, tot en met 27 februari 2015, 17.00 uur’ vervangen door: 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017, 17.00 uur

D

In bijlage 1 wordt in artikel A12 ‘€ 15.000.000,–’ vervangen door: € 7.000.000,–.

E

In bijlage 1 wordt in artikel A15, eerste lid, onderdeel b, ‘24 maanden’ vervangen door: twaalf maanden.

F

In bijlage 1 vervallen de artikelen A17 en A18.

G

In bijlage 1 wordt in artikel A19 ‘1 oktober 2015, 09.00 uur, tot en met 30 oktober 2015, 17.00 uur’ vervangen door: 3 oktober 2016, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2016, 17.00 uur.

H

In bijlage 1 wordt artikel A36 als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘artikel 14, eerste lid,’ vervangen door ‘artikel 14’ en wordt ‘verstrekt’ vervangen door ‘verleent’.

2. In onderdeel a vervalt ‘in zijn subsidieaanvraag’.

I

In bijlage 1 wordt in artikel B2 ‘19 oktober 2015, 9.00 uur, tot en met 13 november 2015, 17.00 uur’ vervangen door: 14 november 2016, 9.00 uur, tot en met 25 november 2016, 17.00 uur.

J

In bijlage 1 wordt in artikel B3 ‘€ 30.000.000,–’ vervangen door: € 13.000.000,–.

K

In bijlage 1 komt artikel B4 te luiden:

Artikel B4. Doel

  • 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de bevordering van duurzame inzetbaarheid van werkenden door:

    • a. het verkrijgen van advies met een implementatieplan; of

    • b. het verkrijgen van begeleiding bij de implementatie van een advies, waaronder het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk.

  • 2. Een project als bedoeld in het eerste lid is gericht op:

    • a. het bevorderen van gezond en veilig werken, waaronder een gezondere leefstijl, het terugdringen van werkstress en ongewenst gedrag in de werksfeer;

    • b. het bevorderen van een leercultuur voor werkenden, waaronder het erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden;

    • c. het stimuleren van interne mobiliteit van werkenden, het anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en het begeleiden van werknemers naar ondernemerschap; of

    • d. het bevorderen van een flexibele werkcultuur, waaronder het invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement.

L

In bijlage 1 wordt artikel B6 als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt na ‘de aanvraag’ ingevoegd: en het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

2. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. De aanvraag wordt voorzien van een projectbeschrijving, die bestaat uit een probleemanalyse, de concretisering van activiteiten die worden opgevoerd, het beoogde resultaat en de wijze waarop medewerkers worden betrokken bij het project;

3. Onder vernummering van onderdeel e tot onderdeel f, komt onderdeel e te luiden:

  • e. De werkenden actief worden geïnformeerd over en betrokken bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project, en de wijze waarop dit is gebeurd wordt weergegeven in het advies met implementatieplan dan wel in het verslag van de begeleiding bij de implementatie van een advies;

4. Onderdeel f (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. na ‘Deze hebben betrekking op de’ ingevoegd: relevante.

b. ‘dan wel een deskundige persoon is als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet’ vervangen door: dan wel een deskundige is als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit of als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;.

5. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. voor het project ten minste € 12.000,– aan subsidiabele kosten zijn begroot.

M

In bijlage 1 wordt na artikel B8 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel B8a. Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a. procesverbetering, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel B4, tweede lid;

  • b. scholing;

  • c. technische innovatie.

N

In bijlage 1 wordt artikel B10 als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt opgenomen:

    • a. een vermelding van het aantal actief betrokken werknemers en zelfstandigen zonder personeel;

    • b. een vermelding van de contactgegevens van twee werknemers die actief betrokken zijn bij het project, en bereid zijn informatie te verstrekken aan door de Minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties voor controle en evaluatiedoeleinden;

    • c. het door de adviseur investeringsprioriteit B opgestelde advies met implementatieplan of een verslag van de begeleiding van de implementatie van een advies;

    • d. de factuur of facturen van de adviseur investeringsprioriteit B en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt na ‘het derde lid’ ingevoegd: , onderdeel c.

b. De onderdelen f tot en met i komen te luiden:

  • f. op welke wijze de activiteiten hebben plaatsgevonden voor welke doelgroep en welke instrumenten zijn ingezet;

  • g. de inhoudelijke opbrengsten en conclusies van het project en in hoeverre de beoogde doelstellingen zijn bereikt op het gebied van duurzame inzetbaarheid van de betrokken werkenden;

  • h. op welke wijze werkenden geïnformeerd en betrokken zijn geweest bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project;

  • i. op welke wijze de organisatie het advies ter bevordering van de duurzame inzetbaarheid van werkenden kan implementeren, dan wel vorm is gegeven aan de begeleiding bij de implementatie, en een toelichting op de relevantie voor de aanvrager;

c. Na onderdeel i worden een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. met welke partijen binnen of buiten de organisatie is samengewerkt.

O

In bijlage 1 vervalt in artikel B11 ‘14’.

P

In bijlage 1 wordt artikel B20 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: , eerste en tweede lid,.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Na ‘verbonden organisaties’ wordt ingevoegd: , samenwerkingspartners in het samenwerkingsverband of organisaties die worden vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een samenwerkingspartner,’.

b. Na ‘onderdeel a’ wordt ingevoegd: , en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

3. In het derde lid wordt ‘derde lid’ vervangen door: tweede lid.

4. In het vierde lid wordt ‘vierde lid’ vervangen door: derde lid.

5. Het zesde lid vervalt.

Q

In bijlage 1 wordt in hoofdstuk Va na artikel B23 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel B24. Uitzonderingen op algemeen deel

De artikelen 7, eerste lid, en 17, eerste lid, zijn niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van dit hoofdstuk.

R

In bijlage 1 wordt in artikel C9 ‘artikel 14, eerste lid,’ vervangen door ‘artikel 14’, wordt ‘verstrekt’ vervangen door ‘verleent’ en wordt ‘, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven’ vervangen door ‘op verzoek van de subsidieontvanger’.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 29 augustus 2016

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

TOELICHTING

Algemeen

In deze wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 worden nieuwe aanvraagtijdvakken geopend in het kader van actieve inclusie in bijlage 1, hoofdstukken II (UWV) en III (De Minister van Veiligheid en Jusititie). Zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen C tot en met F en G). Voorts wordt in het kader van duurzame inzetbaarheid een nieuw aanvraagtijdvak geopend in bijlage 1, hoofdstuk V (Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen). Daarnaast zijn in de regeling enkele technische wijzigingen opgenomen.

Hoofdstuk V (Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen)

Eind 2016 wordt een nieuw aanvraagtijdvak opengesteld in bijlage 1, hoofdstuk V (Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen). In verband met de effectevaluatie van de eerste subsidieronde in 2014 en de ervaringen die zijn opgedaan in het tweede subsidieronde in 2015, worden enkele wijzigingen aangebracht in dit hoofdstuk. De doelen worden nader toegespitst op het welzijn van werkenden. Onder werkenden worden naast werknemers ook zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) verstaan. Een arbeidsorganisatie die een subsidieaanvraag indient richt het project ten minste op eigen werknemers, maar kan ook zzp’ers deel laten nemen. Projecten dienen expliciet gericht te zijn op de bewustwording, sociale en gezondheidsmatige aspecten van duurzame inzetbaarheid, om er aan bij te dragen dat werkenden tot hun pensioen betrokken en vitaal aan het werk blijven.

Aanvragers gaven in de tussen- en eindevaluatie van de eerste aanvraagronde aan dat het doel van de regeling goed aansluit op hun behoeften, maar ook dat sommige thema’s de indruk wekken dat er ruimte is voor projecten die zijn gericht op procesverbetering, technische innovatie of scholing. Dit is echter niet het geval. Om meer nadruk te leggen op de sociale aspecten van duurzame inzetbaarheid, arbeidsrelaties en persoonlijke ontwikkeling zijn de doelen van hoofdstuk V geherformuleerd.

De ruimte die de doelstellingen van de onderhavige regeling boden voor subsidiabele activiteiten binnen projecten die nadrukkelijk zijn gericht op het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werkenden, blijft bestaan binnen de geherformuleerde doelstellingen. Dat geldt ook voor het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk, het doen van een bedrijfsscan of -onderzoek om tot een plan van aanpak te komen.

Binnen het doel van de regeling worden de volgende thema’s onderscheiden:

a) Het bevorderen van gezond en veilig werken, waaronder een gezondere leefstijl en het terugdringen van werkstress en ongewenst gedrag in de werksfeer

Dit thema onderschrijft het nauwe verband tussen de fysieke en psychische gesteldheid en het functioneren, verzuim en uitval van werkenden.

Een op de zeven werknemers kampt met burnoutklachten, zo bleek uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van 2014.1 Psychosociale arbeidsbelasting (PSA) omvat alle factoren die bij het werk stress veroorzaken, zoals agressie en geweld, arbeidsconflicten, seksuele intimidatie, pesten en werkdruk. PSA leidde in 2012 in Nederland tot elf miljoen verzuimdagen bij 357.000 werknemers.2 Bovendien dragen de aanwezigheid van burnoutklachten en intern ongewenst gedrag eraan bij dat mensen niet tot hun pensioen willen doorwerken. Het is dus heel waardevol wanneer naast de fysieke gezondheid van werkenden ook naar psychische gezondheid, weerbaarheid en een goede sfeer wordt gestreefd. Om de individuele situatie in kaart te brengen en maatwerk te bieden, kan worden gedacht aan het introduceren van algemene periodieke onderzoeken (APK’s). Bevindingen uit dergelijke onderzoeken kunnen ook leiden tot advisering over het nemen van maatregelen in de organisatie die er aan bijdragen dat mensen gezond en veilig aan het werk blijven.

b) Het bevorderen van een leercultuur voor werkenden, waaronder het erkennen van de niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden

De arbeidsmarkt verandert snel dankzij nieuwe technologie en innovatie, off- en re-shoring. De vraag naar arbeidskrachten beweegt mee. Mensen kunnen hun werkzekerheid verhogen door te blijven leren op de werkplek. Het steunen van ambities en het erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden zijn daarbij van belang. Om werkenden, waaronder mensen zonder startkwalificatie, te stimuleren om te blijven leren, zijn zelfvertrouwen, inzicht in de urgentie, steun van collega’s en leidinggevenden, loopbaanoriëntatie en een positieve leeromgeving noodzakelijk.3 Digitale en sociale vaardigheden dragen bij aan de employability. Dergelijke niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden zijn nodig om binnen een sector of organisatie op een andere plek te kunnen worden ingezet, of om eenvoudiger een carrièreswitch te kunnen maken. De adviseur ondersteunt werkgevers bij het in beeld brengen van de ontwikkelbehoeften en leermogelijkheden van werknemers en de wijze waarop deze kunnen worden ingebed.

c) Het stimuleren van interne mobiliteit van werkenden, het anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en het begeleiden van werknemers naar ondernemerschap

Het aantal flexibele contracten en zelfstandigen zonder personeel stijgt gestaag, zoals blijkt uit de Flexbarometer op basis van de Enquête Beroepsbevolking van het CBS.4 Werkenden zullen zich in steeds grotere mate flexibel in moeten gaan zetten en vooruit moeten denken: wat zijn carrièrestappen die ik zou kunnen maken? Welke talenten en ambities heb ik en waar kunnen die mij brengen binnen en buiten de organisatie? Werkgevers kunnen mensen helpen vooruit te denken en hen ontwikkelmogelijkheden aan te bieden binnen de organisatie, die bijdragen aan hun bredere employability. Dit kan onder andere worden bevorderd door jobcarving en functie- of taakroulatie in te bedden in de organisatie.

d) Het bevorderen van een flexibele werkcultuur, waaronder het invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement

Het zelf kunnen reguleren van het werk bevordert ook de duurzame inzetbaarheid. Werkenden krijgen dan de verantwoordelijkheid en het vertrouwen om een grotere invloed uit te oefenen op hun taken en werkafspraken binnen een organisatie. Op die manier kunnen zij met meer autonomie en bewegingsvrijheid zelf inspelen op verbetermogelijkheden en hun sterke kanten, wat motiverend werkt. Daarnaast kunnen werkenden met flexibel arbeidstijdenmanagement hun werktijden afstemmen op persoonlijke omstandigheden en andere bezigheden, zoals scholing en (mantel)zorg. Flexibilisering stelt werknemers bovendien in staat meer uren actief te blijven op de arbeidsmarkt. Met externe advisering en input van de werkenden zelf, kan worden bekeken welke maatregelen ter flexibilisering van de werkcultuur bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid.

Artikelsgewijs

Artikel I. Subsidieregeling ESF 2014–2020

Onderdelen A, B, H en R (artikel 14 en bijlage 1, artikelen A9, A36 en C9)
Artikel 14

In het huidige artikel 14 wordt geregeld dat de minister uitsluitend na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie een voorschot kan verlenen tot maximaal 100% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag. Een dergelijk voorschot dient uiteraard nooit hoger te zijn dan het bedrag waarop de subsidieontvanger recht heeft op basis van de uitgevoerde eindcontrole door het Agentschap SZW. Met de aangepaste formulering wordt beter aangesloten op dit principe.

Het huidige tweede lid dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de minister om een nadere financiële en inhoudelijke onderbouwing, inclusief specificatie van reeds gemaakte kosten, alsmede zekerheid ten behoeve van het verlenen van het voorschot te vragen wordt geschrapt. Deze bepaling is niet nodig ten behoeve van het verstrekken van een voorschot van het verzoek tot vaststelling van de subsidie, nu de subsidieontvanger reeds een nadere financiële en inhoudelijke onderbouwing verstrekt bij dit verzoek.

Bijlage 1, artikelen A9, A36 en C9

De artikelen A9, A36 en C9 regelen dat de minister, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, automatisch na ontvangst en beoordeling van een voortgangsrapportage een voorschot verleent tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag (mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd). Het komt echter regelmatig voor dat een subsidieontvanger aanvankelijk bij zijn aanvraag geen voorschot aanvraagt en op een later tijdstip alsnog een voorschotverzoek indient. Met de aanpassing van voornoemde artikelen wordt voorzien in de mogelijkheid om ook in deze gevallen een voorschot te verstrekken (onder dezelfde voorwaarden: er moet altijd sprake zijn van reeds gemaakte kosten die zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende onderbouwd).

Voorts worden de artikelen technisch aangepast aan de aangepaste formulering van artikel 14 en de formulering van bepalingen met betrekking tot het verlenen van voorschotten in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Onderdelen C tot en met F (bijlage 1, artikelen A11, A12, A15, A17 en A18)

Met deze wijzigingen wordt een nieuw aanvraagtijdvak in het kader van bijlage 1, hoofdstuk II (UWV) geopend van 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017 met een subsidieplafond van € 7.000.000,–. De duur van projecten in dit aanvraagtijdvak wordt gesteld op twaalf maanden. Met deze projectduur kunnen de bepalingen met betrekking tot een voortgangsrapportage en de mogelijkheid van een tussentijds voorschot vervallen.

Onderdeel G (bijlage 1, artikel A19)

Er wordt een nieuw tijdvak opengesteld waarin de Minister van Veiligheid en Justitie subsidie kan aanvragen voor een project dat de mogelijkheden vergroot tot arbeidsinpassing van jongeren en gedetineerden. Het tijdvak wordt opengesteld van 3 oktober 2016, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2016, 17.00 uur. Voor dit aanvraagtijdvak geldt een subsidieplafond van € 9.000.000,–.

Onderdelen I en J (bijlage 1, artikelen B2 en B3)

Met de wijziging van de artikelen B2 en B3 wordt in het kader van bijlage 1, hoofdstuk V, een nieuw aanvraagtijdvak geopend van 14 november 2016, 9.00 uur, tot en met 25 november 2016, 17.00 uur. Voor dit aanvraagtijdvak geldt een subsidieplafond van € 13.000.000,–. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de subsidieaanvraag wordt afgewezen, indien verlening van de subsidie zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.

Onderdeel K (bijlage 1, artikel B4)

Dit artikel bepaalt wat het doel is van een project in het kader van dit hoofdstuk en de activiteiten waarop dit project gericht moet zijn. Een project moet op ten minste één van de genoemde activiteiten, genoemd het tweede lid, onderdelen a tot en met d, gericht zijn. Voor een nadere toelichting van de verschillende activiteiten wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Onderdeel L (bijlage 1, artikel B6)

Met de wijziging onder 1 wordt bepaald dat de subsidieaanvrager zowel bij de subsidieaanvraag als bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie dient aan te tonen dat hij tenminste twee werknemers in dienst heeft.

Onder 2 wordt een nieuw onderdeel d ingevoegd, waarin wordt bepaald dat de subsidieaanvraag wordt voorzien van een projectbeschrijving die bestaat uit de volgende onderdelen:

  • a. een probleemanalyse

    • Op welke manier is de duurzame inzetbaarheid van de werkenden momenteel belemmerd en hoe komt dat?

    • Om welke doelgroep gaat het (bijv. organisatielagen, functiegroepen, jongeren, arbeidsbeperkten, vijftigplussers, zzp’ers, mantelzorgers)?

  • b. de concretisering van activiteiten die worden opgevoerd

    Geef voor elk thema aan:

    • Wat houdt de activiteit in (acties, instrumenten en methoden)?

    • Wat is de rol van de externe adviseur bij de activiteiten?

  • c. het beoogde resultaat

    Geef voor elk thema aan:

    • Wat zijn de beoogde resultaten met betrekking tot de bevordering van de duurzame inzetbaarheid van de doelgroep werkenden?

    • Hoe en waarom gaan de activiteiten leiden tot deze beoogde resultaten op korte en middellange termijn?

    • Hoeveel werknemers en zzp’ers beoogt het project te bereiken?

  • d. de wijze waarop medewerkers worden betrokken bij het project.

    • Op welke manier worden werkenden geïnformeerd over en betrokken bij de planvorming, implementatie en evaluatie?

Uit de bovengenoemde onderdelen volgt of het project op een efficiënte en effectieve manier bij zal dragen aan de duurzame inzetbaarheid van de doelgroep. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de activiteiten, te verwachten resultaten en het daadwerkelijke bereik van de betrokken werkenden daarbij in redelijke verhouding dienen te staan tot de kosten die worden gemaakt. Bij het betrekken van werkenden kan worden gedacht aan inspraak van individuele werkenden, de personeelsvertegenwoordiging of ondernemingsraad bij de planvorming, communicatie en evaluatie van het project. Betrokkenheid van de werkenden is van belang voor de bewustwording en om mensen ertoe te bewegen dat zij zelf aan de slag gaan met hun duurzame inzetbaarheid. Daarnaast vormen de werkenden zelf de belangrijkste informatiebron wat betreft verbetermogelijkheden met betrekking tot hun duurzame inzetbaarheid. In dialoog met de werkenden kan bijvoorbeeld de organisatie van het werk worden aangepast.

De adviseur die door de subsidieaanvrager wordt ingezet dient voorts in beginsel aan het referentievereiste te voldoen (onder 4). In onderdeel f wordt bepaald dat drie verschillende opdrachtgevers als onafhankelijke referent dienen op te treden. De opdrachtnemer, familieleden en partners, collega’s en zakenpartners worden bijvoorbeeld niet beschouwd als onafhankelijk referent. Een enkele referentie van een O&O-fonds volstaat ook. Bij het inzetten van een adviseur die werkzaam is bij een O&O-fonds hoeft geen referentie te worden ingediend. Hetzelfde geldt voor een deskundige als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit (gecertificeerde deskundigen op de terreinen van arbeidshygiëne, hogere veiligheidskunde dan wel arbeids- en organisatiekunde) of een bedrijfsarts die is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in artikel 14 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (bedrijfsartsen met een geldige BIG-registratie). Dit betreft deskundigen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet. In onderdeel f wordt hierbij ten behoeve van de duidelijkheid rechtstreeks verwezen naar de relevante bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Verder wordt verduidelijkt dat de kennis en vaardigheden van de adviseur relevant moeten zijn voor de uitvoering van het beoogde project op het terrein van duurzame inzetbaarheid.

Onder 5 wordt een nieuw onderdeel g toegevoegd. Uit onderdeel g volgt dat een aanvraag voor een project waarvoor minder dan € 12.000,– aan subsidiabele kosten is begroot niet in aanmerking komt voor subsidie. Dit is in lijn met artikel B10, tweede lid, waarin is bepaald dat het maximale subsidiepercentage bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt vastgesteld op 0% indien bij het indienen, dan wel na het controleren van de einddeclaratie respectievelijk na overig onderzoek door daartoe bevoegde instanties, blijkt dat minder dan € 12.000,– aan subsidiabele kosten is gerealiseerd.

Onderdeel M (bijlage 1, artikel B8a)

Er wordt een nieuw artikel B8a ingevoegd waarin wordt bepaald dat procesverbetering, scholing en technische innovatie niet voor subsidiëring in aanmerking komen. Bij procesverbetering gaat het om het efficiënter inrichten van de bedrijfsprocessen binnen de arbeidsorganisatie met het doel de productie en het economisch rendement te verhogen. Dit is niet subsidiabel. Ook scholingskosten kunnen niet worden opgevoerd voor subsidie. Daaronder kan in ieder geval worden verstaan het volgen van scholing om aan de voorwaarden van beroepsuitoefening te voldoen, of een training voor het gebruik van een intern systeem. Verder zijn projecten die zijn gericht op de (advisering over) aankoop en inrichting van (digitale) systemen en werkprocessen niet subsidiabel. Het ligt daarnaast niet in de rede dat projecten subsidiabel zijn die primair gericht zijn op het uitvoeren van bestaand personeelsbeleid, een bedrijfsmatige reorganisatie, certificering van bedrijfs- en productieprocessen, exit-trajecten of het nakomen van wettelijke en bovenwettelijke verplichtingen die formeel zijn verbonden aan het werk- of opdrachtgeverschap. Wellicht ten overvloede wordt vermeld dat deze bepaling in aanvulling is op artikel 13.

Alleen de advieskosten van een externe adviseur zijn subsidiabel, bijvoorbeeld wanneer de adviseur bij de implementatie van een advies medewerkers en leidinggevenden begeleidt in het omgaan met werkdruk of agressie op de werkplek. Verder geldt dat projecten nadrukkelijk een extra impuls dienen te geven aan de activiteiten die in artikel B4 worden beschreven en als primair doel de bevordering van duurzame inzetbaarheid van werkenden te hebben.

Onderdeel N (bijlage 1, artikel B10)

In het derde lid wordt bepaald dat de subsidieontvanger bij de einddeclaratie het aantal bereikte werknemers en zelfstandigen zonder personeel vermeldt. Verder dient hij ook de contactgegevens van twee deelnemende werknemers te vermelden, zodat het Agentschap SZW navraag bij hen kan doen naar de invulling van het project en de betrokkenheid van de doelgroep. Deze gegevens worden in het einddeclaratieformulier vermeld en niet in het verslag opgenomen. De gegevens worden enkel gebruikt door de Minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties voor controle en/of evaluatiedoeleinden met betrekking tot het project waarvoor binnen dit hoofdstuk subsidie is aangevraagd. In het derde lid, onderdelen c en d, zijn verder de bepalingen opgenomen die al in het derde lid waren opgenomen.

De wijzigingen van het vierde lid hebben betrekking op het aanscherpen van de eisen die worden gesteld aan het advies of het verslag. Uit de effectevaluatie van de eerste aanvraagronde volgt dat knelpunten voor implementatie van een advies zijn: onvoldoende draagvlak onder de werkenden en de vertaalslag naar de praktijk. Een effectief adviestraject of implementatieplan is gestoeld op draagvlak bij de werkenden en betrekt degenen op wie het project betrekking heeft: de werkenden. In het vierde lid, onderdeel h, wordt daarom bepaald dat in het advies of het verslag expliciet wordt beschreven op welke wijze werkenden werden geïnformeerd en betrokken zijn geweest bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project. De resultaten van de projectactiviteiten en de manier waarop deze bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van werkenden worden verder op heldere wijze in het verslag of advies vermeld (onderdeel g). Daarbij beschrijft de adviseur welke mechanismen middels de activiteiten zijn ingezet om de duurzame inzetbaarheid te bevorderen. De onderdelen f, i en j golden reeds voor het vorige aanvraagtijdvak. Deze zijn verder inhoudelijk aangepast. Zo wordt benadrukt dat het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid afstemming van maatregelen op de behoeften van werkenden binnen de organisatie vereist. Afstemming en het leveren van maatwerk zijn een vereiste in het advies, implementatieplan en verslag.

Onderdelen O en Q (bijlage 1, artikelen B11 en B24)
Artikel B11

In artikel B11 wordt de uitzondering voor artikel 14 geschrapt. Voor alle hoofdstukken in het kader van de bijlage geldt de hoofdregel dat een voorschot kan worden verleend na ontvangst van het verzoek tot vaststelling. Voor de volledigheid wordt vermeld dat in het kader van hoofdstuk V (en hoofdstuk Va) geen tussentijds voorschot (tussen verlening en verzoek tot vaststelling) wordt verstrekt.

Artikel B24

In artikel B24 wordt aangegeven welke bepalingen van het algemeen deel van de regeling niet van toepassing zijn in het kader van hoofdstuk Va. Artikel 7, eerste lid, is niet van toepassing op dit hoofdstuk, omdat er geen sprake is van subprojecten. Artikel 17, eerste lid, is niet van toepassing, aangezien in het kader van dit hoofdstuk het niet nodig is jaarlijks een deelnemersregistratie te verstrekken.

Onderdeel P (bijlage 1, artikel B20)

Ter verduidelijking wordt artikel B20, tweede lid, aangepast. Er wordt benadrukt dat er, ten behoeve van een eerlijk inkoopproces, geen sprake mag zijn van belangenverstrengeling. Belangenverstrengeling kan ontstaan wanneer een opdrachtnemer ook is vertegenwoordigd in het bestuur van de organisatie die optreedt als aanvrager, of in het bestuur van een samenwerkingspartner. Indien een dergelijke partij een deel van de uitvoering voor haar rekening neemt, dienen deze activiteiten afgerekend te worden op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. De overige aanpassingen van het eerste, derde, vierde en zesde lid betreffen technisch wijzigingen.

Artikel II. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten en van de minimale invoeringstermijn van twee maanden. Het is wenselijk dat de regeling zo spoedig mogelijk in werking treedt in verband met de kenbaarheid van de wijzigingen voor subsidieaanvragers in de nieuwe aanvraagtijdvakken.

Den Haag, 29 augustus 2016

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

CBS en TNO.

X Noot
2

TNO, De kosten van ziekteverzuim voor werkgevers in Nederland, 2014.

X Noot
3

TNO, Stimuleren van scholing bij lager opgeleide medewerkers, 2011.

X Noot
4

TNO, Flexbarometer, 2016.