Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24-5-2016, kenmerk 921413, houdende deelneming in de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluit:

Artikel 1

Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel.

Artikel 2

Het Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2000, nr. DCE/00/12702 (Stcrt. 2000, 141) wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

TOELICHTING

Met dit besluit neemt het Rijk deel aan de gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Deze gemeenschappelijke regeling houdt een wijziging in ten opzichte van de eerdere soortgelijke gemeenschappelijke regeling, waarbij het Rijk reeds deelnemer was.

De aanleiding voor deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling is de inwerkingtreding van de Wet van 9 juli 2014 (Stb. 2014, 306), waarbij de Wet gemeenschappelijke regelingen werd gewijzigd. Daarnaast is de dualisering van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling zoals voorgeschreven in de Wet dualisering gemeentebestuur doorgevoerd. Behoudens redactionele wijzigingen is de gemeenschappelijke regeling niet aangepast. De hoogte van de bijdragen van alle deelnemers is dan ook gelijk gebleven.

Het besluit tot deelneming treedt in werking op een bij inwerkingtredingsbesluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip. Het deelnemingsbesluit zal niet eerder in werking treden dan vier weken nadat dit besluit aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, zodat recht wordt gedaan aan artikel 97, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Zwolle en Deventer,

d.d. 24-5-2016, kenmerk 927355

Gelet op hoofdstuk I en VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten:

tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Overijssel en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Zwolle en Deventer.

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a. de Minister:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. de gemeenten:

de gemeenten Zwolle en Deventer;

c. archiefbescheiden:

archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995;

d. collecties:

de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten;

e. colleges:

de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en

f. provincie:

de provincie Overijssel.

Artikel 2

  • 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen.

  • 2. Het Historisch Centrum Overijssel voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid van de Minister en de gemeenten mede uit.

  • 3. De Minister en de gemeenten kunnen met het Historisch Centrum Overijssel afspraken maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in artikel 2b genoemde taken en bevoegdheden.

Artikel 2a

  • 1. Er is een openbaar lichaam genaamd Historisch Centrum Overijssel.

  • 2. Het Historisch Centrum Overijssel is gevestigd te Zwolle.

Artikel 2b

  • 1. Aan het bestuur van Het Historisch Centrum Overijssel zijn de navolgende werkzaamheden, taken en bevoegdheden van de colleges en de Minister overgedragen:

    • a. de beheerstaken, te onderscheiden in het behouden, bewerken en benutten van de archiefbescheiden die berusten in de in artikel 2 genoemde archiefbewaarplaatsen;

    • b. de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 15, derde lid, 16, tweede lid, 17, 18, 19, 20, 31 en 32, eerste en derde lid, van de Archiefwet 1995;

    • c. de bevoegdheid van de Minister om op grond van de artikelen 25 en 26, tweede lid, van de Archiefwet 1995 de rijksarchivaris in de provincie te benoemen, te schorsen en te ontslaan;

    • d. het adviseren en het doen van voorstellen aan de Minister en de colleges over de taken en bevoegdheden, die door de Minister of de colleges worden uitgevoerd ingevolge de artikelen 5, 6, 7, 8, 12, 13, 15, eerste en tweede lid, 30 en 32, tweede lid, van de Archiefwet 1995, en

    • e. het verrichten van door de Minister of de colleges opgedragen andere taken die verband houden met de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Het Historisch Centrum Overijssel voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid en cultuurbeleid van de Minister en de gemeenten mede uit.

  • 3. Het Historisch Centrum Overijssel stelt zich tevens ten doel het in de archieven ondergebrachte cultureel erfgoed op actieve wijze toegankelijk te maken voor en onder de aandacht te brengen van een breed publiek.

Artikel 3

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de regels omtrent de kosten, bedoeld in artikel 19 Archiefwet 1995, vast bij unanimiteit en volgt daarbij zoveel mogelijk de regels die de Minister op grond van artikel 19 Archiefwet 1995 heeft vastgesteld voor het Nationaal Archief.

  • 2. Het algemeen bestuur wijst de archiefbewaarplaats, bedoeld in artikel 31 Archiefwet 1995, aan bij unanimiteit.

Artikel 4

  • 1. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.

  • 2. De Minister wijst twee leden aan.

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle wijst uit zijn midden twee leden aan.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders van Deventer wijst uit zijn midden twee leden aan.

  • 5. De Minister en de colleges kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor de colleges uit hun midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.

  • 6. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college van de betreffende gemeente afloopt.

  • 7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.

  • 8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de Minister of de colleges zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 9. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.

Artikel 5

  • 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger in een andere hoedanigheid eveneens betrokken is en waarbij belangenspanning speelt of de integriteitsvraag aan de orde zou kunnen zijn.

  • 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

  • 4. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing:

    • a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

    • b. voor zover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

  • 6. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, voor zover de regeling niet anders bepaalt.

  • 7. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 6

  • 1. Aan het algemeen bestuur behoren ter uitvoering van de aan het Historisch Centrum Overijssel toegekende taak alle bevoegdheden toe die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.

  • 2. Het algemeen bestuur kan de directeur, bedoeld in artikel 30, tot rijksarchivaris in de provincie en tot gemeentearchivaris van Zwolle en van Deventer benoemen.

  • 3. Aan de bevoegdheden van het algemeen bestuur worden geen beperkingen opgelegd ingevolge artikel 31 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, mits het totaal van de aangegane verplichtingen binnen de vastgestelde begroting valt. Voor het aangaan van verplichtingen door het algemeen bestuur buiten de goedgekeurde begroting geldt de procedure van artikel 20, 20a en 21.

  • 4. Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten en de Minister in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij unanimiteit.

Artikel 7

Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister, de raden van de gemeenten en de colleges de door hen, of een of meerdere van hun leden, gevraagde inlichtingen.

Artikel 8

  • 1. Een lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door de Minister verstrekt aan de Minister zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door de Minister gevraagde inlichtingen.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de colleges en aan de raden van de gemeenten zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door een of meer leden van die organen gevraagde inlichtingen.

  • 3. De colleges en de Minister kunnen een lid van het algemeen bestuur dat zij hebben aangewezen, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Artikel 9

De Minister en de colleges kunnen een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur, dat hun vertrouwen niet meer geniet, ontslag verlenen.

Artikel 10

  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere door het algemeen bestuur aan te wijzen leden.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat het algemeen bestuur in het dagelijks bestuur één lid aanwijst dat in het algemeen bestuur is aangewezen door de colleges en één lid aanwijst dat in het algemeen bestuur is aangewezen door de Minister.

  • 3. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur of de termijn van aanwijzing van het lid van buiten de kring van het algemeen bestuur eindigt.

  • 4. Artikel 4, negende lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen, voor zover niet anders bepaald in de regeling.

  • 6. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 7. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.

Artikel 11

Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als één of meer leden van het dagelijks bestuur dit nodig oordelen.

Artikel 12

Het dagelijks bestuur stelt regels voor zijn vergaderingen vast.

Artikel 13

Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:

  • a. het voeren van het dagelijks bestuur van het Historisch Centrum Overijssel;

  • b. beslissingen van het algemeen bestuur voorbereiden en uitvoeren;

  • c. regels vaststellen over de ambtelijke organisatie van het Historisch Centrum Overijssel;

  • d. ambtenaren benoemen, schorsen en ontslaan;

  • e. besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het Historisch Centrum Overijssel, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 6, vierde lid;

  • f. besluiten namens het Historisch Centrum Overijssel, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

  • g. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring van recht of bezit;

  • h. het beheer van de activa en passiva van het Historisch Centrum Overijssel, en

  • i. de zorg, voor zover deze van het dagelijks bestuur afhangt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het Historisch Centrum Overijssel.

Artikel 14

  • 1. Het dagelijks bestuur of een of meer leden daarvan verstrekt aan het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen in een vergadering van dat bestuur of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen.

  • 2. Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur of een of meer leden daarvan, nadat de inlichtingen zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, in een vergadering of schriftelijk ter verantwoording roepen.

Artikel 15

  • 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2. Uit de overige leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden een of meerdere plaatsvervangend voorzitters aangewezen.

  • 3. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 4. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, tenzij hij aan de directeur het tekenen van bepaalde stukken heeft opgedragen.

  • 5. De voorzitter vertegenwoordigt het Historisch Centrum Overijssel in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.

Artikel 16

  • 1. Het algemeen bestuur kan besluiten dat de leden van het bestuur, voor zover zij niet de functie vervullen van burgemeester of wethouder van de gemeente, of als ambtenaar in rijks- of gemeentedienst werkzaam zijn, een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden ten behoeve van Historisch Centrum Overijssel.

  • 2. De leden van het bestuur, bedoeld in het eerste lid, ontvangen een tegemoetkoming in de kosten, waartoe worden gerekend reis- en verblijfkosten ten behoeve van het bijwonen van de vergaderingen van het algemeen bestuur.

  • 3. De in de voorgaande leden bedoelde vergoeding en tegemoetkoming worden door het algemeen bestuur vastgesteld.

Artikel 17

  • 1. De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen middelen worden verschaft door de Minister en de gemeenten, door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting. Bij de aanvang van het Historisch Centrum Overijssel luiden de bijdragen zoals vastgesteld in de bijlage bij de regeling.

  • 2. De Minister en de colleges dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om zijn verplichtingen te voldoen. Dit met inachtneming van het zevende lid.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde bijdragen zullen jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkelingen op basis van het prijsmutatiepercentage voor de netto materiële overheidsconsumptie, zoals jaarlijks opgenomen in het Centraal Economisch Plan en zoals door de gemeente gehanteerd bij de opstelling van haar jaarlijkse begroting.

  • 4. Het Historisch Centrum Overijssel kan bij de vaststelling van de begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door de Minister en de colleges vast te stellen percentage als bedoeld in het derde lid.

  • 5. Indien de Minister of de gemeenten een bijzondere taak opdragen als bedoeld in artikel 2b, onder e, waarvan de kosten niet zijn op te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen vergoeding betaald.

Artikel 18

  • 1. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer en de boekhouding van het Historisch Centrum Overijssel. Bij deze regels wordt bepaald welke ambtenaren van het Historisch Centrum Overijssel met het doen van ontvangsten en betalingen worden belast.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de financiële administratie en het kasbeheer.

Artikel 19

  • 1. Het dagelijks bestuur stelt eenmaal per vier jaar een vierjarig beleidsplan en een meerjarenbegroting op.

  • 2. Een periode van vier jaren als bedoeld in het eerste lid valt samen met de periode van een cultuurnota als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

  • 3. Het dagelijks bestuur zendt het ontwerpbeleidsplan en de ontwerpmeerjarenbegroting aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt ze vast. Dertien maanden voorafgaand aan de periode waarop het beleidsplan en de meerjarenbegroting betrekking hebben, worden deze toegezonden aan de Minister en de raden van de gemeenten.

  • 4. De Minister en de colleges maken, binnen twee maanden na ontvangst van de in het derde lid genoemde stukken, gezamenlijk afspraken met het Historisch Centrum Overijssel over te behalen resultaten voor de komende vier jaren.

Artikel 20

  • 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de gemeenten en de Minister.

  • 2. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks, ten minste acht weken voor de in artikel 20a, eerste lid, bedoelde vaststelling, de raden van de gemeenten en de Minister een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van Historisch Centrum Overijssel en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

  • 3. Bij het opstellen van het ontwerp voor de begroting, bedoeld in het eerste lid, neemt het algemeen bestuur het archiefbeleid en het cultuurbeleid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de afspraken, bedoeld in artikel 19, vierde lid in acht.

  • 4. In de toelichting op de ontwerpbegroting worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke belangen en resultaten het Historisch Centrum Overijssel met de activiteiten nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroepen zij zijn bestemd.

  • 5. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges en de Minister voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 6. De raden van de gemeenten en de Minister kunnen bij het algemeen bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

Artikel 20a

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. De begroting wordt vastgesteld bij unanimiteit.

  • 2. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden van de gemeenten en de Minister, die ter zake bij gedeputeerde staten van de provincie hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 21

  • 1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

  • 2. De artikelen 20 en 20a, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van die wijzigingen, waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen, bedoeld in artikel 17, eerste lid. Het dagelijks bestuur zendt de begrotingswijziging binnen vier weken na de vaststelling aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 22

  • 1. De Minister en de gemeenten voldoen de verschuldigde bijdrage bij wijze van voorschot in twaalf maandelijkse termijnen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de Minister en de gemeenten de bijdragen bij wijze van voorschot voldoen in door hen nader te bepalen termijnen.

Artikel 23

  • 1. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de Minister en de raden van de gemeenten. De voorlopige jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Het algemeen bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt verleend aan door of namens de accountant(s) van de Minister en de gemeenten in te stellen onderzoeken naar de door de accountant, bedoeld in het eerste lid, verrichte (controle)werkzaamheden.

  • 3. Het algemeen bestuur brengt jaarlijks aan de Minister en de raden van de gemeenten voor 15 april een inhoudelijk verslag uit van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.

  • 4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van de provincie, de raden van de gemeenten en de Minister.

  • 5. Het algemeen bestuur stelt de in het eerste en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

Artikel 24

De Minister en de gemeenten kunnen regels stellen over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole. Het jaarverslag geeft inzicht in de bereikte resultaten als bedoeld in artikel 20, vierde lid.

Artikel 25

De Minister en de gemeenten kunnen gezamenlijk nadere regels stellen over het financieel en materieel beheer, over de inrichting van de begroting, het financieel verslag, jaarverslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 26

  • 1. Een batig saldo kan worden bestemd voor vorming van of toevoeging aan de reserve, of kan worden uitbetaald. De hoogte van deze reserve wordt bepaald door het algemeen bestuur, gehoord de Minister en de raden van de gemeenten. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de reserve wordt het saldo naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de Minister en de gemeenten.

  • 2. De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de Minister en de gemeenten van dat jaar.

  • 3. Bij het jaarverslag stelt het algemeen bestuur de definitieve bijdragen van de Minister en de gemeenten vast.

Artikel 27

  • 1. Overeenkomstig door het algemeen bestuur vast te stellen regels, die aan gedeputeerde staten van de provincie worden medegedeeld, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het Historisch Centrum Overijssel.

  • 2. De archiefbescheiden van het Historisch Centrum Overijssel die op grond van de Archiefwet 1995 moeten worden overgebracht, komen te berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie.

  • 3. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. De Minister en de colleges kunnen de staat waarin de onder hun verantwoordelijkheid bij het Historisch Centrum Overijssel berustende archieven zich bevinden onderzoeken.

Artikel 28

  • 1. De colleges, de Minister en het Historisch Centrum Overijssel verstrekken elkaar desgevraagd inlichtingen en gegevens welke zij nodig achten voor de uitoefening van hun taak.

  • 2. De Minister en de colleges kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden van het Historisch Centrum Overijssel, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

  • 3. Het Historisch Centrum Overijssel stelt de Minister en de colleges te allen tijde in de gelegenheid toezicht te houden op het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 ten aanzien van de archiefbescheiden die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten.

Artikel 29

  • 1. De colleges en de Minister doen het dagelijks bestuur mededeling van de bij hen in voorbereiding zijnde maatregelen en plannen die voor de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2, voor het Historisch Centrum Overijssel van belang zijn.

  • 2. De colleges en de Minister kunnen, bij de in het eerste lid bedoelde mededeling, het gevoelen vragen van het dagelijks bestuur. Ook ongevraagd kan het dagelijks bestuur zijn zienswijze daaromtrent aan de gemeenten of Minister kenbaar maken.

Artikel 30

Het dagelijks bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de directeur van het Historisch Centrum Overijssel.

Artikel 31

  • 1. Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast.

  • 2. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Artikel 32

  • 1. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een adviserende stem.

  • 2. Met inachtneming van artikel 15, vierde lid, worden alle stukken, die van het algemeen of het dagelijks bestuur uitgaan door de directeur mede ondertekend.

Artikel 33

Het overige personeel wordt in dienst genomen, geschorst of ontslagen door het dagelijks bestuur.

Artikel 34

  • 1. Het dagelijks bestuur stelt de rechtspositie- en arbeidsvoorwaardenregeling vast.

  • 2. Het dagelijks bestuur volgt bij de vaststelling van de regelingen, bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk de rechtspositieregeling van Zwolle.

  • 3. Een regeling die afwijkt van de in het tweede lid bedoelde rechtspositieregeling, behoeft de instemming van de regionale vakbondsbestuurders.

Artikel 35

Toetreding tot de regeling kan geschieden bij daartoe strekkende besluiten van de Minister en de colleges, na verkregen toestemming van de raden van de gemeenten, alsmede de toe te treden bestuursorganen of rechtspersonen.

Artikel 36

  • 1. Uittreding uit de regeling kan geschieden door toezending van een daartoe strekkende besluit van de Minister en de colleges. De colleges overleggen daarbij ook het besluit tot toestemming van de raden van de gemeenten.

  • 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding. De uittreding gaat in op de eerste dag van het jaar volgend op dat waarin door de zorg van het dagelijks bestuur de bekendmaking van de uittreding in de Nederlandse Staatscourant is geschied.

  • 3. De kosten van uittreding komen voor rekening van het uittredend college of, in geval van uittreding van de Minister, voor rekening van de Minister.

Artikel 37

  • 1. Deze regeling kan worden gewijzigd bij besluit van de Minister en van de colleges.

  • 2. Het college heeft voor het besluit tot wijziging van de regeling de toestemming van de raad van zijn gemeente nodig.

Artikel 38

Deze regeling kan worden opgeheven bij besluit van de Minister en de colleges. Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van de Minister en van de gemeenten om alle rechten en plichten van het openbaar lichaam over de Minister en de gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Artikel 39

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, volgend op de bekendmaking in de Staatscourant door de Minister.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle zendt de regeling in aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 40

Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel.

Artikel 41

  • 1. De gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel, gepubliceerd als bijlage bij het Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2000, nr. DCE/00/12702 (Stcrt. 2000, 141), wordt ingetrokken.

  • 2. De rechten en verplichtingen van het Historisch Centrum Overijssel zoals die bestonden op het moment vóór de inwerkingtreding van deze regeling blijven in stand na de inwerkingtreding van deze regeling.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

…………………………………………………

Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,

De burgemeester,

……………………………………………………….

de secretaris,

………………………………………………………

Burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer,

De burgemeester,

……………………………………………………….

de secretaris,

………………………………………………………

TOELICHTING

Algemeen

Op 1 januari 2015 is een aangepaste Wet gemeenschappelijke regelingen (verder: Wgr) in werking getreden. Uit deze wijziging volgen voor alle samenwerkingsverbanden op basis van de Wgr verplichte wijzigingen, waarvoor elk samenwerkingsverband een jaar de tijd heeft om zijn regelingen daarop aan te passen. Op 1 januari 2016 dienen alle RHC’s zodoende hun gemeenschappelijke regelingen te hebben aangepast. De wijzigingen die volgen uit de aangepaste Wgr zijn vooral technisch van aard. Het betreft onder meer de termijnen die gelden voor de zienswijzeprocedure bij begroting en jaarrekening, het verplicht stellen van een kadernota en concept jaarrekening die aan de deelnemers worden gezonden en het expliciet mogelijk maken van het oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door het RHC na zienswijzeprocedure bij de deelnemers en aanpassingen rondom bekendmaking.

Ten slotte is er een technische aanpassing die wel degelijk grondstoffelijker gevolgen heeft. Dit betreffen de aangepaste bepalingen rondom de vraag welke bestuursorganen deelnemen en in relatie daarmee de bestuurssamenstelling. De voorgaande versie van de gemeenschappelijke regeling is getroffen door (thans) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de raad en college van burgemeester en wethouders van Zwolle. Het is daarmee een regeling waarop hoofdstuk IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna ook: Wgr) van toepassing is vanwege de deelname van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tezamen met één gemeentebestuur. Krachtens artikel 98 Wgr is hoofdstuk I van de Wgr (gemeentelijke samenwerking) van overeenkomstige toepassing nu een gemeentebestuur de gemeenschappelijke regeling (mede) aangaat. Nu de gemeente Deventer toetreedt wordt het een regeling waaraan meerdere gemeenten deelnemen. Daarop is krachtens artikel 93 en 94 Wgr hoofdstuk I van de Wgr (gemeentelijke samenwerking) van overeenkomstige toepassing nu meerdere gemeentebesturen de gemeenschappelijke regeling (mede) aangaan.

De gemeenschappelijke regeling was een zogenoemde gemengde regeling, dit omdat (vanuit de gemeentebesturen) zowel de raad als het college van burgemeester en wethouders deelnemen. Een collegeregeling is een gemeenschappelijke regeling waaraan uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van een waterschap deelnemen (evt. aangevuld met een Minister namens de Staat of met andere openbare lichamen of rechtspersonen). Op grond van artikel 1 lid 1 Wgr kunnen de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester een gemeenschappelijke regeling treffen ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn. Welk orgaan bevoegd is tot deelneming is afhankelijk van de over te dragen bevoegdheden. Slechts deelnemende bestuursorganen mogen immers hun bevoegdheden overdragen (art. 30 lid 1 Wgr). De gemeenteraad moet op grond van artikel 30 lid 1 Archiefwet 1995 een archiefverordening vaststellen, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders de zorg draagt voor de archiefbescheiden van alle gemeentelijke bestuursorganen. De bevoegdheid de archiefverordening vast te stellen is niet overgedragen aan het RHC-bestuur. Slechts uitvoerende bevoegdheden zijn overgedragen. Dat betekent dat gelet op de systematiek van de Wet gemeenschappelijke regelingen de gemeenteraad geen deelnemer hoorde te zijn in de gemeenschappelijke regeling. Dit is nu aangepast. De raad is uitgetreden en het is daarmee een collegeregeling geworden. Eventuele bevoegdheden die voor inwerkingtreding van de Wet dualisering medebewindsbevoegdheden aan de raad toebehoorden en maakten dat deelname van raden was gerechtvaardigd zijn na inwerkingtreding van die wet bij het college komen te liggen.

Ten slotte zijn bepalingen aangepast rondom de bestuurssamenstelling. Het RHC-bestuur bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter, overeenkomstig artikel 12 lid 1 Wgr. In de vorige gemeenschappelijke regeling zat een technische omissie waar het de benoeming van de voorzitter betreft. De voorzitter is een bestuursorgaan, net als de commissaris van de Koning of de burgemeester. De voorzitter moet, als bestuursorgaan, worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur (art. 13 lid 9 Wgr). Vervolgens is de voorzitter tevens voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur (art. 12 lid 3 Wgr) en lid van het dagelijks bestuur (art. 14 lid 1 Wgr). De benoeming van de voorzitter geschiedde in de regeling als “voorzitter van het algemeen bestuur” en dat is incorrect. Dit is aangepast.

Het dagelijks bestuur bestond uit de voorzitter én drie leden van het algemeen bestuur. Dat is conform artikel 14 lid 3 Wgr sinds 1 januari 2015 bepaalt dat het dagelijks bestuur nooit de meerderheid van het algemeen bestuur uitmaken (zowel niet in aantal als in stemverhouding). Daarnaast geldt conform de Wgr dat het dagelijks bestuur uit ten minste drie personen dient te bestaan.

Het algemeen bestuur bestaat in de nieuwe opzet, waarbij Deventer toetreedt uit zes leden. De Minister wijst twee leden aan en de colleges wijzen uit hun midden elk twee leden aan. Nu de gemeenschappelijke regeling is omgezet tot een collegeregeling moet het college de leden van het algemeen bestuur uit zijn midden aanwijzen (art. 13 lid 6 Wgr). Er is dan dus geen plek meer voor raadsleden. Voor het dagelijks bestuur betekent dit dat zij gelet op de omvang van het algemeen bestuur van zes zal bestaan uit drie leden die door het algemeen bestuur uit zijn midden worden aangewezen.

Artikelsgewijs

Aanhef

Zoals in alle regelgeving, is het de Minister die een regeling treft. Dat dit door de portefeuilleverdeling in enig jaar de Staatssecretaris is, laat onverlet dat de regeling moet spreken van de Minister. De vraag is of de gemeenteraad deelnemer moet zijn. Op grond van artikel 1 lid 1 Wgr kunnen de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester een gemeenschappelijke regeling treffen ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn. Welk orgaan bevoegd is tot deelneming is afhankelijk van de over te dragen bevoegdheden. Slechts deelnemende bestuursorganen mogen immers hun bevoegdheden overdragen (art. 30 lid 1 Wgr). De gemeenteraad moet op grond van artikel 30 lid 1 Archiefwet 1995 een archiefverordening vaststellen, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders de zorg draagt voor de archiefbescheiden van alle gemeentelijke bestuursorganen. De bevoegdheid de archiefverordening vast te stellen is niet overgedragen aan het RHC-bestuur. Slechts uitvoerende bevoegdheden zijn overgedragen (art. 2 lid 3 GR-oud). Dat betekent dat gelet op de systematiek van de Wet gemeenschappelijke regelingen de gemeenteraad geen deelnemer meer is in de regeling.

Artikel 1

Collecties is toegevoegd vanwege de eenduidigheid van de regelingen. In veel andere RHC regelingen is dit begrip ook gedefinieerd met het oog op de omschrijving van het belang in artikel 2.

Ook is bijvoorbeeld de definitie van gemeente aangepast. Dit is nu meervoud, door de toetreding van Deventer. Op veel andere plaatsen in de regeling is dit eveneens aangepast.

Artikel 2

Het oude artikel 2 is gesplitst in een artikel over het belang (art. 2), over de rechtsvorm (art. 2a) en over de taken en bevoegdheden (art. 2b).

Artikel 3

Artikel 19 van de Archiefwet 1995 is overgedragen aan het algemeen bestuur. Dientengevolge stelt het algemeen bestuur de regels vast. Om te zorgen voor uniformiteit binnen alle RHC’s worden de regels die de Minister voor het Nationaal Archief vaststelt gevolgd.

Artikel 4

Nieuw is dat ook plaatsvervangende leden kunnen worden aangewezen, die het lid bij ontstentenis vervangen (lid 4).

Omdat de regeling thans een collegeregeling is, is het niet langer de raad, maar het college dat de gemeentelijke leden aanwijst (art. 13 lid 6 Wgr). De regeling is daarop aangepast.

Het oude tiende lid is niet in overeenstemming met artikel 22 lid 1 Wgr jo. de Gemeentewet. Indien er niet voldoende leden aanwezig zijn, is er geen quorum en kan er dus niet besloten worden. Het tiende lid is daarom vervallen.

De artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn van toepassing op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur. Zo wordt een vergadering van het algemeen bestuur niet geopend indien niet meer dan de helft van de leden tegenwoordig is (artikel 20 Gemeentewet) en vindt een benoeming plaats bij geheime stemming (artikel 31).

Artikel 5

Duidelijk wordt gemaakt hoeveel stemmen ieder lid heeft. Er is niet geopteerd voor onderscheid in stemmen tussen de deelnemers.

Voor de volledigheid is ook het regime over belangenverstrengeling opgenomen zoals dat krachtens artikel 22 lid 1 Wgr jo. art. 28 Gemeentewet geldt, net als hoe besluitvorming tot stand komt (art. 22 lid 1 Wgr).

Artikel 6

Het oude tweede lid is geschrapt, nu uit artikel 33 Wgr volgt dat alle overdragen bevoegdheden aan het algemeen bestuur toekomen. Deze bevoegdheid volgt dan dus reeds uit artikel 2b.

Artikel 31a Wgr schrijft voor dat het openbaar lichaam kan beslissen tot oprichting van of deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen indien de gemeenschappelijke regeling in die mogelijkheid voorziet. Tot 1 januari 2015 was dit altijd mogelijk, tenzij de gemeenschappelijke regeling het beperkte (art. 31 Wgr). In artikel 6 lid 4 GR was altijd aangegeven dat er geen beperkingen zijn. Om daarin geen verandering te brengen wordt de mogelijkheid om rechtspersonen op te richten expliciet opgenomen (lid 4 nieuw).

Artikel 7

Aangepast i.v.m. definitiebepalingen.

Artikel 8

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling

Artikel 9

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling

Artikel 10

Expliciet is gemaakt uit hoeveel leden het dagelijks bestuur bestaat. Het dagelijks bestuur mag geen meerderheid hebben in het algemeen bestuur (art. 14 lid 3 Wgr).

Voor de volledigheid zijn bepalingen opgenomen over de besluitvorming in het dagelijks bestuur, zoals deze volgen uit de Gemeentewet.

Artikel 13

Dit artikel is aangepast aan artikel 33b Wgr.

Artikel 15

Dit artikel regelt de benoeming en de taken van de voorzitter (van het openbaar lichaam).

Het oude lid 2 is vervallen nu het dagelijks bestuur zelf een uitvoerend orgaan is, dat zijn eigen besluiten laat uitvoeren. Dat is geen bevoegdheid van de voorzitter.

Artikel 17

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling.

Het oude zesde lid is komen te vervallen omdat de vaststelling van bijdragen een bevoegdheid van het algemeen bestuur is, niet van de Minister en het college.

Artikel 18

In het oude eerste en derde lid wordt bepaald dat goedkeuring van de gemeente en Minister vereist is. Dat is in strijd met artikel 10:26 Awb. Het algemeen bestuur stelt de verordeningen vast (art. 35 lid 6 jo. art. 212 en 213 Gemeentewet).

Artikel 19

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling. Tevens is dit artikel gesplitst in twee artikelen in verband met de leesbaarheid (artikel 20).

Artikel 20

Dit artikel is aangepast aan de nieuwe financiële bepalingen in artikel 34, 34b en 35 Wgr. Zo is er een kadernota geïntroduceerd (lid 1) en is de termijn voor zienswijzen opgerekt naar acht weken (lid 2)

Voorts moet de begroting aangeboden worden aan gedeputeerde staten als financieel toezichthouder (art. 34 lid 2 Wgr).

Artikel 20a

Voor de leesbaarheid is artikel 20-oud opgesplitst, waarbij de systematiek van de artikelen 34 en 35 Wgr is gevolgd.

Artikel 21

Dit artikel was te onbepaald door “zo veel mogelijk”. Er moet expliciet bepaald worden wanneer artikel 18 wel en wanneer niet van overeenkomstige toepassing is. Dat is thans aangepast.

Artikel 23

Dit artikel is aangepast aan de nieuwe financiële bepalingen in artikel 34, 34b en 35 Wgr. Zo is er een voorlopig jaarverslag geïntroduceerd (lid 1).

Artikel 26

Lid 2 schrijft voor dat het percentage reservering maximaal 10% is. Slechts voor het wijzigen van overgedragen bevoegdheden is verandering buiten de officiële wijzigingsprocedure mogelijk (zie art. 10 lid 2 Wgr). Het veranderen van het percentage kan dus niet aan de Minister en gemeente worden overgelaten. Zodoende is deze zinsnede verwijderd.

Het derde lid is verwijderd.

De vaststelling van de definitieve bijdragen is een bevoegdheid van het algemeen bestuur. Deze bijdrage wordt vastgesteld in de begroting. Conform artikel 34, eerste lid, van de Wgr is dit een bevoegdheid van het algemeen bestuur. De in de begroting opgenomen bedragen vormen een verplichte uitgave voor de deelnemers.

Artikel 27

Aanpassingen i.v.m. de definitiebepalingen.

Artikel 28

Aanpassingen i.v.m. duidelijk maken wie (van de gemeente) inzage kan verlangen.

Artikel 29

Dit artikel is aangepast aan het feit dat dit een collegeregeling is.

Artikel 30

De benoeming, schorsing en ontslag is sinds 1 januari 2015 een bevoegdheid van het dagelijks bestuur (art. 33b lid 1 onder d Wgr).

Artikel 31

Nu benoeming van de directeur door het dagelijks bestuur moet geschieden (zie hierboven), ligt het voor de hand ook de vervanging en instructie door het dagelijks bestuur te laten regelen.

Het oude eerste lid is vervallen, nu de uitvoering van de overgedragen bevoegdheden een taak van het algemeen bestuur resp. het dagelijks bestuur is (behoudens waar de directeur als archivaris eigen taken heeft). De directeur is verder geen bestuursorgaan, en kan geen eigen bevoegdheden krijgen.

Artikel 33

De tweede volzin over mandaat kan vervallen, nu deze bevoegdheid ex artikel 10:3 lid 1 Awb altijd bestaat.

Artikel 34

De bepaling is verhelderd omtrent welke regeling van toepassing is, en dat het een bevoegdheid van het dagelijks bestuur is om de regels vast te stellen.

Artikel 35

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling

Vanaf dit artikel hernummering door verwijdering voormalig artikel 34.

Artikel 36 tm 38

Aangepast i.v.m. omzetting tot collegeregeling

Artikel 39

Aangepast aan het nieuwe artikel 26 Wgr.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

…………………………………………………

Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,

De burgemeester,

……………………………………………………….

de secretaris,

………………………………………………………

Burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer,

De burgemeester,

……………………………………………………….

de secretaris,

………………………………………………………

Naar boven