Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2016, 33906Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 juni 2016, nr. WJZ/1013167 (7544), inzake het aanwijzen van rijksmonumenten en het wijzigen van het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.4 van de Erfgoedwet (Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1, eerste lid, en 3.4, eerste lid, van de Erfgoedwet;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Minister:

minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

monument:

monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

archeologisch monument:

archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

aanwijzingsprogramma:

programma met als doel het op gestructureerde wijze uitbreiden van het rijksmonumentenbestand met een daarin nog niet vertegenwoordigde categorie monumenten of archeologische monumenten aan de hand van een overzicht van monumenten of archeologische monumenten die de Minister voornemens is op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet aan te wijzen als rijksmonument;

rijksmonumentenbestand:

het geheel van in het rijksmonumentenregister ingeschreven rijksmonumenten;

verbeterprogramma:

programma met als doel het rijksmonumentenbestand of rijksmonumentenregister met betrekking tot een bepaalde categorie monumenten of archeologische monumenten op gestructureerde wijze te verbeteren aan de hand van een overzicht van:

  • a. monumenten of archeologische monumenten die de Minister voornemens is op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de wet aan te wijzen als rijksmonument,

  • b. rijksmonumenten die de Minister voornemens is op grond van artikel 3.4, eerste lid, van de Erfgoedwet te schrappen uit het rijksmonumentenregister, of

  • c. rijksmonumenten waarvan de Minister voornemens is op grond van artikel 3.4, eerste lid, van de Erfgoedwet de identificatie in het rijksmonumentenregister te wijzigen.

waarderingscriteria:

actuele uitwerking van de criteria schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde in artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet, zoals gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Artikel 2. Reikwijdte beleidsregel

Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de Minister gebruik maakt van de bevoegdheid tot het:

  • a. aanwijzen van monumenten of archeologische monumenten als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet;

  • b. aanbrengen van wijzigingen in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.4 van de Erfgoedwet, houdende:

    • 1°. het schrappen van een rijksmonument uit het rijksmonumentenregister, of

    • 2°. het wijzigen van de identificatie van een rijksmonument.

Paragraaf 2. Algemene criteria

Artikel 3. Terughoudend aanwijzingsbeleid

  • 1. De Minister maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid tot aanwijzing, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet.

  • 2. De Minister wijst een monument of archeologisch monument niet aan als rijksmonument indien dit naar zijn oordeel, gelet op de aard en de omvang van het monument of archeologisch monument, geen passend beschermingsinstrument is.

  • 3. De Minister wijst een monument of archeologisch monument niet aan als rijksmonument indien het monument of archeologisch monument eerder is beoordeeld.

  • 4. De Minister kan een monument of archeologisch monument in afwijking van het derde lid aanwijzen als rijksmonument indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden daar naar het oordeel van de Minister aanleiding toe geven.

Artikel 4. Aanwijzing via aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma

De aanwijzing van monumenten of archeologische monumenten als rijksmonument geschiedt bij voorkeur op basis van een aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma.

Artikel 5. Criteria schrappen rijksmonument uit het rijksmonumentenregister

  • 1. Bij het geheel of gedeeltelijk schrappen van een rijksmonument uit het rijksmonumentenregister neemt de Minister de waarderingscriteria als uitgangspunt.

  • 2. De Minister betrekt bij zijn besluit tevens de overwegingen die oorspronkelijk ten grondslag lagen aan de aanwijzing als rijksmonument en de mate waarin deze nog van toepassing zijn op het rijksmonument.

Artikel 6. Andere wijzigingen in het rijksmonumentenregister

  • 1. De Minister kan ambtshalve een wijziging aanbrengen in de identificerende gegevens van een rijksmonument ter verbetering van het rijksmonumentenregister, indien het register met betrekking tot dit rijksmonument naar het oordeel van de Minister:

    • a. onvoldoende gegevens bevat die voor de identificatie van het rijksmonument noodzakelijk zijn, waardoor onduidelijk is waar het rijksmonument zich bevindt of uit welke onroerende zaak of zaken het bestaat, of

    • b. onjuiste of tegenstrijdige identificerende gegevens bevat.

  • 2. De reikwijdte van de bescherming van een rijksmonument kan worden vergroot indien:

    • a. de betekenis van het rijksmonument voor het rijksmonumentenbestand evident toeneemt,

    • b. de toe te voegen onroerende zaak in functioneel opzicht en in monumentale waarde ondergeschikt is aan het rijksmonument,

    • c. de monumentale waarde van het rijksmonument niet wezenlijk is verminderd ten opzichte van de monumentale waarde ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument, en

    • d. bescherming op andere wijze niet volstaat.

Paragraaf 3. Monumenten

Artikel 7. Selectiecriteria aanwijzingsprogramma

De selectiecriteria voor een aanwijzingsprogramma worden samen met dit programma bekendgemaakt op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Artikel 8. Criteria verbeterprogramma monumenten

Bij het opstellen van een verbeterprogramma voor monumenten past de Minister bij de aanwijzing van een monument als rijksmonument in ieder geval de volgende criteria toe:

  • a. het monument is van algemeen belang op grond van de waarderingscriteria, en

  • b. vormt als onderdeel van het desbetreffende verbeterprogramma een wezenlijke aanvulling op het rijksmonumentenbestand.

Artikel 9. Criteria incidentele aanwijzing van monumenten vervaardigd voor 1966

De Minister kan een monument dat is vervaardigd voor 1966 ambtshalve aanwijzen, indien het monument naar verwachting niet in aanmerking komt voor bescherming in het kader van een aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma en het monument:

  • a. van evident algemeen belang is op grond van de waarderingscriteria,

  • b. op nationaal of internationaal niveau een mijlpaal is voor de architectuurgeschiedenis of kunstgeschiedenis, of een essentieel toonbeeld is van een belangrijke cultuurhistorische ontwikkeling,

  • c. indien het monument vervaardigd is na 1939, vergelijkbare monumentale waarde heeft als de monumenten die behoren tot de ongeveer 100 meest waardevolle monumenten die zijn gebouwd in de periode vanaf 1940 tot en met 1958, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 of de meest waardevolle monumenten uit de periode vanaf 1959 tot en met 1965, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013, en

  • d. naar het oordeel van de Minister een essentiële aanvulling op het rijksmonumentenbestand vormt en daarvoor van onmiskenbare meerwaarde is.

Artikel 10. Aanwijzing van monumenten van na 1965

De Minister kan monumenten die zijn ontworpen na 1965 uitsluitend aanwijzen als rijksmonument op basis van een aanwijzingsprogramma.

Paragraaf 4. Archeologische monumenten

Artikel 11. Criteria aanwijzingsprogramma

De selectiecriteria voor een aanwijzingsprogramma worden samen met dit programma bekendgemaakt op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Artikel 12. Criteria incidentele aanwijzing van archeologische monumenten

De Minister kan ambtshalve een archeologisch monument aanwijzen als rijksmonument, indien

het archeologisch monument naar verwachting niet in aanmerking komt voor bescherming in het kader van een aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma en het archeologisch monument:

  • a. vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van evident algemeen belang is,

  • b. op nationaal of internationaal niveau een mijlpaal voor de archeologie is, en

  • c. naar het oordeel van de Minister een essentiële aanvulling op het rijksmonumentenbestand vormt en daarvoor van onmiskenbare meerwaarde is.

Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13. Overgangsrecht

  • 1. De Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013 is van toepassing op aanwijzingsprocedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze beleidsregel.

  • 2. Bij de procedure tot aanwijzing als rijksmonument van monumenten of archeologische monumenten die met toepassing van de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013 zijn opgenomen in een aanwijzingsprogramma en waarvan de aanwijzingsprocedure nog niet is gestart voor inwerkingtreding van deze beleidsregel, wordt die beleidsregel in acht genomen.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op het moment dat de Erfgoedwet in werking treedt. Indien deze beleidsregel is opgenomen in een Staatscourant waarvan de datum ligt na de datum van inwerkingtreding van de Erfgoedwet, werkt deze beleidsregel terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de Erfgoedwet.

Artikel 15. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

In paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet zijn de bepalingen opgenomen voor het ambtshalve aanwijzen van rijksmonumenten. Ook bevat deze paragraaf de opdracht aan de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister) om een register van rijksmonumenten bij te houden, waarin ambtshalve wijzigingen kunnen worden aangebracht. Ten opzichte van de Monumentenwet 1988 is een aantal bepalingen aangepast. Zo wordt de bijzondere aanwijzingsprocedure vervangen door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) uit de Algemene wet bestuursrecht, en wordt de adviesrol van de Raad voor Cultuur bij individuele aanwijzingsprocedures beëindigd. Ook zijn de bepalingen voor het rijksmonumentenregister verduidelijkt en vereenvoudigd. Het register bevat alleen nog gegevens over de inschrijving en – voor zover daarvoor noodzakelijk – de identificatie van de rijksmonumenten.

De inwerkingtreding van de Erfgoedwet vormt de aanleiding tot het vaststellen van de voorliggende beleidsregel. Hierin wordt aangegeven hoe de Minister omgaat met de bevoegdheid tot het aanwijzen van rijksmonumenten en tot het aanbrengen van wijzigingen in het rijksmonumentenregister. Onder dat laatste wordt mede begrepen het schrappen van rijksmonumenten uit het rijksmonumentenregister. Deze beleidsregel vervangt de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013 (hierna: Beleidsregel 2013).

Al vanaf 2000 is er sprake van terughoudendheid wat betreft het aanwijzen van rijksmonumenten en is de aandacht vooral gericht geweest op de afronding van de eerder ingezette grote inventarisatie- en selectieprojecten, het wegwerken van achterstanden en – na 2007 – het via beperkte aanwijzingsprogramma’s aanwijzen van ‘topmonumenten’ uit de wederopbouwperiode en archeologische monumenten.

Vanwege deze beperkte ambities is in 2009 de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister zodanig aangepast dat voor gebouwen van vóór 1940 alleen nog ambtshalve aanwijzing van rijksmonumenten mogelijk was. In de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg1 is vervolgens een meer generieke borging van cultuurhistorische waarden in de wet- en regelgeving omtrent de ruimtelijke ordening aangekondigd. Kern van dit beleid is dat een monument niet als een geïsoleerd te beschermen object wordt gezien, maar vanuit een gebiedsgerichte benadering wordt beschouwd, en dat bij ontwikkelingen in het ruimtelijke domein vooraf wordt bezien hoe de cultuurhistorische waarden het beste beschermd en benut kunnen worden. Met de uit deze beleidsbrief voortvloeiende wetswijziging2 is de Monumentenwet 1988 in 2012 verder vereenvoudigd, waarbij, naast het vervallen van de vijftigjarengrens voor monumenten, de mogelijkheid om een aanvraag voor aanwijzing als rijksmonument in te dienen geheel is geschrapt. De aanwijzing van alle rijksmonumenten geschiedt sindsdien ambtshalve. Deze benaderingswijze wordt gecontinueerd in de Erfgoedwet.

De Omgevingswet, waarin de wetten in het domein van de fysieke leefomgeving zullen worden samengebracht, sluit één op één aan bij de benadering van de gemoderniseerde monumentenzorg om de borging van het cultureel erfgoed in regelgeving omtrent de fysieke leefomgeving te integreren.

Het terughoudende aanwijzingsbeleid heeft vorm gekregen in opeenvolgende beleidsregels. Laatstelijk via de Beleidsregel 2013, waarin een drietal aanwijzingsprogramma’s werd aangekondigd voor de wederopbouwperiode, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de archeologie. Deze aanwijzingsprogramma’s zijn inmiddels vastgesteld. De uitvoering ervan is voor het grootste deel gerealiseerd. Daarmee is de Beleidsregel 2013 als het ware nagenoeg ‘uitgewerkt’ en aan vervanging toe.

Nog een belangrijke reden om een nieuwe beleidsregel vast te stellen is gelegen in de gewenste vertaling van Kabinetsbeleid ten aanzien van de digitale dienstverlening en de in het kader van de Omgevingswet voorziene zogenaamde Laan van de Leefomgeving. Naast de harmonisering van regelgeving via de Omgevingswet wil de rijksoverheid de dienstverlening verbeteren door de digitale infrastructuur voor ruimtelijk relevante informatie en kennis opnieuw in te richten. Hierbij is het cruciaal dat de gegevens die zijn opgenomen in het rijksmonumentenregister kloppen en dat kennisgegevens over de rijksmonumenten zoveel mogelijk op eenduidige wijze worden ontsloten. Op dit moment bevat het register nog te veel onvolkomenheden om deze ambitie waar te kunnen maken. Het komt voor dat er onduidelijkheid is over de ligging van het rijksmonument of de reikwijdte van de bescherming. Ook omvat het bestand rijksmonumenten die het niet (meer) waard zijn om als zodanig te worden aangemerkt.

In de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg werd deze situatie ook onderkend. In die beleidsbrief werd er voor gekozen om werkende weg het rijksmonumentenregister en -bestand te verbeteren. Hieraan is de voorbije jaren door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) uitvoering gegeven. Gelet op de geschetste ambities van het Kabinet is er thans behoefte hieraan een versnelling te geven door een meer actieve en gerichte aanpak. Dit geldt vooral voor het wijzigen van het rijksmonumentenregister door het verbeteren van de registratie van bestaande rijksmonumenten en het afvoeren van rijksmonumenten met zeer geringe monumentale waarden. Dit overigens zonder over te gaan tot een grote herselectie van het rijksmonumentenbestand. In genoemde beleidsbrief is daar op goede gronden ook niet voor gekozen.

In verband met het voorgaande bevat de beleidsregel ook criteria voor wijziging van het rijksmonumentenregister, daaronder begrepen het daaruit schrappen van rijksmonumenten. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet worden ook wijzigingen van het rijksmonumentenregister alleen nog ambtshalve geïnitieerd. Wel kan eenieder de Minister wijzen op fouten of onduidelijkheden in het rijksmonumentenregister of op rijksmonumenten die vermoedelijk deze status niet meer verdienen. Bij het verbeteren van het rijksmonumentenregister kan zo dus gebruik worden gemaakt van signalen uit het veld.

2. Verbetering van bestand en register

Verbeteringen in het rijksmonumentenbestand en -register kunnen op verschillende manieren vorm krijgen. Deze beleidsregel geeft hieraan sturing en richting.

a. Het werkende weg gestructureerd verbeteren

Dit krijgt vorm door bestaande kaders en netwerken beter te benutten voor verbeteringen. Er is een reguliere stroom aan informatie over rijksmonumenten die wordt gegenereerd via vergunning- en subsidieprocedures, onderzoeken, werkbezoeken etc. Daarnaast is er de bereidheid bij gemeenten, belangenorganisaties en eigenaren om verbetervoorstellen aan te dragen bij de Minister. Door deze informatie en voorstellen gestructureerd te beoordelen is het mogelijk om de registratie van rijksmonumenten te verbeteren en besluiten te nemen over het schrappen uit het register of het wijzigen van de reikwijdte van de bescherming. Daarbij zijn de actuele monumentale waarden leidend.

Het gaat bij het werkende weg gestructureerd verbeteren uitdrukkelijk niet om administratieve wijzigingen in het rijksmonumentenregister in het kader van het dagelijkse beheer, zoals het herstellen van administratieve fouten en het verwerken van wijzigingen in adressen en kadastrale aanduiding. Dergelijke wijzigingen moeten altijd kunnen worden doorgevoerd en vallen dan ook niet onder deze beleidsregel.

b. Verbeterprogramma’s

Het is efficiënt om voor bepaalde monumentcategorieën de nodige verbeteringen projectmatig aan te pakken. Het resultaat van zo’n verbeterprogramma is dat de identificatie van de rijksmonumenten in het register op orde is, zodat bij gebouwde monumenten duidelijk is welke onroerende zaak of zaken beschermd zijn, bij groene en andere aangelegde monumenten wat er tot de beschermde aanleg behoort en bij archeologische monumenten wat precies de omvang van het beschermde terrein is. De beschikbare kennis en informatie over de rijksmonumenten wordt ontsloten en de bescherming wordt opgeheven voor die rijksmonumenten waarvan rijksbescherming niet langer te rechtvaardigden is. Thans wordt gericht gewerkt aan de verbeteringen in de registratie van bruggen en vestingwerken.

c. Incidentele aanwijzing

Hoewel de wetgeving zo is aangepast dat alleen nog maar ambtshalve wordt aangewezen, wordt hiermee uiteraard het recht van petitie niet beperkt (artikel 5 Grondwet). Eenieder kan zich schriftelijk tot de Minister wenden met een (gemotiveerde) suggestie voor de toepassing van de bevoegdheid tot aanwijzing van rijksmonumenten. Deze beleidsregel geeft ook het kader voor de omgang met deze suggesties voor aanwijzing. De lijn is daarbij om zeer terughoudend om te gaan met aanwijzing. Monumenten die bij eerdere inventarisaties zijn beoordeeld komen in principe niet in aanmerking. In feite wordt hiertoe alleen overgegaan indien het gaat om niet eerder ontdekte ‘parels’ die zo waardevol zijn dat het voor eenieder evident is dat zij de rijksbescherming verdienen. Een voorbeeld daarvan is de in 2013 als rijksmonument aangewezen boerderij Armenhoef in Best die met een houtskelet uit 1263 de oudste boerderij van Nederland blijkt te zijn.

Over de voorbije jaren zijn op deze wijze gemiddeld twee rijksmonumenten per jaar toegevoegd aan het bestand.

Voor archeologische monumenten is de afgelopen jaren niet meer overgegaan tot een incidentele aanwijzing als rijksmonument. Het proces van de archeologische monumentenzorg is er primair op gericht dat in planvormingsprocessen archeologisch benodigd vooronderzoek wordt uitgevoerd waarna besluitvorming plaatsvindt over de noodzaak tot behoud in situ of opgraven. Een interventie in dit proces door middel van een procedure tot aanwijzing als rijksmonument zal slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen gepast kunnen zijn, indien er aanleiding is om een (inter)nationaal aansprekende vindplaats veilig te stellen. Dit kan ook aan de orde zijn bij een toevallige ontdekking.

d. Aanwijzingsprogramma’s

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Erfgoedwet is aangegeven dat de werkwijze om te werken met beperkte aanwijzingsprogramma’s kan worden gecontinueerd. Vandaar dat in deze beleidsregel een daartoe strekkende bepaling is opgenomen. De Raad voor Cultuur adviseert niet langer in individuele aanwijzingsprocedures, maar blijft net als voorheen om advies gevraagd worden op de aanwijzingsprogramma’s.

Anders dan bij de voorgaande beleidsregels is nog niet aangegeven welke aanwijzingsprogramma’s zullen worden geïnitieerd. Wel zal de RCE enkele verkenningen uitvoeren, waarna besluitvorming zal plaatsvinden over een mogelijk aanwijzingsprogramma (of verbeterprogramma). Het is echter niet een vanzelfsprekendheid dat aanwijzing van rijksmonumenten in alle gevallen een logisch vervolg is. De inzet kan ook zijn dat cultuurhistorische waarden planologisch of anderszins worden geborgd.

De verkenningen richten zich op het cultureel erfgoed van de periode na 1965, het militaire erfgoed en de herdenkingscultuur en de archeologie.

Daarnaast is het mogelijk dat in het proces van het nomineren van werelderfgoederen blijkt dat aanvullende bescherming nodig is door aanwijzing van rijksmonumenten. Dat is ook mogelijk op basis van deze beleidsregel; ofwel via een aanwijzings- of verbeterprogramma of via een incidentele aanwijzing.

3. Criteria

Bij beoordeling van beslissingen tot afvoeren en het wijzigen van de reikwijdte van de bescherming werd tot op heden steeds teruggegrepen op de motivering waarom het rijksmonument destijds werd aangewezen: zijn die waarden nog aanwezig. Dit was lastig in gevallen dat de oorspronkelijke motivering niet te achterhalen of summier was. Bovendien was er vaak nieuwe informatie beschikbaar over het rijksmonument die bij nieuwe beslissingen betrokken hoort te worden. Ook zijn inzichten over de waardering van cultureel erfgoed aan het schuiven. De waarde die het publiek aan het cultureel erfgoed toekent, speelt steeds vaker een rol.

Daarom biedt voorliggende beleidsregel een basis om verbeteringen meer naar huidig inzicht door te voeren. Daarbij zijn de waarderingscriteria die een nadere invulling vormen van de wettelijke criteria schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde het uitgangspunt. Deze criteria zijn in de loop der jaren steeds verder ontwikkeld, en worden door de RCE op de website www.cultureelerfgoed.nl gepubliceerd.

Met de versterkte nadruk in deze beleidsregel op de mogelijkheid van het afvoeren van rijksmonumenten uit het rijksmonumentenregister kan er discussie ontstaan of beslissingen tot afvoeren wellicht gevallen van opzettelijke verwaarlozing in de hand werken. Dit is echter niet te verwachten nu in de Erfgoedwet een bepaling is opgenomen die een instandhoudingsplicht voor de eigenaar inhoudt. Zeker in die gevallen waarbij een gemeente een eigenaar aanspreekt op zijn verplichtingen, is het niet gepast om over te gaan tot het afvoeren uit het rijksmonumentenregister omdat daarmee het gemeentelijk beleid mogelijk doorkruist wordt. Anderzijds zijn er ook gevallen denkbaar waarbij het verlies van monumentale waarde samengaat met een situatie die geen uitzicht meer biedt op een oplossing. In dergelijke gevallen kan het schrappen uit het rijksmonumentenregister wel aan de orde zijn.

Dergelijke overwegingen zullen een nadere uitwerking krijgen in het beleidskader voor het afvoeren van rijksmonumenten met te geringe monumentale waarden, dat de RCE thans vorm geeft en dat naar verwachting in het voorjaar van 2017 zal worden vastgesteld.

4. Advies van de Raad voor Cultuur

Een concept van deze beleidsregel is aan de Raad voor Cultuur ter advisering voor gelegd. De Raad geeft in zijn advies van 2 juni 2016 (kenmerk rc-2016.07372/2) aan het voorgestelde beleid helder te vinden en onderschrijft de keuze van de voorgenomen verkenningen. Wel vraagt de Raad bij de verkenning Archeologie extra aandacht voor de maritieme archeologie, omdat hij meent dat deze categorie archeologische monumenten nog ondervertegenwoordigd is in het rijksmonumentenbestand. Ook wordt de Raad graag op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van het beleidskader voor afvoering van rijksmonumenten uit het rijksmonumentenregister.

Aan de aandachtspunten van de Raad voor Cultuur is gevolg gegeven.

5. Leeswijzer

De beleidsregel heeft een gelaagde structuur, om herhalingen zoveel mogelijk te voorkomen en de omvang te beperken. De paragrafen 1 en 2 bevatten bepalingen die in alle gevallen gelden. Paragraaf 1 de begripsbepalingen en de reikwijdte van de beleidsregel, paragraaf 2 de algemene criteria die de Minister altijd toepast, ongeacht of het een monument of een archeologisch monument betreft. Paragraaf 3 geldt vervolgens alleen voor monumenten, dat wil zeggen gebouwde en aangelegde monumenten (zoals groene monumenten). Hierbij wordt, net als in paragraaf 4 erna, steeds de volgende volgorde aangehouden: aanwijzingsprogramma’s, verbeterprogramma’s en dan de incidentele aanwijzingen. De criteria voor archeologische monumenten verschillen op onderdelen (subtiel) van die voor monumenten, en zijn daarom ondergebracht in een aparte paragraaf (4). Tot slot bevat paragraaf 5 het overgangsrecht voor reeds lopende procedures en aanwijzingsprogramma’s.

Waar dat voor de uitvoeringspraktijk nodig of nuttig werd geacht, is in de artikelsgewijze toelichting een wat uitvoeriger uitleg gegeven over de werking van het stelsel en gehanteerde begrippen.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Een aantal begrippen zijn nieuw ten opzichte van voorgaande beleidsregels.

Een verbeterprogramma heeft betrekking op een categorie monumenten of archeologische monumenten die op zich al is vertegenwoordigd in het rijksmonumentenbestand, maar ten aanzien waarvan het bestand of het rijksmonumentenregister nog verbetering behoeft. Dit kan zowel betrekking hebben op een op te heffen lacune of onevenwichtigheid in het bestand als op de wijze van registratie van rijksmonumenten. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een gebrekkige identificatie van een rijksmonument waardoor niet eenduidig blijkt welke onroerende zaken zijn beschermd.

De waarderingscriteria voor gebouwde en aangelegde monumenten (zoals groene monumenten) zijn in de loop der jaren, mede door jurisprudentie en het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), verfijnd als een invulling van de wettelijke criteria: schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde, en dan vooral de laatste twee. Deze criteria worden voor de kenbaarheid gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE): www.cultureelerfgoed.nl.

Voor archeologische monumenten worden de waarderingscriteria gehanteerd die zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) in bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Deze criteria hebben betrekking op de belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit van het archeologisch monument. De KNA voor Landbodems en die voor Waterbodems zijn te downloaden via www.sikb.nl.

Naast de waarderingscriteria worden, gelet op het terughoudende aanwijzingsbeleid, ook selectiecriteria onderscheiden. Deze worden, voor zover ze niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, per aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma gepubliceerd op de website van de RCE.

Artikel 2. Reikwijdte beleidsregel

Deze beleidsregel behandelt de invulling van de bevoegdheden tot aanwijzen van monumenten of archeologische monumenten als rijksmonument en het wijzigen van het rijksmonumentenregister.

Wijzigingen van het register kunnen zowel betrekking hebben op het afvoeren van rijksmonumenten uit het register (dat in de Erfgoedwet ‘schrappen’ heet) als het verbeteren van de identificatie, daaronder ook begrepen de reikwijdte van de bescherming van een rijksmonument.

Met identificatie wordt bedoeld dat uit het rijksmonumentenregister moet blijken welke onroerende zaak of zaken tot het rijksmonument behoren en waar deze zich bevindt of bevinden. Met reikwijdte van de bescherming wordt gedoeld op de situatie waarin er meerdere onroerende zaken als één rijksmonument zijn aangewezen: tot welke onroerende zaken strekt de bescherming zich uit?

Bij gebouwde rijksmonumenten wordt hiermee dus niet gedoeld op de grootte (of omvang) van elke afzonderlijke onroerende zaak of op de vraag welke bestanddelen daartoe gerekend moeten worden. Die wordt immers niet bepaald door het rijksmonumentenregister maar door (artikel 3:4 van) het Burgerlijk Wetboek en de jurisprudentie daarop. Onroerende zaken kunnen in de loop der tijd groter of kleiner worden; beschermd is steeds de gehele onroerende zaak, ook al is die na aanwijzing in omvang gewijzigd.

Bij archeologische monumenten betekent identificatie dat duidelijk moet zijn om welk stuk grond (terrein) het gaat en tot waar zich dat uitstrekt. Hier vallen reikwijdte van de bescherming en exacte omvang van het rijksmonument samen in de kaart bij het aanwijzingsbesluit. Voor aangelegde monumenten geldt in beginsel hetzelfde als voor archeologische monumenten.

Het gaat bij identificatie alleen om gegevens die noodzakelijk zijn voor het identificeren van het rijksmonument. Het gaat dus niet om waarderende gegevens of uitvoerige of gedetailleerde beschrijvingen. Die maken met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet immers van rechtswege niet langer onderdeel uit van het rijksmonumentenregister, dat nog louter de identificatie dient.

Artikel 3. Terughoudend aanwijzingsbeleid

In het eerste lid is benadrukt dat met het aanwijzen van nieuwe rijksmonumenten, net als onder de voorgaande beleidsregels, terughoudend zal worden omgegaan. Hiermee wordt ook richting gegeven aan de nog op te stellen selectiecriteria bij aanwijzings- en verbeterprogramma’s.

In het tweede lid is bepaald dat aanwijzing als rijksmonument achterwege blijft als dit instrument gelet op de aard of de omvang van het monument of archeologisch monument niet of minder geschikt is om de beoogde bescherming te bereiken. Een voorbeeld hiervan is een zogenoemd ‘schootsveld’ rond een vestingwerk. Dit is het gebied dat met de artillerie van de vesting kon worden bestreken en waarvan de leegte het bepalende kenmerk is. Als bescherming van die karakteristieke leegte het enige doel van de bescherming is, kan dit evengoed en met een minder zwaar instrument planologisch worden geborgd. Relevant is hierbij ook de aard en schaal van het desbetreffende cultureel erfgoed. Een hele woonwijk kan vanuit architectuurhistorische en stedenbouwkundige oogpunt tot de cultuurhistorische top van ons land behoren, maar een aanwijzing als (gebouwd) rijksmonument (met bijhorende rechtsgevolgen) is geen passend beschermingsinstrumentarium. Hetzelfde kan gezegd worden van waardevolle cultuurlandschappen, zoals een veenweidegebied.

Aanwijzing als rijksmonument is volgens het derde lid evenmin aan de orde als het monument of archeologisch monument tijdens een eerdere inventarisatie of anderszins al is beoordeeld door of namens de Minister, bijvoorbeeld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project voor de jongere bouwkunst (1850-1940). Op grond van het vierde lid kan de Minister hierop een uitzondering maken, indien er sprake is van relevante nieuwe feiten of omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan nieuwe ontdekkingen zoals een pand dat tegen eerdere verwachting in zeer bijzondere bouwhistorische kenmerken blijkt te hebben of een zeer bijzonder interieur. Dit laatste was recentelijk aan de orde in het kader van een onderzoek naar historische interieurs in Amsterdam Zuid.

Artikel 4. Aanwijzing via aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma

In artikel 4 is aangegeven dat nieuwe aanwijzingen van rijksmonumenten bij voorkeur via aanwijzings- of verbeterprogramma’s gebeuren. Een gestructureerde aanpak heeft als voordeel dat de desbetreffende categorie monumenten of archeologische monumenten in één keer integraal kan worden bezien en afgezet tegen het bestaande rijksmonumentenbestand. Selectie kan dan in een breder kader plaatsvinden. Bij incidentele aanwijzingen is de kans op onevenwichtigheden in het bestand groter dan bij een programma dat gericht is op een breder inzicht in de desbetreffende categorie monumenten en een visie op de relatie tot het rijksmonumentenbestand als geheel. Dit betekent ook dat aanwijzingssuggesties om deze reden kunnen worden aangehouden totdat een aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma aan de orde is. Overigens kan een resultaat van een verbeterprogramma ook het afvoeren zijn van (onderdelen van) rijksmonumenten met beperkte resterende monumentale waarden.

Artikel 5. Criteria schrappen rijksmonument uit het rijksmonumentenregister

Deze beleidsregel geeft het globale kader voor afvoeringsprocedures (schrappen uit het rijksmonumentenregister). In het voorjaar van 2017 zal de RCE in samenspraak met het monumentenveld dit kader nader uitgewerkt hebben in de vorm van afgewogen criteria voor de afvoering van (zelfstandige onderdelen – lees: onroerende zaken – van) gebouwde rijksmonumenten met (zeer) beperkte resterende monumentale waarden, met als doel de kwaliteit van het rijksmonumentenbestand werkende weg te verbeteren. Zie ook hetgeen hierover in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven.

Eerste lid. Een monument of archeologisch monument moet voldoende monumentale waarde hebben om te kunnen worden aangewezen als rijksmonument. Daaruit volgt ook dat als er naar het huidige oordeel van de Minister evident onvoldoende monumentale waarden resteren om de status van rijksmonument te kunnen handhaven, een afvoeringsprocedure kan worden gestart.

Bij de beoordeling van de vraag of een rijksmonument (of een zelfstandig onderdeel daarvan) uit het rijksmonumentenregister moet worden geschrapt, staan de actuele waarderingscriteria voorop. Zij vormen het vertrekpunt van de belangenafweging.

Wat betreft archeologische rijksmonumenten kan het aanpassen van de reikwijdte van de bescherming van een archeologisch rijksmonument of het geheel schrappen uit het rijksmonumentenregister aan de orde zijn indien uit informatie blijkt dat het terrein sinds de aanwijzing ernstig verstoord is geraakt, als het is opgegraven, of wanneer is geconstateerd dat het bodemarchief dusdanig onderhevig is aan degradatie dat de informatiewaarde die ten tijde van de aanwijzing in de bodem aanwezig was nu verdwenen is.

Tweede lid. De oorspronkelijke overwegingen voor aanwijzing als rijksmonument worden meegewogen voor zover ze nog van toepassing zijn op het rijksmonument. Hierbij wordt aangetekend dat deze informatie niet voor alle rijksmonumenten (eenduidig) voorhanden is. Dit hangt samen met de wijze waarop het stelsel van aanwijzing van rijksmonumenten en dat van het bestuursrecht in het algemeen in de loop der tijd is veranderd. Het uitvoerig motiveren van (aanwijzings)besluiten werd met de Monumentenwet 1988 en de daarmee gepaard gaande decentralisatie gebruikelijk.

Artikel 6. Andere wijzigingen in het rijksmonumentenregister

Het eerste lid regelt de wijzigingen in het rijksmonumentenregister ter verbetering van de identificatie van rijksmonumenten. Het identificeren van de rijksmonumenten is de enige functie van het rijksmonumentenregister. Het gaat hierbij dus alleen om wijziging van gegevens die deel uitmaken van het rijksmonumentenregister en die noodzakelijk zijn voor de identificatie van het rijksmonument. Waarderende gegevens of gedetailleerde beschrijvende gegevens maken van rechtswege geen deel uit van het rijksmonumentenregister en op wijziging of aanvulling van dergelijke gegevens is deze beleidsregel dan ook niet van toepassing.

De onderdelen a en b geven drie redenen voor het wijzigen van de identificerende gegevens.

In onderdeel a gaat het om wijzigingen om te verduidelijken uit welke onroerende zaak of zaken het rijksmonument bestaat in gevallen dat dit niet duidelijk genoeg blijkt uit het rijksmonumentenregister, bijvoorbeeld als de bestaande omschrijving van het rijksmonument voor meerdere uitleg vatbaar is of niet elke bij de oorspronkelijke aanwijzing te beschermen onroerende zaak expliciet genoeg vermeldt. Onder dit onderdeel valt ook het geval dat bij een aangelegd rijksmonument of een archeologisch rijksmonument de omvang van het beschermde gebied/terrein onvoldoende duidelijk is. Bij deze rijksmonumenten wordt de exacte omvang van de bescherming doorgaans bepaald wordt door een (digitale) kaart. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een dergelijke kaart ontbreekt (met name bij aangelegde monumenten) en alsnog moet worden vervaardigd om duidelijk te krijgen tot waar de bescherming zich uitstrekt binnen de betrokken kadastrale percelen. Ook kan het zijn dat een archeologisch monument bij de aanwijzing niet goed is ingemeten waardoor de op de kaart aangegeven percelen niet volledig corresponderen met de (inmiddels bekende) locatie van het archeologische monument.

Bij gebouwde monumenten geldt – zoals ook al opgemerkt in de toelichting bij artikel 2 – dat alleen de genoemde onroerende zaken zijn beschermd, waarmee de reikwijdte van de bescherming dus is gegeven. Is eenmaal duidelijk om welke onroerende zaken het gaat, dan is de omvang van de bescherming juridisch dus ook duidelijk: elk bestanddeel van de beschermde onroerende zaak of zaken valt onder de bescherming. Wat als een bestanddeel tot een zaak behoort, wordt bepaald door het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:4) en de daarop gebaseerde jurisprudentie. Voor zover het rijksmonumentenregister van een gebouwd monument een contour bevat, is die slechts bepalend voor de vraag welke onroerende zaak beschermd is, en niet voor de exacte omvang van het rijksmonument. De beschermde onroerende zaak kan immers in de loop der tijd in omvang wijzigen, bijvoorbeeld door een uitbouw, en dan wijzigt de omvang van het rijksmonument automatisch mee.

Onderdeel b heeft betrekking op wijzigingen waarmee onjuistheden en tegenstrijdigheden in het rijksmonumentenregister worden hersteld. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in de omschrijving meerdere onroerende zaken zijn genoemd, maar niet alle betrokken kadastrale percelen belemmerd blijken te zijn en dit alsnog wordt gedaan.

Het tweede lid geeft aan onder welke voorwaarden de bescherming van een bestaand rijksmonument kan worden uitgebreid. De voorwaarden zijn cumulatief, dus aan alle voorwaarden moet worden voldaan. Het gaat hierbij niet om het aanwijzen van een nieuw rijksmonument (nieuw rijksmonumentnummer).

In onderdeel a is aangegeven dat het evident moet zijn dat de betekenis van het rijksmonument voor het rijksmonumentenbestand als geheel moet toenemen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het vergaderhuisje op het binnenterrein van woonblok Het Schip van architect de Klerk in Amsterdam. Het vergaderhuisje is tegelijkertijd met het woonblok ontworpen en staat op het binnenterrein. Vanaf de straat is het niet te zien en werd daardoor bij de oorspronkelijke aanwijzing van het woonblok niet meegenomen. In bouwkundig opzicht is het verbonden met het woonblok en ontworpen in dezelfde stijl. Het functioneerde als vergaderruimte voor de woningcorporatie en is daarom in functie en in architectonisch opzicht een onmiskenbare aanvulling op de bestaande bescherming van het woonblok.

In onderdeel b is de voorwaarde opgenomen dat de aan het rijksmonument toe te voegen onroerende zaak of zaken ondergeschikt moeten zijn aan de reeds beschermde onroerende zaak. Is dat namelijk niet het geval, dan ligt aanwijzing als zelfstandig rijksmonument voor de hand, waarop dit artikel geen betrekking heeft.

Onderdeel c geeft aan dat de monumentale waarde van het bestaande rijksmonument zelf niet inmiddels sterk verminderd mag zijn ten opzichte van de periode waarin het werd aangewezen. De reeds beschermde onroerende zaak is immers de hoofdreden van de status als rijksmonument. Die moet nog overeind staan. Een vermindering van de monumentale waarde van de ‘dragende’ onroerende zaak kan niet opgevangen worden door een positieve waardering van de toe te voegen, ondergeschikte onroerende zaak of zaken.

Met onderdeel d wordt benadrukt dat er meerdere manieren zijn om een monument of archeologisch monument te beschermen en dat pas tot aanwijzing als rijksmonument kan worden overgegaan als de Minister van oordeel is dat andere beschermingsinstrumenten, zoals (planologische) bescherming via het bestemmingsplan, niet afdoende of passend zijn. Schootsvelden rondom vestingwerken zijn bijvoorbeeld goed te beschermen via het bestemmingsplan. Aanwijzing als rijksmonument is dan een te zwaar middel om de gewenste leegte in het landschap – vereist om een vrij schootsveld voor het geschut te behouden - te bewerkstelligen. Bij archeologische monumenten is het bestemmingsplan zelfs het belangrijkste beschermingsinstrument en zal slechts in uitzonderlijke gevallen tot vergroting van de omvang van de bescherming van een rijksmonument worden overgegaan.

Artikel 7 en 11. Bekendmaking selectiecriteria aanwijzingsprogramma’s

De selectiecriteria van de aanwijzingsprogramma’s voor monumenten en archeologische monumenten worden met het desbetreffende programma op de website van de RCE – www.cultureelerfgoed.nl – geplaatst. In voorgaande beleidsregels werden de criteria nog in de beleidsregel zelf opgenomen, omdat die beleidsregels een beperkte geldigheidsduur hadden en de aanwijzingsprogramma’s al bekend waren. De huidige beleidsregel zal in beginsel langer mee moeten gaan en daarvoor is op het punt van de criteria flexibiliteit gewenst. Ook is nog niet duidelijk welke aanwijzingsprogramma’s er zullen komen. Door bekendmaking op de website van de RCE is de kenbaarheid van de selectiecriteria van een aanwijzingsprogramma voor eenieder gewaarborgd en wordt tegelijkertijd de gewenste flexibiliteit bereikt.

Artikel 8. Criteria verbeterprogramma monumenten

Wanneer een verbeterprogramma ook nieuwe aanwijzingen van monumenten als rijksmonument omvat, gelden voor deze aanwijzingen in ieder geval twee criteria. Het monument moet allereerst van algemeen (lees: nationaal) belang zijn volgens de door de RCE gehanteerde waarderingscriteria, die een uitwerking zijn van de wettelijke criteria schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde (artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet). Deze criteria worden op de website van de RCE gepubliceerd. Verder moet het monument binnen het kader van het verbeterprogramma een wezenlijke aanvulling vormen op het rijksmonumentenbestand. Dit betekent ten eerste: niet meer van hetzelfde, en ten tweede: er moet binnen het verbeterprogramma een goede reden zijn om juist dit monument als rijksmonument aan te wijzen. Van een meerwaarde voor het rijksmonumentenbestand kan bijvoorbeeld sprake zijn als het enige niet beschermde onderdeel van een vestingwerk alsnog wordt aangewezen. De meerwaarde voor het bestand als geheel is dan gelegen in een complete in plaats van een incomplete vesting.

Artikel 9. Criteria incidentele aanwijzing van monumenten vervaardigd voor 1966

Artikel 9 bevat de selectiecriteria op grond waarvan een incidentele aanwijzing als rijksmonument van een monument van voor 1966 kan plaatsvinden. Deze selectiecriteria zijn streng, omdat het uitgangspunt geldt dat het rijksmonumentenbestand al voldoende representatief is voor de gebouwde en aangelegde monumenten uit deze periode. Het is in beginsel echter mogelijk dat bijzondere ontdekkingen worden gedaan, waarvan het gewenst is dat daarvoor een bescherming wordt gerealiseerd in aanvulling op het huidige rijksmonumentenbestand. Het kan bijvoorbeeld gaan om een pand met een bijzonder interieur of een bijzondere (middeleeuwse) constructie die achter een modernere gevel schuilgaat. Dit soort ontdekkingen kan met een onderbouwing door een ieder worden gemeld bij de RCE. Vervolgens wordt beslist over het ambtshalve starten van een aanwijzingsprocedure.

Een aanwijzingsprocedure kan incidenteel worden gestart, indien het een monument van zeer hoge inhoudelijke kwaliteit met hoge zeldzaamheid betreft. Het zal gaan om objecten die als ‘unieke vondst’ kunnen worden beschouwd en die evident van algemeen belang zijn op grond van de waarderingscriteria. Het aanwezig zijn van enig belang voor Nederland is dus niet voldoende. Daarbij moet het ofwel gaan om een mijlpaal voor de architectuurgeschiedenis (daaronder begrepen tuinarchitectuur) of kunstgeschiedenis, ofwel om een essentieel toonbeeld van een belangrijke cultuurhistorische ontwikkeling. Een voorbeeld is de nog zeer authentieke oudste heemtuin van Nederland, Thijsse’s Hof, die het eerste voorbeeld was van natuurontwikkeling in Nederland en waar de nadruk ligt op inheemse flora in plaats van een exotische collectie zoals voorheen gebruikelijk was, aangelegd door een grote naam in de tuinarchitectuur: L.A. Springer. Bij monumenten die zijn vervaardigd in de periode 1940 tot en met 1965 geldt als aanvullend criterium dat het monument zich wat betreft de monumentale waarde moet kunnen meten met de reeds aangewezen meest waardevolle wederopbouwmonumenten. Daarmee wordt voorkomen dat nadat de aanwijzingsprogramma’s voor de wederopbouwperiode zijn voltooid, de lat lager wordt gelegd voor andere monumenten uit dit tijdvak. Voor dit deel van het rijksmonumentenbestand is immers een andere insteek gekozen dan voor de delen uit de periodes daarvoor, namelijk die van een absolute topbenadering.

Het monument moet tot slot net als onder de voorgaande beleidsregel een essentiële aanvulling zijn op en een onmiskenbare meerwaarde hebben ten opzichte van het huidige rijksmonumentenbestand; het gaat dus niet om bescherming van ‘meer van hetzelfde’. Een gaaf bewaard gebleven villa uit de jaren 1920 zal niet snel van een onmiskenbare meerwaarde voor het gehele bestand kunnen getuigen, vanwege een gebrek aan zeldzaamheid. Daartegenover staat dat een gebouw met hoge zeldzaamheid zonder andere zeer hoge inhoudelijke kwaliteiten ook niet in aanmerking komt voor bescherming. Verder moet het gaan om het monument als geheel en niet om één onderdeel (bestanddeel) van het monument: het monument moet in zijn geheel vanwege de inhoudelijke kwaliteiten en zeldzaamheid van die onmiskenbare meerwaarde getuigen. Bijvoorbeeld een pand met een gaaf bewaard gebleven zeldzame en waardevolle constructie of een pand met een compleet en zeldzaam achttiende-eeuws interieur kan voor bescherming in aanmerking komen. Een pand waarin zich alleen nog twee vijftiende-eeuwse balken bevinden, zal daarentegen te licht worden bevonden.

Artikel 10. Aanwijzing van monumenten van na 1965

Monumenten van na 1965 worden uitsluitend aangewezen als rijksmonument op basis van een aanwijzingsprogramma. Dat is de lijn die ook in voorgaande beleidsregels is gevolgd voor de wederopbouwmonumenten. Voor de nieuwste categorieën monumenten geldt dat eerst een referentiekader met een breed beeld en inzicht moet worden verworven alvorens tot verantwoorde selectie kan worden overgegaan.

Artikel 11. Criteria aanwijzingsprogramma

Zie de toelichting bij artikel 7.

Artikel 12. Criteria incidentele aanwijzing van archeologische monumenten

Voor incidentele aanwijzing van een archeologisch monument als rijksmonument gelden strenge selectiecriteria. Het zal hierbij echt om uitzonderlijke gevallen gaan, want de hoofdregel is dat archeologische rijksmonumenten via een verbeter- of aanwijzingsprogramma worden aangewezen. In de praktijk zal dit alleen voorkomen wanneer er tijdens of buiten een archeologisch onderzoek onverwacht een uitzonderlijke vondst wordt gedaan welke beschermenswaardig blijkt te zijn. Evenals bij gebouwde en aangelegde monumenten kan een aanwijzingsprocedure incidenteel worden gestart, indien het een archeologisch monument van zeer hoge inhoudelijke kwaliteit met een hoge zeldzaamheid betreft. Het zal gaan om archeologische monumenten die vanwege schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde evident van algemeen belang zijn. Ook hier is het aanwezig zijn van enig belang voor Nederland dus niet voldoende. Het moet gaan om een mijlpaal voor de archeologie. Tot slot moet het archeologische monument een essentiële aanvulling op het rijksmonumentenbestand vormen.

Artikel 13. Overgangsrecht

Aanwijzingsprocedures die al lopen op het moment dat deze beleidsregel in werking treedt, en dus zijn opgestart op grond van de Monumentenwet 1988, worden afgehandeld volgens de Beleidsregel 2013. Aanwijzingsprocedures in het kader van een lopend aanwijzingsprogramma die op 1 juli 2016 nog niet formeel zijn opgestart door mededeling aan de belanghebbenden van de adviesaanvraag aan het college van burgemeester en wethouders (zie artikel 9.3 van de Erfgoedwet), worden op grond de Erfgoedwet en deze beleidsregel afgehandeld. Maar omdat de criteria van de lopende aanwijzingsprogramma’s in de Beleidsregel 2013 staan, blijft die beleidsregel inhoudelijk gezien het toetsingskader voor deze aanwijzingsprogramma’s.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken II 2009/10, 32 156, nr. 1.

X Noot
2

Zie Staatsblad 2011, 330 en Kamerstukken II 2009/10, 32 433, nr. 3.