Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Stichting Fonds voor CultuurparticipatieStaatscourant 2016, 22890Besluiten van algemene strekking

Deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020

Het bestuur van het Fonds voor Cultuurparticipatie,

Gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

Besluit:

Paragraaf 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

adhesieverklaring:

schriftelijke steunbetuiging van een gemeente of provincie aan het inhoudelijke plan dat past binnen het programma Cultuureducatie met Kwaliteit;

beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs:

programma geïnitieerd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bedoeld om de kwaliteit van cultuureducatie in het primair onderwijs door middel van een landelijk samenhangende aanpak te borgen;

bestuur:

het bestuur van de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

coördinerende werkzaamheden:

organisatorische werkzaamheden ten behoeve van de samenwerking tussen deelnemende partners en activiteiten;

cultuureducatie:

het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen binnen het leergebied Kunstzinnige oriëntatie;

doorgaande leerlijn:

Een leerlijn is een beredeneerde opbouw van tussendoelen en inhouden naar een einddoel. Afhankelijk van de precieze functie, gebruikscontext en doelgroep variëren leerlijnen in de mate waarin implicaties voor verschillende leerplanelementen zijn uitgewerkt. Leerlijnen worden ontwikkeld om meer samenhang en continuïteit door leerjaren heen te geven;

fonds:

de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

gemeenten:

de gemeenten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

intentieverklaring:

schriftelijke verklaring waarin een gemeente of provincie haar financiële bijdrage vastlegt;

kerndoelen binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie:

zoals vastgesteld in het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO;

penvoerder:

een culturele instelling die voor zichzelf, en in samenwerking met een aantal andere culturele instellingen, een plan indient. De penvoerder is in die hoedanigheid degene met wie het Fonds voor Cultuurparticipatie de subsidierelatie aangaat en is daardoor volledig verantwoordelijk voor de naleving van de subsidieverplichtingen en voor de financiële en inhoudelijke subsidieverantwoording.

Artikel 1.2 Doel van de regeling

Het bestuur kan voor de periode 2017–2020 meerjarige stimuleringssubsidies verstrekken voor activiteiten die scholen in het primair onderwijs in staat stellen samen met de culturele omgeving kwalitatief goede cultuureducatie duurzaam te verankeren. Hierbij ligt de nadruk op het verdiepen van cultuureducatie op reeds deelnemende scholen en het vergroten van het aantal deelnemende scholen.

Artikel 1.3 Subsidieperiode

Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar.

Artikel 1.4 Subsidieplafond en beschikbare bedragen

  • 1. Het subsidieplafond voor het totaal van de aanvragen is € 10.000.000,– per kalenderjaar.

  • 2. Voor aanvragen uit provincies en gemeenten is per kalenderjaar beschikbaar:

    • a. per provincie € 0,55 per inwoner, met aftrek van de inwoners waarvoor gemeenten reeds een bijdrage ontvangen;

    • b. per gemeente € 0,55 per inwoner, met uitzondering van de gemeenten genoemd onder sub c;

    • c. voor Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Maastricht, Arnhem, Enschede, Almere en Groningen € 0,79 per inwoner.

  • 3. Het aantal inwoners van een provincie of gemeente wordt voor de volledige looptijd van de regeling vastgesteld op basis van de CBS-gegevens van 1 januari 2016.

  • 4. Als gevolg van een beslissing van de minister van OCW kan het subsidieplafond worden verhoogd of verlaagd.

Artikel 1.5 Matching met provincie en gemeente

  • 1. De aan het fonds gevraagde subsidie bedraagt ten minste € 45.000 per jaar, welk bedrag wordt gematcht door de provincie of gemeente.

  • 2. De subsidie van het fonds bedraagt nooit meer dan 100% van de bijdrage afkomstig van provincie of gemeente.

  • 3. Het door provincie of gemeente gematchte bedrag mag niet afkomstig zijn uit de onderwijsmiddelen die scholen van het rijk ontvangen. Evenmin kunnen de middelen die verbonden zijn aan de Impuls brede scholen, sport en cultuur als matching worden opgevoerd.

  • 4. Het door provincie of gemeente gematchte bedrag mag mede worden gefinancierd door andere partners.

Paragraaf 2: Weigeringsgronden en voorwaarden

Artikel 2.1 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd als voor de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd, aan de penvoerder of een betrokken culturele instelling uit dezelfde gemeente of provincie vierjaarlijkse instellingssubsidie is verleend op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidt na inwerkingtreding van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020. Wel kunnen activiteiten van een instelling die voornoemde subsidie ontvangt in het plan worden opgevoerd voor zover deze activiteiten aanvullend zijn op de activiteiten die zijn opgenomen in de aanvraag onder voornoemde regeling.

  • 2. Subsidie kan worden geweigerd op basis van inhoudelijke gronden, of

    • a. als door de betreffende provincie of gemeente aan het ministerie van OCW geen intentieverklaring is afgegeven voor deelname aan deze regeling;

    • b. als de aanvraag niet vergezeld gaat van een adhesieverklaring als bedoeld in artikel 2.3;

    • c. als de penvoerder in de voorgaande twee jaar niet heeft voldaan aan één of meer aan een subsidie verbonden voorwaarden of verplichtingen, waaronder in elk geval ook is begrepen het juist en tijdig afronden van de gesubsidieerde activiteiten, het tijdig melden van relevante veranderingen in de uitvoering en het juist en tijdig verantwoorden van de activiteiten;

    • d. als meer dan 10% van de begrote activiteitenlasten is bestemd voor activiteiten die plaatsvinden binnen of gericht zijn op het voortgezet onderwijs dan wel voor buitenschoolse activiteiten;

    • e. indien meer of minder dan 7% van de begrote activiteitenlasten is bestemd voor coördinerende werkzaamheden;

    • f. als de aanvraag geen uitsluitsel geeft over de mate waarin scholen inhoudelijk en financieel betrokken zijn, doordat een lijst van deelnemende scholen ontbreekt of doordat de financiële inzet van de scholen niet wordt toegelicht.

Artikel 2.2 Voorwaarde

  • 1. De penvoerder dient te kunnen aantonen dat hij in 2013, 2014 en 2015 subsidie heeft ontvangen van de lokale overheid, tenzij dit reeds bekend is bij het fonds.

  • 2. De penvoerder die niet kan voldoen aan het bepaalde in het eerste lid kan desondanks een aanvraag indienen als hij:

    • a. voortkomt uit een fusie van instellingen die voordien structureel werden gesubsidieerd; of,

    • b. beschikt over een adhesieverklaring van de betrokken lokale overheid waarin deze uitdrukkelijk het vertrouwen in het duurzame potentieel van de aanvrager uitspreekt.

  • 3. De penvoerder zendt de jaarrekeningen over 2013, 2014 en 2015 mee bij de aanvraag, tenzij deze al in het bezit zijn van het fonds.

Artikel 2.3 Aanvullende voorwaarde

De penvoerder en de betrokken instellingen zijn verplicht samen te werken met één of meerdere: pabo’s en kunstvakopleidingen en culturele instellingen.

Artikel 2.4 Beperking

Een instelling die op basis van deze regeling subsidie ontvangt kan voor de activiteiten waarop die subsidie betrekking heeft, in de periode waarop die subsidie betrekking heeft, geen aanspraak maken op subsidie voor deze activiteiten op basis van andere deelregelingen van het fonds.

Paragraaf 3: De aanvraag

Artikel 3.1 De aanvrager

Een aanvraag kan worden ingediend door een instelling met rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk en met een culturele doelstelling.

Artikel 3.2 Waarvoor kan worden aangevraagd

Een aanvraag voor meerjarige subsidie kan worden ingediend voor het organiseren van de volgende activiteiten:

  • a. implementatie, verdieping en ontwikkeling van het curriculum voor het leergebied kunstzinnige oriëntatie, met het doel doorgaande leerlijnen te verankeren in het onderwijs;

  • b. inhoudelijke deskundigheid versterken van leerkrachten, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie;

  • c. versterken van de relatie van de school met de culturele en sociale omgeving, met het doel de kunstzinnige en culturele ontwikkeling van leerlingen te bevorderen.

Artikel 3.3 Beoordelingscriteria

  • 1. Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. de ontwikkeling van cultuureducatie;

    • b. de verankering van cultuureducatie in het primair onderwijs;

    • c. de kwaliteit van de aanvraag;

    • d. de samenwerking.

  • 2. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet een aanvraag op alle in het vorige lid genoemde criteria positief zijn beoordeeld.

Artikel 3.4 Indieningstermijn

Aanvragen kunnen vanaf 15 augustus 2016 worden ingediend en dienen voor 17 oktober 2016 13.00 uur door het fonds te zijn ontvangen.

Artikel 3.5 Het aanvraagformulier

  • 1. Een aanvraag wordt digitaal ingediend via de website van het fonds met behulp van een door het bestuur opgesteld formulier.

  • 2. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde formulier tijdig is ontvangen en vergezeld gaat van de vereiste bijlagen.

Artikel 3.6 Adhesieverklaring

De aanvraag gaat vergezeld van een door de verantwoordelijk wethouder of gedeputeerde ondertekende adhesieverklaring van de desbetreffende gemeente of provincie.

Artikel 3.7 Beoordeling

Aanvragen die voldoen aan de formele vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen worden ter advisering voorgelegd aan het bureau van het fonds.

Artikel 3.8 Toekenning

  • 1. Het fonds kent de subsidie toe aan de penvoerder.

  • 2. De penvoerder geeft de ontvangen subsidie, overeenkomstig de in de aanvraag aangegeven verdeelwijze, door aan de overige bij de aanvraag betrokken culturele instellingen.

Artikel 3.9 Beslistermijn

Het bestuur informeert de aanvrager uiterlijk 1 februari 2017 schriftelijk over zijn besluit op de aanvraag.

Artikel 3.10 Vaststelling subsidie

  • 1. Het bestuur stelt de subsidie vast na ontvangst van de verantwoording over de gehele subsidieperiode.

  • 2. Als de activiteiten volgens plan zijn uitgevoerd en is voldaan aan alle aan de subsidie verbonden verplichtingen stelt het bestuur de subsidie binnen 22 weken overeenkomstig de verlening vast.

Paragraaf 4: Verplichtingen en verantwoording

Artikel 4.1 Melding van wijzigingen

De penvoerder doet onverwijld melding aan het bestuur als:

  • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt niet of niet geheel zullen doorgaan;

  • b. niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; of

  • c. er aanzienlijke artistieke of zakelijke wijzigingen zijn ten opzichte van het plan op basis waarvan subsidie is verstrekt.

Artikel 4.2 Kennisdeling, monitoring en evaluatie

De penvoerder is verplicht tot kennisdeling, monitoring en evaluatie van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, en

  • a. zet in het projectplan uiteen op welke wijze hij uitvoering geeft aan kennisdeling en is verplicht deel te nemen aan het landelijke kennisdelingstraject;

  • b. reserveert op de begroting minimaal 2% van de totale activiteitenlasten voor monitoring en evaluatie van activiteiten die in het kader van de regeling worden verricht.

  • c. zet in het projectplan uiteen op welke wijze hij uitvoering geeft aan het individuele monitoring- en evaluatietraject en is verplicht deel te nemen aan het landelijke traject voor monitoring en evaluatie.

Artikel 4.3 Verantwoording

  • 1. De penvoerder stuurt jaarlijks voor 1 juni een financiële verantwoording in van de uitgevoerde activiteiten in het vorige kalenderjaar.

  • 2. De financiële verantwoording sluit aan op de ingediende begroting en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring dient te zijn opgesteld overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen protocol. Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 7, 11, 12, 14 en 15, is van toepassing op de financiële verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening.

  • 3. Het bestuur stelt nadere voorwaarden aan de inrichting van de verantwoording.

  • 4. De penvoerder draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan onderzoeken naar de door hem verrichte (controle)werkzaamheden door een door het bestuur aan te wijzen partij. De daaraan verbonden kosten van de penvoerder komen voor zijn rekening.

Artikel 4.4 Archivering

Databestanden met onderzoeksgegevens, cq. het goedgekeurde eindrapport, die zich lenen voor meervoudig gebruik dienen, geschoond van vertrouwelijke gegevens, de gerubriceerde gegevens en de gegevens waarvan op grond van de wet- en regelgeving het openbaar maken achterwege moet blijven, binnen drie maanden na publicatie van het eindrapport, cq. afronding van het onderzoek, aan het Data Archiving and Networked Services (DANS) van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) te worden aangeboden.

Artikel 4.5 Gebruik van open standaarden

  • 1. De penvoerder is verplicht de ICT voorzieningen die worden ontwikkeld in het kader van de gesubsidieerde activiteiten te bouwen volgens de open standaarden.

  • 2. Indien de subsidieontvanger bij het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten intellectuele eigendomsrechten vestigt is de subsidieverlener verplicht het materiaal volgens de principes van een creative commonslicenties ‘Naamsvermelding 4.0 Internationaal’ beschikbaar te stellen.

Paragraaf 5: Overige bepalingen

Artikel 5.1 Fusie

  • 1. Als er sprake is of zal zijn van een juridische fusie tussen twee of meer instellingen wordt beoordeeld of de aanvraag voldoet aan het bepaalde in deze regeling, uitgaande van het totaal van de individuele prestaties.

  • 2. Aan de subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot de termijn waarbinnen het in de aanvraag opgenomen voornemen tot fusie gerealiseerd moet zijn.

Artikel 5.2 Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2021. Op bezwaar- en beroepsprocedures die op dat moment nog niet zijn afgerond, blijft het bepaalde in deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020.

Vastgesteld op: 19 april 2016

Het bestuur van het Fonds voor Cultuurparticipatie, J.J.K. Knol directeur / voorzitter van het bestuur

BIJLAGE 1A: DEELNEMENDE GEMEENTEN EN PROVINCIES, BEDRAGEN IN EURO’S PER JAAR

 

Matchingsbedragen 2017–2020

Noord-Brabant

 

Breda

 

Eindhoven

 

Helmond

 

‘s Hertogenbosch

 

Tilburg

 

Drenthe

 

Emmen

 

Flevoland

 

Almere

 

Friesland

 

Leeuwarden

 

Gelderland

 

Apeldoorn

 

Arnhem

 

Ede

 

Nijmegen

 

Groningen

 

Groningen

 

Limburg

 

Heerlen

 

Maastricht

 

Sittard-Geleen

 

Noord-Holland

 

Alkmaar

 

Amsterdam

 

Haarlem

 

Haarlemmermeer

 

Zaanstad

 

Overijssel

 

Deventer

 

Enschede

 

Hengelo

 

Zwolle

 

Utrecht

 

Amersfoort

 

Utrecht

 

Zuid-Holland

 

Delft

 

Dordrecht

 

Leiden

 

Rotterdam

 

‘s Gravenhage

 

Westland

 

Zoetermeer

 

Zeeland

 
   

TOTAAL

 

TOELICHTING OP DE DEELREGELING CULTUUREDUCATIE MET KWALITEIT IN HET PRIMAIR ONDERWIJS FONDS VOOR CULTUURPARTICIPATIE 2017–2020

Inleiding

Doel van de regeling

Met de deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020 (hierna: regeling) beoogt het Fonds voor Cultuurparticipatie (hierna: fonds) de kwaliteit van cultuureducatie in het primair onderwijs te bevorderen door subsidies beschikbaar te stellen. De regeling maakt onderdeel uit van een gelijknamig breder programma, uitgevoerd door het ministerie van OCW, het fonds en het LKCA.

Deze regeling is een vervolg op Cultuureducatie met Kwaliteit 2013–016. Het programma Cultuureducatie met Kwaliteit, jong geleerd waar deze regeling onderdeel van uitmaakt, is opgenomen in het beleidsplan 2017–020 van het Fonds voor Cultuurparticipatie: Cultuur maakt iedereen.

Verdiepen en bereik vergroten

De regeling richt zich op een verdieping van wat in 2013–ultuureducatie in het primair onderwijs én op het vergroten van het aantal deelnemende scholen aan het programma Cultuureducatie met Kwaliteit.

Verdieping vindt plaats op de scholen die al deelnemen aan Cultuureducatie met Kwaliteit door cultuureducatie verder te implementeren en te verankeren in het onderwijscurriculum. Hierbij kan ook aandacht uitgaan naar het verankeren van andere kunst, erfgoed en media disciplines en het integreren van cultuureducatie in andere vakken.

Scholen die nog niet deelnemen aan Cultuureducatie met Kwaliteit krijgen de kans aan te sluiten bij het programma en goede cultuureducatie te verankeren in het onderwijscurriculum. Deze verankering vindt alleen plaats als er een visie op cultuureducatie wordt ontwikkeld die wordt gedragen door het bestuur, de directie en de leraren. Alle deelnemende scholen doorlopen hun eigen proces en ontwikkelen een plan dat past bij de onderwijsvisie van de school.

De tussentijdse evaluatiecommissie voor de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2013–2016 heeft eind 2014/begin 2015 een ronde langs een aantal deelnemende penvoerders gemaakt. Op basis van deze ronde en de reflecties die alle penvoerders hebben opgesteld, heeft zij verslag uitgebracht. De stand van zaken en de aanbevelingen zijn gebundeld in het rapport Cultuur als basis 1. De aanbevelingen uit dit rapport zijn in deze regeling verwerkt.

Voor wie

Subsidie uit deze regeling kan worden aangevraagd door een culturele instelling die in nauwe samenwerking met scholen activiteiten ontwikkelen die bijdragen aan de borging van cultuureducatie binnen het primair onderwijs.

Samenwerking tussen overheden, onderwijs en culturele sector

Ten behoeve van goed cultuuronderwijs op scholen werken gemeenten, provincies en het Rijk intensief samen. De specifieke samenwerking ten behoeve van Cultuureducatie met Kwaliteit zal in de periode 2017–2020 gecontinueerd worden. De stimulering die culturele instellingen kunnen ontvangen vanuit deze regeling heeft als doel om de kwaliteit van cultuureducatie te versterken. Daarmee is Cultuureducatie met Kwaliteit aanvullend op de basisinzet van de verschillende overheden voor cultuur en onderwijs. De lokale en regionale context voor cultuureducatie verschilt per regio. Daarom zal de aanvraag binnen deze regeling passend bij deze context worden vormgegeven.

De regeling Cultuureducatie met Kwaliteit is gestoeld op de samenwerking met het onderwijs en gebaseerd op de kerndoelen van het leergebied kunstzinnige oriëntatie. Via de Regeling Prestatiebox PO ontvangen scholen financiële middelen voor cultuureducatie. De stimulering uit deze regeling is aanvullend op de Regeling Prestatiebox PO. In opdracht van het ministerie van OCW heeft het Platform Onderwijs 2032 advies uitgebracht over het onderwijs van de toekomst, dit advies inspireert het gesprek over hoe cultuureducatie in school vormgegeven kan worden.

Gewenste situatie in 2020:

  • Implementatie doorlopende leerlijnen in onderwijscurriculum

    Het merendeel van de scholen in het primair onderwijs heeft in samenwerking met de culturele omgeving een samenhangend programma voor cultuureducatie geïmplementeerd en geïntegreerd in het curriculum.

  • Verankerd in schoolbeleid

    Het merendeel van de scholen heeft cultuureducatie volwaardig opgenomen in het schoolplan. Daarnaast maken scholen financiële middelen vrij voor cultuureducatie en hebben leraren voldoende tijd om cultuureducatie vorm te geven in de klas.

  • Deskundige leraren en educatief medewerkers

    Om kwalitatief goede cultuureducatie vorm te geven beschikken leraren over voldoende basiskennis. Educatief medewerkers zijn in staat les te geven aan grote groepen kinderen binnen de school en activiteiten te ontwikkelen buiten de muren van de school.

  • Kennisdeling en inspiratienetwerken

    Er zijn regionaal netwerken van scholen en lerarenopleidingen ontwikkeld en versterkt waarbinnen kennis van cultuureducatie wordt gedeeld. Deze netwerken zijn toegankelijk voor alle scholen. Daarnaast worden inspiratiescholen ingezet als ambassadeurs voor het implementeren van kwalitatief goede cultuureducatie. De scholen die deelnemen aan Cultuureducatie met Kwaliteit nemen deel aan een landelijke monitoringssystematiek.

  • Aansluiting binnen- en buitenschools aanbod

    Kinderen en jongeren krijgen de kans aansluitend op de binnenschoolse activiteiten door te stromen naar passend aanbod buitenschools. Hiervoor is de Basis voor Cultuureducatie opgesteld2.

Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Definities

Kerndoelen binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie:

Hiermee wordt specifiek gedoeld op:

  • Kerndoel 54: De leerlingen leren beelden, muziek, taal, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren;

  • Kerndoel 55: De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren;

  • Kerndoel 56: De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

Een doorgaande leerlijn heeft betrekking op:

  • de uitwerking per leerjaar van wat een kind moet kennen en kunnen aan het eind van de schoolperiode;

  • de plaats van cultuur in andere dan de cultuurvakken;

  • aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs;

  • aansluiting tussen binnenschools en buitenschools.

Artikel 1.2 Doel van de regeling

Kwaliteit

Onder kwalitatief goede cultuureducatie in het primair onderwijs wordt verstaan: een samenhangend programma waarin betekenisvolle kunst-, erfgoed- en media-activiteiten voor een kind zijn opgenomen. De activiteiten kunnen zowel actief, receptief als reflectief zijn. Het programma daagt kinderen uit creatieve en onderzoekende vaardigheden te ontwikkelen en gaat hiermee verder dan losse kennismakingstrajecten. In het programma vinden op planmatige wijze activiteiten plaats binnen de school aangevuld met activiteiten buiten de school, zoals het bezoek aan een museum, theater of een erfgoedinstelling. Daarnaast is kwalitatief goede cultuureducatie geïntegreerd in het curriculum en zijn er verbindingen gelegd met andere vakken binnen het schoolcurriculum.

Duurzame verankering

Duurzame verankering van cultuureducatie vindt plaats indien cultuureducatie is verankerd in het curriculum van de school. Hiervoor is door het bestuur en de directie een visie op cultuureducatie schriftelijk vastgesteld en deze wordt in de praktijk gedragen door de leraren. De leraren zijn deskundig om cultuureducatie vorm te geven in de klas en kunnen extern expertise inwinnen waar nodig. Daarnaast maakt de school zowel tijd als financiële middelen vrij om cultuureducatie vorm te geven. De coördinerende rol ten aanzien van cultuureducatie is geborgd, bij voorkeur in een LB functie.

Verdieping

Verdieping vindt plaats op de scholen die in de periode 2013–2016 hebben deelgenomen aan Cultuureducatie met Kwaliteit. Op deze scholen wordt de visie op cultuureducatie door bestuur, directie, cultuurcoördinator en leraren geïntensiveerd en in de praktijk vorm gegeven. Deze visie wordt schriftelijk vastgelegd, bijvoorbeeld in het schoolplan. In het verlengde van deze visie maakt de doorgaande leerlijn onlosmakelijk onderdeel uit van het curriculum en krijgen leraren voldoende handvatten aangeboden om cultuureducatie vorm te geven in de klas, met aanvullende expertise van educatief medewerkers van culturele instellingen. Verdieping kan ook betekenen dat er meerdere kunst, erfgoed en media disciplines worden verankerd binnen de school of cultuureducatie intensiever wordt geïntegreerd in de andere vakken.

Bereik vergroten

Voor het vergroten van het aantal deelnemende scholen gaat de penvoerder in samenwerking met de culturele instellingen op zoek naar scholen die willen deelnemen. Hiervoor is het van belang dat de school een visie op cultuureducatie heeft of deze wil ontwikkelen. En dat de school voornemens is om cultuureducatie duurzaam te verankeren in de school en verdieping wil aanbrengen.

Artikel 1.4 Subsidieplafond en beschikbare bedragen

Indien het subsidieplafond verhoogd of verlaagd wordt, zal dit bekend gemaakt worden op de website van het fonds: www.cultuurparticipatie.nl.

Artikel 1.5 Matching met provincie en gemeente

De aanvraag uit een gemeente of provincie kan nooit meer bedragen dan het totale bedrag dat in het kader van deze regeling voor die gemeente of provincie beschikbaar is. Het bij het Fonds aan te vragen subsidiebedrag is nooit lager dan € 45.000. De subsidiebijdrage van het Fonds is nooit hoger dan de bijdrage van gemeenten en provincies. De bijdragen van de scholen staan hier los van.

Artikel 2.1 Weigeringsgronden

eerste lid

Als de penvoerder of een bij het plan betrokken culturele instelling subsidie ontvangt uit de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020, moet uit de aanvraag duidelijk worden welke cultuureducatieve activiteiten binnen de reguliere taakstelling worden uitgevoerd. De bewijslast ligt bij de penvoerder. Het Fonds zal hier geen nadere stukken over opvragen en gaat er in beginsel van uit dat cultuureducatieve activiteiten van dergelijke instellingen behoren tot hun kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten worden ondersteund uit de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020.

tweede lid
  • d. Activiteiten voortgezet onderwijs of voor- en naschoolse tijd

    De regeling richt zich nadrukkelijk op de versterking van de kwaliteit van cultuureducatie in het primair onderwijs. Afhankelijk van de lokale of regionale context kan er aanleiding zijn in het kader van de regeling ook activiteiten te ondernemen gericht op het voortgezet onderwijs of die zich afspelen in de voor- en naschoolse tijd. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan activiteiten die een doorgaande lijn vormen van activiteiten naar de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ook kan het gaan om vervolgactiviteiten voor leerlingen die via het buitenschoolse cursusaanbod hun kunstzinnige vaardigheden verder kunnen ontwikkelen. Omdat de regeling zich nadrukkelijk op het primair onderwijs richt, is de ruimte hiervoor binnen aanvragen beperkt gehouden tot niet meer dan 10% van de totale begroting. Deze ruimte kan niet worden ingezet voor het financieren van bijdragen aan de cultuurkaart.

  • e. Coördinerende werkzaamheden

    Er wordt een vast percentage van 7% over de totale activiteitenkosten beschikbaar gesteld voor coördinerende werkzaamheden. Deze worden berekend over het totaal aan activiteitenkosten. De activiteitenkosten bestaan uit:

    • activiteiten als bedoeld in artikel 3.2;

    • activiteiten ten behoeve van monitoring en evaluatie;

    • activiteiten ten behoeve van kennisdeling;

    • kosten ten behoeve van de accountant.

  • f. Financiële bijdrage scholen

    Om deel te nemen aan Cultuureducatie met Kwaliteit moeten scholen een financiële bijdrage leveren. De financiële bijdrage van de scholen staat los van de matchingsgelden en worden apart inzichtelijk gemaakt. De scholen kunnen een bijdrage leveren door daadwerkelijk een financieel bedrag beschikbaar te stellen of op andere wijze: bijvoorbeeld door cofinanciering van een derde partij of door bekostiging van eigen personeel, mits dit in het formatieplan wordt opgenomen.

Artikel 2.3 Aanvullende voorwaarde

Het fonds en de betreffende gemeente of provincie kennen de matchingsbijdrage toe aan de penvoerder. Een aanvragende instelling treedt als penvoerder op namens meerdere partijen. De rol- en taakverdeling tussen de penvoerder en de overige betrokken instellingen dient duidelijk in de aanvraag te zijn aangegeven. Voor het vergroten van de vakinhoudelijke deskundigheid is het verplicht samen te werken met één of meerdere: pabo’s en kunstvakopleidingen en culturele instellingen.

Artikel 2.4 Beperking

Er kan tijdens de looptijd van deze regeling geen aanspraak gemaakt worden op middelen uit andere deelregelingen van het fonds voor dezelfde activiteiten. Er kan wel subsidie door instellingen of scholen worden aangevraagd die aanvullend zijn op de activiteiten die binnen Cultuureducatie met Kwaliteit worden ontwikkeld.

Alle scholen mogen deelnemen aan Cultuureducatie met Kwaliteit, ook scholen die uit andere subsidieregelingen van het Fonds subsidie ontvangen. Indien dit het geval is wordt omschreven op welke manier de financiële middelen uit de verschillende regelingen worden ingezet. Indien dit het geval is, wordt dit bij voorkeur per school gemotiveerd op de lijst deelnemende scholen die bij de aanvraag wordt gevoegd.

Artikel 3.1 De aanvrager

Instellingen met een rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk en een culturele doelstelling kunnen als penvoerder een aanvraag indienen. Voor instellingen waar de penvoerder mee samenwerkt is dit geen vereiste. De penvoerder dient cultuureducatieve werkzaamheden te verrichten binnen een gemeente of provincie die, door middel van een intentieverklaring, heeft aangegeven zorg te dragen voor matching van de subsidie uit deze regeling.

Artikel 3.2 Waarvoor kan worden aangevraagd

Een aanvraag voor meerjarige subsidie kan worden ingediend voor het organiseren van de volgende activiteiten:

  • a. implementatie, verdieping en ontwikkeling van het curriculum voor het leergebied kunstzinnige oriëntatie, met het doel doorgaande leerlijnen te verankeren in het onderwijs.

    Er worden activiteiten uitgevoerd ter verdieping van het curriculum voor het leergebied kunstzinnige oriëntatie met als doel doorgaande leerlijnen te verankeren. Hierbij wordt als uitgangspunt het SLO leerplankader3 ingezet. Er is aandacht voor een goed doordachte visie op cultuureducatie die wordt gedragen door schoolbestuur, schoolleider en leraren. Inhoudelijk wordt de koppeling gemaakt met het doel van de Regeling Prestatiebox PO. Er wordt een onderwijskundige verdieping beoogd ten opzichte van een kennismakingsaanbod, bestaande uit activiteiten binnen de schoolmuren aangevuld met activiteiten daarbuiten. Indien het ontwikkelen van nieuw curriculum wenselijk is wordt eerst bekeken of er in andere regio’s bruikbaar curriculum bestaat. Voor de ontwikkeling van activiteiten in dit kader wordt ter inspiratie verwezen naar het kwaliteitskader ontwikkeld door experts in opdracht van het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs4.

  • b. inhoudelijke deskundigheid versterken van leraren, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie.

    Er worden activiteiten uitgevoerd die bijdragen aan de inhoudelijke deskundigheid van leraren, vakdocenten en educatief medewerkers, met als doel leerlingen kwalitatief goede cultuureducatie te geven. Het gaat hierbij om pedagogisch-didactische vaardigheden, vaardigheden in de kunst-, erfgoed- en media- disciplines en kennis om cultuureducatie vorm te geven in de klas. Hierbij staat de leerlijn centraal en wordt voldoende kennis verworven om deze duurzaam te implementeren in het curriculum. Voor de te ontwikkelen vakinhoudelijke deskundigheid wordt in elk geval samengewerkt met één of meerdere: pabo’s en kunstvakopleidingen. Deze samenwerking kan vorm krijgen in een model van co-teaching.

  • c. versterken van de relatie van de school met de culturele en sociale omgeving, met het doel de kunstzinnige en culturele ontwikkeling van leerlingen te bevorderen.

    Er worden activiteiten uitgevoerd om de relatie tussen de school en de culturele en sociale omgeving te versterken. Het gaat om een duurzame en intensieve samenwerking waarbij aandacht uitgaat naar het draagvlak bij schoolbestuur, schoolleider en leraren. De netwerken waar culturele instellingen, schoolbestuurders en schoolleiders van nature deel uitmaken worden ingezet om de relatie tussen school en de culturele en sociale omgeving te versterken. De lokale educatieve agenda (LEA) of de regionale educatieve agenda (REA) is een aanknopingspunt voor de versterking van de school met de culturele omgeving.

De regeling stelt als voorwaarde dat de aanvraag zich verhoudt tot de drie bovengenoemde activiteiten. Daarnaast is er samenhang tussen de verschillende activiteiten, gericht op het duurzaam verankeren van cultuureducatie op reeds deelnemende scholen aan de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit én het vergroten van het aantal deelnemende scholen. In Nederland bestaan lokale verschillen in faciliteiten voor cultuureducatie. De activiteiten binnen Cultuureducatie met Kwaliteit zijn aanvullend en versterkend op het lokale beleid.

Artikel 3.3 Beoordelingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • a. De ontwikkeling van cultuureducatie:

    bij de beoordeling op dit criterium wordt gekeken naar de mate waarin het plan voortborduurt op reeds ontwikkelde activiteiten voor cultuureducatie. Hiervoor is de reflectie door de aanvrager op de huidige stand van zaken op het gebied van cultuureducatie leidend, zowel binnen Cultuureducatie met Kwaliteit als binnen de lokale/regionale context. Vervolgens wordt de manier waarop het plan voor 2017-2020 is opgesteld hieraan getoetst. En wordt gekeken manier waarop de probleemstelling en doelstellingen hierop aansluiten.

  • b. De verankering van cultuureducatie in het primair onderwijs:

    bij de beoordeling op dit criterium wordt gekeken of alle activiteiten gericht zijn op de verankering van cultuureducatie op de school. Hierbij wordt de mate waarin het onderwijs bij de planvorming is betrokken getoetst. Ook wordt gekeken naar de manier waarop visievorming en draagvlak voor cultuureducatie van besturen, directies en leraren vorm krijgt. De deskundigheid van leraren en educatief medewerkers en de manier waarop deze verder wordt ontwikkeld wordt getoetst. Ook wordt de manier waarop scholen de relatie met de culturele omgeving vorm kunnen geven beoordeeld.

  • c. Kwaliteit van de aanvraag:

    bij de beoordeling op dit criterium wordt gekeken naar de inhoudelijke en organisatorische kwaliteit van de aanvraag. Daarnaast wordt de redelijkheid van de begroting en prestaties getoetst, aan de doelstelling van de regeling en aan de inhoud van het plan. Ook worden de activiteiten voor kennisdeling, monitoring en evaluatie zowel voor culturele instellingen als voor scholen beoordeeld.

  • d. Samenwerking:

    bij de beoordeling van dit criterium wordt getoetst of de penvoerder een samenwerkingsverband heeft gevormd dat voldoende slagkracht heeft om uitvoering te geven aan het plan. Daarop volgend wordt gekeken naar de taak- en rolverdeling met scholen, culturele instellingen, pabo’s en kunstvakonderwijs.

Om in aanmerking te komen voor subsidie dient een aanvraag op alle criteria positief te worden beoordeeld.

Artikel 3.4 Indieningstermijn

Aanvragen kunnen vanaf 15 augustus 2016 worden ingediend en dienen uiterlijk 17 oktober 2016 13.00 uur door het fonds te zijn ontvangen. Alleen als de aanvraag op tijd is ingediend, het volledige aanvraagformulier juist is ingevuld en alle gevraagde informatie is bijgesloten, inclusief adhesieverklaring van gemeente of provincies, wordt de aanvraag in behandeling genomen.

Artikel 3.5 Het aanvraagformulier

eerste lid

Aanvragen moeten worden ingediend via het digitale systeem Mijn Fonds, dat bereikbaar is via de website van het Fonds. Hiervoor is een account en inlogcode nodig die kunnen worden aangevraagd door een contactformulier in te vullen dat te vinden is op de website van het fonds. Het is raadzaam om tijdig een account en inlogcode aan te vragen. De verwerkingstijd hiervoor is in beginsel drie werkdagen.

De activiteiten moeten worden beschreven aan de hand van een aantal door het Fonds geformuleerde vragen. Het aanvraagformulier en de bijbehorende richtlijnen zijn digitaal beschikbaar via www.cultuurparticipatie.nl.

tweede lid

De aanvraag bestaat uit de volgende onderdelen:

  • aanvraagformulier, inclusief een begroting met toelichting en prestatiegegevens;

  • projectplan: richtlijnen voor het projectplan zijn beschikbaar via www.cultuurparticipatie.nl;

  • lijst met deelnemende scholen en scholen die de intentie hebben deel te gaan nemen, met een toelichting op de taak- en rolverdeling en financiële bijdrage;

  • lijst met samenwerkingspartners, met een toelichting op de taak- en rolverdeling: culturele instellingen, pabo’s, kunstvakonderwijs;

  • een recent bankafschrift waarmee het bankrekeningnummer geverifieerd kan worden;

  • in geval van een nieuwe penvoerder: jaarrekeningen 2013, 2014 en 2015;

  • in geval van (samenwerking met) een culturele instelling die gesubsidieerd wordt uit de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020: toelichting op de reguliere taken voor cultuureducatie.

De aanvraag en de daarbij behorende informatie is leidend voor toetsing of de aanvrager in aanmerking komt voor subsidie. Het is dus van belang dat de aanvraag helder is en een goed beeld geeft van de activiteiten die een aanvrager wil ondernemen. Dit format kan ook door gemeenten en provincies worden gebruikt voor hun toetsing van de plannen ten behoeve van de adhesieverklaring.

Artikel 3.6 Adhesieverklaring

Hierin wordt:

  • b) verklaard dat het bij het Fonds aangevraagde bedrag door de gemeente of provincie voor 100% gematcht zal worden, eventueel in samenwerking met andere subsidiepartners;

  • c) toegelicht welke financiële bijdrage de betrokken gemeenten en provincies ieder afzonderlijk leveren aan een aanvraag waarin sprake is van samenwerking tussen culturele instellingen afkomstig uit verschillende gemeenten of provincies en hoe dit past binnen het budget dat voor elk van de gemeenten of provincies afzonderlijk binnen deze regeling beschikbaar is;

  • d) toegelicht wie de penvoerder is waaraan de subsidie zal worden toegekend;

  • e) verklaard dat het geld waarmee de gemeente of provincie de aanvraag matcht, niet afkomstig is uit de onderwijsbekostiging die scholen van het rijk ontvangen en evenmin afkomstig is uit de middelen die verbonden zijn aan de Impuls brede scholen, sport en cultuur;

  • f) toegelicht hoe de aanvraag past binnen de lokale of provinciale beleidsprioriteiten ter zake;

  • g) aangegeven of er sprake is van een omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.

Gemeenten of provincies geven een adhesieverklaring af aan een inhoudelijk plan dat past binnen de ambitie van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit. In de adhesieverklaring moeten alle hierboven genoemde punten correct zijn toegelicht. Een model hiervoor staat op de website www.cultuurparticipatie.nl. Aanvragen zonder adhesieverklaring worden niet door het Fonds in behandeling genomen. Het Fonds kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het weigeren van een adhesieverklaring door een gemeente of provincie.

Artikel 3.7 Beoordeling

De aanvraag wordt beoordeeld door een interne commissie. Deze commissie is samengesteld uit medewerkers van het bureau van het Fonds.

Artikel 4.1 Melding van wijzigingen

Veranderingen die wezenlijk zijn voor de subsidiëring moeten door de penvoerder worden gemeld. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de activiteiten niet of anders worden uitgevoerd. Ook kan in het subsidiebesluit een verplichting zijn opgenomen op grond waarvan specifieke zaken gemeld moeten worden. Als achteraf blijkt dat er sprake is van een wezenlijke verandering die niet is gemeld, kan het Fonds de subsidie lager vaststellen of zelfs helemaal intrekken. Dit is geheel voor risico van de aanvrager. In geval van twijfel kan een aanvrager contact opnemen met het Fonds om te bepalen of sprake is van een wezenlijke wijziging. Hier is in elk geval sprake van als minder activiteiten worden gerealiseerd dan afgesproken of er wijzigingen zijn ten aanzien van bepalende betrokkenen uit het team.

Het Fonds kan de subsidie verminderen of intrekken als de prestatie niet wordt geleverd en in ieder geval in de volgende gevallen:

  • a) als het aantal verwachte deelnemers met meer dan 25% afneemt; of

  • b) als het aantal activiteiten afneemt met meer dan 25%; of

  • c) als de dekking van de begroting afneemt met meer dan 25%; of

  • d) als de termijn van uitvoering van de activiteit(en) wijzigt en dit niet tussentijds gemeld wordt; of

  • e) anderszins niet kan worden voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Het Fonds beoordeelt op basis van de gemelde wijzigingen of de hoogte van de toegekende subsidie zal worden aangepast.

Artikel 4.2 Kennisdeling, monitoring en evaluatie

Kennisdeling

Alle penvoerders zijn verantwoordelijk voor de kennisdeling binnen hun regio, zowel voor culturele instellingen als voor scholen. Bij de aanvraag dient de penvoerder in het projectplan een toelichting op de kennisdelingsactiviteiten op te nemen, waarbij zicht is op en gebruik gemaakt wordt van bestaande (afzonderlijke) netwerken van scholen en culturele instellingen. Het kennisdelingstraject is bedoeld om kennis die binnen Cultuureducatie met Kwaliteit, Impuls Muziekonderwijs en andere cultuureducatieve trajecten worden opgedaan te delen, zowel onderling als naar nog niet deelnemende scholen en culturele instellingen.

In aanvulling hierop zullen het Fonds en LKCA inhoudelijk kennisdelingstraject ontwikkelen op landelijk niveau, de penvoerder is verplicht om hieraan deel te nemen. Dit heeft als doel ervaringen en kennis vanuit de regeling te delen, zowel met partijen die aan de regeling deelnemen als partijen die dat niet doen. Deze activiteiten zijn aanvullend op de kennisdeling van de penvoerders.

Monitoring en Evaluatie

Alle penvoerders zijn verplicht activiteiten voor monitoring en evaluatie uit te voeren. Zij reflecteren op het reeds bestaande traject van monitoring en evaluatie en bouwen hierop voort. Voor dit traject wordt tenminste 2% van de subsidie aangewend. Bij de aanvraag dient de instelling de aanpak voor de monitoring en evaluatie in het projectplan toe te lichten.

Daarnaast zal het Fonds een landelijk monitor- en evaluatietraject ontwikkelen, de penvoerder is verplicht om aan dit traject deel te nemen. Dit zal in ieder geval bestaan uit het verzamelen van resultaten op het niveau van de school, het jaarlijks verzamelen van kwantitatieve gegevens, een tussentijdse evaluatie in 2018/2019 en periodieke voortgangsgesprekken.

Artikel 4.3 Verantwoording

Subsidies dienen per jaar voor 1 juni digitaal te worden verantwoord door de penvoerder via Mijn Fonds.

De verantwoording bestaat uit:

  • een financieel overzicht van de uitputting van de middelen volgens model 1 van het protocol verantwoordingen Cultuureducatie met Kwaliteit 2017-2020, dit protocol wordt beschikbaar gesteld op de website van het Fonds: www.cultuurparticipatie.nl. Dit verantwoordingsmodel wordt geaccordeerd door de accountant en ingevuld in het verantwoordingsformulier via Mijn Fonds;

  • een meerjarenbegroting waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe nog niet bestede middelen worden doorgeschoven;

  • de gerealiseerde prestatiegegevens en kwantitatieve gegevens: aantal deelnemende scholen, aantal deelnemende leraren, aantal deelnemende educatief medewerkers, etc. zoals ingediend bij de subsidieaanvraag;

  • een toelichting op de drie bovenstaande punten;

  • indien van toepassing, een wijziging op het plan, waar volgens het subsidiebesluit officieel goedkeuring van het Fonds noodzakelijk is (zie ook toelichting op artikel 4.1).

Het Fonds behoudt zich het recht voor nader onderzoek te doen naar de door de accountant van de subsidieontvanger verrichte (controle) werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van de regeling.

Artikel 4.5

Het hergebruik van digitale producten draagt bij aan het delen van kennis en expertise. In dit verband wordt gevraagd dat:

Artikel 5.1 Fusie

Indien er sprake is van een fusie, gaat de penvoerder in overleg met de gemeente of provincie hoe het penvoerderschap wordt vorm gegeven. Vervolgens wordt het fonds op de hoogte gesteld van de nieuwe penvoerder en wordt een inhoudelijk plan ter goedkeuring aan het fonds voorgelegd. Dit plan wordt getoetst aan de criteria zoals opgenomen in deze regeling.