Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2016, 22170Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 april 2016, nr. WJZ/16051719, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies en de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016 in verband met wijziging van de subsidiemodule Topsector energieprojecten, verschuiving van subsidieplafonds en enkele technische aanpassingen

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, 4, 5 en 16 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.1.2 vervalt.

B

Aan artikel 4.2.4 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor de berekening van de subsidiabele kosten geldt dat van de som van de per kostensoort berekende investeringskosten van het energiedemonstratieproject verminderd met de referentiekosten, de aan derden verschuldigde kosten ten hoogste 50 procent deel uitmaken.

  • 4. Onder de aan derden verschuldigde kosten, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de subsidiabele kosten voor de activiteiten in het project die worden uitbesteed.

C

De titel van paragraaf 4.2.4 komt te luiden:

§ 4.2.4. Maatschappelijk Verantwoord Innoveren Energie

D

In artikel 4.2.22 wordt ‘STEM-project’ vervangen door: MVI Energie-project en wordt ‘Programma STEM’ vervangen door: Programma MVI Energie.

E

In artikel 4.2.23, eerste lid, wordt ‘STEM-project’ vervangen door: MVI Energie-project.

F

Artikel 4.2.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘STEM-project’ vervangen door: MVI Energie-project.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. De subsidie bedraagt maximaal € 150.000 per MVI Energie-project.

G

In artikel 4.2.28, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘STEM-programma’ vervangen door: MVI Energie-programma.

H

De bijlagen 4.2.3 en 4.2.16 worden vervangen door de gelijk genummerde bijlagen, zoals opgenomen in bijlagen I en II bij deze regeling.

ARTIKEL II

De tabel bij artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de rijen met artikel 4.2.16 wordt de volgende rij ingevoegd:

Titel 4.2: Topsector energie-projecten

4.2.23

MVI Energie-project

 

01-07-2016 t/m 25-10-2016

€ 1.000.000

2. Na de rij met artikel 4.2.107 wordt de volgende rij ingevoegd:

Titel 4.2: Topsector energie-projecten

4.2.113

Systeemintegratiestudies

 

01-07-2016 t/m 04-10-2016

€ 750.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 22 april 2016

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

BIJLAGE I, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL G

Bijlage 4.2.3., behorende bij artikel 4.2.22 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programma MVI Energie)

Ambitie

Deze subsidieparagraaf is onderdeel van de Topsector Energie brede ambitie om bij te dragen aan het versnellen van de transitie naar een duurzame energievoorziening, als onderdeel van de ontwikkeling richting een duurzame samenleving.

Doel van het programma is om met oog voor sociaal-maatschappelijke complexiteit en zich ontwikkelende behoeften van maatschappelijke actoren, tot maatschappelijk gewenste en maatschappelijk verantwoorde energie-innovaties te komen. Met de kennis die wordt opgedaan in de projecten van dit programma moet realisatie van maatschappelijk gewenste en verantwoorde energie-innovatie veel makkelijker en kansrijker worden.

De realisatie van energie-innovatie is niet traditioneel te plannen. De werkelijkheid waarin energie-innovatie vorm krijgt is voortdurend aan verandering onderhevig. Alle actoren die erbij betrokken zijn, worden continu gevoed door nieuwe informatie en passen naar aanleiding van die informatie hun gedrag aan, wat weer nieuwe informatie oplevert en wat de uitgangssituatie verandert.

Om met deze sociaal-maatschappelijke complexiteit om te gaan is een aanpak nodig die:

  • 1) relevante actoren betrekt en daarbij focust op de kwaliteit van de diversiteit van betrokkenen; niet alleen experts, maar ook lokale stakeholders en organisaties die autoriteit hebben in relatie tot het vraagstuk waar de innovatie antwoord op biedt, worden in projecten betrokken;

  • 2) het experiment en het leren daarvan bevordert;

  • 3) systemisch van aard is – dat wil zeggen; een respons die rekening houdt met de diepere structuren die huidig gedrag verklaren en die een sleutel vormt voor nieuw gedrag en daarmee voorbij symptoombestrijding gaat.

De in onderdeel 3 bedoelde diepere structuren die van belang zijn om, naast de technologische realiteit, rekening mee te houden, zijn:

  • het wettelijk/institutioneel kader dat een rol speelt;

  • het wereldbeeld, dieper liggende waarden en behoeften van relevante actoren;

  • de (bedrijfs-) economische realiteit van relevante actoren;

  • de klimatologische en ecologische realiteit;

  • de historische context van een specifieke plek of een onderwerp;

  • andere lokale context-dimensies (in het hier en nu, het verleden en richting de toekomst).

In het MVI Energie programma worden bedrijven, onderzoeksorganisaties en andere partijen die een respons ontwikkelen op de uitdaging om de energietransitie te versnellen, uitgedaagd om op een multidisciplinaire, iteratieve wijze te werken aan maatschappelijk gewenste en verantwoorde energie-innovatie.

Doelstellingen MVI Energie

Veelbelovende innovaties kunnen falen, omdat niet op tijd rekening wordt gehouden met ethische en maatschappelijke vragen. De MVI Energie tender stimuleert experimentele kennisontwikkeling met het volgende doel: het vergroten van de kans op maatschappelijk gewenste en verantwoorde energie-innovaties die daadwerkelijk gerealiseerd worden. Het gaat om veel meer dan een streven naar draagvlak voor vernieuwingen in het energiesysteem: bij maatschappelijk verantwoord innoveren wordt in een vroeg stadium al rekening gehouden met de mogelijke maatschappelijke gevolgen van de innovatie. Daar is een integraal perspectief voor nodig bij de start van innovatieprocessen en multidisciplinaire samenwerking in de uitvoering.

Kenmerken van MVI Energie-projecten

MVI Energieprojecten in de zin van de regeling betreffen projecten met de volgende kenmerken:

  • het betreft een toegepast wetenschappelijk experiment;

  • de focus ligt op actie-onderzoek: oftewel, probleem-oplossend cyclisch onderzoek. Onderzoekers ontwerpen interventies, experimenteren met de interventie en evalueren de resultaten. De focus ligt op het begrijpen van onderliggende oorzaken die het probleem in stand houden, het ontwerpen van interventies die inspelen op deze oorzaken om verandering richting een gewenste toekomst mogelijk te maken en het evalueren van de werking van de interventies;

  • de relevante actoren worden actief betrokken;

  • systemisch van aard, oftewel: het startpunt zijn de diepere structuren die huidig gedrag verklaren en die door interventies op dit diepere niveau, een sleutel vormen voor nieuw gedrag;

  • gerelateerd aan energie-innovaties.

Onderzoeksonderwerpen MVI Energie paragraaf

Er is behoefte aan projecten met de volgende invalshoeken:

De realisatie van energie-technologie in de praktijk / op zoek naar vernieuwende en verbindende werkwijzen die anders omgaan met weerstand

Bij de realisatie van bestaande duurzame energie-technologieën (denk aan: windmolens, biogascentrales, grootschalige zonneparken) wordt in de regel na een juridische procedure de implementatie gegund. Een vergunning (een juridisch mandaat) blijkt echter vaak geen garantie voor daadwerkelijke implementatie. Na de gunning ontstaat vaak weerstand bij diverse (lokale/andersoortige) betrokkenen.

Uit onderzoek blijkt dat weerstand verbonden is met het heden of het verleden en duidt op een intense verbondenheid met iets dat ooit goed of belangrijk was voor betrokkenen. Weerstand als fenomeen laat zien dat er iets waardevols verloren is gegaan of dreigt te gaan. Als dit niet erkend wordt dan raken betrokkenen geïdentificeerd met dat wat verloren dreigt te gaan. Het gaat er dan ook om dat erkend wordt wat van belang was. In de praktijk gebeurt dit zelden; er gebeurt wel wat anders.

De weerstand die ontstaat bij de implementatie van projecten wordt vaak simpelweg geframed als ‘gebrek aan draagvlak’ en de oplossing wordt vervolgens gezocht in generieke maatregelen die draagvlak zouden moeten vergroten, zoals financiële compensatie. Maatregelen die niet zelden worden gezien als pogingen tot ‘omkopen’.

Vernieuwende werkwijzen zijn daarom van belang.

Het MVI Energie programma stimuleert dan ook experimenteel actie-onderzoek naar:

  • Vernieuwende werkwijzen die recht doen aan dat waar weerstand bij betrokkenen een illustratie van is, en waarbij relevante actoren op zo’n manier betrokken raken dat dit als geheel meer menselijk, sociaal, fysiek, natuurlijk en/of financieel kapitaal1 oplevert opdat de implementatie van energie-innovatie gemakkelijker en gewenster wordt. Welke ontwerpprincipes en condities zijn van belang om tot goede resultaten te komen?

Vernieuwing van het innovatie-systeem – ketens

Of energie-innovatie daadwerkelijk tot implementatie komt in de praktijk heeft sterk te maken met de wijze waarop diverse actoren in de keten met elkaar samenwerken (ketenintegratie, keteninnovatie, pack-leadership, laterale innovatie). Het MVI-programma stimuleert experimenteel actie-onderzoek:

  • Naar vernieuwende ketenbenaderingen die de implementatie van energie-innovatie bevorderen;

  • Naar de rol die (nieuwe) intermediaire organisaties kunnen spelen op schakelpunten in het innovatiesysteem, met als doel het vergroten van de kans dat energie-innovatie in de praktijk wordt gerealiseerd. Denk aan: de duurzame woning buurtmarkt of een dienst voor algemeen economisch belang (DAEB) met als doelstelling het organiseren van de lokale energietransitie en het betrekken van lokale actoren.

Hierbij staat de vraag centraal: welke ontwerpprincipes en condities zijn van belang om tot goede resultaten te komen?

Gebruiker-gedreven prototyping van energie-innovaties

De doorsnee consument/huiseigenaar/(industrieel) inkoper/bedrijfseigenaar staat tot op heden, gemiddeld gezien, niet te springen om energie-innovaties aan te schaffen. Dit heeft te maken met:

  • 1) het systeem, de institutionele context en de veranderkracht daarvan

  • 2) het product zelf, de x-factor en de mate van ontwrichting die het product veroorzaakt2 en

  • 3) de praktische en gevoelsmatige situatie van de consument: wil deze de innovatie wel aanschaffen, kan deze de innovatie aanschaffen (o.a.: financieel/ruimte-technisch3) en kan worden voorkomen dat er iets gebeurt in de hectiek van alle dag waardoor een consument (of industrieel inkoper) toch niet tot aanschaf over gaat (willen/kunnen/versterken)? Uit: het STEM-rapport: Verleid de Consument.

Innovatie-praktijk onderzoek leert verder dat:

  • 1) hoe vroeger in het ontwikkelproces het institutioneel kader bekend is en meegenomen wordt;

  • 2) hoe meer een ontwikkelproces van innovaties gebruiker-gedreven is;

  • 3) hoe meer ketenpartners en eindgebruikers/beslissers bekend zijn en vanaf het begin meegenomen worden;

  • 4) hoe meer wordt ingespeeld op onderliggende behoeften en waarden van relevante betrokkenen;

...hoe groter de kans dat een energie-innovatie zo’n vorm krijgt (combinatie technologie-product-diensten-financiering) dat deze daadwerkelijk aangeschaft wordt door consumenten/inkopers.

Daarnaast is bekend dat energie-innovaties in het algemeen weinig aantrekkingskracht hebben. Framing van energie-innovaties als zijnde een antwoord op geheel andere behoeftes (veiligheid, comfort, langer thuis wonen, meer en leuker contact met je buren, vermindering van de woonlasten, kostenverminderingen in de zorg, etc.) is dan ook kansrijk.

In dit licht stimuleert het MVI-programma experimenteel actie-onderzoek naar:

  • Gebruiker-gedreven prototyping van energie-innovaties (al dan niet geheel anders ‘geframed’), waarbij (technisch) ontwikkelaars de institutionele en andersoortige context vroegtijdig meenemen en de waarden en behoeften van het relevante actorveld het uitgangspunt maken van een iteratief ontwikkelproces, om op basis daarvan de energie-innovatie vorm te geven.4 Welke ontwerpprincipes en condities zijn van belang om tot goede resultaten te komen?

Tenslotte

Een project dat:

  • theoretisch sterk onderbouwd is door op overtuigende wijze rekenschap te geven van het wetenschappelijk kader en theorievorming relevant voor het project en van al eerder uitgevoerde praktijk-experimenten die de beoogde aanpak ondersteunen;

  • goed is afgebakend en duidelijk maakt voor welke doelgroepen wel en welke niet en in welke context het onderzoek wel en juist niet interessant is (en waarom) en hoe het projectteam de resultaten ontsluit voor de doelgroepen waar het onderzoek relevant voor is;

  • zorgt dat de resultaten en geleerde lessen relevantie hebben voor een of meerdere TKI’s en duidelijk maakt hoe het projectteam die resultaten richting TKI’s vertaalt en ontsluit;

... wordt positief gewaardeerd op het rangschikkingscriterium "kwaliteit van het project".

De bedoeling is dat de TKI’s van de Topsector Energie met de inzichten opgedaan in MVI Energie-projecten hun innovatieprogrammering kunnen versterken.

BIJLAGE II, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL G

Bijlage 4.2.16., behorende bij artikel 4.2.112 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijnen Systeemintegratiestudies)

1. Achtergrond

De energietransitie stelt de maatschappij voor zeer grote uitdagingen. ‘Deze transitie is zo veelomvattend en fundamenteel dat veranderingen op systeemniveau nodig zijn’.1 De productie van duurzame elektriciteit uit wind en zon neemt toe, het conventionele productiepark voor elektriciteit wordt anders ingezet dan voorheen, consumenten gaan zelf elektriciteit produceren, warmte wordt steeds duurzamer opgewekt, enzovoorts. Per functionaliteit van energie zullen zich verschillende transitiepaden op verschillende schaalniveaus ontwikkelen. De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) schetst het volgende beeld van de toekomst van het energiesysteem:

‘De energievoorziening bestaat in 2035 voor een groter deel dan nu uit schonere productiemiddelen en is deels nog gebaseerd op nu al bestaande technologie. Een aantal nieuwe technologieën is marktrijp en doorgebroken, maar er zijn ook technologieën die het, ondanks veelbelovende perspectieven, niet hebben gered. Rond 2035 is het duidelijker wat de huidige inzet op innovatie heeft opgeleverd en welke technologieën potentie hebben na 2035. Zonne-energie breekt door als een snel groeiende bron van energie en kan in dit tijdsbestek een aandeel van enkele procenten van de totale energievoorziening krijgen. Het aandeel in alleen de elektriciteitsvoorziening is natuurlijk veel groter. Ook van windenergie kan een aanzienlijke bijdrage verwacht worden. In Nederland zal gas in 2035 nog een belangrijke rol vervullen in de industrie en zorgen voor de lokale balans in stroom en verwarming. Wel neemt de totale vraag naar gas fors af door de inzet van andere energiebronnen en -dragers. De rol van gas verandert daardoor van basislast naar pieklast’.1

De ontwikkeling van het integrale energiesysteem speelt zich op grofweg drie schaalniveaus af:

  • het lokale of decentrale niveau, waarmee de gebouwde omgeving wordt bedoeld;

  • het regionale niveau, gekoppeld aan distributienetten voor elektriciteit en gas, maar ook aan warmte- en stoomnetten;

  • het nationale niveau waarbij grootschaligheid kenmerkend is, gekoppeld aan transmissienetten voor elektriciteit en gas. Ook internationale verbindingen (interconnectie) en verbindingen naar het continentale plat voor productie offshore worden onder deze categorie geschaard.

Deze ontwikkelingen vormen een uitdaging voor de energiesector en sectoren die met het energiedomein verbonden zijn; ze scheppen kansen voor ondernemers om producten en diensten aan te bieden die op deze ontwikkelingen inspelen. Ook ontstaat er behoefte aan nieuwe ‘spelregels’2 en eventueel ‘speelvelden’ die nieuwe ruimte geven aan deze ontwikkelingen, zoals faciliterend beleid en het wegnemen van belemmeringen in de wet en regelgeving. Er is behoefte aan meer kennis en inzicht in deze ontwikkelingen, het effect ervan op het systeem en hoe de kansen die dit schept zo goed mogelijk benut kunnen worden.

Het thema systeemintegratie van de Topsector Energie wil op deze ontwikkelingen inspelen door de ontwikkeling van innovatieve technische concepten te ondersteunen en kennis over en inzicht in het systeem en de veranderingen die daarin plaatsvinden te genereren. De achterliggende gedachte is dat een betere integratie zowel binnen het energiesysteem als op de verbindingen met andere sectoren, bijdraagt aan oplossingen om het energiesysteem duurzamer te maken en tegelijkertijd betrouwbaar en betaalbaar te houden. Op deze wijze zou het bereiken van de nationale en Europese doelstellingen in 2030 en 2050 met zo laag mogelijk integrale of maatschappelijke kosten bereikt kunnen worden.

Systeemintegratie kan omschreven worden als het proces van integratie tussen schakels en spelers in de energiewaardeketens, tussen verschillende energiedragers, tussen actoren in de waardeketen en met aanpalende sectoren in het systeem, waardoor oplossingen voor knelpunten worden geboden en waardoor er kansen ontstaan voor nieuwe producten en diensten.

De TKI’s van de Topsector Energie erkennen deze kansen en de behoefte aan kennis en inzichten. Het programma voor 2016 borduurt voort op de basis die in 2014 is gelegd (de inhoudelijke discussies en de resultaten van de subsidietenders) en de resultaten van vier studies die in de periode november 2014 – maart 2015 zijn uitgevoerd in het kader van het thema systeemintegratie op de terreinen productie, energieopslag, infrastructuur en eindgebruik. Op www.rvo.nl/systeemintegratie zijn de rapporten van deze studies te downloaden.

2. Doelstellingen

Het programma heeft als doel om kennis te ontwikkelen over de mogelijkheden om in te spelen op de hiervoor geschetste veranderingen die in het energiesysteem plaatsvinden als gevolg van de energietransitie. De Nederlandsche Bank heeft onlangs in een studie3 de noodzaak om zo spoedig mogelijk de transitiepaden verder te concretiseren naar voren gebracht. Dit om investeringsrisico’s te verkleinen en excessief waardeverlies te vermijden. Het inslaan van deze transitiepaden is noodzakelijk om de CO2uitstoot reductiedoelstellingen in 2030 en 2050 te bereiken. Ook zullen nieuwe technische innovaties nodig zijn.

Het kennisprogramma systeemintegratie wil hieraan bijdragen door haalbaarheidsonderzoek naar nieuwe technische concepten en ideeën op het gebied van energieopslag en conversietechnologie te ondersteunen. De gedachte daarbij is dat het verbeteren van de integratie tussen schakels en spelers de maatschappelijke en economische kosten van de energietransitie minimaliseert. Het gaat hierbij om de integratie van schakels en spelers in de energiewaardeketen, tussen verschillende energiedragers (bijv. warmte, gas, elektriciteit, e.a.), tussen actoren in het gehele systeem; de waardeketen en aanpalende sectoren (denk bijvoorbeeld aan cross overs tussen energie en chemie, agro-food en energie, etcetera).

3. Programmalijn: energieopslag- en conversietechnologie

Energieopslag- en conversietechnologie kan helpen om de integratie tussen schakels en spelers in de energiewaardeketens te verbeteren. Ook kan energieopslag- en conversietechnologie helpen om de flexibiliteit in het energiesysteem te vergroten. Hierdoor kunnen nieuwe toepassingen in het energiesysteem efficiënter en effectiever geïntegreerd worden.

Zowel opslag als conversie van energie heeft betrekking op toepassing in een grootschalige context, op regionaal/centraal niveau (incl. eventuele internationale dimensies, zoals interconnectie). Studies in de zin van de regeling kunnen ook toepassingen behandelen op lokaal/decentraal niveau die zich richten op de relatie tussen het regionale/nationale niveau en het lokale niveau en / of de interactie en optimalisatie over het gebruik van verschillende energiedragers.

Het gaat in het programma systeemintegratie niet alleen om de technische aspecten, maar ook om economische en juridisch-institutionele aspecten. Studies in de zin van de regeling moeten de volgende punten adresseren:

  • technische levensvatbaarheid en oplossend vermogen. Een gedetailleerde beschrijving van de schaalgrootte en werking van de techniek en welke bijdrage de technologie levert aan de door indiener beschreven toekomstige uitdagingen in de toekomstige energievoorziening. Hierbij kan het beeld dat het RLI schetst van de energievoorziening in 2035 gebruikt worden. Bijv. op welke wijze draagt de techniek bij aan een vergroting van de flexibiliteit van het energiesysteem? Wat is het technisch potentieel voor toepassing in Nederland en eventueel daarbuiten, op welke wijze en in welke mate draagt de toepassing en technologie bij aan een efficiëntere en effectievere integratie van duurzame energie systemen in het toekomstig energievoorzienings- systeem. Wat zijn mogelijke prestatie-indicatoren?

  • indien de studie een technologieontwikkeling betreft: inbedding van de technologie in de energiewaardeketen en eventueel verschillende sectoren

  • wat is het economische verdienmodel voor het beschreven technische concept? Onderbouwde schatting van de benodigde investeringen, en beschrijving van exploitatie aspecten en winsten en verliezen die hiermee gemoeid zijn. Onderbouwing hierbij is noodzakelijk. Daarnaast een beschrijving welke partners uit welke sectoren gezocht worden om functionaliteiten in de waardeketen uit te voeren. Dit zijn de financiële/economische kansen (inclusief het verdienmodel dat noodzakelijk is om het concept of de technologie succesvol te kunnen toepassen; het kan ook gaan om de mogelijke verdienmodellen);

  • de niet-technologische factoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het concept of de technologie in de markt en hoe daarmee om te gaan. Essentiële aandachtspunten waar rekening mee gehouden moet worden en op ingespeeld moet worden om het concept in de markt toe te kunnen passen zijn bijvoorbeeld beleid en wet- en regelgeving en maatschappelijke en institutionele issues.

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding en doel

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies (hierna: RNES) en de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016. Ingevolge deze wijziging wordt het subsidie-instrumentarium van de Topsector Energie (titel 4.2. van de RNES) aangepast en worden enkele nieuwe subsidieplafonds voor 2016 vastgesteld. De titel Topsector Energie voorziet in subsidiëring van een aantal verschillende soorten energieprojecten op het gebied van energiebesparing en hernieuwbare energie, zoals: bio-energie, wind op zee, smart grids, zonne-energie, energiebesparing in de gebouwde omgeving, groen gas en energiebesparing in de industrie. De bijhorende programmalijnen zijn in de bijlagen bij de RNES uitgewerkt.

De achtergrond van dit subsidie-instrumentarium is de volgende. In 2011 heeft het toenmalige kabinet gekozen voor een nieuw bedrijvenbeleid met bijzondere aandacht voor negen topsectoren van de Nederlandse economie. Bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid werken binnen deze topsectoren samen aan een economisch sterk en internationaal concurrerend Nederland. Ook de energiesector is aangewezen als topsector. De opdracht aan de Topsector Energie is het vergroten van de verdiencapaciteit van de sector en de verduurzaming van de energievoorziening. Binnen de Topsector Energie werken de Topconsortia voor kennis en innovatie (TKI’s) de hierboven genoemde thema’s jaarlijks uit.

Op 1 februari 2016 is een eerste tranche wijzigingen gepubliceerd voor de Topsector Energie, met daarin voor het merendeel van de paragrafen (subsidiemogelijkheden) de aangepaste beschrijving van de programmalijnen en de vaststelling van de nieuwe subsidieplafonds voor 2016. Deze tweede tranche wijzigingen bevat voor de resterende paragrafen de aangepaste beschrijving van de programmalijnen en de vaststelling van de subsidieplafonds voor 2016, te weten voor MVI Energie (voorheen: STEM, paragraaf 4.2.4) en voor de systeemintegratiestudies (paragraaf 4.2.17). Er zal in 2016 geen tender opengesteld worden voor systeemintegratie (paragraaf 4.2.11).

2. Regeldruk

Alle aanvragers van subsidie zullen een aanvraagformulier inclusief projectplan en projectbegroting moeten indienen. Alle ontvangers van subsidie zullen daarna met de gebruikelijke taken zijn belast, die onder meer terug te vinden zijn in de RNES en het Kaderbesluit. Er wordt niet afgeweken van de standaardbepalingen en standaardformulieren die zijn ingericht op minimale administratieve lasten. Zo hoeven er geen voorschotaanvragen te worden ingediend, omdat voorschotten automatisch worden uitgekeerd. Voor tussentijdse rapportages geldt een maximum van één rapportage per jaar conform het Kaderbesluit. Voor de controleverklaring zijn uniforme formulieren opgesteld. Op grond van de aangepaste subsidietitel worden circa 35 aanvragen verwacht, waarvan naar verwachting circa 22 aanvragen gehonoreerd kunnen worden. De administratieve lasten voor ondernemingen worden geschat op 121.200 euro. Dit is 6,93% van het totale subsidiebedrag van 1,75 miljoen euro.

 

Verwachte aanvragen

Verwachte honoreringen

Administratieve lasten

Subsidie-plafond

Percentage

MVI Energie-projecten

15

7

€ 56.400,00

€ 1.000.000,00

5,64%

Systeemintegratiestudies

20

15

€ 64.800,00

€ 750.000,00

8,64%

Totaal

35

22

€ 121.200,00

€ 1.750.000,00

6,93%

3. Staatssteun

De wijzigingsregeling is verenigbaar met de maximale steunpercentages van de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGV) als bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit. Deze maxima zijn opgenomen in de artikelen 25 (fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en haalbaarheidsstudies) en 49 (milieustudies) van de AGV. In elke subsidieparagraaf van de regeling wordt verwezen naar de relevante basis in de AGV. Hier brengt de wijzigingsregeling geen veranderingen in aan. Met bepaalde subsidieparagrafen in titel 4.2. Topsector Energie kunnen ook niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties worden gesubsidieerd, mits ze door RVO daadwerkelijk als onafhankelijk onderzoek worden gekwalificeerd. Dit onafhankelijk onderzoek valt conform paragraaf 2.1.1. van de O&O&I-kaderregeling niet onder de kwalificatie staatssteun. Voor de subsidiemodules van de regeling wordt hier, wellicht ten overvloede, nog specifiek gewezen op de vereisten uit artikel 6 van de AGV ten aanzien van het stimulerende effect van de steunverlening. Het stimulerend effect wordt, in geval subsidie verstrekt wordt op basis van regelingen, aangenomen als de subsidieaanvraag ingediend wordt voordat de werkzaamheden aan het project zijn begonnen. De nieuwe openstelling van de subsidiemodule Topsector energieprojecten zal separaat ter kennisneming aan de Europese Commissie worden toegezonden, conform artikel 11, onder a, van de AGV.

4. Uitvoering

De uitvoering van dit subsidie-instrument is in handen van RVO, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Deze wijzigingsregeling wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

II. ARTIKELEN

Artikel I

Onderdelen A en B (artikelen 4.1.2 en 4.2.4)

Met deze onderdelen is de bepaling met betrekking tot berekening van de subsidiabele kosten uit artikel 4.1.2 verplaatst naar artikel 4.2.4. Hiermee wordt verduidelijkt dat deze bepaling alleen van toepassing is op energiedemonstratieprojecten. Tevens is een derde lid toegevoegd om te verduidelijken wat onder kosten van derden verstaan wordt.

Onderdelen C, D, E en G (titel paragraaf 4.2.4 en de artikelen 4.2.22, 4.2.23 en 4.2.28)

De titel van paragraaf 4.2.4 is aangepast van Samenwerking Topsector Energie en Maatschappij (STEM) naar Maatschappelijk Verantwoord Innoveren (MVI) Energie. Ook de artikelen waarin naar deze projecten verwezen worden, zijn hierop aangepast. De naam is gewijzigd om de nauwe samenwerking met het NWO-onderzoeksprogramma Maatschappelijk Verantwoord Innoveren te benadrukken.

Onderdeel F (artikel 4.2.24)

Voor MVI Energie-projecten is het maximale subsidiebedrag per project aangepast van € 450.000 naar € 150.000, om met het beschikbare budget zoveel mogelijk projecten te kunnen honoreren. Vanwege de gewijzigde aard van de projecten wordt verwacht dat ook met dit subsidiebedrag voldoende goede projecten van de grond kunnen komen.

Onderdeel H (bijlagen 4.2.3 en 4.2.16)

Deze bijlagen zijn opnieuw vastgesteld.

Artikel II

Met dit artikel is de tabel in artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016 aangepast aan de wijzigingen in de RNES. In de tabel is aangegeven welk type projecten, welke openstellingsperiodes en welke subsidieplafonds in deze tranche worden meegenomen en in welk artikel deze te vinden zijn.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016 en wordt gepubliceerd twee maanden voordien. Dit is in overeenstemming met het beleid inzake vaste verandermomenten zoals opgenomen in aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Zie de ‘Five types of capital’ publicatievan het Forum of the Future voor een toelichting op de aard van deze vijf vormen van kapitaal.

X Noot
2

Uit ‘Verleid de consument’. Over de x-factor: een product geeft een ‘wow-ervaring’, men wordt er hebberig van. Over ‘mate van ontwrichting’: een niet ontwrichtend product is gemakkelijk te installeren en kan gemakkelijk worden gekoppeld aan bestaande producten.

X Noot
3

Iemand heeft bijvoorbeeld geen eigen dak.

X Noot
4

Deze programmalijn moedigt een lab-achtige aanpak aan: gebruiker/behoefte-gedreven, multidimensionale en iteratieve ontwikkeling van energie-innovatie.

X Noot
1

Zie ook: RLI (2015) Rijk zonder CO2 naar een duurzame energievoorziening in 2050, Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, Den Haag.

X Noot
2

Zie ook: Overlegtafel Energievoorziening (2015) Nieuwe spelregels voor een duurzaam en stabiel energiesysteem, Den Haag.

X Noot
3

Dicou, D. e.a. (2016) Tijd voor transitie: een verkenning van de overgang naar een klimaat neutrale economie, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.