Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ArnhemStaatscourant 2016, 21057Overig



Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer

Logo Arnhem

Regio Arnhem-Nijmegen (DRAN)

Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer egio Arnhem-Nijmegen

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Arnhem, berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar,

hierna te noemen de deelnemers;

 

Overwegende dat

Deelnemers besloten hebben om samen te gaan werken op het gebied van het regionale doelgroepenvervoer;

 

De verwachting is dat samenwerking de kwaliteit van dienstverlening naar zowel de eigen organisaties als de inwoners zal vergroten;

 

De verwachting is dat samenwerking ook zal leiden tot kostenbesparingen en een verhoging van de efficiency;

 

Deelnemers willen samenwerken ter behartiging van de sturing en beheersing van hun ondersteunende processen en van uitvoeringstaken;

 

Deelnemers hebben besloten om deze samenwerking vorm te geven middels een bedrijfsvoeringsorganisatie;

 

Gelet op

  • -

    artikel 1, eerste lid en artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de verleende toestemming, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet

gemeenschappelijke regelingen, van de raden van de betrokken gemeenten aan de deelnemers voor het aangaan van de samenwerking en het treffen van deze regeling;

 

Besluiten

 

te treffen de

 

Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem-Nijmegen ( DRAN )

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van een deelnemer;

  • b.

    basismobiliteit: de mogelijkheid voor burgers om zich zelfstandig en tegen een redelijk tarief te verplaatsen met een vorm van aanvullend openbaar vervoer of het doelgroepenvervoer.

  • c.

    doelgroepenvervoer: vervoer voor inwoners die geen of niet altijd gebruik kunnen maken van regulier openbaar vervoer. Hiermee wordt bedoeld vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, het leerlingenvervoer, kleinschalig OV, maatwerkvervoer in het kader van de Participatiewet;

  • d.

    aanvullend vervoer: het openbaar-vervoervangnet dat wordt ingezet daar waar de vervoervraag te laag is voor het exploiteren van een reguliere lijndienst;

  • e.

    DRAN: bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem-Nijmegen;

  • f.

    medewerkers: ambtenaren/medewerkers werkzaam bij de DRAN;

  • g.

    regeling: de regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie DRAN

  • h.

    Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

     

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

1.Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wgr, genaamd Bedrijfsvoeringsorganisatie doelgroepenvervoer regio Arnhem Nijmegen (DRAN).

2.De DRAN is statutair gevestigd te Arnhem.

 

 

Hoofdstuk 2 Belangen, t aken en bevoegdheden van de DRAN

 

Artikel 3 Te behartigen belangen

De DRAN is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemers met betrekking tot het tot stand brengen, ontwikkelen en in stand houden van een kwalitatief hoogwaardig, herkenbaar, efficiënt en eenvoudig te gebruiken doelgroepenvervoer. Hierbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van reizigers en hun sociale netwerk en wordt erop toegezien dat het aanvullend vervoer ook in het buitengebied en de kleine kernen voldoende gewaarborgd is en dat het vervoer een optimale aansluiting heeft op het openbaar-vervoer-netwerk.

 

Artikel 4 Doelen en taken

  • 1.

    De DRAN heeft tot doel de gezamenlijke sturing en (financiële) beheersing van uitvoeringstaken en uitvoering van ondersteunende processen op het gebied van doelgroepenvervoer en aanvullend vervoer voor de deelnemers.

  • 2.

    De sturing en (financiële) beheersing van uitvoeringstaken en uitvoering van ondersteunende processen op het gebied van doelgroepenvervoer en aanvullend vervoer worden overgedragen aan de DRAN.

     

Artikel 5 Overeenkomst provincie Gelderland

Voor het uitvoeren van de taak aanvullend vervoer genoemd in artikel 4 lid 2 is de DRAN een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de provincie Gelderland. In deze overeenkomst komen de provincie Gelderland en de bedrijfsvoeringsorganisatie overeen dat de DRAN de taak van het aanvullend vervoer (basismobiliteit) uitvoert voor de provincie Gelderland.

 

Art ikel 6 Bevoegdheden

  • 1.

    Aan het bestuur van de DRAN worden de volgende bevoegdheden gedelegeerd door de deelnemers:

    • -

      het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen op het terrein van doelgroepenvervoer;

    • -

      de vertegenwoordiging in en buiten rechte van de deelnemers in het kader van de in artikel 4 opgedragen taken.

  • 2.

    De DRAN is behoudens instemming van alle deelnemers niet bevoegd tot:

    • a.

      het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten;

    • b.

      het afgeven van garanties of andere waarborgen;

    • c.

      het in erfpacht aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken;

    • d.

      het in eigendom aannemen of uitgeven van onroerende zaken;

    • e.

      het oprichten van en het deelnemen in een rechtspersoon;

    • f.

      commerciële dienstverlening aan private partijen.

       

       

Hoofdstuk 3: Inrichting, samenstelling en werkwijze van het bestuur

 

§ 1. Het Bestuur

 

Artikel 7 Samenstelling

  • 1.

    De deelnemers wijzen uit hun midden elk één lid voor het Bestuur aan.

  • 2.

    De deelnemers wijzen voor de door hen benoemde leden van het Bestuur plaatsvervangende leden aan. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het Bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het Bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan alsmede diens plaatsvervanger.

  • 4.

    De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het Bestuur en de vergaderorde binnen het Bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 9 lid 1.

  • 5.

    De voorzitter en de secretaris ondertekent de stukken die namens het Bestuur uitgaan.

  • 6.

    Het Bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het Bestuur te handelen.

  • 7.

    Het Bestuur wordt bijgestaan door een secretaris.

     

Artikel 8 Aanwijzing en ontslag

1.De leden van het Bestuur hebben zitting voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college wordt benoemd.

2.Het lidmaatschap van het Bestuur eindigt van rechtswege, zodra het lid ophoudt lid van het college te zijn of de deelnemer die het lid heeft aangewezen uittreedt.

3.Een lid van het Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het Bestuur. Het lid blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien.

4.Indien tussentijds de plaats van een lid vacant komt, wijst de daartoe bevoegde deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

 

 

Artikel 9 Bevoegdheden Bestuur

1.Het Bestuur heeft de bevoegdheden voor zover benodigd voor de uitoefening van de in artikel 4 lid 2 genoemde taken.

2.Het Bestuur kan haar bevoegdheden mandateren c.q. volmacht verlenen aan het hoofd van de DRAN met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 10 Vergaderingen

1.De vergaderingen van het Bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het Bestuur niet anders heeft bepaald.

  • 2.

    Besluiten van het Bestuur zijn in beginsel openbaar.

  • 3.

    Het Bestuur vergadert minimaal tweemaal per jaar en zo dikwijls als de voorzitter dat nodig oordeelt of ten minste één lid de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed hierom verzoekt. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 4.

    De leden van het Bestuur hebben ieder één stem. Bij stemming wordt besloten op basis van gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

  • 5.

    Een lid van het Bestuur dat van opvatting is dat een besluit als bedoeld in lid 4 tot ongewenste en onrechtvaardige gevolgen leidt, voor de deelnemer die hij vertegenwoordigt, kan voorafgaande aan de vergadering een gemotiveerd en beargumenteerd schriftelijk verzoek indienen om via de escape-procedure te stemmen.

  • 6.

    Bij stemming via de escape-procedure geldt dat besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen waarbij de leden van het bestuur stemrecht hebben conform bijlage 1.

  • 7.

    Voor het tot stand komen van een besluit via de escape-procedure zijn er ten minste vijf bestuursleden vereist die voor het besluit hebben gestemd.

  • 8.

    Het bepaalde in artikel 28, eerste tot en met derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. Voor de raad dient het Bestuur te worden gelezen.

  • 9.

    Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 10.

    Artikel 10 lid 5 tot en met lid 7 zijn niet van toepassing op de artikelen 25 tot en met 28.

     

§ 2 Informatie en verantwoording

 

Artikel 1 1 Informatie en verantwoordingsplicht

1.Het Bestuur verstrekt een deelnemer halfjaarlijks een rapportage over de verrichte werkzaamheden en de verlangde inlichtingen. Een lid van het Bestuur geeft de deelnemer, die hij vertegenwoordigt, mondeling of schriftelijk de door één of meer leden, overeenkomstig het reglement van orde van dat college, verlangde inlichtingen.

  • 2.

    Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk worden ingediend bij het Bestuur.

  • 3.

    Het Bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen schriftelijk of mondeling zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek.

4.Een lid van het Bestuur voorziet de deelnemer, die hij vertegenwoordigt, van alle informatie die, in relatie tot het door het gevoerde en te voeren beleid en de daarbij door het aangewezen lid ingenomen dan wel in te nemen standpunt, noodzakelijk is.

5.Een lid van het Bestuur is aan de deelnemer, die hij vertegenwoordigt, verantwoording verschuldigd voor de wijze waarop het lid de deelnemer in het Bestuur heeft vertegenwoordigd, naar de door de deelnemer, die hij vertegenwoordigt vastgestelde dan wel te stellen regels.

6.De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing jegens de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.

7.Het Bestuur stelt de Rekenkamer of rekenkamercommissie van de deelnemende gemeenten afzonderlijk en in gezamenlijkheid in staat om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke uitoefening van de rekenkamer- of rekenkamercommissietaak nodig is.

 

 

Hoofdstuk 4 Ambtelijke organisatie DRAN

 

Artikel 12 Hoofd Bedrijfsvoeringsorganisatie DRAN

  • 1.

    Het Bestuur heeft de bevoegdheid tot het aanstellen, tewerkstellen, het schorsen en ontslaan van het hoofd van de DRAN. Het hoofd fungeert tevens als secretaris voor het Bestuur.

  • 2.

    Het hoofd staat het Bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak met raad en daad terzijde.

  • 3.

    Het hoofd heeft in de vergadering van het Bestuur een adviserende stem.

  • 4.

    De dagelijkse leiding van de DRAN berust bij het hoofd.

  • 5.

    Het hoofd is voor zijn handelen verantwoording verschuldigd aan het Bestuur.

  • 6.

    Het Bestuur regelt de vervanging van het hoofd.

     

Artikel 13 Aanstellen overig personeel

  • 1.

    Het Bestuur heeft de bevoegdheid tot het aanstellen van medewerkers als ambtenaar, het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en het schorsen en ontslaan van het personeel van de DRAN.

  • 2.

    Het Bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan het hoofd.

     

Artikel 14 Rechtspositie personeel

Het Bestuur stelt de rechtspositieregeling van het personeel vast.

 

 

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen

 

Artikel 15 Organisatie financieel beheer

1.Het Bestuur stelt de nodige voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het geldelijk beheer van de DRAN.

2.Bij de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt bepaald welke ambtenaren van de DRAN met het doen van ontvangsten en betalingen voor de DRAN en met zorg voor de boekhouding zijn belast.

 

Artikel 16 Procedure begrotingsbehandeling

1.Het Bestuur voorziet de ramingen in de ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 35 eerste lid van de Wgr van een behoorlijke toelichting.

2.Het Bestuur zendt de ontwerpbegroting aan de raden van de gemeenten toe voor 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop zij betrekking heeft.

3.De gemeenteraden kunnen hun zienswijze omtrent het ontwerp van de begroting, indien zij dit in de nota van wijziging aan de orde gesteld wensen te hebben dan wel een nadere toelichting van het Bestuur verlangen, binnen acht weken na de verzending ervan aan het Bestuur kenbaar maken.

4.Het Bestuur zendt het ontwerp van de begroting onder bijvoeging van de zienswijzen van de gemeenteraden, zijn commentaar daarop en zo nodig een nota van wijziging uiterlijk drie weken voor de voorgenomen datum van vaststelling aan de gemeenteraden. Artikel 35,

tweede lid van de Wgr is ten aanzien van dit commentaar en de nota van wijziging van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 17 Procedure bij wijziging begroting

1.Het bepaalde in artikel 35, eerste en derde lid van de Wgr is niet van toepassing op af- en overschrijvingen op de posten van de begroting, alsmede op andere ontwerp-wijzigingen voor zover daaruit geen verhoging van de gemeentelijke bijdragen voortvloeit.

2.Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid worden door het bestuur vastgesteld.

 

Art ikel 18 Gemeentelijke Bijdragen

1.In de begroting van inkomsten en uitgaven wordt de raming van de verschuldigde bijdrage van elke gemeente voor het jaar waarvoor de begroting dient opgenomen.

  • 2.

    Het Bestuur stelt de jaarlijkse verdeling van de kosten zoals worden opgenomen in de begroting, vast op basis van de volgende uitgangspunten:

    • De voorbereidingskosten van de DRAN worden verdeeld over de deelnemers waarbij gewerkt gaat worden met een drempelbedrag van € 15.000,- per deelnemer. Het bedrag wat resteert wordt verdeeld op basis van inwonersaantallen over de gemeenten die dat betreft (dat wil zeggen die in de kostenverdeling alleen op basis van inwoners boven het drempelbedrag uitkomen).

    • De structurele kosten van de DRAN worden verdeeld over de deelnemers waarbij gewerkt gaat worden met een drempelbedrag van € 5.000,- per deelnemer. Het bedrag wat resteert wordt verdeeld op basis van inwonersaantallen over de gemeenten die dat betreft (dat wil zeggen die in de kostenverdeling alleen op basis van inwoners boven het drempelbedrag uitkomen).

    • De kosten vervoersysteem worden als volgt verdeeld:

      Kosten regiecentrale:

      • -

        De kosten van vraagafhankelijk vervoer worden in principe op basis van gebruik verdeeld.

      • -

        De kosten van routegebonden vervoer worden gesplitst en in principe verdeeld in een vaste vergoeding per deelnemer die routevervoer inbrengt en een vergoeding op basis van gebruik.

        Vervoer:

      • -

        De kosten vervoer worden verdeeld op basis van gebruik.

  • 3.

    De gemeenten betalen bij wijze van voorschot, jaarlijks vóór 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober telkens één vierde gedeelte van de voor dat jaar geraamde bijdrage.

4.Bij het niet overeenkomstig het bepaalde in het derde lid tijdig voldoen van de voorschotten kan aan die gemeente rente in rekening worden gebracht. Het bestuur stelt hiertoe nadere regels vast in de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 1 9 Informatievoorziening

Het bestuur geeft voor 1 maart van elk lopend boekjaar inzicht in te verwachten ontwikkelingen alsmede de algemene financiële kaders voor het opvolgende jaar, teneinde de gemeenten in staat te stellen daar in hun begrotingscyclus op te anticiperen.

 

Artikel 20 Aanbieding rekening

1.Van de inkomsten en uitgaven van de DRAN wordt door het Bestuur over het dienstjaar verantwoording gedaan onder overlegging van de rekening en het verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de krachtens artikel 213, tweede lid van de Gemeentewet aangewezen deskundigen. Voor de raad dient het Bestuur te worden gelezen.

2.Het Bestuur zendt de in het eerste lid bedoelde stukken aan de raden van de gemeenten toe voor 15 april van het jaar dat volgt op het begrotingsjaar waarop zij betrekking hebben.

 

Artikel 21 Vaststelling rekening

1.Het Bestuur onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt haar vast voor 1 juli van het jaar volgende op dat waarop zij betrekking heeft.

  • 2.

    Het Bestuur zendt de rekening aan Gedeputeerde Staten.

  • 3.

    In de rekening wordt de door elk der gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen.

     

     

Hoofdstuk 6: Geschillen en aansprakelijkheid

 

Artikel 22 Geschillen

De deelnemers zullen geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wgr in onderling overleg proberen op te lossen, alvorens deze voor te leggen aan Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.

 

Artikel 23 Aansprakelijkheid

De DRAN verzekert zich tegen:

a.civielrechtelijke aansprakelijkheid (wettelijke en contractuele aansprakelijkheid) voor schade aan personen en goederen;

  • b.

    wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade;

  • c.

    de deelnemers ontvangen van het hoofd de verzekeringspolissen.

     

     

Hoofdstuk 7: Archief

 

Artikel 24 Zorg voor archiefbescheiden

1.Ten aanzien van de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van de DRAN, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente Arnhem van overeenkomstige toepassing.

2.De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van de DRAN.

3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is Arnhem de archiefbewaarplaats.

4.Het Bestuur is belast met de uitvoering van de zorg en het beheer als bedoeld in het eerste lid.

 

 

Hoofdstuk 8: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

 

Artikel 25 Wijziging van de regeling

  • 1.

    Deze regeling kan door de deelnemers op voorstel van elke deelnemer worden gewijzigd.

  • 2.

    Een wijziging van de regeling vereist unanimiteit.

  • 3.

    De wijziging van de regeling treedt, tenzij anders is bepaald, in werking op de dag volgend op die waarop de wijziging is bekendgemaakt.

4.Het Bestuur is belast met de toezending van de gewijzigde regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Gelderland en met bekendmaking van de gewijzigde regeling.

 

Artikel 26 Toetreding door andere gemeenten

  • 1.

    Toetreding van een gemeente tot deze regeling geschiedt als ten minste tweederde van de deelnemers daartoe besluit.

  • 2.

    De deelnemers kunnen bij hun besluit de voorwaarden bepalen waaronder de toetreding van een gemeente mogelijk is.

  • 3.

    Toetreding van een gemeente is gebonden aan de volgende procedure:

    • a.

      het verzoek tot toetreding wordt ingediend bij het Bestuur, dat zo spoedig mogelijk dit verzoek vergezeld van een advies doorstuurt aan de overige deelnemers;

  • b.

    de deelnemers beslissen over de in het eerste lid bedoelde instemming;

  • c.

    het Bestuur stelt de verzoekende gemeente in kennis van de genomen besluiten, als bedoeld onder b.

4.De toetreding treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die, waarin het Bestuur de wijziging van de regeling aan gedeputeerde staten heeft toegezonden.

 

Artikel 27 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan niet eerder dan vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling uit de BVO treden voor het geheel of met betrekking tot een doelgroep uit het vervoerssysteem door een daartoe strekkend besluit van die deelnemer.

  • 2.

    Indien een deelnemer uit wenst te treden, zal het Bestuur in het kader van de in het vierde lid bedoelde afwikkeling van de gevolgen daarvan op basis van een sociaal plan personeel aan deze deelnemer toewijzen.

  • 3.

    De uittreding kan op twee manier plaatsvinden:

    • a.

      gedurende de looptijd van het contract met de regiecentrale met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal één jaar, met ingang van 1 januari van het opvolgende jaar.

    • b.

      bij afloop van de looptijd van het contract met de regiecentrale met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal 15 maanden voordat het contract met de regiecentrale afloopt.

  • 4.

    Een uittredingsplan wordt vastgesteld als ten minste tweederde van de deelnemers waaronder de uittredende deelnemer, daartoe besluit. Het Bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven een uittredingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van het college van de deelnemer die wenst uit te treden. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van de deelnemer die wenst uit te treden.

Bij uittreding gedurende de looptijd van het contract zullen de financiële gevolgen van de uittreding voor rekening van de uittredende deelnemer komen.

Bij een uittreding na afloop van de looptijd van het contract zullen de alleen de directe kosten voor rekening van de uittredende deelnemer komen.

5. Het bepaalde in de vorige leden is, met uitzondering van het derde lid, van overeenkomstige toepassing als de uittreding van een deelnemer betrekking heeft op een of meerdere doelgroepen. Voor uittredingsplan moet in dat geval deeluittredingsplan worden gelezen.

 

Artikel 28 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven als ten minste tweederde van de deelnemers daartoe besluit.

  • 2.

    De deelnemers nemen geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden.

3.De opheffing gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin het Bestuur de opheffing openbaar heeft bekendgemaakt, tenzij het besluit tot opheffing een latere datum van ingang heeft.

4.Indien op grond van het eerste lid de regeling wordt opgeheven, geeft het Bestuur een onafhankelijke derde opdracht om een opheffingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht bij gewone meerderheid van stemmen instemming is verkregen van de

deelnemers.

5.Het opheffingsplan, bedoeld in het vierde lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing van de regeling en in de personele gevolgen van de opheffing.

  • 6.

    Het opheffingsplan wordt vastgesteld door het Bestuur.

  • 7.

    Het Bestuur is belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het vierde lid.

  • 8.

    Bij ontbinding van de DRAN in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de DRAN voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van zijn vermogen noodzakelijk is.

     

Hoofdstuk 9: Slotbepalingen

Artikel 2 9 Duur van de regeling

Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

 

Artikel 30 Toezending en bekendmaking

Arnhem is belast met de toezending van deze regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Gelderland en met bekendmaking als bedoeld in artikel 26 van de Wgr.

 

Artikel 31 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 14 april 2016.

 

Artikel 32 Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als regeling DRAN.

 

TOELICHTING

Artikel 2

Omdat de DRAN een rechtspersoon is, moet deze worden ingeschreven in het Handelsregister.

Daarvoor is nodig dat een statutaire vestigingsplaats wordt gekozen. Ook om te bepalen bij welke bestuursrechter men in beroep kan gaan. Artikel 10 lid 3 van de Wgr vereist dat in de regeling de plaats van vestiging wordt aangewezen.

De gemeente van de plaats van vestiging is op grond van artikel 33 belast met de toezending van de regeling aan GS en de bekendmaking van de regeling in de Staatscourant.

 

Artikel 3

Artikel 10 lid 1 van de Wgr vereist dat de regeling het belang of de belangen ter behartiging waarvan zij zijn getroffen vermeldt.

 

Artikel 10

De Wgr vereist dat het Bestuur een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vaststelt.

 

Artikel 11

Artikel 18 juncto 16 en 19 lid 1 van de Wgr vereisen het volgende. In de regeling moeten bepalingen worden opgenomen omtrent de wijze waarop een lid van het Bestuur ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

Daarnaast moet de regeling bepalingen bevatten over de wijze waarop (een lid van) het Bestuur de door raadsleden gevraagde inlichtingen dient te verstrekken.

 

Artikel 15

De artikelen 34 t/m 35 Wgr bevatten bepalingen over de financiën van een BVO. In Hoofdstuk 5 van de gemeenschappelijke regeling zijn alleen bepalingen opgenomen, die een aanvulling vormen op de wettelijke bepalingen.

Artikel 35 lid 6 van de Wgr bepaalt dat de artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn. Dit houdt in dat ook bij een BVO de financiële verordeningen als bedoeld in artikel 212 en 213 van de Gemeentewet moeten worden vastgesteld. Gelet op de plaatsing van deze bepaling in artikel 35 is dit een bevoegdheid van het bestuur; de overige bepalingen van artikel 35 bevatten namelijk bestuursbevoegdheden.

 

Artikel 16

Artikel 35 van de Wgr bevat geen termijn voor de zienswijzeprocedure door de raad. In deze regeling is bepaald dat de raad een termijn van acht weken heeft om haar zienswijze kenbaar te maken. Binnen drie weken na het verstrijken van deze termijn, stuurt het Bestuur haar reactie op de zienswijzen aan de raden.

De begroting van de gemeenschappelijke regeling dient in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten te zenden. Dit betreft een fatale termijn. Deze termijn is zo vroeg in het jaar gelegen om de deelnemende gemeenten de mogelijkheid te geven de begroting van de gemeenschappelijke regeling in hun eigen begroting te verwerken. Er is voor gekozen dat de vaststelling van de begroting bij meerderheid kan geschieden ter voorkoming dat er een patstelling kan ontstaan, waardoor preventief toezicht bij niet tijdige vaststelling dreigt.

 

Artikel 17

De taken van de DRAN horen, wanneer ze binnen de eigen gemeente worden uitgevoerd, veelal binnen één (bedrijfsvoerings)programma. In dat geval hebben de colleges het mandaat om binnen het programma te schuiven met budgetten. Conform deze systematiek wordt voorgesteld om het bestuur van de DRAN eveneens het mandaat te verstrekken tot verschuivingen binnen de begroting, mits dit past binnen de gemeentelijke bijdragen.

 

Artikel 18

De DRAN dient te beschikken over voldoende liquide middelen om haar taken uit te voeren. In dit artikel is dit afgedekt door te kiezen voor bevoorschotting per kwartaal vooraf.

 

Artikel 19

De genoemde data zijn gekozen zodat de gemeenten de uitkomsten van de rapportages kunnen gebruiken in hun voor- en najaarsnota.

 

Artikel 20

Artikel 28 van de Wgr bepaalt dat geschillen omtrent de toepassing van een regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie door GS worden beslist (voor zover op grond van de wet de rechterlijke macht niet bevoegd is). In een regeling kan een voorportaal worden opgenomen, dat moet worden aangewend voordat het geschil aan GS wordt voorgelegd. Dit kan zijn ‘onderling overleg’ zoals voorgesteld, maar ook bijvoorbeeld mediation of niet-bindend deskundigenadvies. In laatste instantie beslist GS over een geschil.

 

Artikel 24

Op grond van artikel 41 lid 1 van de Archiefwet is het bestuur belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de DRAN. Artikel 15 van het Archiefbesluit bepaalt dat het Bestuur ten aanzien van zijn archiefbescheiden beheersregels moeten vaststellen.

 

Hoofdstuk 8

Artikel 9 lid 1 van de Wgr vereist dat een regeling die voor onbepaalde tijd wordt getroffen, bepalingen bevat omtrent wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding. Geadviseerd wordt om m.b.t. de beslissingen hieromtrent unanimiteit te vereisen.

 

Artikel 26 e.v.

Op grond van artikel 9 lid 1 en artikel 1 lid 3 van de Wgr moeten de deelnemers voor het wijzigen van, toetreden tot en uittreden uit een regeling toestemming verkrijgen van hun raden.

Het verzoek tot toetreding zou kunnen worden ingediend bij een van de deelnemers. Geadviseerd wordt om het verzoek te laten indienen bij het Bestuur.

 

Artikel 27

Geadviseerd wordt om op te nemen dat pas na een bepaalde termijn kan worden uitgetreden. Teneinde de periode over een collegeperiode te tillen is er gekozen voor een termijn van vier jaar. In geval een uittreding op robuuste wijze verloopt, kan het verstandig zijn om een derde in te schakelen voor het maken van een uittredingsplan. Dit kan een onafhankelijke registeraccountant zijn, maar ook een andersoortig een financieel adviseur of een mediator behoort tot de

mogelijkheden.

 

Artikel 28

Artikel 9 lid 2 van de Wgr vereist dat de regeling waarbij een bvo wordt ingesteld bepalingen inhoudt omtrent de vereffening van het vermogen ingeval de bvo wordt ontbonden. Lid 3 bepaalt dat de rechtspersoon DRAN na zijn ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

 

Artikel 30

Gelet op artikel 26 van de Wgr moet een keuze gemaakt worden welk gemeentebestuur de gemeenschappelijke regeling aan GS zendt en deze bekendmaakt. Dit is ofwel het gemeentebestuur dat daarbij bij gemeenschappelijke regeling is aangewezen ofwel de gemeente van de plaats van vestiging. Geadviseerd wordt om de gemeente waarin de DRAN statutair wordt gevestigd (zie artikel 2) te belasten met de toezending van de gemeenschappelijke regeling aan GS van Gelderland.