De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet
overige BZK-subsidies en de artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b, 11, tweede lid,
18, eerste lid, en 22, vierde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. minister:
-
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- b. stichting:
-
Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel.
Artikel 2
-
1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie voor kosten die direct samenhangen
met de volgende activiteiten:
-
a. de secretariële en administratieve ondersteuning van:
-
– de Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst;
-
– de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de daaronder ressorterende commissies;
-
– de Bedrijfscommissie Overheid;
-
– de Onderzoeksraad integriteit Overheid;
-
b. de secretariële en administratieve ondersteuning van:
-
– de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering;
-
– de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren;
-
– de Adviescommissie Veiligheidsonderzoeken;
-
c. onderzoek en voorlichting op het terrein van de arbeidsverhoudingen bij de overheid;
en
-
d. het verrichten van faciliterende werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van het
overheidsbeleid op het terrein van arbeidszaken overheidspersoneel.
-
2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 3
De subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat
uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
blijkt.
Artikel 4
De stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening in voor 1 oktober voorafgaand
aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Artikel 6
De stichting dient de aanvraag tot subsidievaststelling in voor 1 april van het jaar
na het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Artikel 7
-
1. De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene
wet bestuursrecht.
-
2. Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten
waarvoor subsidie werd verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de
egalisatiereserve.
-
3. De hoogte van de egalisatiereserve is ten hoogste 10% van het subsidiebedrag voor
het betreffende boekjaar. Indien op 31 december van een boekjaar de egalisatiereserve
meer dan 10% van het over dat jaar verstrekte subsidiebedrag bedraagt, dient het meerdere
teruggestort te worden op de bankrekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties.
-
4. De egalisatiereserve wordt uitsluitend aangewend voor kosten die direct samenhangen
met de uitvoering van het activiteitenprogramma, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 8
In 2018 vindt een evaluatie plaats die inzicht biedt in de ontwikkeling en de kwaliteit
van de gesubsidieerde activiteiten.
Artikel 9
Een subsidie die is verleend krachtens de Subsidieregeling Stichting CAOP 2013 wordt
aangemerkt als een subsidie, verleend krachtens deze regeling.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 februari
2015 en vervalt met ingang van 1 februari 2020.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Stichting CAOP 2015.
TOELICHTING
Algemeen
In 2014 is de Subsidieregeling Stichting CAOP 2013 geëvalueerd; deze regeling vervalt
per 1 februari 2015. Uit de evaluatie is onder meer gebleken dat de gebruikers en
afnemers over het algemeen positief oordelen over de activiteiten die de Stichting
Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) met de subsidie uitvoert.
Met name wordt positief geoordeeld over de inhoudelijke expertise, de onafhankelijkheid,
de dienstverlenende houding, de kwaliteit en toepasbaarheid van producten, diensten
en faciliteiten die de CAOP biedt. Omdat er jaarlijks een gedetailleerd activiteitenplan
en een gedetailleerde begroting ingediend moeten worden en na afloop van het boekjaar
een gedetailleerde verantwoording, biedt de subsidieregeling voldoende ruimte om sturend
te kunnen optreden
Op basis van de evaluatie is besloten een nieuwe regeling voor de subsidiëring van
de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) vast te stellen
voor een periode van vijf jaar. Hiertoe strekt de onderhavige regeling. De activiteiten
die worden gesubsidieerd en de criteria waaronder die subsidiëring plaatsvindt, zijn
in belangrijke mate dezelfde als in de oude regeling.
Een ontwerp van de regeling is op grond van artikel 24a, derde lid, van de Comptabiliteitswet
2001 op 9 januari 2015 overgelegd aan de Tweede Kamer.
Artikelsgewijs
Artikel 2
In dit artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van de activiteiten waarvoor
de subsidie kan worden aangewend. De omschrijving van de activiteiten is globaler
dan in de oude regeling. Dit past in het algemene beleid van BZK om specifieke bepalingen
in subsidieregelingen zoveel als mogelijk te beperken. De goedkeuring van het activiteitenplan
biedt voldoende mogelijkheid om de activiteiten in lijn te brengen met de wensen van
het ministerie.
De subsidie wordt per boekjaar verstrekt.
Artikel 3
Op grond van artikel 18 van het Kaderbesluit wordt de subsidie verstrekt in de vorm
van een maximumbedrag, dat in de ministeriële regeling moet worden vastgelegd. Hiertoe
strekt artikel 3. De subsidie is maximaal het bedrag dat uit de subsidiebijlage van
de begroting van het ministerie van BZK blijkt.
Op grond van artikel 6 van het Kaderbesluit wordt de subsidie verstrekt voor uitgaven
die direct verbonden zijn met de uitvoering van die activiteiten. De inkomsten die
de stichting met betrekking tot die activiteiten, uit andere subsidies of anderszins
genereert, worden door het ministerie betrokken bij de beoordeling van de jaarlijkse
subsidie.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit wordt bij ministeriële regeling
een subsidieplafond vastgesteld. Aangezien op grond van deze regeling de stichting
de enige mogelijke subsidieontvanger is, is de in de begroting vermelde maximum subsidie
in feite tevens het subsidieplafond.
Artikel 4
Op de verstrekking van de subsidie aan de stichting zijn behalve de bepalingen van
het Kaderbesluit de algemene bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 4 heeft betrekking op de datum waarop de stichting de aanvraag tot subsidieverlening
voor het volgend jaar uiterlijk moet hebben ingediend.
Op grond van artikel 11 van het Kaderbesluit moet een subsidieaanvraag worden ingediend
met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier en bevat de aanvraag
de volgende bescheiden:
-
a. een overzicht van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd;
-
b. een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor de subsidie
wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van deze regeling;
-
c. een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten
waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
-
d. een tijdsplanning van de activiteit;
-
e. een weergave van de liquiditeitsbehoefte gedurende het boekjaar waarvoor subsidie
wordt gevraagd, zo mogelijk per tijdvak van drie maanden;
-
f. het bankrekeningnummer, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de stichting
staat;
-
g. het inschrijfnummer van de stichting bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken.
In het eerste lid is de datum waarop de stichting de aanvraag tot subsidieverlening
voor het volgend jaar uiterlijk moet hebben ingediend bepaald voor 1 oktober voorafgaand
aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Dit komt overeen met het
voorschrift in artikel 4 van de oude regeling.
In artikel 22, eerste lid, van het Kaderbesluit is de termijn waarbinnen de minister
moet beslissen omtrent de subsidieaanvraag uniform vastgesteld op dertien weken. Wanneer
de aanvraag op 1 oktober is ingediend, dient de minister op grond van artikel 22,
eerste lid, van het Kaderbesluit uiterlijk op 1 januari van het volgende jaar beslist
te hebben over de subsidieverlening.
Op de aanvraag wordt onder meer afwijzend beslist als de aanvraag niet voldoet aan
de gestelde regels of als de minister van oordeel is dat de activiteiten onvoldoende
bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie ( artikelen 12 en 13, onderdeel g,
van het Kaderbesluit).
Artikel 6
De aanvraag tot subsidievaststelling dient uiterlijk op 1 april van het jaar na het
kalenderjaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft te worden ingediend. Net
als voor bij de aanvraag tot subsidieverlening moet hierbij gebruik worden gemaakt
van een daartoe beschikbaar gesteld formulier; op dit formulier wordt aangegeven welke
gegevens daarbij moeten worden verstrekt; dit betreft in elk geval een eindverslag
en een controleverklaring (artikel 24, eerste lid, van het Kaderbesluit).
De minister dient op grond van artikel 22, vijfde lid, van het Kaderbesluit binnen
22 weken na ontvangst van de aanvraag over de subsidievaststelling te beslissen.
Artikel 7
In dit artikel wordt de mogelijkheid geregeld tot het vormen van een egalisatiereserve
van maximaal 10% van het jaarlijkse subsidiebedrag. Het vierde lid bepaalt dat de
egalisatiereserve uitsluitend wordt aangewend voor kosten die direct samenhangen met
de gesubsidieerde activiteiten. Ingevolge artikel 21, onderdeel e, van het Kaderbesluit
moet de egalisatiereserve zo veilig mogelijk worden beheerd; de gelden mogen bijvoorbeeld
niet risicovol worden belegd.
Na de looptijd van deze ministeriële regeling dient de totale egalisatiereserve te
worden teruggestort op de bankrekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Het betreft immers subsidiegelden die niet zijn besteed. Uitgangspunt
is echter dat per 1 februari 2020 een nieuwe subsidieregeling zal worden vastgesteld,
en dat (een deel van) de egalisatiereserve in het kader van die nieuwe regeling als
egalisatiereserve kan worden aangewend voor activiteiten die alsdan worden gesubsidieerd.
Artikel 10
De regeling werkt terug tot en met 1 februari 2015, omdat per die datum de oude subsidieregeling
is vervallen.
Op grond van artikel 24a, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 moet een subsidieregeling
van het Rijk een tijdstip bevatten waarop die regeling vervalt. Dit tijdstip mag niet
later vallen dan het tijdstip vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de regeling.
In verband hiermee is in artikel 10 van de onderhavige regeling een horizonbepaling
opgenomen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.H.A. Plasterk