Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandStaatscourant 2015, 48666Instelling gemeenschappelijke regelingen

2e wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

Logo Zuid-Holland

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

gelet op

artikel 51 en 53 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

artikel 35 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland en

gelezen

het voorstel van het algemeen bestuur van 15 juli 2015;

gezien

de besluiten van

 

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op 18 november 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 6 oktober 2015;

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn op 26 november 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 15 september 2015;

de raad van de gemeente Waddinxveen op 11 november 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 6 oktober 2015;

de raad van de gemeente Zuidplas op 13 oktober 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 16 oktober 2015;

de raad van de gemeente Gouda op 4 november 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 17 november 2015;

de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 22 december 2015 en het college van burgemeester en wethouders op 3 november 2015;

Provinciale Staten van Zuid-Holland op 11 november 2015 en Gedeputeerde Staten op 13 oktober 2015;

waarbij de besluiten van de raden en Provinciale Staten de toestemming behelzen voor de besluiten van de onderscheidenlijke colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten;

 

constateren

dat daarmee op 22 december 2015 met de vereiste unanimiteit is besloten

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland als volgt te wijzigen:

 

2 e wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Alphen aan den Rijn, Waddinxveen, Zuidplas, Gouda, Krimpenerwaard en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

 

overwegende dat:

  • -

    de Wet gemeenschappelijke regelingen is gewijzigd per 1 januari 2015;

  • -

    de gemeenten Alphen aan den Rijn, Rijnwoude en Boskoop (deelnemer) per 1 januari 2014 zijn gefuseerd tot de nieuwe gemeente Alphen aan den Rijn;

  • -

    bij de gemeente Alphen aan den Rijn de wens bestaat de taken voor het hele grondgebied van de nieuwe gemeente bij de ODMH onder te brengen;

  • -

    de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Schoonhoven, Ouderkerk en Vlist (alle deelnemer) per 1 januari 2015 zijn gefuseerd tot de nieuwe gemeente Krimpenerwaard;

  • -

    als gevolg van deze fusies een vermindering van het aantal deelnemers optreedt;

  • -

    er door bovengenoemde punten veranderingen in de samenstelling van het bestuur nodig zijn;

  • -

    andere aanpassingen in de Gemeenschappelijke regeling gewenst zijn.

gelet op:

artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 35 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland;

de toestemming van de raden en Provinciale Staten zoals hiervoor aangeduid

 

Besluiten :

De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland als volgt te wijzigen:

I. Artikel 1 als volgt te wijzigen:

Sub i. te verwijderen en te vervangen door het onderstaande:

i.regiogemeenten: de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen, Zuidplas en de uit een of meer van deze gemeenten gevormde fusiegemeenten, en de op grond van artikel 36 van deze regeling toegetreden andere gemeenten.

 

II. Artikel 4 als volgt te wijzigen:

Het onderstaande (zevende) lid wordt toegevoegd:

7. De omgevingsdienst kan tevens taken uitvoeren of diensten verrichten voor en op verzoek van andere instanties dan de deelnemers. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van deze taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de betreffende instanties schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

 

III. Artikel 6 als volgt te wijzigen:

Het eerste lid wordt ingetrokken en vervangen door:

1. Het algemeen bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer, die door en uit het eigen college worden aangewezen.

Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

Het zinsonderdeel “Gedeputeerde Staten” in de eerste zin van het derde lid wordt vervangen door “De colleges”.

Er wordt een nieuw tweede lid ingevoegd:

2. De colleges kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur

plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij afwezigheid vervangen. De plaatsvervangende leden dienen deel uit te maken van het eigen college. De aangewezen leden kunnen tevens elkaar vervangen.

Het tweede en derde lid worden hernummerd tot leden 3. en 4.

 

IV. Artikel 10 als volgt te wijzigen:

Aan het eerste lid wordt, na de eerste volzin, de volgende zin toegevoegd:

De voorzitter onthoudt zich van stemmen.

Het tweede lid wordt als gevolgd gewijzigd:

Het zinsdeel “€250.000” wordt vervangen door het zinsdeel ”€100.000”.

Er wordt een nieuw vierde lid ingevoegd:

4. Wanneer is bepaald dat voor besluitvorming een gekwalificeerde meerderheid vereist is, geldt dat hieraan is voldaan indien 3/4 van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is en een 3/4 meerderheid van het totaal aantal stemmen van alle deelnemers wordt behaald.

 

V. Artikel 11 als volgt te wijzigen:

De eerste volzin wordt genummerd als eerste lid.

De volgende leden worden toegevoegd (als tweede en derde lid):

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

VI. Artikel 12 als volgt te wijzigen:

De zin wordt verwijderd en vervangen door de onderstaande leden (één en twee):

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur gekozen, met dien verstande dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid uitmaken van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De voorzitter is voorzitter van het dagelijks bestuur.

VII. Artikel 16 als volgt te wijzigen:

Het tweede lid wordt ingetrokken en vervangen door het onderstaande nieuwe (tweede) lid:

2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

 

VIII. Artikel 17 als volgt te wijzigen:

In het derde lid wordt het zinsdeel “46” vervangen door “57”.

Het vijfde lid wordt verwijderd en vervangen door het onderstaande nieuw (vijfde) lid:

5. Voordat een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt genomen wordt aan de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit toegezonden en worden zij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen bij het algemeen bestuur in te brengen.

 

IX. Artikel 19 als volgt te wijzigen:

Het vijfde, zesde en zevende worden ingetrokken en vervangen door het onderstaande nieuwe (vijfde) lid:

5. Het dagelijks bestuur is bevoegd namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

Twee nieuwe (zesde en zevende) leden worden ingevoegd:

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van handelingen als bedoeld in artikel 17, vierde lid van deze regeling.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur dient de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties desgevraagd van bericht en advies over al hetgeen het openbaar lichaam betreft. Van een dergelijk verzoek en de inhoud ervan doet het dagelijks bestuur mededeling aan de deelnemers.

     

X. Artikel 20 als volgt te wijzigen:

Het tweede en derde lid worden ingetrokken en vervangen door het onderstaande nieuwe (tweede) lid:

2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

 

XI. Artikel 26 als volgt te wijzigen:

Het zinsonderdeel “(directeurstatuut)” in het tweede lid wordt verwijderd.

In de tweede volzin van het derde lid wordt het zinsonderdeel “het directeurstatuut” verwijderd en vervangen door “ de in het tweede lid bedoelde instructie”.

In het vierde lid wordt het zinsonderdeel “is” vervangen door “treedt op als”.

Het vijfde lid wordt als volgt aangepast:

5. De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de

vervulling van hun taak en heeft in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur een adviserende

stem.

In het zesde lid wordt het zinsonderdeel “de directeur” vervangen door “de secretaris”.

 

XII. Artikel 28 als volgt te wijzigen:

Het eerste lid wordt vervangen door het onderstaande nieuwe (eerste) lid:

1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten.

In het tweede lid wordt het zinsonderdeel “zendt de ontwerpbegroting zes” vervangen door “stelt een ontwerpbegroting vast en zendt deze acht”.

Het zesde lid wordt vervangen door de onderstaande nieuwe (zesde en zevende) leden:

  • 6.

    Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij de voorjaarsnota en/of de najaarsnota.

  • 7.

    Voorgenomen begrotingswijzigingen worden vooraf voor een zienswijze aangeboden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. Hiervan kan worden afgezien als het totaal aan mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt en de wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien.

XIII. Artikel 29 als volgt te wijzigen:

In het derde lid wordt het zinsonderdeel “15 juli” vervangen door “1 augustus”.

 

XIV. Artikel 34 als volgt te wijzigen:

Een derde lid wordt toegevoegd:

3. Het exploitatiesaldo van een vastgestelde jaarrekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers.

 

XV. Artikel 35 als volgt te wijzigen:

Het tweede lid wordt ingetrokken en vervangen door het onderstaande nieuwe (tweede) lid:

Voor wijziging van de regeling is een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de deelnemers vereist.

 

XVI. Artikel 36 als volgt te wijzigen:

Het tweede lid wordt ingetrokken en vervangen door het onderstaande nieuwe (tweede) lid:

2.Toetreding is mogelijk op ieder moment nadat de deelnemers, na toestemming van de vertegenwoordigende organen, hiertoe bij gekwalificeerde meerderheid hebben besloten.

Aan het derde lid wordt na de eerste volzin de volgende zin toegevoegd: Bij het verzoek wordt het besluit gevoegd waaruit de toestemming van het eigen vertegenwoordigende orgaan blijkt.

Aan het vierde lid wordt na de eerste volzin de volgende zin toegevoegd: Het algemeen bestuur doet vervolgens een voorstel en geeft daarin aan welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden.

 

XVII. Artikel 37 als volgt te wijzigen:

De tweede volzin van het eerste lid wordt verwijderd.

Het tweede lid wordt hernummerd tot lid 3.

Een nieuw (tweede) lid wordt toegevoegd:

Het algemeen bestuur stelt een regeling vast waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden uittreding kan plaatsvinden.

Een nieuw (vierde) lid wordt toegevoegd:

4. De deelnemers dienen overeenkomstig artikel 51 van de Wet in te stemmen met de door het algemeen bestuur vastgestelde verschuldigde schadeloosstelling.

 

XVIII. Artikel 38 als volgt te wijzigen:

De leden 3 tot en 8 worden vernummerd tot de leden 1 tot en met 6.

Het zinsonderdeel “Het algemeen bestuur kan” in het eerste lid wordt verwijderd en vervangen door “De deelnemers kunnen”

 

XIX. Dat de wijzigingen in werking treden per 1 januari 2016, met uitzondering van de artikelen XII en XIII die in werking treden op het moment dat de Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 2014, nr. 306) in werking treedt.

 

XX. Dat dit besluit bekend gemaakt op de voorgeschreven wijze.

 

XXI. De tekst van de gewijzigde Gemeenschappelijke regeling omgevingsdienst Midden-Holland komt als volgt te luiden:

 

 

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMGEVINGSDIENST MIDDEN HOLLAND

(inclusief het wijzigingsbesluit van 11 oktober 2012 en het 2e wijzigingsbesluit van de deelnemers met datum inwerkingtreding 1 januari 2016)

Hoofdstuk 1 Algemeen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze Gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Midden- Holland;

  • b.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Midden- Holland;

  • c.

    colleges: Gedeputeerde Staten van Provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten;

  • d.

    deelnemers: de colleges van Provincie Zuid-Holland en de regiogemeenten;

  • e.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • f.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • g.

    omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam de Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • h.

    vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland en de gemeenteraden van de regiogemeenten;

  • i.

    regiogemeenten: de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen, Zuidplas en de uit een of meer van deze gemeenten gevormde fusiegemeenten, en de op grond van artikel 36 van deze regeling toegetreden andere gemeenten;

  • j.

    werkgebied: het grondgebied van de regiogemeenten.

Hoofdstuk 2 Omgevingsdienst Midden-Holland

Artikel 2 Instelling

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 2.

    De omgevingsdienst is gevestigd in Gouda.

Artikel 3 Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van Gedeputeerde Staten en bestuursorganen van de regiogemeenten bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het gebied van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 4, eerste lid, onder b genoemde wetten.

Artikel 4 Taken

  • 1.

    Aan de omgevingsdienst komen ter behartiging van de belangen waarvoor de regeling is getroffen, de volgende taken en bevoegdheden toe:

    • 1. Het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de zorg voor het omgevingsrecht en de uitvoering van programma’s en projecten op het gebied van omgeving;

      2. Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en voor zover daartoe mandaat is verleend, uitvoeren van de bij of krachtens de navolgende wetten toebedeelde taken en bevoegdheden:

      • a.

        de Wet milieubeheer;

      • b.

        de Wet geluidhinder;

      • c.

        de Wet bodembescherming;

      • d.

        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

      • e.

        de Wet ruimtelijke ordening;

      • f.

        de Woningwet;

      • g.

        de Gemeentewet;

      • h.

        de Algemene wet bestuursrecht;

      • i.

        de Wet openbaarheid van bestuur.

      • 3.

        Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten tevens uitvoeren van omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in het eerste lid, onder b, voor zover daartoe mandaat is verleend;

      • 4.

        Het namens Gedeputeerde Staten en voor zover daartoe mandaat is verleend uitvoeren van de volgende taken en bevoegdheden, met inachtneming van met de provincie overeengekomenbeleid:

      • a.

        de taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid onder b, voor zover Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn;

      • b.

        omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a. genoemd;

  • 2.

    Aan de omgevingsdienst komen voorts die taken en bevoegdheden toe welke op verzoek van een of meer colleges van B en W van de regiogemeenten of Gedeputeerde Staten worden uitgevoerd en uitgeoefend.

  • 3.

    Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in de vorige leden genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de deelnemers schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

  • 4.

    Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.

  • 5.

    Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan wel indien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.

  • 6.

    Werkzaamheden met betrekking tot de in lid 1 onder b en c bedoelde taken en bevoegdheden die zijn gestart door de Milieudienst Midden-Holland voor het operationeel worden van de omgevingsdienst, worden voortgezet of overgenomen door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 7.

    De omgevingsdienst kan tevens taken uitvoeren of diensten verrichten voor en op verzoek van andere instanties dan de deelnemers. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van deze taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de betreffende instanties schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

     

Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur

 

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 5 Het Bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

 

§ 2. Algemeen bestuur

Artikel 6: Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer, die door en uit het eigen college worden aangewezen.

  • 2.

    De colleges kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij afwezigheid vervangen. De plaatsvervangende leden dienen deel uit te maken uit van het eigen college. De aangewezen leden kunnen tevens elkaar vervangen.

  • 3.

    Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk Gedeputeerde Staten, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college van burgemeester en wethouders voorziet respectievelijk Gedeputeerde Staten voorzien zo spoedig mogelijk in de opvulling van de vacature.

  • 4.

    De colleges kunnen hun lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Na het ontslag wordt zo spoedig mogelijk voorzien in de opvulling van de vacature.

Artikel 7: Incompatibiliteiten

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van de omgevingsdienst aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met een ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van een der deelnemers dan wel de omgevingsdienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

Artikel 8: Vergaderingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe beslist.

  • 3.

    Voorts vergadert het indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een lid van het algemeen bestuur schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 9: Openbaarheid

  • 1.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 2.

    De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 3.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

Artikel 10: Besluitvorming

  • 1.

    Het aantal stemmen van een lid van het algemeen bestuur staat in relatie tot het ingebrachte budget van de deelnemer die hij vertegenwoordigt. De voorzitter onthoudt zich van stemmen.

  • 2.

    Voor elke €100.000 ingebracht budget op basis van de laatstelijk vastgestelde begroting ontstaat voor de betreffende deelnemer 1 stem.

  • 3.

    Een besluit is bij gewone meerderheid van stemmen aangenomen, tenzij in de regeling of in het reglement van orde, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1, anders is bepaald.

  • 4.

    Wanneer is bepaald dat voor besluitvorming een gekwalificeerde meerderheid vereist is, geldt dat hieraan is voldaan indien 3/4 van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is en een 3/4 meerderheid van het totaal aantal stemmen van alle deelnemers wordt behaald.

Artikel 11: Verantwoordings- en informatieplicht

  • 1.

    Het algemeen bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het bestuursbeleid van de omgevingsdienst nodig is of die door één of meer leden van die vertegenwoordigende organen wordt verlangd.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

     

§ 3. Dagelijks bestuur

Artikel 12: Samenstelling

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur gekozen, met dien verstande dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid uitmaken van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De voorzitter is voorzitter van het dagelijks bestuur.

Artikel 13: Ontslag

  • 1.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het ontslag als bedoeld in het eerste lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur wordt terstond ontslagen bij verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

     

§ 4. Voorzitter

Artikel 14: Aanwijzing

  • 1.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan.

  • 2.

    Het algemeen bestuur wijst uit het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan.

     

§ 5. Commissies

Artikel 15: Adviescommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.

  • 3.

    Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

Artikel 16: Bestuurscommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan aan een commissie als bedoeld in het eerste lid bevoegdheden van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening alsmede bevoegdheden aangaande het beheer van de organisatie en personele bevoegdheden.

  • 4.

    Bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen niet dan op voorstel van het dagelijks bestuur worden overgedragen aan een commissie zoals bedoeld in het eerste lid.

     

Hoofdstuk 4: Bevoegdheden

§ 1. Bevoegdheden algemeen bestuur

 

Artikel 17: Bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de omgevingsdienst.

  • 2.

    Alle bevoegdheden, bedoeld in de regeling, berusten bij het algemeen bestuur voor zover deze niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn toegekend.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de wet is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot:

    • a.

      Het vaststellen en wijzigen van de begroting.

    • b.

      Het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      Het vaststellen en wijzigen van verordeningen;

    • d.

      Besluiten over het toetreden tot, uittreden uit of wijziging van de regeling.

  • 4.

    Het algemeen bestuur besluit slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

  • 5.

    Voordat een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt genomen wordt aan de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit toegezonden en worden zij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen bij het algemeen bestuur in te brengen.

Artikel 18: Overdracht van bevoegdheden

Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

 

§ 2. Bevoegdheden dagelijks bestuur

Artikel 19: Bevoegdheden dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst berust bij het dagelijks bestuur voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur neemt, alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van handelingen als bedoeld in artikel 17, vierde lid van deze regeling.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur dient de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties desgevraagd van bericht en advies over al hetgeen het openbaar lichaam betreft. Van een dergelijk verzoek en de inhoud ervan doet het dagelijks bestuur mededeling aan de deelnemers.

Artikel 20: Verantwoording

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

     

§ 3. Bevoegdheden voorzitter

Artikel 21: Bevoegdheden voorzitter

  • 1.

    De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de omgevingsdienst.

  • 2.

    De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

  • 3.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4.

    Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangende voorzitter.

Artikel 22: Verantwoording

  • 1.

    De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2.

    Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3.

    De voorzitter verschaft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd.

Hoofdstuk 5: Ambtelijke organisatie

Artikel 23: Inrichting organisatie

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van het openbaar lichaam.

Artikel 24:

Vervallen

Artikel 25:

Vervallen

Artikel 26: Directeur

  • 1.

    De directeur van de organisatie van het openbaar lichaam wordt, op voordracht van het dagelijks bestuur, door het algemeen bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt voor de directeur een instructie vast. Hierin worden de taken en bevoegdheden van de directeur weergegeven.

  • 3.

    De directeur is belast met de bedrijfsvoering en de dagelijkse leiding. Tevens is hij voor een correcte uitvoering van hetgeen hem door middel van de in het tweede lid bedoelde instructie is opgedragen, verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur.

  • 4.

    De directeur treedt op als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 5.

    De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak en heeft in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur een adviserende stem.

  • 6.

    Alle stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend.

Artikel 27: Overig personeel

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie, belast met het aanstellen als ambtenaar, het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en met het schorsen en ontslaan van het personeel van de omgevingsdienst, de directeur van de dienst uitgezonderd.

  • 2.

    Op het personeel in dienst van de omgevingsdienst zijn de CAR-UWO en de lokale regelingen van de Omgevingsdienst Midden-Holland van toepassing. De lokale rechtspositionele regelingen van het ISMH, zoals die gelden op de datum dat de omgevingsdienst in bedrijf wordt gesteld, zijn met ingang van die datum van overeenkomstige toepassing op het personeel van de Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 3.

    Waar in de in het tweede lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur.

     

Hoofdstuk 6: Financiën en beheer van de omgevingsdienst

 

§ 1. Begroting

Artikel 28: Voorbereiding begroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting vast en zendt deze acht weken voordat zij door het algemeen bestuur wordt behandeld toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemene verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 4.

    De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 5.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 6.

    Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij de voorjaarsnota en/of de najaarsnota.

  • 7.

    Voorgenomen begrotingswijzigingen worden vooraf voor een zienswijze aangeboden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. Hiervan kan worden afgezien als het totaal aan mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt en de wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien.

Artikel 29: Vaststelling begroting

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 10 wordt de begroting vastgesteld wanneer een drie-vierde meerderheid in het algemeen bestuur is bereikt.

  • 2.

    In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

     

§ 2. Jaarrekening

Artikel 30: Vaststelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

     

§ 3. Beheer en garantstelling

Artikel 31: Financiële administratie

Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst.

Artikel 32: Garantstelling

De deelnemers zullen zorgdragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

§ 4 Financiën

Artikel 33: Uitgangspunten financieel beleid

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Op deze regels is artikel 212 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Op deze regels is artikel 213 met uitzondering van artikel 213a van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34: Betaling

  • 1.

    De deelnemers betalen uiterlijk 16 januari, 16 april, 16 juli en 16 oktober een voorschot in de bijdrage van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het begrote budget.

  • 2.

    De definitieve afrekening over het voorgaande boekjaar vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening.

  • 3.

    Het exploitatiesaldo van een vastgestelde jaarrekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers.

     

Hoofdstuk 7: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 35 : Wijziging van de regeling

  • 1.

    De deelnemers, alsmede het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling.

  • 2.

    Voor wijziging van de regeling is een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de deelnemers vereist.

  • 3.

    De deelnemers besluiten niet tot wijziging dan nadat toestemming is gekregen van Provinciale Staten en de gemeenteraden van de regiogemeenten conform artikel 51 van de wet.

  • 4.

    De wijziging wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

  • 5.

    Bij de wijziging wordt bepaald wanneer deze in werking treedt.

Artikel 36: Toetreding

  • 1.

    Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten, bestuursorganen van waterschappen en andere openbare lichamen toetreden.

  • 2.

    Toetreding is mogelijk op ieder moment nadat de deelnemers, na toestemming van de vertegenwoordigende organen, hiertoe bij gekwalificeerde meerderheid hebben besloten.

  • 3.

    Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst. Bij het verzoek wordt het besluit gevoegd waaruit de toestemming van het eigen vertegenwoordigde orgaan blijkt.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding. Het algemeen bestuur doet vervolgens een voorstel en geeft daarin aan welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden.

Artikel 37: Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uit de regeling treden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van haar bestuursorganen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een regeling vast waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden uittreding kan plaatsvinden.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en stelt de verschuldigde schadeloosstelling vast.

  • 4.

    De deelnemers dienen overeenkomstig artikel 51 van de Wet in te stemmen met de door het algemeen bestuur vastgestelde verschuldigde schadeloosstelling.

Artikel 38: Opheffing

  • 1.

    De deelnemers kunnen bij unanimiteit besluiten de regeling op te heffen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van de regeling te komen. Het algemeen bestuur beslist in afwijking van artikel 10 bij unanimiteit.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 4.

    Bij ontbinding van de regeling, in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de omgevingsdienst voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 6.

    Zonodig blijven de organen van de omgevingsdienst ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

     

Hoofdstuk 8: Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 39: Archief

  • 1.

    De bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsvoorschriften zijn, voor zover deze betrekking hebben op de archiefbescheiden van gemeenten, van overeenkomstige toepassing op de omgevingsdienst.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.

  • 3.

    Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening, met inachtneming van artikel 40, lid 1 en 2 van de Archiefwet 1995, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst.

  • 4.

    De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden.

  • 5.

    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de omgevingsdienst.

  • 6.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland aan.

  • 7.

    Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995, belast een inspecteur van de Groene Hart Archiefinspectie.

  • 8.

    Bij opheffing van de omgevingsdienst worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland.

Artikel 40: Klachtregelingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtregeling vast.

  • 2.

    De Nationale ombudsman is, onverminderd het bepaalde in de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klachtschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 41: Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

  • 3.

    De regeling is in werking getreden op 18 april 2012, gewijzigd per 11 oktober 2012 en 1 januari 2016.

  • 4.

    De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland”.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

     

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

 

secretaris a.i., drs. J.H. de Baas

 

voorzitter, drs. J. Smit

 

 

Artikelsgewijze toelichting bij de 2 e wijziging van de Gemeenschappelijk regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

Vooraf

Op 9 juli 2014 is de Wet tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen vastgesteld (Stb. 2014, 306). Deze wet is per 1 januari 2015 in werking getreden.

De wijziging is opgezet in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur. Het is de bedoeling dat de positie van het algemeen bestuur van een gemeenschappelijk openbaar lichaam wordt versterkt. Tevens wordt de invloed van de gemeenteraden en Provinciale Staten op de begroting en de jaarrekening van het openbaar lichaam versterkt en wordt een regeling getroffen voor de bekendmakingen van gemeenschappelijke regelingen.

Vanwege deze wijziging dient de Gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) te worden aangepast. De regeling van de ODMH betreft een regeling tussen colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten, waardoor de bepalingen uit hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) van toepassing zijn.

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om tevens een aantal andere punten uit de regeling aan te passen. Hieronder volgt een toelichting bij de wijzigingen.

 

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Een onderdeel van de definitiebepalingen wordt aangepast vanwege de fusie van verschillende gemeenten. De voormalige gemeente Boskoop is per 1 januari 2014 gefuseerd met Alphen aan den Rijn en Rijnwoude. Dat is gemeente Alphen aan den Rijn geworden. De gemeente Alphen heeft aangegeven de (milieu)taken per 1 januari 2016 voor het hele grondgebied van de gemeente te willen onderbrengen bij de ODMH. Hierdoor wordt het werkgebied van de ODMH groter.

Per 1 januari 2015 fuseerde de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist. Zij vormen de nieuwe gemeente Krimpenerwaard.

Artikel II

Een lid is toegevoegd aan artikel 4. Dit artikel geeft de taken van de omgevingsdienst weer. Door het nieuwe lid wordt het mogelijk dat de omgevingsdienst ook taken verricht voor andere instanties dan de eigen deelnemers. Dit is feitelijk al het geval, bijvoorbeeld met betrekking tot de BRZO-regelgeving. Voor die specifieke regelgeving wordt door de verschillende omgevingsdiensten in Zuid-Holland al samengewerkt. Tevens kan dan uitwisseling van personeel plaatsvinden door middel van detachering. Noodzakelijk is dan wel dat afspraken worden gemaakt over de wijze waarop dat plaatsvindt.

Artikel III

In de huidige regeling van de omgevingsdienst is in artikel 6 opgenomen dat de leden van het algemeen bestuur per gemeente uit het college worden aangewezen door de gemeenteraad. Op grond van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen dient de aanwijzing echter plaats te vinden door het eigen college. Dit volgt uit het nieuwe zesde lid van artikel 13 Wgr. Het eerste lid van artikel 6 van de regeling wordt hierop aangepast.

Tevens wordt de samenstelling van het algemeen bestuur veranderd. Het algemeen bestuur wordt uitgebreid tot 14 leden, twee per deelnemer. De deelnemers bepalen zelf wie er uit het college deelneemt. Voor de hand ligt het om de portefeuillehouders milieu en BWT af te vaardigen, maar het kunnen uiteraard ook een portefeuillehouder en een burgemeester zijn.

Een nieuw lid is toegevoegd met betrekking tot het aanwijzen van plaatsvervangers voor de leden van het algemeen bestuur. Dit is een gebruikelijke bepaling en is ook al de praktijk. De plaatsvervanger dient deel uit te maken van hetzelfde college.

Artikel IV

Aan het eerste lid van artikel 10 is de bepaling toegevoegd dat de voorzitter zich onthoudt van stemmen. Om het stemrecht van dit lid van het algemeen bestuur niet verloren te laten gaan, kan de voorzitter, op grond van artikel 6, zijn stem overdragen aan het andere lid van het algemeen bestuur uit het eigen college.

In het huidige artikel 10 is opgenomen dat iedere deelnemer per € 250.000,- ingebracht budget op basis van de begroting één stem heeft in de besluitvorming. In de praktijk is gebleken dat de hoogte van dit bedrag tot ongewenste gevolgen kan leiden. Verlaging tot € 100.000,- leidt tot aanvaardbare afrondingsverschillen en doet daarmee meer recht aan de feitelijke financiële inbreng van alle deelnemers.

Een nieuwe vierde lid is toegevoegd. Hier is een definitie opgenomen over wat onder ‘gekwalificeerde meerderheid’ wordt verstaan. Zie voor de aanleiding onder Artikel XX en XXI.

Artikel V en X

De wijziging van de Wgr voorziet in een nieuwe verantwoordingsplicht. Het dagelijks bestuur en elk lid van het dagelijks bestuur afzonderlijk is verantwoording schuldig aan het algemeen bestuur over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur (nieuw artikel 19a in de Wgr). Een lid van het dagelijks bestuur is geen verantwoording schuldig aan het eigen college, maar alleen aan het algemeen bestuur. Uitsluitend leden van het algemeen bestuur dienen zich te verantwoorden aan het eigen college en dienen het college alle inlichtingen te verschaffen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Daarnaast dient het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur alle inlichtingen te verschaffen die het algemeen bestuur nodig heeft voor de uitvoering van zijn taken; een actieve informatieplicht.

De artikelen 11 en 20 uit de regeling worden hierop aangepast.

Artikel VI

Aan artikel 14 van de Wgr wordt een derde lid toegevoegd. Hierin is bepaald dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid van het algemeen bestuur mogen uitmaken. Als gevolg van de fusies tussen een aantal gemeenten is de regio Midden-Holland is het aantal deelnemers en dus ook het aantal leden van het algemeen bestuur fors verminderd. De samenstelling van het dagelijks bestuur dient als gevolg hiervan en vanwege de nieuwe bepaling te worden herzien. De tekst van artikel 12 van de regeling is in overeenstemming gebracht met de nieuwe wettelijke eis.

Artikel VII

Het algemeen bestuur heeft op grond van de huidige regeling de bevoegdheid tot het instellen van bestuurscommissies. In de regeling is opgenomen dat daarvoor toestemming nodig is van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, dus de gemeenteraden en Provinciale Staten. Als gevolg van de wijziging van de Wgr is dit niet meer nodig. Het toestemmingsvereiste voor het instellen van een bestuurscommissie wordt als onnodig bureaucratisch beschouwd, aangezien de vertegenwoordigende organen al hebben ingestemd met het instellen van bestuurscommissies bij de vaststelling van de regeling.

Wel dient het algemeen bestuur de raden en Provinciale Staten van het plan om een bestuurscommissie in stellen op de hoogte te brengen en hen in de gelegenheid te stellen zienswijzen over dat plan naar voren te brengen. De tekst van artikel 16, tweede lid van de regeling wordt hierop aangepast.

Artikel VIII

Artikel 17 van de regeling ziet op de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur. In het derde lid wordt een verkeerde verwijzing naar de Wgr hersteld.

Het vijfde lid wordt aangepast overeenkomstig de wijziging in de Wgr. Het algemeen bestuur kan besluiten deel te nemen in privaatrechtelijke rechtspersonen of deze op te richten. Op grond van de huidige regeling is daarvoor toestemming nodig van de Minister van Binnenlandse Zaken. In de Wgr wordt dat aangepast. Om te verzekeren dat op afstand gezette taken niet nog verder op afstand kunnen worden gezet, wordt bepaald dat het algemeen bestuur een dergelijk besluit pas kan nemen nadat de vertegenwoordigende organen in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen bij het algemeen bestuur in te dienen.

Artikel IX

Het uitgangspunt in de Wgr is dat bevoegdheden toekomen aan het algemeen bestuur, tenzij in de wet of in de regeling anders is bepaald. In de Wgr zijn enkele bevoegdheden specifiek aan het dagelijks bestuur toegewezen (nieuw artikel 57b). De tekst van artikel 19 van de regeling is daarop aangepast.

Deze bevoegdheden voor het dagelijks bestuur (zoals het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie en het besluiten tot privaatrechtelijke handelingen) zijn in de wet opgenomen om te komen tot een praktische werkverdeling tussen het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur wat betreft die aangelegenheden, die naar hun aard vragen om behartiging door een select aantal leden. Uiteraard kan het algemeen bestuur wel bepaalde kaders stellen en zijn de leden van het dagelijks bestuur over het gevoerde bestuur verantwoording schuldig zijn aan het algemeen bestuur.

Artikel X

Zie onder artikel V.

Artikel XI

De wijzigingen in artikel 26 van de regeling zijn enkel tekstueel van aard.

Artikel XII en XIII

Vanwege de wens de invloed van de vertegenwoordigende organen op de begroting en jaarrekening van het openbaar lichaam te vergroten en de begrotingscycli van het openbaar lichaam en de deelnemers beter op elkaar te laten aansluiten worden in de Wgr een aantal veranderingen met betrekking tot dit onderwerp doorgevoerd.

Gemeenschappelijke regelingen dienen voortaan elk jaar voor 15 april aan de vertegenwoordigende organen de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het volgende begrotingsjaar aan te bieden, zodat deze organen deze informatie kunnen meenemen in hun voorjaarsnota. Daarnaast moet voor die datum ook de voorlopige jaarrekening worden toegezonden aan de raden en Provinciale Staten (nieuw artikel 58b Wgr).

Daarnaast is bepaald dat de vertegenwoordigende organen voortaan acht weken de tijd krijgen om zienswijzen op te ontwerpbegroting in te dienen bij het dagelijks bestuur, in plaats van de huidige zes weken. Als gevolg van de verruiming van deze reactietermijn wordt de datum van toezending van de definitief vastgestelde begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken opgeschoven. De begroting dient binnen twee weken na vaststelling en uiterlijk voor 1 augustus te zijn verstuurd.

De artikelen 28 en 29 van de regeling worden in lijn gebracht met deze wijziging in de Wgr. Deze wijzigingen gelden overigens direct per 1 januari 2015 en zijn niet afhankelijk van de wijziging van de regeling van het openbaar lichaam.

Met betrekking tot de procedurele eisen bij begrotingswijzigingen (artikel 28, zesde lid) wordt een wijziging doorgevoerd vanuit efficiëntie-overwegingen. De deelnemers dienen uiteraard meegenomen te worden in de grotere financiële verschuivingen binnen haar deelneming in de Gemeenschappelijke regeling. Dit is passend binnen het budgetrecht en is aanvullend op de zienswijze procedure die in het kader van de ontwerpbegroting jaarlijks wordt doorlopen. Dit dient echter wel in verhouding te staan tot het doel dat hiermee wordt beoogd. Daarom is opgenomen dat jaarlijks ‘twee begroting-wijzigings-momenten’ plaatsvinden (voorjaarsnota en najaarsnota) (bundeling) en wordt daarnaast een financiële drempel van 5% van de totale begrotingsomvang aan de batenkant ingebouwd, zodat alleen relevante wijzigingen aan de gemeenteraden en Provinciale Staten worden voorgelegd.

Artikel XIV

Aan artikel 34 is een derde lid toegevoegd met betrekking tot de verdeling van het positieve of negatieve resultaat in een jaar. Een bepaling hierover was nog niet in de Gemeenschappelijke regeling opgenomen. De verdeling van het resultaat van een jaar dient gebaseerd te zijn op de daadwerkelijke financiële inbreng van de deelnemers in dat jaar. Het algemeen bestuur moet echter de mogelijkheid hebben om hiervan af te wijken; het komt het in de praktijk voor dat wordt besloten het resultaat te verdisconteren in de algemene reserves van de ODMH.

Artikel XV en XVI

In de Gemeenschappelijke regeling is opgenomen dat voor het wijzigen van de regeling (artikel 35) en het toetreden van nieuwe deelnemers (artikel 36) unanieme besluitvorming nodig is. Voor deze onderwerpen kan ook worden volstaan met een gekwalificeerde meerderheid. De reden hiervoor is dat het niet zo kan zijn dat één deelnemer belangrijke besluiten kan blokkeren op grond van unanimiteit. Het tweede lid van artikel 35 en het tweede lid van artikel 36 is daarop aangepast.

In artikel 10 is opgenomen wat dan wordt verstaan onder een ‘gekwalificeerde meerderheid’. Dit komt neer op een combinatie van het aantal leden van het bestuur dat aanwezig is en de stemverhouding.

Artikel XVI, XVII en XVIII

Vanwege de wijziging van artikel 9 van de Wgr is aanpassing van de artikel 36 tot en met 38 van de regeling nodig. Deze artikelen bevatten bepalingen over toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling.

Het nieuwe artikel 9 luidt als volgt “De voor onbepaalde tijd getroffen regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding, met inachtneming van artikel 1.”

De hoofdregel is dat een unaniem besluit van de deelnemers vereist is. Nieuw is de toevoeging dat artikel 1 van toepassing is. Dit houdt in dat bij dergelijke besluiten van de deelnemers (de colleges) instemming van de gemeenteraden en Provinciale Staten vereist is. Onder de toelichting bij Artikel XX en XXI is aangegeven dat in een aantal gevallen wordt gekozen voor een gekwalificeerde meerderheid in plaats van unanimiteit.

Daarnaast zijn de woorden ‘de gevolgen van’ voor ‘uittreding’ toegevoegd. Uittreden is uiteraard mogelijk. Wel dient in dat geval overeenstemming te worden bereikt over de financiële gevolgen van uittreding. Het algemeen bestuur zal een regeling opstellen onder welke (financiële) voorwaarden uittreding kan plaatsvinden.

Bij het uittredingsbesluit en de vaststelling van de financiële gevolgen dienen ook de vertegenwoordigende organen van de andere deelnemers te worden betrokken.

De artikelen 36-38 van de GR ODMH worden hierop aangepast.

Artikel XIX

Voor het aanpassen van de regeling met betrekking tot de aspecten die de samenstelling van het bestuur betreffen hebben de deelnemers een jaar de tijd gekregen. Gekozen is om de wijziging van de regeling per 1 januari 2016 in werking te laten treden. Een aantal artikelen uit de Wgr treden direct (1 januari 2015) in werking, dit betreft onder andere de bepalingen met betrekking tot begroting en de jaarrekening.

Artikel XX

Deze wijziging van de Gemeenschappelijke regeling dient, na vaststelling door alle deelnemers, te worden bekendgemaakt. De Wgr bepaalt met betrekking tot dat onderwerp dat het provinciebestuur daarvoor verantwoordelijk is (nieuw artikel 53, eerste en tweede lid Wgr). Het provinciebestuur dient de gewijzigde regeling te zenden aan Gedeputeerde Staten van de deelnemende provincie. Daarnaast moet de inhoud van het wijzigingsbesluit van de regeling door het provinciebestuur worden bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant.

Artikel 56aa van de Wgr maakt het mogelijk voor het openbaar lichaam een eigen publicatieblad uit te geven. Dit blad kan echter niet worden gebruikt voor de bekendmaking van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling; wel voor andere algemene besluiten van het algemeen bestuur of de dienst.

Artikel XXI

Hier is de nieuwe, geconsolideerde tekst van de regeling opgenomen.