Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ArnhemStaatscourant 2015, 48211Overig

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Arnhem, Beuningen, Berg en Dal, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Rijnwaarden, Westervoort, Wijchen, Zevenaar ieder voor zover zij bevoegd zijn - hierna: 'de deelnemende gemeenten';

Logo Arnhem

OVERWEGENDE DAT

  • de Stadsregio Arnhem Nijmegen als WGR+ regio zich in liquidatie bevindt en per 1 juli 2015 niet meer functioneert als regionaal samenwerkingsverband;

  • de betreffende gemeenten waarde hechten aan een vorm van regionale samenwerking waarbij minimaal op de terreinen Economie, Mobiliteit en Wonen deze samenwerking qua vorm, organisatie en inhoud helder wordt omschreven en concreet wordt gemaakt;

  • de regionale samenwerking moet leiden tot een structureel betere positie van de regio in (inter)nationaal perspectief en dat daarbij een intensieve samenwerking met de in de regio op te richten Triple Helix (ondernemers, onderwijs- en kennisinstellingen en de overheid) uitgangspunt is;

  • de negentien gemeenten dit op basis van een gemeenschappelijk orgaan, als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, wensen vorm te geven;

  • dit gemeenschappelijk orgaan per 1 juli 2015 dient te starten om zodoende geen gat te laten vallen tussen de regionale samenwerking binnen de WGR+ Stadsregio Arnhem Nijmegen en het nieuw op te richten samenwerkingsverband;

  • er medio 2016 een inhoudelijke evaluatie plaatsvindt van de werking van het gemeenschappelijk orgaan ten aanzien van governance en bedrijfsvoering;

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen,

BESLUITEN:

aan te gaan de volgende:

REGELING GEMEENSCHAPPELIJK ORGAAN ARNHEM NIJMEGEN CITY REGION

HOOFDSTUK 1: GEMEENSCHAPPELIJK ORGAAN, DOELSTELLING, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In de onderhavige regeling voor een gemeenschappelijk orgaan wordt verstaan onder:

  • a.

    Berg en Dal: gemeente Berg en Dal, als fusiegemeente van de gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen; tot 2 januari 2016 is de naamgeving van de gemeente bepaald als: Groesbeek; na 2 januari 2016 is de naamgeving: Berg en Dal.

  • b.

    Bureau Brussel: het bureau, zoals genoemd in artikel 5;

  • c.

    Stichting Economic Board regio Arnhem-Nijmegen: de stichting die ten doel heeft het versterken van de samenwerking in de regio tussen ondernemers, kennisinstellingen en overheden op de groeisectoren Health, Energy en Food en de cross-overs daartussen.

Artikel 2 Gemeenschappelijk Orgaan

  • 1.

    Er is een gemeenschappelijk orgaan, genaamd Gemeenschappelijk Orgaan Arnhem Nijmegen City Region.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd te Arnhem.

Artikel 3 Doel van de samenwerking

Het gemeenschappelijk orgaan richt zich op een structurele verbetering van het vestigingsklimaat voor inwoners en bedrijven in de Arnhem Nijmegen City Region, in zowel nationaal als internationaal perspectief. Het gemeenschappelijk orgaan werkt intensief samen met de Stichting Economic Board regio Arnhem-Nijmegen.

Artikel 4 Taken

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan heeft tot taak:

    • A.

      Met het oog op het in artikel 3 genoemde doel een op afstemming van beleid gericht overleg op de volgende domeinen te voeren:

      I wonen;

      II mobiliteit;

      III economie , waaronder overleg over het jaarplan van de Stichting Economic Board regio Arnhem-Nijmegen.

      Het overleg vindt per domein plaats in een door het gemeenschappelijk orgaan te organiseren portefeuillehoudersoverleg, zijnde een overleg waaraan wordt deelgenomen door de desbetreffende portefeuillehouder van elk deelnemend college;

    • B.

      Het in artikel 5 genoemde Bureau Brussel op strategisch-inhoudelijk niveau aan te sturen. Daartoe stelt het gemeenschappelijk orgaan in ieder geval een jaarprogramma vast voor Bureau Brussel;

    • C.

      Op een ander domein dan genoemd in lid 1, sub A., overleg te gaan voeren, voor zover dat naar het oordeel van het gemeenschappelijk orgaan bijdraagt aan het in artikel 3 genoemde doel van de samenwerking. Hiervoor wordt een afzonderlijk portefeuillehoudersoverleg ingericht. Iedere deelnemende gemeente bepaalt of het deelneemt aan een ander portefeuillehoudersoverleg dan genoemd in lid 1;

    • D.

      Op de domeinen waarop overleg plaatsvindt aan de besturen van de deelnemende gemeenten advies uit te brengen.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 5 Bureau Brussel

  • 1.

    Ter behartiging van de belangen van de Arnhem Nijmegen City Region in Europa is het "Bureau Brussel" werkzaam.

  • 2.

    Bureau Brussel is ondergebracht bij de gemeente Arnhem. Het college van Arnhem faciliteert de dagelijkse gang van zaken bij het Bureau. De met Bureau Brussel gepaard gaande kosten worden gedragen door de gemeenten die aan het gemeenschappelijk orgaan deelnemen, via de bijdrage aan het gemeenschappelijk orgaan zoals omschreven in artikel 9.

  • 3.

    Bij een beëindiging of vermindering van taken van Bureau Brussel, welke leidt tot een verminderde behoefte aan personeel, worden de financiële consequenties daarvan bij besluit van het gemeenschappelijk orgaan op een redelijke wijze omgeslagen over alle aan het gemeenschappelijk orgaan deelnemende gemeenten.

HOOFDSTUK 2: WIJZE VAN VERGADEREN, INFORMATIE EN VERANTWOORDING

Artikel 6 Samenstelling, wijze van vergaderen en reglement van orde

  • 1.

    Het college van elke deelnemende gemeente wijst uit zijn midden één lid aan voor het gemeenschappelijk orgaan.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt voor zijn vergaderingen en die van de in artikel 4 genoemde portefeuillehoudersoverleggen een reglement van orde vast.

  • 3.

    Besluiten van het gemeenschappelijk orgaan worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  • 4.

    De vergaderingen van het gemeenschappelijk orgaan zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het gemeenschappelijk orgaan beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 5.

    Het gemeenschappelijk orgaan wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris, aan te wijzen door het college van de gemeente waar het gemeenschappelijk orgaan gevestigd is.

Artikel 7 Informatie, verantwoording en evaluatie

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan geeft aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. Inlichtingen worden binnen een termijn van acht weken verstrekt, met dien verstande dat de termijn binnen deze acht weken eenmalig kan worden verlengd met ten hoogste vier weken. Het reglement van orde kan nadere regels stellen.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan geeft vanuit het oogpunt van democratische legitimatie ook op eigen initiatief informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten. Bovendien organiseert het gemeenschappelijk orgaan tenminste eenmaal per jaar een bijeenkomst voor de gemeenteraadsleden van alle deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan geeft aan de raad van zijn gemeente de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen, op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

  • 4.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan kan door de raad van zijn gemeente ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het gemeenschappelijk orgaan gevoerde beleid, op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

  • 5.

    De samenwerking op grondslag van het gemeenschappelijk orgaan wordt periodiek geëvalueerd.

HOOFDSTUK 3: DE VOORZITTER

Artikel 8 De voorzitter

  • 1.

    Het voorzitterschap van het gemeenschappelijk orgaan wordt bij toerbeurt vervuld door de burgemeester van de gemeente Arnhem en de burgemeester van de gemeente Nijmegen, telkens voor een periode van vier jaar. De voorzitter heeft geen stemrecht.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan benoemt voor een zelfde periode een vicevoorzitter uit een van de deelnemende gemeenten aan het gemeenschappelijk orgaan, niet zijnde de gemeente Arnhem of Nijmegen.

  • 3.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het gemeenschappelijk orgaan.

  • 4.

    De voorzitter tekent namens het gemeenschappelijk orgaan de stukken die van het gemeenschappelijk orgaan uitgaan. Hij treedt naar buiten toe op als vertegenwoordiger van het gemeenschappelijk orgaan.

HOOFDSTUK 4: FINANCIELE BEPALINGEN

Artikel 9 Begroting en bijdrage

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks vóór 1 juli de begroting vast voor het eerstvolgende begrotingsjaar.

  • 2.

    In de begroting wordt de bijdrage voor elke deelnemende gemeente opgenomen. De bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van een vast bedrag per inwoner. Voor de berekening van laatstgenoemde bijdrage wordt uitgegaan van het inwonertal van de deelnemende gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de bijdrage is verschuldigd.

  • 3.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks vóór 1 mei het vaste bedrag per inwoner vast.

  • 4.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari en vóór 16 juli telkens de helft van de in het tweede lid bedoelde bijdrage aan de faciliterende gemeente, die voor het gemeenschappelijk orgaan de kassiersfunctie waarneemt en de noodzakelijke administratieve werkzaamheden verricht. Faciliterende gemeente is de gemeente waar het gemeenschappelijk orgaan gevestigd is. De faciliterende gemeente draagt tevens zorg voor het beheer van de archiefbescheiden van het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 10 Jaarrekening

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks de jaarrekening over het afgelopen jaar vóór 1 juli vast.

  • 3.

    Indien bij de jaarrekening een tekort ontstaat, passen de deelnemende gemeenten het tekort bij. De verdeling van het tekort vindt plaats op overeenkomstige wijze als beschreven in artikel 9, lid 2.

HOOFDSTUK 5: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 11 Toetreding en uittreding

  • 1.

    Een gemeente kan tot de onderhavige regeling toe- of uittreden krachtens een daartoe strekkend besluit van haar college, dat de toestemming behoeft van de gemeenteraad.

  • 2.

    Een besluit tot uittreding treedt onmiddellijk na bekendmaking in werking, met dien verstande dat de uittredende gemeente naar verhouding bijdraagt in een eventueel tekort van het gemeenschappelijk orgaan dat wordt vastgesteld bij de jaarrekening ten aanzien van het jaar waarin de gemeente uittrad. Op verzoek van de uittredende gemeente kan het gemeenschappelijk orgaan, indien dat redelijk wordt geoordeeld, een lagere bijdrage in het tekort vaststellen.

  • 3.

    Met een besluit tot toetreding als bedoeld in lid 1 moet het gemeenschappelijk orgaan instemmen. Het instemmingsbesluit moet worden genomen met een meerderheid van tenminste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen. Het instemmingsbesluit bepaalt de dag van toetreding.

  • 4.

    Het gemeenschappelijk orgaan kan voorwaarden verbinden aan de toe- of uittreding.

Artikel 12 Wijziging en opheffing

  • 1.

    De onderhavige regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende besluiten van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan wordt op voorstel van het gemeenschappelijk orgaan opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de deelnemende gemeenten. Het voorstel van het gemeenschappelijk orgaan noemt de datum van opheffing en bevat een regeling van de gevolgen van de opheffing, waartoe in ieder geval de personele- en financiële gevolgen van de opheffing van het gemeenschappelijk orgaan voor Bureau Brussel behoren.

HOOFDSTUK 6: SLOTBEPALING

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als 'Regeling gemeenschappelijk orgaan Arnhem Nijmegen City Region'. Zij wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt, na bekendmaking, in werking op 1 juli 2015.

Artikelsgewijze Toelichting op de 'Regeling Gemeenschappelijk Orgaan Arnhem Nijmegen City Region

Artikel 2 Gemeenschappelijk Orgaan (GO)

De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen de samenwerking in regionaal verband vorm te geven via een zogenaamd 'gemeenschappelijk orgaan' (art. 8, lid 2, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wgr). Dit is een regeling zonder een zware bestuursstructuur - ze bestaat uit slechts één orgaan - en zonder rechtspersoonlijkheid. Een gemeenschappelijk orgaan (GO) kan dan ook niet op eigen naam rechtshandelingen aangaan, een vermogen hebben of personeel in dienst hebben. Voor haar functioneren is een GO afhankelijk van een bijdrage van de deelnemende gemeenten. Dit is geregeld in artikel 9 van de onderhavige regeling.

Het GO is gevestigd in Arnhem. Artikel 10, lid 3, van de Wgr verplicht tot aanwijzing van een plaats van vestiging. Op de gemeente die plaats van vestiging is, rust de verplichting de regeling ter kennisneming aan gedeputeerde staten te zenden. Dat geldt ook voor besluiten tot wijziging, opheffing, toe- en uittreding. Het gemeentebestuur van de plaats van vestiging is ook verantwoordelijk voor bekendmaking van de gemeenschappelijke regeling in de Staatscourant (artikel 26, lid 2, Wgr).

Artikel 3 en 4 Doel van de samenwerking en Taken van het GO

Het GO richt zich op een structurele verbetering van het vestigingsklimaat voor inwoners en bedrijven in de Arnhem Nijmegen City Region. Hierbij wordt intensief samengewerkt met de Stichting Economic Board regio Arnhem-Nijmegen, een zogenaamde 'Triple Helix' waarbinnen in de regio wordt samengewerkt tussen ondernemers, onderwijs- en kennisinstellingen en overheid.

Artikel 4 benoemt de vier taken van het GO:

  • -

    het voeren van op afstemming van beleid gericht overleg op de gebieden van wonen, mobiliteit en duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling, aan welk overleg door alle deelnemende gemeenten wordt deelgenomen;

  • -

    het op strategisch-inhoudelijk niveau aansturen van Bureau Brussel;

  • -

    het voeren van overleg op andere domeinen, op basis van vrijwilligheid;

  • -

    het adviseren van de deelnemende gebieden op domeinen waarop overleg plaatsvindt.

Het GO is een 'overleg-organisatie'. De portefeuillehoudersoverleggen vormen de ruggengraat van deze samenwerking. Er is, door de mogelijkheid op andere dan in de regeling genoemde domeinen een overleg te starten op basis van vrijwilligheid van de deelnemende gemeenten - zo bestaat het voornemen voor een portefeuillehoudersoverleg 'milieu en duurzaamheid' -, ruimte voor flexibiliteit. Het GO is nadrukkelijk geen beslisorganisatie. Er worden daarom geen bevoegdheden overgedragen aan het GO.

Artikel 5 Bureau Brussel

Binnen de (voormalige) Stadsregio Arnhem Nijmegen is een 'Bureau Brussel' werkzaam. De deelnemende gemeenten willen dit bureau, met zijn werkzaamheden, voortzetten. Bureau Brussel wordt daartoe onder de vleugels van het nieuwe GO geplaatst. Het GO gaat de strategisch-inhoudelijke koers van het bureau bepalen. Fysiek wordt het bureau (de mensen die samen het bureau vormen) ondergebracht bij de gemeente Arnhem. De kosten van Bureau Brussel worden gedragen door alle deelnemende gemeenten.

Bureau Brussel behartigt de belangen van de stadregio in Europa. Het werkt voor de gemeenten, voor kennisinstellingen en het bedrijfsleven uit de City Region. Het was de laatste jaren al Triple Helix georiënteerd, en blijft dat ook. De focus van de belangenbehartiging ligt op het versterken van de regionale economie door Europese kansen te benutten en Europese subsidies te verwerven,in Europees verband samen te werken met andere steden en regio’s en te lobbyen op thema’s die voor de regio van belang zijn. Het economische belang en de versterking van het vestigingsklimaat staan hierbij voorop.

Artikel 6 Samenstelling, wijze van vergaderen en regelement van orde

De vergaderingen van het GO zijn openbaar. Dat is een nadrukkelijke keuze, gemaakt vanuit de behoefte aan democratische transparantie en legitimatie van het GO. De wet verplicht niet tot openbaarheid (artikel 23, lid 5, Wgr).

Besluiten neemt het GO bij meerderheid van stemmen. Hierbij heeft iedere deelnemende gemeente één stem: 'one man, one vote'.

Voor de vergaderingen van het GO zelf en de in artikel 4 genoemde portefeuillehoudersoverleggen stelt het GO een reglement van orde vast. Hierbij wordt flexibiliteit van vergaderen zoveel als mogelijk gefaciliteerd. De synchronisatie tussen de diverse overleggen wordt geborgd door enkele minimale eisen vast te stellen.

Bij het bepalen van de wijze van vergaderen in het Reglement van Orde moet in ieder geval aandacht worden besteed aan de wijze van agenderen, het aanleveren van stukken voor een overleg, de handelwijze in het geval de stemmen staken, de taken van de voorzitter, de taken van de ambtelijk secretaris, het beantwoorden van vragen van een raadslid en de verhouding/afstemming tussen het overleg binnen het GO en de portefeuillehoudersoverleggen.

Artikel 7 Informatie, verantwoording en evaluatie

Het GO is een regeling van de colleges van de deelnemende gemeenten. Het is belangrijk dat de democratische legitimatie goed geborgd is. Dit artikel voorziet in de basis hiervoor (zie ook artikel 17 en 19 van de Wgr).

Bovenop de wettelijke verplichtingen, wordt bepaald dat het GO actief - dus op eigen initiatief - informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten geeft, en tenminste eenmaal per jaar een bijeenkomst houdt voor alle gemeenteraadsleden van de deelnemende gemeenten. Hierbij wordt gedacht aan een 'Regiodag'. Met een Regiodag willen we ideeën ophalen, elkaar inspireren, verantwoording afleggen en nieuwe contacten leggen en bestaande contacten versterken.

De Regiodag versterkt de binding tussen het GO en de gemeenteraden, én die tussen de gemeenteraden onderling. Daarmee wordt de democratische legitimiteit van het GO vergroot, en het fundament onder de samenwerking verstevigd.

De Raad voor het openbaar bestuur (Rob) komt in de loop van 2015 op verzoek van de Tweede Kamer met adviezen over de borging van de democratische legitimiteit bij regionale samenwerking, die concreet toepasbaar moeten zijn in de praktijk. We zien met belangstelling uit naar die adviezen, waarin we verdere handvatten hopen te vinden om de (ver)binding met de gemeenteraden te versterken.

De samenwerking zal periodiek worden geëvalueerd.

De eerste evaluatie zal in de loop van 2016 worden gehouden. Bij deze evaluatie zullen (in ieder geval) de volgende criteria getoetst worden:

  • -

    de slagvaardigheid van de samenwerking, kan er adequaat worden gereageerd op voorkomende opgaven en uitdagingen (bv. doorlooptijd);

  • -

    de verhouding tussen de bereikte resultaten enerzijds en de bestuurlijke en ambtelijke inzet anderzijds;

  • -

    de vraag of de gemeenteraden zich voldoende herkennen in het proces van samenwerking;

  • -

    de kwaliteit van de gemeenschappelijk geformuleerde regionale agenda;

  • -

    de positie die het samenwerkingsverband inneemt richting haar strategische partners (provincie, triple helix, Rijk en EU);

  • -

    maximale administratieve eenvoud ('lean and mean').

Artikel 8 De Voorzitter

De burgemeester van Arnhem en Nijmegen zijn bij toerbeurt voor een periode van vier jaar voorzitter van het GO. De voorzitter is geen lid van het GO, en heeft daarom geen stemrecht.

Het GO benoemt, telkens voor de genoemde periode van vier jaar, uit één van de andere deelnemende gemeenten een vicevoorzitter. De vicevoorzitter is, anders dan de voorzitter, wel lid van het GO, naar analogie met de wijze waarop het (vice-)voorzitterschap van de gemeenteraad is geregeld.

Artikel 9 Begroting en Bijdrage

In de Wgr is geregeld dat het gemeenschappelijk orgaan (GO) de begroting vaststelt en vóór 1 augustus van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor zij dient, aan gedeputeerde staten stuurt. In de regeling wordt het bestuur tot 1 juli de tijd gegeven om de begroting vast te stellen. De gemeenteraden van de deelnemende gemeenten krijgen acht weken de tijd om hun zienswijze op de begroting te geven (artikel 35 Wgr). Door de keuze van 1 juli is meer gegarandeerd - gelet op het zomerreces - dat de raad daadwerkelijk gebruik kan maken van de periode van acht weken om zijn zienswijze te geven.

Het GO wordt bekostigd doordat elke deelnemende gemeente een bedrag per inwoner bijdraagt. Dit bedrag per inwoner wordt tijdig door het GO vastgesteld en verwerkt in de begroting. Voor het inwonertal wordt gebruik gemaakt van het inwonertal van de gemeente op 1 januari van het jaar daarvoor, zoals bekend bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zoals uit artikel 10 van de regeling blijkt, wordt een eventueel tekort ook omgeslagen over de deelnemende gemeenten naar rato van het inwonertal van elke gemeente.

Op grond van artikel 35 van de Wgr zijn de artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet van toepassing, voor zover hier bij of krachtens de Wgr niet van af is geweken. Zo is bijvoorbeeld ten aanzien van de controle op de administratie artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Van de vaststelling van de begroting wordt terstond mededeling gedaan aan de besturen van de deelnemende gemeenten, die ervoor zorgdragen dat het in deze begroting voor de gemeente als bijdrage in de kosten van het gemeenschappelijk orgaan geraamde bedrag, in de gemeentebegroting wordt opgenomen.

Verder zij erop gewezen, dat het gemeenschappelijk orgaan vóór 15 april (art. 34b van de Wet gr) 'de algemene financiële en beleidsmatige kaders' aan de raden van de deelnemende gemeenten toezendt. Dit is niet de begroting, maar zoiets als een gemeentelijke Perspectiefnota, waarin in hoofdlijnen staat beschreven wat het komende jaar op financieel gebied valt te verwachten.

Met het oog op de eigen begrotingscyclus van gemeentebesturen is het voor het gemeentebestuur van belang tijdig te weten welk bedrag er op de begroting moet worden opgenomen ten faveure van de GO. Daarom is bepaald dat het GO vóór 1 mei dit bedrag vast te stellen, zodat het gemeentebestuur zijn bijdrage tijdig kan berekenen en kan opnemen in de begroting van zijn gemeente. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij artikel 34b van de Wet die bepaalt dat het GO vóór 15 april 'de algemene financiële en beleidsmatige kaders' (en de voorlopige jaarrekening) aan de raden van de deelnemende gemeenten toezendt.

Omdat het GO geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft, kan deze niet zelf rechtshandelingen verrichten. Het GO kan bijvoorbeeld niet uit eigen naam betalingen verrichten en personeel in dienst hebben. Daarom is het noodzakelijk om een faciliterende gemeente te hebben die namens het GO de kassiersfunctie waarneemt en de noodzakelijke administratieve werkzaamheden verricht.

Artikel 10 Jaarrekening

Het GO stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het GO zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten (art. 34 Wgr). In afwijking van deze bepaling is in deze regeling gekozen voor 1 juli als uiterste datum van vaststelling, zodat voor het zomerreces van de raad duidelijkheid bestaat.

Het ligt voor de hand dat elk deelnemend college ook de gemeenteraad informeert over de vaststelling van de jaarrekening van het GO.

Artikel 11 en 12 Toe- en uittreding, wijziging en opheffing

De Wgr verplicht tot het opnemen van bepalingen over toe- en uittreding, wijziging van de regeling en opheffing van het GO. Deze bepalingen geven duidelijkheid over de wijze waarop, en onder welke voorwaarden, dergelijke besluiten genomen moeten worden. De colleges van b. en w. zijn bevoegd te besluiten tot wijziging en opheffing. Wel is steeds de toestemming nodig van de gemeenteraad (artikel 1 Wgr).

Lid 4 bepaalt dat het gemeenschappelijk orgaan voorwaarden kan verbinden aan de toe- of uittreding van een gemeente. Van deze bepaling zal in het geval van uittreding uitsluitend gebruik worden gemaakt in een situatie waarin het uittreden voor de overblijvende deelnemers aan het gemeenschappelijk orgaan onredelijke financiële gevolgen met zich zou brengen ten aanzien van Bureau Brussel.