Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BrunssumStaatscourant 2015, 48175Instelling gemeenschappelijke regelingen

Gemeenschappelijke regeling van ISD BOL

Logo Brunssum

Het college van de gemeente Brunssum maakt bekend dat de Gemeenschappelijke Regeling ISD BOL per 1 januari 2016 wordt gewijzigd en als volgt komt te luiden:

 

Gemeenschappelijke regeling van ISD BOL

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze regeling verstaat onder:

  • a.

    ISD BOL: het openbaar lichaam Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf, als bedoeld in 3, verder te noemen: de dienst;

  • b.

    gemeente(n): de bij de regeling aangesloten gemeenten Brunssum, Onderbanken en Landgraaf;

  • c.

    gemeentebesturen: de raden en de colleges van burgemeester en wethouders, ieder voor zover zij bevoegd zijn;

  • d.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.

Artikel 2 Belang

De regeling behartigt door het op bedrijfsmatige wijze uitvoeren van taken op terreinen van het sociaal domein, de belangen van de gemeenten op genoemde terreinen. De dienst neemt daarbij de geformuleerde visie en missie in acht. Deze taken worden nader bepaald in artikel 6 en artikel 10 van deze regeling.

Artikel 3 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam: ISD BOL. Het openbaar lichaam is gevestigd te Brunssum.

  • 2.

    Het rechtsgebied van de dienst omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

Artikel 4 Bestuursorganen

De dienst kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2 Het algemeen bestuur

Artikel 5 Samenstelling van het algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur is samengesteld als volgt:

    van iedere gemeente: het collegelid dat belast is met de portefeuille sociale zaken plus twee door de gemeenteraad uit diens midden aan te wijzen leden.

  • 2.

    De raden van de gemeenten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden en twee plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur.

  • 3.

    De conform lid 2 van dit artikel aangewezen leden van het algemeen bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 17 lid 3, zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad.

  • 4.

    De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuwe leden door de nieuwe raden van de gemeenten zijn aangewezen. De leden-portefeuillehouders blijven lid van het bestuur tot het moment waarop in hun opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het lid dat ophoudt lid van de raad te zijn, respectievelijk het bestuurslid dat niet langer portefeuillehouder sociale zaken is, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 6.

    Het lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens of wier plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 7.

    De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur alsmede de raad die hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk. Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 8.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt in de eerstkomende vergadering plaats van de raad die het aangaat.

Artikel 6 Taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Ter vervulling van het doel van de dienst heeft het algemeen bestuur de taak om het beleid te ontwikkelen en voor te bereiden op strategisch, tactisch en operationeel niveau.

  • 2.

    Aan het algemeen bestuur komen alle bevoegdheden toe, die nodig zijn voor de vervulling van de taak als bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de bevoegdheden, die bij wet of in deze regeling aan een ander bestuursorgaan zijn toebedeeld.

  • 3.

    Het vaststellen van verordeningen en van beleid blijft de bevoegdheid van de afzonderlijke gemeenteraden.

Artikel 7 De werkwijze van het algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken geldt de procedure zoals beschreven in artikel 32 lid 4 van de Gemeentewet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur zulks verzoeken (onder schriftelijke opgave van de redenen). In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 4.

    Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen- met uitzondering van de stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd,– worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. (Art 19 Gemeentewet en art 22 Wet gemeenschappelijke regelingen).

  • 5.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 6.

    De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 7.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

  • 8.

    Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (totstandkoming besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het bestuur).

Artikel 8 Besloten vergadering

Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur over de geheimhouding van de inhoud van stukken is het bepaalde in art. 23 lid 1 tot en met 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het beleidsplan, de begroting (wijziging), de jaarrekening en het liquidatieplan.

Hoofdstuk 3 Het dagelijks bestuur

Artikel 9 Samenstelling van het dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met dien verstande, dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid van het algemeen bestuur mogen uitmaken. De aldus aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur oefenen hun functie uit met ingang van de eerste vergadering van het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur treden, onverminderd het bepaalde in artikel 15 derde lid, af op de dag van aftreden van het algemeen bestuur. Ze houden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 4.

    De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die openvallen, vindt plaats binnen 2 maanden of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 5.

    Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid te zijn van het dagelijks bestuur.

Artikel 10 Taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur

  • 1.

    De taken van het dagelijks bestuur zijn:

    • a.

      de uitvoering van onderdelen van de Participatiewet inclusief de invoeringswet, de uitvoering van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) en de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ), de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en bij deze wetten behorende algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen.

    • b.

      de uitvoering van andere door een of meer deelnemende gemeenten aan de dienst opgedragen taken binnen het sociaal domein.

    • c.

      het verlenen van diensten aan gemeenten en andere organisaties buiten het onder artikel 3 lid 2 genoemde rechtsgebied, met dien verstande dat het algemeen bestuur hiermee dient in te stemmen. De diensten worden verleend tegen een vooraf overeengekomen prijs. Verschuldigde BTW wordt apart in rekening gebracht.

  • 2.

    Aan het dagelijks bestuur van de dienst komen alle bevoegdheden toe, die nodig zijn voor de uitvoering van de bovengenoemde opgedragen taken.

  • 3.

    De vaststelling van nadere regels op grond van de verordeningen dan wel op grond van het minimabeleid is de bevoegdheid van de afzonderlijke Colleges, tenzij deze bevoegdheid is gedelegeerd aan het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Voorts heeft het dagelijks bestuur, onverminderd het bepaalde in artikel 33 b van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de volgende taken en bevoegdheden:

    • a.

      het vertegenwoordigen van de dienst binnen regionaal bestuurlijk overleg.

    • b.

      het behartigen van de belangen van de dienst bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen, waarmee contact voor de dienst van belang is.

    • c.

      het houden van toezicht op het functioneren van de dienst.

Artikel 11 Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van redenen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.

  • 2.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.

Artikel 12 kaders

  • 1.

    De uitvoering van de opgedragen taken is gebonden aan het door de gemeenten ingevolge artikel 19 vastgestelde beleidsplan.

  • 2.

    Deze taken worden zoveel mogelijk uitgevoerd in samenwerking met ketenpartners en (overige) organisaties op het gebied van werk, scholing, zorg en inkomen.

Hoofdstuk 4 De voorzitter en de vicevoorzitter

Artikel 13 Aanwijzing, taak en vervanging

  • 1.

    De voorzitter en de vicevoorzitter worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2.

    Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de vicevoorzitter.

  • 3.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 4.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 5.

    De voorzitter vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 5 De directeur

Artikel 14 Benoeming, taak en aansturing

  • 1.

    De bestuursorganen worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt.

  • 2.

    De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur wijst een plaatsvervanger voor de directeur aan, die de directeur in geval van verhindering of ontstentenis vervangt.

  • 4.

    De directeur fungeert in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur als secretaris.

  • 5.

    De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 6.

    De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de dienst.

  • 7.

    De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur komt jaarlijks met de directeur een bedrijfsplan overeen, waarin de door de dienst te leveren prestaties zijn vastgelegd.

  • 9.

    De directeur is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur.

Hoofdstuk 6 Informatie, verantwoording en ontslag

Artikel 15 Intern

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven tezamen, dan wel afzonderlijk, gevraagd of ongevraagd, aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit.

  • 4.

    De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 16 Extern door het algemeen en dagelijks bestuur

Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de gemeenten gevraagd en ongevraagd alle informatie, die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren bestuur nodig is.

Artikel 17 Extern door individuele leden van het algemeen bestuur.

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad, waarbinnen dit lid zitting heeft, alle inlichtingen die door de raad of door een of meer leden van de raad worden verlangd en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de desbetreffende raad aangegeven wijze.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad waarbinnen dit lid zitting heeft verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de desbetreffende raad aangegeven wijze.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad waarbinnen dit lid zitting heeft uit het algemeen bestuurworden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit.

Hoofdstuk 7 Het personeel

Artikel 18 Personeel

  • 1.

    De rechtspositie alsmede de bezoldiging van het personeel wordt door het dagelijks bestuur vastgesteld. Hierbij is de rechtspositie van de Stadsregio Parkstad Limburg van overeenkomstige toepassing.

    Evenzo zijn voor het personeel het sociaal statuut en de overgangsregeling, voor zover nog van toepassing, geldig zoals voor de dienst met de bonden in het kader van de totstandkoming van de dienst is afgesloten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden die buiten de kaders van de onder lid 1 genoemde rechtspositie vallen.

  • 3.

    De bevoegdheid tot aanstelling, schorsing en ontslag van het personeel, met uitzondering van de afdelingshoofden, kan het dagelijks bestuur mandateren aan de directeur.

Hoofdstuk 8 Het beleidsplan en het jaarverslag

Artikel 19 Het beleidsplan

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bereidt tenminste eenmaal per 4 jaren(gelijklopend met de zittingsperiode van de gemeenteraad) vóór 1 november een meerjarenbeleidsplan voor en legt dit ter goedkeuring en vaststelling voor aan de raden van de deelnemende gemeenten. In het beleidsplan staat welk beleid voor de gemeenten wordt uitgevoerd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt op basis van het meerjarenbeleidsplan jaarlijks het bedrijfsplan voor de dienst op.

  • 3.

    Als de raad van een gemeente ten aanzien van een bepaald onderwerp een eigen beleid wenst uit te voeren, dat afwijkt van het gemeenschappelijk beleid, wordt ook het afwijkende beleidsstandpunt van deze gemeente in het bedrijfsplan opgenomen en door de dienst uitgevoerd. Voor de financiële gevolgen hiervan is artikel 22, lid 3, onder 2, van toepassing.

  • 4.

    Op basis van het meerjarenbeleidsplan wordt jaarlijks een programmabegroting opgesteld, waarin de activiteiten voor elk jaar worden aangegeven met de vermelding van de daarvoor benodigde financiële en personele middelen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks het jaarverslag op. Het jaarverslag wordt door het algemeen bestuur vastgesteld en samen met de jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten ter kennisname aangeboden.

Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen

Artikel 20 Financieel en administratief beheer

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast voor het financiële en administratieve beheer van de dienst. Het bepaalde in artikel 212 en 213 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De door de gemeente aan de dienst verstrekte budgetten in het kader van de uitvoering van onderdelen van de Participatiewet (inkomensdeel en werkdeel) en andere fondsen en doeluitkeringen, die door het rijk aan de gemeenten zijn verstrekt, bedoeld voor de uitvoering van de in artikel 6 en 10 bedoelde taken, worden door de dienst beheerd.

Artikel 21 Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks voor 1 april een, op basis van het in artikel 19 genoemde meerjarenbeleidsplan opgestelde, ontwerpbegroting van de dienst voor het komende kalenderjaar, vergezeld van een toelichting, aan de raden van de gemeenten.

  • 2.

    De ontwerpbegroting wordt door de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en is tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen 8 weken na toezending van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur van hun zienswijze laten blijken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast uiterlijk op 1 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting moet dienen.

  • 5.

    Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting ter kennisname aan de raden van de gemeenten.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen 2 weken na vaststelling daarvan, doch uiterlijk voor 15 juli, aan Gedeputeerde Staten.

  • 7.

    De in dit artikel genoemde procedure, met uitzondering van de daarin genoemde data, is van overeenkomstige toepassing op de besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 22 Bijdragen van de gemeenten

  • 1.

    In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de aan de dienst opgedragen taken. De vergoeding voor geleverde diensten van de gemeenten aan de dienst, die in mindering kan worden gebracht op de verschuldigde bijdrage wordt separaat zichtbaar gemaakt in de begroting.

  • 2.

    De bijdrage per gemeente in de begroting bestaat uit directe en indirecte aan de gemeenten toe te rekenen kosten.

  • 3.

    De direct aan een gemeente toe te rekenen kosten betreffen de kosten, die rechtstreeks ten behoeve van deze gemeente zijn gemaakt. Dit betreft:

    • 3.1

      programmakosten waaronder wordt verstaan alle kosten die direct voortvloeien uit de toepassing van beleid en regelgeving in de uitvoering van de in artikel 6 en 10 genoemde taken onder aftrek van de daarvoor ontvangen ontvangsten.

    • 3.2

      alle extra kosten van de dienst, die worden veroorzaakt door gemeentelijk beleid als bedoeld in artikel 19 lid 3, dat afwijkt van het algemene beleid.

  • 4.

    De indirect aan een gemeente toe te rekenen kosten betreffen de kosten, die niet rechtstreeks ten behoeve van deze gemeente zijn gemaakt, en die derhalve slechts via een verdeelsleutel zijn toe te rekenen aan de betreffende gemeente. Dit betreft:

    • 4.1

      apparaatskosten waaronder salarislasten, overige personele lasten, etc.

    • 4.2

      beheerskosten, waaronder organisatielasten, huisvestingslasten, etc.

  • 5.

    De toe te passen verdeelsleutel zal jaarlijks worden opgenomen in de ontwerpbegroting.

  • 6.

    Een eventuele tussentijdse onder- of overschrijding van de begroting op de in lid 3 en 4 genoemde kosten, wordt door de dienst op overeenkomstige wijze verrekend met de deelnemende gemeente.

  • 7.

    Direct na ontvangst door de gemeenten van de betalingen van het rijk voor de kosten zoals bedoeld in lid 3 en 4 worden de budgetten door de gemeente aan de dienst overgemaakt.

  • 8.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur.

  • 9.

    Over wijzigingen met betrekking tot de wijze waarop verrekening met de gemeenten plaatsvindt, beslist het algemeen bestuur.

Artikel 23 Voortgangsrapportages

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt tweemaal per jaar middels een bestuursrapportage verantwoording af aan het algemeen bestuur over de voortgang en de eindprognose van de in de programmabegroting opgenomen beleidsdoelstellingen, de uitputting van de middels de programmabegroting ter beschikking gestelde budgetten en de overige afspraken, zoals die zijn vastgelegd in het in de artikelen 14 en 19, lid 2, genoemde bedrijfsplan.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt deze bestuursrapportage zo snel mogelijk na vaststelling aan het algemeen bestuur, onder gelijktijdige toezending aan de raden van de gemeenten.

  • 3.

    De raden van de gemeenten kunnen binnen 8 weken nadat de bestuursrapportage hen is toegezonden daartegen schriftelijk bij het algemeen bestuur bezwaar indienen.

Artikel 24 De jaarrekening

  • 1.

    Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar met alle bijbehorende bescheiden jaarlijks voor 1 april ter voorlopige vaststelling aan het algemeen bestuur aan, onder gelijktijdige toezending aan de raden van de gemeenten. De rekening moet zijn vergezeld van een verslag van het onderzoek naar de getrouwheid en de rechtmatigheid van de jaarrekening ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de gemeentewet aangewezen deskundigen en van hetgeen het dagelijks bestuur voor zijn verantwoordingstaak verder dienstig acht.

  • 2.

    In de rekening wordt voor elk van de gemeenten overeenkomstig de toerekeningsmethodiek zoals verwoord in artikel 22, leden 5 en 6, het bedrag opgenomen dat voor rekening van de desbetreffende gemeente komt. De vergoeding voor diensten die de gemeente aan de dienst heeft geleverd worden hierbij separaat zichtbaar gemaakt.

  • 3.

    Na afloop van elk kalenderjaar en uiterlijk 4 weken na de vaststelling van de jaarrekening van de dienst vindt tussen de dienst en de gemeenten een definitieve afrekening plaats overeenkomstig de in artikel 22 vastgelegde afspraken.

  • 4.

    De raden van de gemeenten kunnen binnen 8 weken nadat de rekening overeenkomstig het eerste lid is toegezonden, daartegen bij het algemeen bestuur bezwaar indienen.

  • 5.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de rekening en stelt haar vast uiterlijk op 1 juli van het jaar volgend op het jaar, waarop de rekening betrekking heeft. Het algemeen bestuur doet de raden van de gemeenten mededeling van de vaststelling.

  • 6.

    Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 7.

    De rekening wordt binnen 2 weken na de afrekening, doch uiterlijk voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten verzonden.

Artikel 25 Liquiditeit

De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de dienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

Artikel 26 Medewerking gemeenten

  • 1.

    De gemeenten verlenen hun medewerking aan de uitvoering van de besluiten die het bestuur van de dienst neemt binnen de aan het bestuur toegekende bevoegdheden.

  • 2.

    Als de gemeente, naar het oordeel van het bestuur de in lid 1 bedoelde medewerking niet of in onvoldoende mate verleent, kan het bestuur namens of ten laste van de gemeente een besluit uitvoeren of laten uitvoeren.

    Alvorens daartoe over te gaan stelt het bestuur de betrokken gemeente daarvan in kennis.

Hoofdstuk 10 Het archief

Artikel 27 Archief

  • 1.

    De bepalingen van de Archiefwet en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsregelingen voor zover deze betrekking hebben op de archiefbestanden van de organen ingesteld bij een regeling zoals bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing op de dienst.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbestanden van de dienst. Artikel 31 lid 5 van deze regeling is eveneens van toepassing.

  • 3.

    Ten aanzien van de archiefbestanden zijn de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring, het beheer en het toezicht daarop van de gemeente waar het back-office is gevestigd van overeenkomstige toepassing

  • 4.

    Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden overgebracht naar de bewaarplaats van het in het derde lid bedoelde archief.

Hoofdstuk 11 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 28 Toetreding en uittreding

  • 1.

    De raad en het College van burgemeester en wethouders van een nieuwe gemeente, die wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in lid 1 binnen 12 weken door aan de besturen van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

  • 3.

    Toetreding vindt plaats indien de raden en de Colleges van burgemeester en wethouders van de meerderheid der deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 4.

    De raad en het College van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente kunnen tot uittreding besluiten.

  • 5.

    Van de besluiten als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk drie kalendermaanden voor het einde van het kalenderjaar kennisgegeven aan het algemeen bestuur.

  • 6.

    De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur in kennis is gesteld van het genoemde in lid 4 en5.

  • 7.

    De financiële schade die door de uittreding aan de dienst is toegebracht wordt, inclusief de hierdoor ontstane wachtgeldverplichtingen, aan de uittredende gemeente in rekening gebracht.

  • 8.

    Voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in lid 7 wordt door de dienst en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.

Artikel 29 Wijziging

  • 1.

    De regeling wordt gewijzigd door een besluit van de raden en de Colleges van burgemeester en wethouders van tweederde van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De wijziging wordt opgenomen in de registers, zoals bedoeld artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, van de deelnemende gemeenten.

Artikel 30 Opheffing en liquidatie

  • 1.

    De regeling wordt ontbonden en het openbaar lichaam ISD BOL daarmee opgeheven, indien de raden en de Colleges van burgemeester en wethouders van tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

  • 2.

    In geval van ontbinding van de regeling en daardoor de opheffing van het openbaar lichaam ISD BOL wordt door het algemeen bestuur, de raden en de colleges van burgemeester en wethouders gehoord hebbende, een liquidatieplan vastgesteld. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten om alle rechten en verplichtingen van de dienst te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het archief.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 7.

    De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Artikel 31 Bekendmaking en inwerkingtreden toetreding, uittreding, wijziging enopheffing

  • 1.

    De deelnemende gemeenten maken de besluiten tot het wijzigen of opheffen van de regeling in hun eigen gemeenten bekend op de wijze als bedoeld in artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. De gemeente die toetreedt tot, of uittreedt uit de regeling, maakt het besluit tot toe- of uittreding in de eigen gemeente bekend op de wijze zoals in bedoeld in artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Het bestuur van de gemeente waar de dienst is gevestigd zendt de besluiten tot toetreding, uittreding, wijziging of opheffing van de gemeenschappelijke regeling aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de deelnemende gemeenten zijn gelegen.

  • 3.

    Het bestuur van de gemeente , waar de dienst is gevestigd maakt de besluiten tot wijziging, opheffing, alsmede besluiten tot toetreding of uittreding tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant. Artikel 140 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Een besluit tot toetreding, uittreding, wijziging of opheffing treedt niet eerder in werking dan nadat het door alle gemeenten op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 32 Onvoorziene effecten

  • 1.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur zoveel mogelijk analoog aan of in de geest van de Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen en deze regeling.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van deze regeling voortvloeien worden ter bespreking voorgelegd aan de Colleges van de deelnemende gemeenten.

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Artikel 33 Duur van de regeling

De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 34 Titel

Deze regeling kan worden aangehaald als gemeenschappelijke regeling van ISD BOL.

Aldus besloten door:

De raad van de gemeente Brunssum, in zijn openbare vergadering van 2 december

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum,

in zijn vergadering van 15 december