Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 9 december 2015, nr. WJZ/15082184, houdende wijziging van diverse regelingen ter verduidelijking van de bevoegdheid om uitvoering te geven aan Europese verordeningen en enkele andere wijzigingen

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 6.2, 6.3, tweede lid en 6.4 van de Wet dieren en artikel 4.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling dierlijke producten wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.2 Minister bevoegde instantie EU-verordeningen

  • 1. Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.7 of 3.1 van het besluit dat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.

B

Artikel 2.15 vervalt.

C

Artikel 2.16, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Met toepassing van artikel 39 van verordening (EG) nr. 889/2008 is het bedrijven met ten hoogste tien runderen toegestaan die dieren aan te binden, indien ze niet in aan hun gedrag aangepaste groepen kunnen worden gehouden en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in dat artikel.

D

Artikel 2.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en het zesde lid vervallen.

2. Het tweede tot en met vijfde lid worden vernummerd tot eerste tot en met vierde lid.

3. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘De Minister’ vervangen door: De minister.

4. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid’ vervangen door: de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.

E

Artikel 2.23 komt te luiden:

Artikel 2.23 Stichting COKZ

De Stichting COKZ is bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van verordening (EG) nr. 543/2008 of verordening (EG) nr. 589/2008 dat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst.

F

Artikel 4.2 vervalt.

ARTIKEL II

De Regeling diervoeders 2012 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel f vervalt.

4. De onderdelen g, h en i worden geletterd f, g en h.

5. Onder vervanging van de puntkomma aan het einde van onderdeel h(nieuw) door een punt vervallen de onderdelen j, k en l.

B

Hoofdstuk 3, § 1, wordt vernummerd tot § 1b.

C

Na het opschrift van hoofdstuk 3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 1a. Algemene regels ter uitvoering van communautaire verordeningen

Artikel 6a
  • 1. Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in artikel 2.1 van het besluit dat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.

D

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:.

2. In het tweede lid wordt ‘De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b’ vervangen door: Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b.

E

Artikel 8 vervalt.

F

In artikel 13 wordt ‘Het is verboden in strijd te handelen met’ vervangen door: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn.

G

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid en de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

2. ‘Het is verboden in strijd te handelen met’ wordt vervangen door: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn.

H

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid en de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

2. ‘Het is verboden in strijd te handelen met’ wordt vervangen door: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn.

I

In de artikelen 22, 23 en 24 wordt ‘Het is verboden in strijd te handelen met’ telkens vervangen door: Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn.

J

In artikel 31, vierde lid, artikel 32, derde lid, en artikel 33, tweede lid, wordt ‘Het is verboden in strijd te handelen met’ telkens vervangen door: Voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, zijn.

K

Artikel 58 vervalt.

L

Het opschrift van hoofdstuk 7 komt te luiden:

HOOFDSTUK 7. OVERIGE BEPALINGEN

M

Na het opschrift van hoofdstuk 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 65

Hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van tarieven door de Stichting Skal voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.5 van het besluit.

N

Artikel 65a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid en de aanduiding ‘1’ voor het eerste lid vervallen.

2. ‘Onverminderd het eerste lid blijft na 31 augustus 2011 de Regeling diervoeders zoals die luidde bij de inwerkingtreding van deze regeling’ wordt vervangen door: De Regeling diervoeders zoals die luidde bij de inwerkingtreding van deze regeling blijft’.

ARTIKEL III

De bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Na de kolom die betrekking heeft op artikel 2.25a van de Regeling dierlijke producten wordt een kolom ingevoegd, luidende:

Artikel 3.2, vierde lid, onderdelen b en c

3

B

De kolom die betrekking heeft op artikel 8 van de Regeling diervoeders 2012 vervalt.

ARTIKEL IV

De Regeling houders van dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.2 Minister bevoegde instantie EU-verordeningen

  • 1. Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van verordening (EG) nr. 1/2005, verordening (EG) nr. 1099/2009 en verordening (EG) nr. 617/2008, voor zover die verordening betrekking heeft op handelsnormen voor pluimveekuikens, waarin een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.

B

De artikelen 4.1 en 4.2 vervallen.

C

In artikel 8.5, tweede lid, wordt ‘de artikelen 3 en 4’ vervangen door: de artikelen 8.3 en 8.4.

ARTIKEL V

In artikel 2, onderdeel f, van het Besluit aanwijzing toezichthouders Wet dieren wordt ‘de artikel 2.1 en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren’ vervangen door: de artikelen 2.1 en 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.

ARTIKEL VI

  • 1. Artikel I, onderdelen A, B en D tot en met F, artikel II, artikel III, onderdeel B, artikel IV en artikel V treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdeel C, treedt in werking op 1 januari 2016.

  • 3. Artikel III, onderdeel A, treedt in werking op 1 april 2016.

  • 4. Artikel II, onderdelen L en M, werken terug tot en met 1 juli 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 9 december 2015

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

TOELICHTING

I Algemeen

Deze regeling wijzigt diverse ministeriële regelingen onder de Wet dieren. De belangrijkste wijzigingen worden in dit algemene deel toegelicht. De overige wijzigingen komen in het artikelsgewijze deel aan bod.

1. Bevoegde instantie Europese verordeningen

Europese verordeningen, richtlijnen en beschikkingen delen taken toe aan (de bevoegde autoriteiten van) lidstaten of aan ambtenaren als officiële dierenartsen. Aan lidstaten worden ook keuzen gelaten, bijvoorbeeld om toestemmingen te verlenen. Voor zover het om Europese verordeningen gaat, is de bevoegdheid om deze taken uit te oefenen volgens de memorie van toelichting bij het voorstel voor een Wet dieren geattribueerd aan de minister (destijds van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, nu Economische Zaken). De uitoefening van die bevoegdheid, die is geregeld in artikel 6.3, tweede lid, van de Wet dieren, kan worden gemandateerd aan ambtenaren.1 Bij wettelijk voorschrift kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de minister bevoegd is. Voor Europese verordeningen zijn in de uitvoeringsregelgeving van de Wet dieren daarom slechts bevoegde instanties aangewezen als het om bevoegdheden gaat die niet aan de minister zijn toebedeeld.

De memorie van toelichting sluit echter niet volledig aan op artikel 6.3, tweede lid, van de Wet dieren. In dat artikel staat namelijk dat de minister ten aanzien van Europese verordeningen bevoegd is de besluiten te nemen waartoe een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft of de keuze laat. Er zijn situaties denkbaar waarin een Europese verordening een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft of de keuze laat, zonder dat die persoon telkens een besluit hoeft te nemen. Denk bijvoorbeeld aan het verrichten van controles. Ook is niet altijd een actieve handeling van de overheid vereist. Een voorbeeld is de situatie waarin een exploitant een melding moet doen bij de bevoegde autoriteit.

Met deze regeling is verduidelijkt dat, ook als er geen besluit hoeft te worden genomen of als geen actieve handeling van de overheid is vereist, de minister in beginsel bevoegd is om uitvoering te geven aan Europese verordeningen. Gekozen is voor de formulering dat de minister onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet bevoegd is om uitvoering te geven aan voorschriften van bepaalde Europese verordeningen waarin een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit. Een uitzondering geldt, wanneer in de betreffende regeling anders is bepaald. Dat is bijvoorbeeld gedaan in artikel 2.23 van de Regeling dierlijke producten. Ten aanzien van de formulering van die bepaling geldt hetzelfde als voor de bevoegdheid van de minister. Dat artikel is derhalve ook aangepast.

Artikel I, onderdeel A, artikel II, onderdeel C, en artikel IV, onderdeel A, voorzien in deze verduidelijkingen, respectievelijk voor de Regeling dierlijke producten, de Regeling diervoeders 2012 en de Regeling houders van dieren. De grondslag voor de artikelen die in de bevoegdheid van de minister voorzien is artikel 6.4 van de Wet dieren. In die bevoegdheid is telkens met een algemeen artikel voorzien, dat in het begin van de betreffende regelingen is geplaatst. In verband daarmee zijn de specifieke artikelen in de Regeling diervoeders 2012 (de artikelen 8, 20, tweede lid, 21, tweede lid en 58) en de Regeling houders van dieren (de artikelen 4.1 en 4.2) vervallen. Ook is met artikel I, onderdeel E, artikel 2.23 van de Regeling houders van dieren aangepast. In dit artikel is de bevoegdheid van Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel op vergelijkbare wijze omschreven als de bevoegdheid van de minister.

2. Regeldruk

De wijzigingen van de Regeling dierlijke producten, de Regeling diervoeders 2012, de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, de Regeling houders van dieren en het Besluit aanwijzing toezichthouders Wet dieren hebben geen effect op de regeldruk. Er worden namelijk geen nieuwe verplichtingen voor burgers of bedrijven geïntroduceerd. De regeling bevat dus geen nieuwe administratieve lasten of nalevingskosten.

3. Inwerkingtreding

De artikelen I, onderdelen A, B, D tot en met F, II, III, onderdeel B, IV en V van deze regeling treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Omdat deze artikelen reparaties betreffen, wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn voor regelgeving. Artikel I, onderdeel C, treedt in werking op 1 januari 2016. Op die datum is de overgangsbepaling uitgewerkt die met artikel I, onderdeel C, komt te vervallen. Ten slotte treedt artikel III, onderdeel A, overeenkomstig de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn in werking op 1 april 2016.

Aan de inwerkingtreding van artikel II, onderdelen M en N, is terugwerkende kracht toegekend. Met deze onderdelen wordt hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 van overeenkomstige toepassing verklaard op de vaststelling van tarieven door de Stichting Skal voor toezicht op en keuring van biologische diervoeders. Hoofdstuk 8, dat de wettelijke grondslag voor de tarifering verduidelijkt, was al van toepassing tot 1 juli 2014 toen de regels over biologische diervoeders hun grondslag nog hadden in de Landbouwkwaliteitswet 2007. Bij de overheveling van die regels naar de Wet dieren is per abuis niet voorzien in overeenkomstige toepassingverklaring van hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007. Dat wordt met terugwerkende kracht hersteld. Hiermee is geen materiële wijziging van de heffingssystematiek beoogd. Het betreft slechts een verduidelijking die geen nadeel voor de heffingsplichtigen met zich brengt. De terugwerkende kracht komt daardoor niet in strijd met het rechtszekerheids- of legaliteitsbeginsel.

II Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen B en D

Het is niet nodig om voor te schrijven dat een aanvraag moet worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. De artikelen 2.15 en 2.21, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten zijn daarom vervallen. In beide gevallen volgt de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken al uit het nieuwe artikel 1.2 van die regeling.

Artikel I, onderdeel F

Artikel 4.2 van de Regeling dierlijke producten bevatte twee overgangsbepalingen voor de biologische productiemethode. Verordening (EG) nr. 889/20082 maakte tot en met 30 december 2013 mogelijk dat lidstaten bepaalde uitzonderingen toestonden. Artikel 4.2 was materieel uitgewerkt, omdat die periode inmiddels is verlopen. Dat artikel is zijn daarom vervallen.

Elders in de Regeling dierlijke producten, in artikel 2.16, eerste lid, eerste zin, stond een overgangsbepaling voor het aanbinden van runderen op (biologische) bedrijven met meer dan 50 dieren. Tot en met 31 december 2015 kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt. De betreffende zin van artikel 2.16, eerste lid, vervalt daarom per 1 januari 2016.

Artikel II, onderdeel A

In artikel 1, eerste lid, van de Regeling diervoeders 2012 zijn diverse begripsbepalingen vervallen, omdat ze niet langer in die regeling voorkomen. Het gaat om de begripsbepalingen van kwartier, starttarief, certificaat en geleidebiljet.

Artikel II, onderdelen D, F, G, H, I en J

Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren bevat een verbod om in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van Europese verordeningen. Dit verbod werd in verschillende artikelen van de Regeling diervoeders 2012 herhaald. Deze artikelen zijn met de bovengenoemde onderdelen van artikel II aangepast.

Artikel III, onderdeel A

Op grond van artikel 3.2, vierde lid, onderdelen b en c, van de Regeling dierlijke producten is het verplicht om zendingen van of naar een andere lidstaat van – onder meer – verwerkte dierlijke eiwitten te melden aan de minister. Voor de handhaving van deze verplichting is het nodig dat overtredingen kunnen worden bestraft met een bestuurlijke boete. Met artikel III, onderdeel A, wordt artikel 3.2, vierde lid, onderdelen b en c, van de Regeling dierlijke producten daarom toegevoegd aan de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren zodat bij overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de derde categorie (€ 2500). Met de boete van de derde categorie is aangesloten bij de indeling van vergelijkbare voorschriften.

Artikel III, onderdeel B

In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is geregeld dat bij overtreding van artikel 8 van de Regeling diervoeders 2012 een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Dat artikel bevat echter geen inhoudelijke norm. Die normen staan in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling diervoeders 2012, dat eveneens met een bestuurlijke boete gehandhaafd kan worden.

Het is dus niet nodig dat overtredingen van artikel 8 van die regeling met een bestuurlijke boete bestraft kunnen worden. Dat is hersteld met artikel III, onderdeel B, van deze regeling.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Kamerstukken II 2007-2008, 31 389, nr. 3, § 4.1.3.

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU 2008 L 250).

Naar boven