Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 november 2015, nr. DGAN-PDJNG 15151244, houdende vaststelling van beleidsregels over de kwaliteit van de opvang van beschermde inheemse diersoorten, beschermde uitheemse diersoorten en diersoorten die niet zijn opgenomen (beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten)

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 75, derde en vijfde lid, en 79, eerste lid, van de Flora- en faunawet en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. Deze beleidsregels gelden voor de verlening van een ontheffing van de artikelen 9, 13, eerste lid, en in voorkomend geval van artikel 15, tweede lid, van de Flora- en faunawet en van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet Dieren aan opvangcentra die dieren behorende tot beschermde inheemse of uitheemse soorten of dieren behorende tot de soorten die niet op bijlage 1 bij de Regeling houders van dieren zijn geplaatst, opvangen of gaan opvangen.

  • 2. Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op opvangcentra waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, is vereist.

Artikel 2

Een ontheffing als bedoeld in artikel 1 wordt slechts verleend indien:

  • a. het opvangcentrum van een vereniging of stichting is,

  • b. de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van de bijlage bij dit besluit,

  • c. het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger,

  • d. het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren.

Artikel 3

Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 1 wordt het handelen overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit als voorschrift verbonden.

Artikel 4

  • 1. Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor bepaalde tijd, op grond van de Flora- en faunawet en de Wet Dieren blijven van toepassing voor de periode waarvoor de ontheffing geldt.

  • 2. Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor onbepaalde tijd, op grond van de Flora- en faunawet en de Wet Dieren, blijven van toepassing tot 1 januari 2019.

Artikel 5

Het Besluit Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten wordt ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 16 november 2015

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

BIJLAGE

Protocol opvang verboden diersoorten, bedreigde uitheemse diersoorten en bedreigde inheemse diersoorten

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

beschermde inheemse diersoort:

dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten, bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet;

beschermde uitheemse diersoort:

dieren behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, bedoeld in artikel 5 van de Flora- en faunawet;

bestuur:

bestuur van het opvangcentrum;

minimaal benodigde zorg:

zorg die voldoet aan de onder artikel 1.6, 1.7, 1.8 en overeenkomstig artikel 3.12 van het Besluit houders van dieren beschreven voorwaarden;

niet aangewezen diersoorten:

diersoorten die niet geplaatst zijn op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren, met inbegrip van hybride dieren die in de laatste vier vooroudergeneraties van de lijn een of meer dieren telt die behoren of hebben behoord tot een zodanige diersoort, met uitzondering van beschermde inheemse en beschermde uitheemse diersoorten;

opvangcentrum:

een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren;

opvanginrichting:

aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, een beschermde inheemse diersoort of tot een zoogdiersoort die niet is opgenomen op de bijlage 1 van de Regeling houders van dieren;

soortgroep:

een verzameling verwante diersoorten.

Artikel 2 Doelstellingen
  • 1. Het opvangcentrum heeft in ieder geval als doel:

    • a. dieren behorend tot een beschermde uitheemse diersoort of niet aangewezen diersoort, die door direct of indirect menselijk handelen of nalaten in Nederland terecht is gekomen op te vangen, of

    • b. dieren behorend tot een beschermde inheemse diersoort, die door ziekte, verwonding, verwezing, of door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren, en

    • c. dieren zo spoedig mogelijk naar de natuur te laten terugkeren.

  • 2. De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen.

  • 3. Het opvangcentrum heeft mede als doel om, waar mogelijk voorlichting te geven over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbieden, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden en

    dat het houden van de desbetreffende diersoort op een verantwoorde wijze dient te gebeuren dan wel wordt ontmoedigd.

Artikel 3 Beperking activiteiten
  • 1. Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Met de opgevangen dieren vinden in het opvangcentrum geen commerciële activiteiten plaats, waaronder zijn begrepen het tentoonstellen van opgevangen dieren voor zover dit in tegenspraak is met de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, het verkopen, verhuren, verhandelen of uitlenen van opgevangen dieren.

  • 3. Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren met inachtneming van de, voor elke soortgroep apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum.

  • 4. Indien in het opvangcentrum andere dieren dan uit de vrije natuur afkomstige beschermde inheemse dieren aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de andere dieren in de faciliteiten van het opvangcentrum.

Artikel 4 Handelwijze
  • 1. Het bestuur legt schriftelijk het beleid of de handelwijze ten aanzien van de volgende onderwerpen vast:

    • a. opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie,

    • b. huisvesting en verzorging,

    • c. ontsnapping van dieren,

    • d. voeding,

    • e. hygiëne,

    • f. zoönosen,

    • g. maatregelen ter voorkoming van ongewenste zwangerschappen van opgevangen dieren,

    • h. veterinaire zorg,

    • i. structurele oplossingen voor opgevangen dieren, in voorkomend geval met bijbehorende contracten en hoe hiermee gewerkt wordt,

    • j. terugzetten van beschermde inheemse diersoorten in de natuur,

    • k. doden van opgevangen dieren,

    • l. kwalificaties van medewerkers,

    • m. veiligheid van medewerkers en dieren en openbare veiligheid,

    • n. organisatorische continuïteit,

    • o. bezoekers, en

    • p. register als bedoeld in artikel 37.

  • 2. Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde handelwijze, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In geval van opheffing van het opvangcentrum draagt de vereffenaar of de curator het eigendom van op grond van artikel 29 bij particulieren geplaatste dieren over aan een ander opvangcentrum.

Artikel 5 Bereikbaarheid
  • 1. Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid.

  • 2. Het opvangcentrum zorgt er ten minste voor dat:

    • a. het permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Landelijke Inspectiedienst en andere bevoegde opsporingsinstanties.

    • b. het publiek permanent informatie kan verkrijgen, inclusief over de handelwijze ten opzichte van op te vangen dieren buiten openingstijden van het opvangcentrum.

Artikel 6 Samenwerking andere opvangcentra
  • 1. Het opvangcentrum werkt constructief samen met andere opvangcentra samen ten einde kennis en kunde te vergroten en de best denkbare structurele oplossing voor het opgevangen dier te bewerkstelligen. Het opvangcentrum doet dit door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen met andere opvangcentra.

  • 2. Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra in het kader van het bepaalde in artikel 7, tweede lid en artikel 8, tweede lid.

Paragraaf 2. Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie

Artikel 7 Opvangbeleid
  • 1. Als onderdeel van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort, diersoorten of soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen.

  • 2. Het opvangcentrum verwijst dieren behorend tot soorten of soortgroepen die krachtens het beleid ten aanzien van opvang, bedoeld in het eerste lid, niet worden opgevangen door naar een opvangcentrum dat over de noodzakelijke ontheffingen beschikt.

Artikel 8 Opname en acceptatie
  • 1. Een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, indien:

    • a. het opvangcentrum het dier niet de minimaal benodigde zorg kan bieden,

    • b. het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft,

    • c. het dier een risico oplevert voor de aanwezige dieren,

    • d. de aanwezige dieren een risico vormen voor het nieuwe dier, of

    • e. het dier een risico oplevert voor de medewerkers in het opvangcentrum.

  • 2. Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier elders kan en mag worden geplaatst.

  • 3. Indien niet ingevolge het eerste of tweede lid kan worden geplaatst, wordt het dier gedood, overeenkomstig het bepaalde in artikel 31.

Paragraaf 3. Huisvesting en verzorging

Artikel 9 Opvanginrichting
  • 1. Indien een opvangcentrum over meerdere opvanginrichtingen beschikt, wordt per opvanginrichting een apart register, bedoeld in artikel 37, bijgehouden.

  • 2. Een opvanginrichting voldoet aan de artikelen 10 en 11.

  • 3. Een opvanginrichting beschikt over een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren.

Artikel 10 Verblijven
  • 1. Artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een beschermde uitheemse soort, beschermde inheemse soort of niet aangewezen soort’.

  • 2. De beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    • a. het soorteigen gedrag van de diersoorten,

    • b. de bewegingsvrijheid van de dieren,

    • c. de (sociale) levenswijze van de dieren, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier,

    • d. de behoefte van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel wanneer het gaat om een lichamelijk of psychisch ziek of gewond dier.

Artikel 11 Aanwezige ruimten
  • 1. Artikel 3.13 van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een beschermde uitheemse soort, beschermde inheemse soort of niet aangewezen soort’.

  • 2. Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid.

Artikel 12 Huisvesting

De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegepaste omschrijving van hetgeen als passende huisvesting en verzorging wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met:

  • a. de eis dat opgevangen dieren die een roofdier-prooi relatie hebben, elkaar niet kunnen waarnemen, en

  • b. in afwijking van a geldt dat voor vogels met een roofdier-prooidier relatie uitsluiten van visueel contact voldoende is.

Artikel 13 Voeding
  • 1. De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met:

    • a. de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoorten en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingstoffen,

    • b. afstemming van de wijze van frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoorten en die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier,

    • c. afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort, en

    • d. het gebruik van levend voer, indien dit voor de verzorging van de betreffende diersoort noodzakelijk is.

  • 2. Opgevangen dieren worden niet als voer voor andere dieren gebruikt.

  • 3. De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen.

Artikel 14 Hygiëne
  • 1. De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren.

  • 2. In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, komt in ieder geval het volgende aan de orde:

    • a. hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt,

    • b. hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten,

    • c. hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier,

    • d. hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte,

    • e. hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden.

Artikel 15 Zoönosen
  • 1. In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij de diersoort vermeld in artikel 7, eerste lid, in het opvangcentrum.

  • 2. Hierbij dient ten minste opgenomen te zijn:

    • a. een beschrijving van de zoönosen,

    • b. hoe deze herkend, vastgesteld of uitgesloten kunnen worden,

    • c. welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt,

    • d. welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen zoönosen.

Artikel 16 Voorkomen voortplanting
  • 1. Het opvangcentrum past het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, beschreven beleid toe om zwangerschappen te voorkomen.

  • 2. Het onder het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing indien het dier ingezet wordt voor het onder artikel 22, tweede lid, onderdeel c, genoemd internationaal fokprogramma.

  • 3. Het opvangcentrum houdt een administratie in het register, bedoeld in artikel 37, bij van geboortes die ondanks de genomen maatregelen toch hebben plaatsgevonden.

Artikel 17 Veterinaire zorg
  • 1. In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen:

    • a. op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd,

    • b. hoe het onderzoek, bedoeld in artikel 18, van binnengebrachte dieren plaatsvindt.

  • 2. Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één vaste dierenarts te laten berusten.

Artikel 18 Beoordeling binnengebracht dier
  • 1. Een daarvoor aangewezen vakbekwaam persoon beoordeelt ieder binnengebracht dier en stelt vast of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is.

  • 2. Indien het in het eerste lid genoemde dier verwond, getraumatiseerd of verweesd is, wordt contact opgenomen met een dierenarts en indien noodzakelijk met een op de soort toegespitste gedragsdeskundige.

  • 3. De beoordeling vindt onmiddellijk plaats aan de hand van het afwegingskader, genoemd in artikel 30, waarbij inzicht wordt gegeven in de structurele oplossing voor het dier.

  • 4. Van het genoemde in het eerste, tweede en derde lid, wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in het register en het logboek, bedoeld in de artikelen 37 en 38.

Artikel 19 Controle
  • 1. De gezondheid, algehele conditie, voedselopname en ontlasting van alle dieren worden dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum.

  • 2. De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 38 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 37.

  • 3. Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie, bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid.

  • 4. Indien noodzakelijk, schakelt de beheerder een dierenarts in.

Artikel 20 Verdenking aangifteplichtige dierziekten
  • 1. Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte.

  • 2. Het opvangcentrum geeft bij de verschijnselen, bedoeld in het eerste lid, terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Paragraaf 4. Structurele oplossingen

Artikel 21 Duur verblijf per soort
  • 1. De in artikel 3, derde lid, bedoelde maximale duur is voor:

    • a. vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden,

    • b. marterachtigen en vossen: negen maanden,

    • c. zeezoogdieren, hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden.

  • 2. Indien een dier langer dan maximale duur in het opvangcentrum verblijft, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37, inclusief een verwachte datum van loslaten, indien van toepassing.

Artikel 22 Structurele oplossingen
  • 1. Het opvangcentrum vindt zo spoedig mogelijk een structurele oplossing voor het opgevangen dier.

  • 2. Onder een structurele oplossing worden de volgende oplossingen verstaan:

    • a. het dier in vrijheid stellen in het land van oorsprong, indien sprake is van een uit de vrije natuur gehaalde beschermde uitheemse diersoort,

    • b. het dier in vrijheid stellen in Nederland, indien sprake is van opvang van een uit de vrije natuur afkomstig beschermde inheemse diersoort,

    • c. het dier inzetten voor een internationaal fokprogramma,

    • d. het dier inzetten in een instelling voor educatieve doeleinden,

    • e. het dier inzetten voor wetenschap bij een erkende instelling,

    • f. het dier inzetten voor het herstel van opgevangen soortgenoten,

    • g. het dier levenslang onder de juiste omstandigheden in opvang houden, en

    • h. het doden van het dier.

  • 3. Indien de structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, niet kan worden toegepast, wordt gekozen voor de structurele oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f. Indien de oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, niet kunnen worden toegepast, wordt gekozen voor een structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdeel g en h.

  • 4. Het in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde doden wordt uitgevoerd volgens de bepalingen genoemd in artikel 31.

  • 5. Voor iedere structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, dient het welzijn van het desbetreffende dier van doorslaggevende betekenis te zijn.

Artikel 23 In vrijheid stellen van dieren behorende tot uit de natuur afkomstige beschermde inheemse diersoorten
  • 1. Indien mogelijk wordt het beschermde inheemse dier op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten.

  • 2. Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt.

  • 3. Het in vrijheid stellen vindt plaats op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, in een geschikt natuurlijk habitat nabij de vindplaats.

  • 4. In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j, komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a. criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden,

    • b. criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld,

    • c. criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag, en

    • d. criteria op basis waarvan besloten kan worden dat het dier kan overleven in de vrije natuur.

  • 5. De beheerder, bedoeld in artikel 33, is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren.

Artikel 24 In vrijheid stellen van uit de vrije natuur afkomstige beschermde uitheemse diersoorten
  • 1. Indien het oorspronkelijke biotoop van een beschermd uitheems dier of niet aangewezen diersoort is te achterhalen en een dier terug kan naar het land van oorsprong, wordt bij de afweging voor de keuze om het dier in vrijheid te stellen, in ieder geval rekening gehouden met:

    • a. de bereidheid van het land van oorsprong om het dier op te nemen,

    • b. het welzijn van het dier,

    • c. de invloed van het dier op de bestaande populatie,

    • d. de beschikbare middelen,

    • e. de toepasselijke internationale afspraken,

    • f. de richtlijnen voor herintroducties van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN).

  • 2. De uitvoering van de terugplaatsing dient op zorgvuldige wijze te worden uitgevoerd.

Artikel 25 Uitwenverblijf voor uit de vrije natuur afkomstige beschermde inheemse dieren
  • 1. Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanginrichting of opvanginrichtingen liggen.

  • 2. Het opvangcentrum zorgt ervoor dat:

    • a. het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier, en

    • b. het uitwenverblijf voldoet aan de bepalingen van artikel 10.

  • 3. Alleen dieren waar de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water worden in uitwenverblijven geplaatst.

  • 4. De verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum.

  • 5. De periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang, genoemd in artikel 21, tweede lid.

  • 6. De criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, maken onderdeel uit van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j.

  • 7. In het register, bedoeld in artikel 37, wordt bijgehouden welke dieren in welk uitwenverblijf gehuisvest zijn.

Artikel 26 Internationaal fokprogramma
  • 1. Een dier kan ingezet worden voor een internationaal fokprogramma als:

    • a. de diersoort bedreigd is, en

    • b. de leeftijd en gezondheid van het dier dit toestaat.

  • 2. Indien een dier gebruikt wordt voor een internationaal fokprogramma, kan het dier overgedragen worden of onder het opvangcentrum blijven.

  • 3. Indien verplaatsing noodzakelijk is wordt dit opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37.

Artikel 27 Educatieve of wetenschappelijke doeleinden
  • 1. Een dier kan ingezet worden voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden bij andere hiertoe erkende organisaties.

  • 2. Het opvangcentrum stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid een contract met de erkende organisatie op, waarin in ieder geval staat beschreven wie de houder van het dier wordt en welke verantwoordelijkheden elke partij heeft.

Artikel 28 Dier inzetten voor herstel van soortgenoten
  • 1. Het opgevangen dier kan in het opvangcentrum blijven indien dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van het herstel van opgevangen soortgenoten, die anders geen redelijke kans op succesvol herstel hebben.

  • 2. De in het eerste lid genoemde opvang voor het herstel van soortgenoten, kan alleen worden uitgevoerd zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt.

Artikel 29 Onderbrengen bij particulieren
  • 1. Een dier mag bij een particulier ondergebracht worden indien:

    • a. de particulier beschikt over de noodzakelijke ontheffingen,

    • b. het dier tot een diersoort behoort die geschikt is om in een particuliere situatie te houden,

    • c. het welzijn van het dier dit toelaat,

    • d. de particuliere houder een geschikt verblijf en expertise heeft om dit dier te houden,

    • e. het dier in principe gedurende zijn hele leven bij de particuliere houder kan blijven, en

    • f. het verblijf waar het dier wordt ondergebracht voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, gestelde voorwaarden.

  • 2. Gedurende het hele leven van het dier blijft het opvangcentrum de eigenaar van het dier.

  • 3. Indien de particuliere houder niet meer voor het dier kan zorgen, wordt het dier teruggebracht naar de eigenaar.

  • 4. Het dier mag niet door de particulier worden verkocht, verhuurd, tentoongesteld, al dan niet tijdelijk uitgeleend of gebruikt bij evenementen.

  • 5. Het opvangcentrum stelt een contract op waarin wordt opgenomen dat:

    • a. het genoemde in het eerste tot en met het vierde lid deel uitmaakt van het contract,

    • b. het niet is toegestaan met het dier te fokken, en

    • c. bij overlijden van het dier de particulier dit meldt aan het opvangcentrum.

  • 6. Het onderbrengen bij particulieren is niet toegestaan indien het een dier betreft behorende tot:

    • a. beschermde inheemse diersoorten afkomstig uit de vrije natuur,

    • b. beschermde uitheemse diersoorten afkomstig uit de vrije natuur, of

    • c. niet aangewezen diersoorten die niet vallen onder het overgangsbeleid zoals beschreven in artikel 2.3 en bijlage 2, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren.

Artikel 30 Afwegingskader met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing

Ieder opvangcentrum stelt een afwegingskader vast met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing voor een dier. In het afwegingskader dient bij de keuze rekening te worden gehouden met de artikelen 26 tot en met 31. Dit kader wordt vastgelegd in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel i.

Paragraaf 5. Doden

Artikel 31 Doden
  • 1. Een dier wordt gedood overeenkomstig paragraaf 1.3 van het Besluit houders van dieren, indien voor het dier geen andere structurele oplossing kan worden gevonden.

  • 2. Het dier wordt na verdoving door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood.

  • 3. De beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de dierenarts stellen een handelwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel k, voor het doden van opgevangen dieren.

  • 4. Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op het door het bestuur vastgestelde beleid en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 34, eerste lid, genomen.

Artikel 32 Overleden dier
  • 1. Indien een dier komt te overlijden, wordt de doodsoorzaak door een dierenarts vastgesteld.

  • 2. Een in het opvangcentrum gedood of gestorven dier dat geen productiedier is wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan:

    • a. een door of namens de Staatssecretaris van Economische Zaken aan te wijzen wetenschappelijk instituut, of

    • b. een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende ontheffing beschikt.

  • 3. Een overleden dier als bedoeld in het eerste lid waar de doodsoorzaak niet van bekend is, en waar de bepaling van de oorzaak van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of een dier dat is gestorven aan een onnatuurlijke doodsoorzaak, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken of andere bevoegde instanties.

Paragraaf 6. Medewerkers

Artikel 33 Beheerder
  • 1. Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een of meer natuurlijk personen tot beheerder van een opvanginrichting. Een beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de opvanginrichting.

  • 2. De taken en bevoegdheden van de beheerder worden vastgesteld in het beleid betreffende het personeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l.

Artikel 34 Medewerkers

  • 1. Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige, vakbekwame dierverzorger.

  • 2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, zijn.

  • 3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval vakbekwaam als hij voldoet aan de in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren gestelde eisen, met dien verstande dat indien geen deelkwalificatie beschikbaar is voor de betreffende soort, volstaan kan worden met de deelkwalificaties die wel van toepassing kunnen zijn op de op te vangen soort.

  • 4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is vakbekwaam met betrekking tot

    • niet als gezelschapsdier gehouden beschermde inheemse dieren, en

    • niet als gezelschapsdier gehouden beschermde uitheemse dieren,

      als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen.

  • 5. In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l, wordt ingegaan op:

    • a. het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren,

    • b. de vereiste intensiteit, de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers en overleg tussen medewerkers, en

    • c. de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers.

Artikel 35 Operationele continuïteit

In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel n, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren ten minste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn.

Paragraaf 7. Bezoekers

Artikel 36 Bezoekers
  • 1. Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel van zieke en gewonden dieren en de structurele oplossingen voor de opgevangen dieren niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel o, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende punten:

    • a. de ruimte waar bezoekers niet mogen komen,

    • b. fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren,

    • c. de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten het zicht van de bezoekers,

    • d. de veiligheid van bezoekers.

Paragraaf 8. Register en logboek

Artikel 37 Register
  • 1. Artikel 4.9 Besluit houders van dieren is van overeenkomstige toepassing op een opvangcentrum van dieren.

  • 2. Indien dieren als één groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangeboden worden, kunnen deze als groep onder vermelding van het aantal, worden opgenomen.

  • 3. In het register worden voor elk opgevangen dier de volgende gegevens opgenomen, voor zover relevant:

    • a. indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder of de gegevens van de eigenaar dat afstand doet van zijn dier,

    • b. datum van binnenkomst,

    • c. reden van aanbieden,

    • d. eerste beoordeling als bedoeld in artikel 18,

    • e. veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen,

    • f. de verwachte behandelingsduur in geval van zieke of gewonde dieren,

    • g. indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding, en

    • h. de definitief gekozen structurele oplossing voor het dier.

  • 4. In de veterinaire verslaglegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, worden de volgende gegevens genoteerd:

    • a. behandelend dierenarts,

    • b. gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose,

    • c. verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering,

    • d. datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden, en

    • e. eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek.

  • 5. De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel p.

  • 6. De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien.

Artikel 38 Logboek
  • 1. Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd.

  • 2. Het logboek, bedoeld in het eerste lid, kan als aanvulling worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37.

Paragraaf 9. Slotbepaling

Artikel 39 Afwijkingsmogelijkheid

Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt het onverwijld de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken daarvan op de hoogte.

TOELICHTING

1. Doelstelling

Met het onderhavige besluit worden beleidsregels vastgesteld voor de opvang van dieren van beschermde inheemse diersoorten, beschermde uitheemse diersoorten en diersoorten die niet op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren zijn opgenomen. Op 1 juli 2009 zijn de Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten in werking getreden. Voor het verlenen van ontheffingen aan opvangcentra die dieren van beschermde uitheemse soorten opvangen of soorten die niet tot de categorie beschermde inheemse diersoorten behoren en niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren, ontbrak echter nog een toetsingskader en de kwaliteit van deze opvangcentra kon op verschillende punten nog verbeterd worden. Daarom is ervoor gekozen om een nieuw protocol vast te stellen dat betrekking heeft op beide categorieën diersoorten.

De onderhavige beleidsregels hebben als oogmerk de kwaliteit van de opvangcentra die beschermde uitheemse diersoorten of andere diersoorten – niet zijnde beschermde inheemse diersoorten – die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren opvangen, te verbeteren. Daarnaast wordt met de beleidsregels beoogd om een integraal kader vast te stellen waar opvangcentra aan dienen te voldoen voor een ontheffing, indien zij niet in het bezit zijn van een dierentuinvergunning. Het integrale kader is gebaseerd op de Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse dieren en sluit voor zover mogelijk aan bij de regels van het Besluit houders van dieren. Het protocol dat als bijlage bij de beleidsregels is opgenomen geeft mede invulling aan de vrijstellingen, bedoeld in artikel 2.3 in samenhang met bijlage 2, onderdelen d, e en f, van de Regeling houders van dieren.

Het onderhavige besluit bevat in artikel 2 een aantal voorwaarden waar vooraf aan wordt getoetst in het kader van de ontheffingverlening. In artikel 3 is bepaald dat de regels uit het protocol, zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit, als voorschrift aan de ontheffing worden verbonden. Het protocol betreft regels die waarborgen dat opvangcentra deskundig werken, oog hebben voor dierenwelzijn, zich richten op herplaatsing of een definitieve bestemming bieden voor het dier en de zorgvuldige handelwijze van opvangcentra controleerbaar maken.

2. Ontheffingverlening

Deze beleidsregels betreffen de verlening van ontheffing door de Staatssecretaris van Economische Zaken van artikel 13, eerste lid, en in voorkomende gevallen van artikel 15, tweede lid, van de Flora- en faunawet aan opvangcentra die dieren van beschermde inheemse soorten en beschermde uitheemse soorten opvangen. Daarnaast geldt dit beleidskader voor de ontheffingen van het verbod van artikel 2.2 van de Wet dieren. Deze ontheffingen zien op soorten die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren.

In het kader van de Flora- en faunawet wordt ontheffing aan de opvangcentra verleend van de verboden om dieren te bemachtigen, te vervoeren of onder zich te hebben. Ontheffing van deze verboden wordt verleend op grond van artikel 75, derde lid van de Flora- en faunawet. Ontheffingen worden slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor soorten die staan genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt dat een ontheffing slechts wordt verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en wanneer voldaan wordt aan een van de in artikel 75, zesde lid, van de Flora- en faunawet genoemde belangen. De onderhavige beleidsregels geven in artikel 2, naast de voorwaarden die rechtstreeks uit de Flora- en faunawet voortvloeien, nadere voorwaarden waar een opvangcentrum aan moet voldoen om een ontheffing van het verbod van voorhanden hebben en vervoeren (artikel 13, eerste lid, Ffw) en het verbod op middelen tot het vangen van dieren (artikel 15, tweede lid, Ffw) te kunnen verkrijgen. In artikel 3 wordt de verplichting om bij een ontheffing overeenkomstig het protocol te handelen geregeld. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken is belast met de uitvoering van de ontheffingverlening.1

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland toetst vooraf of een opvangcentrum voldoet aan die voorwaarden die zijn gesteld in artikel 2, onder a tot en met d, van het onderhavige besluit. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland stelt vast of het opvangcentrum een vereniging of een stichting is, of de statuten van de stichting of vereniging overeenkomen met de doelstelling zoals omschreven in artikel 2 van het protocol, of het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger en of het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren. Voorafgaand aan de ontheffingverlening kan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan vooraf vaststellen in hoeverre de aanvrager aan de regels van het protocol voldoet met betrekking tot onderwerpen als de huisvesting, kwalificaties van het personeel en opgesteld beleid. De voorschriften uit het protocol kunnen ook achteraf gecontroleerd en gehandhaafd worden. Indien overtreding van de voorschriften uit het protocol wordt vastgesteld, kan de ontheffing worden ingetrokken. Voor opvangcentra die op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels over een relevante ontheffing voor bepaalde tijd beschikken, geldt dat deze ontheffing van toepassing blijft tot de datum genoemd in de ontheffing. Voor opvangcentra die over een relevante ontheffing voor onbepaalde tijd beschikken, geldt dat in artikel 4, tweede lid van het onderhavige besluit wordt bepaald dat de ontheffing van toepassing blijft tot 1 januari 2019. Hiervoor geldt dus een overgangsregime van drie jaar.

In het kader van de Wet dieren wordt ontheffing aan de opvangcentra verleend voor het houden van dieren die niet behoren tot de aangewezen diersoorten of diercategorieën. Ontheffing van dit verbod wordt verleend op grond van artikel 10.1 van de Wet dieren. In de regel zal een ontheffing niet nodig zijn, daar op grond van artikel 2.3 in samenhang met bijlage 2, onderdelen d, e en f, van de Regeling houders van dieren vrijstellingen gelden voor opvangcentra die voldoen aan het bijgevoegde protocol.

3. Toepassingsbereik beleidsregels

De onderhavige beleidsregels zijn van toepassing op opvangcentra die gewonde, zieke, gevonden of afgestane dieren van beschermde inheemse soorten, beschermde uitheemse soorten of andere diersoorten die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren tijdelijk of permanent opvangen. Het opvangcentrum wordt in deze situatie eigenaar van het opgevangen dier.

De situatie van dieren die door de overheid in beslag of bewaring zijn genomen wijkt van de boven beschreven situatie af. In die gevallen zijn de beleidsregels niet van toepassing.

Een dier kan in beslag of bewaring worden genomen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken. In dat geval blijft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de beschikkingsmacht houden over dieren die in beslag of in bewaring worden genomen. Het betreft opvang krachtens een contract waarbij de voorwaarden gelden die zijn beschreven in het bestek bij de openbare aanbesteding.

Een gevonden dier kan ook door de vinder bij de gemeente in bewaring worden gegeven. Dan is de burgemeester, op grond van artikel 5:8, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, na twee weken bevoegd om het dier aan een derde in eigendom over te dragen, zo mogelijk tegen betaling van een koopprijs, en anders om niet. De termijn van twee weken hoeft niet door de burgemeester in acht genomen te worden, indien het dier slechts met onevenredig hoge kosten bewaard kan worden of afmaking om geneeskundige redenen vereist is. Indien een gevonden dier dat bij de gemeente in bewaring is in een opvangcentrum wordt ondergebracht, kan het opvangcentrum geen beslissing nemen over een structurele oplossing voor het dier, omdat het opvangcentrum dan geen beschikkingsmacht over het dier heeft. Pas na overdracht kan een structurele oplossing worden gezocht worden en zijn de beleidsregels van toepassing.

De beleidsregels zijn ingevolge artikel 1 van het onderhavige besluit ook niet van toepassing op opvangcentra die tevens dierentuin zijn als bedoeld in artikel 4.1 van het Besluit houders van dieren. Dierentuinen hebben wel een ontheffing van de Flora- en faunawet nodig, maar hierbij wordt getoetst aan de eisen die worden gesteld bij het verlenen van een dierentuinvergunning.

4. Verhouding tot andere wet- en regelgeving

Naast het voldoen aan deze beleidsregels zal een opvangcentrum zich ook moeten houden aan de toepasselijke wetgeving, zoals de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Wet dieren en het daarop gebaseerde Besluit houders van dieren en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. Wanneer een opvangcentrum dieren van beschermde inheemse soorten, beschermde uitheemse soorten of andere diersoorten die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren langer dan 12 maanden in opvang heeft en de dieren gedurende ten minste 7 dagen per jaar aan publiek worden tentoongesteld, zal een opvangcentrum een dierentuinvergunning moeten aanvragen. De onderhavige beleidsregels zijn dan ingevolge artikel 1 van het onderhavige besluit niet meer van toepassing. Er wordt dan getoetst aan de eisen die in het Besluit houders van dieren worden gesteld aan het verlenen van een dierentuinvergunning.

Het is mogelijk dat een opvangcentrum beschermde inheemse of beschermde uitheemse dieren opvangt die tevens zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren. Dieren op deze bijlage kunnen gezelschapsdieren zijn. Een gezelschapsdier is volgens de definitie van artikel 1.1 van het Besluit houders van dieren een zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap. Productiedieren als bedoeld in artikel 2.1 in samenhang met bijlage II van het Besluit houders van dieren zijn uitgesloten in bovengenoemde definitie, met uitzondering van konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil. Indien een opvangcentrum tevens gezelschapsdieren opvangt, is paragraaf 3.2 van het Besluit houders van dieren onverkort van toepassing.

5. Toelichting gestelde eisen werkwijze opvangcentra

De voorschriften uit het protocol vereisen dat het bestuur van een opvangcentrum schriftelijk zijn beleid en handelwijze vastlegt op het gebied van de onder artikel 4, eerste lid, van het protocol genoemde onderwerpen, waaronder met betrekking tot opvang en opname, huisvesting en verzorging, oplossingen voor de lange termijn, het doden van dieren, de kwalificatie van medewerkers, bezoekers en de administratie. Deze beleidsregels beogen de kwaliteit van de opvangcentra en de opvang te borgen.

De kwaliteit van de opvangcentra en opvang was voor beschermde inheemse diersoorten al geborgd door de Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten. De huidige beleidsregels zijn een herziening van de Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten en zien tevens op beschermde uitheemse diersoorten en diersoorten die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren.

5.1 Opvang en opname

Vanuit oogpunt van soortenbescherming is het wenselijk om, naast de eisen vanuit dierenwelzijn, aanvullende eisen te stellen voor de opvang van dieren van beschermde inheemse en beschermde uitheemse soorten. Dit geldt evenzeer voor dieren die niet op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren zijn opgenomen, omdat het niet opnemen impliceert dat de diersoort ook met aanvullende voorschriften niet te houden is door een particulier. Daarbij wordt vooraf door het bestuur van het opvangcentrum vastgesteld welke soort of soorten worden opgevangen, rekening houdend met de expertise van de medewerkers en de mogelijkheden van het opvangcentrum. Voor soorten waarvoor het centrum niet is toegerust, worden afspraken gemaakt met een of meer andere opvangcentra. Deze afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Er worden voorts regels gesteld over de acceptatie van aan het opvangcentrum aangeboden dieren.

5.2 Huisvesting en verzorging

Met betrekking tot de huisvesting van opgevangen beschermde inheemse dieren, beschermde uitheemse dieren of dieren die niet zijn opgenomen op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren wordt aangesloten bij de bepalingen van het Besluit houders van dieren. Het is vanuit het oogpunt van dierenwelzijn van belang om de dieren in geschikte ruimten te houden en aparte ruimten te hebben of in te kunnen richten voor dieren waar bij binnenkomst in het opvangcentrum de gezondheidsstatus onbekend is, voor dieren die verdacht worden of klinische verschijnselen vertonen van een besmettelijke ziekte of voor dieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of verdacht worden te dragen, zodat overdracht van ziekten naar andere dieren voorkomen wordt.

5.3 Structurele oplossingen

Wanneer dieren worden opgevangen in een opvangcentrum, is het van belang dat zo snel mogelijk wordt gekeken naar een structurele oplossing voor het dier. Wanneer de vindplaats van een opgevangen beschermde inheems dier bekend is, wordt het dier op die plaats of in de nabijheid ervan in een geschikt habitat in vrijheid gesteld. In vrijheid stellen vindt krachtens artikel 23, tweede lid, van het protocol louter plaats op een plek waar de soort van nature voorkomt. Ingeval de oorspronkelijke biotoop van een beschermd uitheems dier achterhaald kan worden in het land van oorsprong, wordt de mogelijkheid onderzocht of een dier terug kan naar het land van oorsprong. In veel gevallen zal dit echter niet mogelijk zijn, bijvoorbeeld doordat de herkomst niet te achterhalen is, het land van oorsprong niet bereid is om mee te werken of de verwachting is dat dit het welzijn van het dier niet ten goede zal komen. De factoren waar rekening mee moet worden gehouden bij de afweging over invrijheidstelling, zijn opgenomen in artikel 24, eerste lid, van het protocol. Indien het niet mogelijk is om het dier in vrijheid te stellen, wordt bezien of het dier ingezet kan worden voor een internationaal fokprogramma, voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden of voor het herstel van soortgenoten. Een andere optie is om een dier bij een particulier onder te brengen, waarbij het opvangcentrum de eigenaar blijft van het dier. Dit is enkel mogelijk indien de diersoort op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren) is opgenomen. Bij plaatsing tevens vereist dat het dier geschikt is om in een particuliere situatie te houden (artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van het protocol). Dieren die door bijten, krabben stoten, samendrukken of andere methoden ernstige verwondingen kunnen toebrengen aan mensen vanwege hun aard, voortplantingscyclus, maternale instincten of enige andere reden, zijn bijvoorbeeld niet geschikt om in een particuliere situatie te houden. Wanneer de voorgaande structurele oplossingen niet geschikt blijken kan uiteindelijk ook worden gekozen om het dier levenslang op te vangen of het dier te doden.

5.4 Medewerkers

Voor opvangcentra die zowel gezelschapsdieren opvangen als andere diersoorten die geen productiedieren zijn, gelden de vakbekwaamheidseisen die zijn gesteld in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren en de onderliggende regelgeving. De beheerder dient in het bezit te zijn van een door de Staatssecretaris van Economische Zaken erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de opgevangen diergroep. Kwalificaties die voldoen aan de vakbekwaamheidseisen kunnen worden behaald bij een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs die zijn opgenomen in het centraal register beroepsopleidingen (Crebo) op basis van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Om een bewijs van vakbekwaamheid te verkrijgen, moet de beheerder een opleiding, die is toegespitst op de diergroep waarmee hij gaat werken, met goed gevolg hebben afgesloten. In afwijking daarvan geldt op basis van dit besluit voor opvangcentra die andere dieren dan productiedieren of gezelschapsdierenopvangen dat één vaste dierverzorger ofwel in het bezit dient te zijn van een bewijs van vakbekwaamheid afgegeven door een erkende onderwijsinstelling dan wel aantoonbaar ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing vraagt en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen. Deze eisen zijn minder strikt dan voor de opvangcentra die naast andere dieren die geen productiedieren zijn tevens gezelschapsdieren opvangen. De reden hiervoor is dat dit vaak kleine opvangcentra zijn die moeilijk aan de hogere eisen kunnen voldoen en dat er vaak geen specifieke opleiding te volgen is voor die specifieke categorieën van de diersoorten die worden opgevangen. Daarom is ervoor gekozen dat ook aantoonbare ervaring kan dienen als bewijs van vakbekwaamheid voor die categorie van opvangcentra.

5.5 Administratie

Met het oog op toezicht en controle zijn er in de onderhavige besluit regels opgenomen ten aanzien van de administratie, die elk opvangcentrum dient bij te houden, uitgesplitst naar dier of groep van een soort (artikel 37, tweede lid). Onderdeel van deze administratie vormt de veterinaire verslaglegging, die inzicht moet geven in de lichamelijke conditie van het opgevangen dier en, waar relevant, in de ondergane medische zorg. Het opvangcentrum legt in een logboek uitkomsten van de dagelijkse controle van de gezondheid van alle dieren vast.

6. Administratieve lasten

De onderhavige beleidsregels bevatten nieuwe informatieverplichtingen voor de opvangcentra die sinds 2009 geen beschermde inheemse diersoorten hebben opgevangen. Eenmalig zal een opvangcentrum de relevante aspecten van zijn werkwijze moeten beschrijven (artikel 4 van het protocol). Dit komt ongeveer neer op 40 uur per opvangcentrum.

Het oprichten van een stichting of vereniging zal eenmalig notariële kosten met zich brengen. Deze worden geschat op 400 euro. Per opvangcentrum zal de administratieve last eenmalig toenemen met 1.600 euro. Naar schatting gaat het om 20 opvangcentra, zodat de totale eenmalige lasten van deze regeling ongeveer 32.000 euro bedragen.

Daarnaast zijn er jaarlijkse informatieverplichtingen aan de beleidsregels verbonden. Zo moet een administratie worden bijgehouden waarin relevante feiten over de opvang en de behandeling zijn opgenomen. Geschat wordt dat de opvangcentra hier gemiddeld een half uur per week aan kwijt zijn. Dit vormt derhalve een jaarlijkse toename van de administratieve lasten van ca. 16.000 euro (800 euro per opvangcentrum).

De opvangcentra die mede beschermde inheemse diersoorten opvangen voldoen reeds aan deze verplichtingen, omdat de verplichtingen zijn opgenomen in de Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten. Voor hen treedt geen toename van de administratieve lasten op.

7. Inwerkingtreding

Het besluit zal volgens de vaste verandermomenten op 1 januari 2016 in werking treden.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Op grond van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015 en het Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 2014.

Naar boven