Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 oktober 2015, nr. 2015-0000277569, tot aanpassing van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2016

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 14, eerste en tiende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

Besluit:

Artikel 1

De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden met ingang van 1 januari 2016 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:

  • a. € 1.524,60;

  • b. € 351,85;

  • c. € 70,37.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 29 oktober 2015

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers met een minimumloon en uitkeringsgerechtigden. Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van artikel 14 van de WML, dat uitgaat van een koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.

Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel volumeontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen (artikel 14, vijfde lid, WML). De toelichting bij dit artikel geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn indien de verhouding tussen inactieven en actieven, de zogenaamde i/a-ratio, de daarvoor geldende norm overschrijdt. Op grond van de Macro-Economische Verkenning (MEV) 2016 lijkt dit voor 2016 niet het geval te zijn.

In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de WML, wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB wordt berekend.

Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen wettelijk is geregeld, als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2016 zoals deze is gepubliceerd in de MEV 2016. Dit is 0,5 x 1,5876 = 0,7938. Dit bedrag wordt aangepast aan het zogenaamde na-ijleffect uit 2015 (artikel 14, eerste lid, onder b). Dat is het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenning in dat jaar, nader is geraamd. Dit verschil bedraagt 0,3213. Het onafgeronde aanpassingspercentage komt daarmee op 1,1151. Dit wordt vermenigvuldigd met het (onafgeronde) wettelijk minimumloon zoals berekend voor de aanpassing per 1 juli 2015. Na wettelijke afronding bedraagt het wettelijk minimumloon per 1 januari 2016 € 1.524,60 per maand, € 351,85 per week en € 70,37 per dag. Het aanpassingspercentage na afronding is 1,11.

Wettelijk minimumjeugdlonen per 1 januari 2016

Leeftijd

Staffelingspercentage

Per maand

Per week

Per dag

22 jaar

85%

€ 1.295,90

€ 299,05

€ 59,81

21 jaar

72,5%

€ 1.105,35

€ 255,10

€ 51,02

20 jaar

61,5%

€ 937,65

€ 216,40

€ 43,28

19 jaar

52,5%

€ 800,40

€ 184,70

€ 36,94

18 jaar

45,5%

€ 693,70

€ 160,10

€ 32,02

17 jaar

39,5%

€ 602,20

€ 139,00

€ 27,80

16 jaar

34,5%

€ 526,00

€ 121,40

€ 24,28

15 jaar

30%

€ 457,40

€ 105,55

€ 21,11

Volgens artikel 12 van de WML is indien de werkgever en werknemer een kortere arbeidsduur zijn overeengekomen dan de gebruikelijke arbeidsduur, het minimum(jeugd)loon naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld het geval bij deeltijdarbeid.

De minimumloonbedragen worden uitgedrukt per maand, per week en per (werk)dag. Een landelijk wettelijk minimumuurloon kent de wet niet. Het uurloon kan per sector verschillen, afhankelijk van het aantal uren dat als normale arbeidsduur geldt. Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te zijn, zoals deze bijvoorbeeld in de desbetreffende sector is afgesproken. In de meeste CAO’s is deze arbeidsduur voor een fulltime dienstverband gesteld op 36, 38 dan wel 40 uur per week.

Naar aanleiding van een toezegging aan de Tweede Kamer worden de afgeleide minimumuurlonen bij deze gebruikelijke arbeidsduren in de toelichting gepubliceerd.1 Onderstaand schema geeft de afgeronde brutobedragen per uur aan, berekend op basis van het wettelijk minimumweekloon bij een arbeidsduur van resp. 36, 38 en 40 uur per week. Slechts de bedragen vastgesteld in artikel 1 van deze regeling zijn rechtens geldig.

Afgeleid bruto minimumloon per uur na afronding (naar boven) per 1 januari 2016 bij een gebruikelijke arbeidsduur van 36, 38 en 40 uur is gepubliceerd in de volgende tabel. Hierbij wordt bij de afronding gebruik gemaakt van een afronding naar boven, om te voorkomen dat er onbedoeld een betaling ontstaat die lager is dan het wettelijk minimumloon zoals vastgesteld in artikel 1 van deze regeling. Hierbij dient te worden vermeld dat slecht de vastgestelde bedragen in artikel 1 van deze regeling het wettelijk minimumloon betreffen.

Leeftijd

36 uur per week

38 uur per week

40 uur per week

23 jaar en ouder

€ 9,78

€ 9,26

€ 8,80

22 jaar

€ 8,31

€ 7,87

€ 7,48

21 jaar

€ 7,09

€ 6,72

€ 6,38

20 jaar

€ 6,02

€ 5,70

€ 5,41

19 jaar

€ 5,14

€ 4,87

€ 4,62

18 jaar

€ 4,45

€ 4,22

€ 4,01

17 jaar

€ 3,87

€ 3,66

€ 3,48

16 jaar

€ 3,38

€ 3,20

€ 3,04

15 jaar

€ 2,94

€ 2,78

€ 2,64

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstukken II, 2007-2008, 31 200 – XV, nr. 84, p. 2.

Naar boven