Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 3498Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 5 februari 2015, nr. IENM/BSK-2015/18222, houdende vaststelling van regels ter bepaling van de status einde-afval van recyclinggranulaat (Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 1.1, zesde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer;

BESLUIT:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

PAK’s:

polycyclische aromatische koolwaterstoffen als bedoeld in bijlage A bij de Regeling bodemkwaliteit;

producent:

degene wiens bedrijfsactiviteit het is om steenachtige afvalstoffen te bewerken tot recyclinggranulaat;

recyclinggranulaat:

granulaat dat ontstaat bij het bewerken van steenachtige afvalstoffen en dat is geproduceerd overeenkomstig een norm als genoemd in bijlage 1;

steenachtige afvalstoffen:

steenachtige afvalstoffen die vrijkomen bij het bouwen, renoveren en slopen van bouwwerken en wegen en andere afvalstoffen die qua aard en samenstelling daaraan gelijkwaardig zijn;

toeslagstoffen:

stoffen die worden toegevoegd aan recyclinggranulaat om daarmee de prestaties van het granulaat te verbeteren of te beïnvloeden;

verordening bouwproducten:

verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU 2011, L88).

Artikel 2. Recyclinggranulaat geen afval

  • 1. Recyclinggranulaat dat voldoet aan de artikelen 3 tot en met 7 van deze regeling is geen afvalstof.

  • 2. Recyclinggranulaat dat op grond van regelgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie geen afvalstof is, voldoet aan de artikelen genoemd in het eerste lid, indien:

    • a. het recyclinggranulaat in die lidstaat rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht;

    • b. de betreffende regelgeving van die lidstaat voldoet aan artikel 6 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, en

    • c. de eisen in de regelgeving van de andere lidstaat een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met deze regeling wordt nagestreefd.

Artikel 3. Eisen aan te bewerken steenachtige afvalstoffen tot recyclinggranulaat

  • 1. Steenachtige afvalstoffen die tot recyclinggranulaat worden bewerkt, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Steenachtige afvalstoffen die tot recyclinggranulaat worden bewerkt, worden door de producent met in achtneming van het acceptatiereglement ontvangen.

  • 3. Het acceptatiereglement, bedoeld in het tweede lid, bevat:

    • a. een procedure voor acceptatie waarmee door middel van in ieder geval visuele waarneming geconstateerd kan worden dat de te bewerken steenachtige afvalstoffen tot recyclinggranulaat de volgende stoffen en materialen niet bevatten:

      • 1°. asbest en asbesthoudende of asbestverdachte materialen,

      • 2°. teerhoudend asfalt,

      • 3°. dakbedekkingsmaterialen,

      • 4°. huishoudelijke afvalstoffen,

      • 5°. gips, grond, roet en hout in een mate waarmee de kwaliteit van recyclinggranulaat in gevaar kan komen;

    • b. een procedure voor de keuze van te controleren aangeboden ladingen met te bewerken steenachtige afvalstoffen;

    • c. een procedure waarin is beschreven hoe met afgekeurde partijen te bewerken steenachtige afvalstoffen wordt omgegaan.

  • 4. Bij ontvangst van de steenachtige afvalstoffen die bestemd zijn om tot recyclinggranulaat te worden bewerkt, registreert de producent omtrent de steenachtige afvalstoffen:

    • a. datum van ontvangst;

    • b. hoeveelheid;

    • c. naam en adresgegevens van de aanbieder, en

    • d. of de aangeboden steenachtige afvalstoffen geaccepteerd dan wel afgekeurd zijn.

  • 5. Naast de visuele waarneming bedoeld in het derde lid, aanhef en onder a, vindt de controle op de aanwezigheid van teer in asfalt mede plaats op basis van informatie van de aanbieder van de afvalstoffen en door controle met een instrument waarbij met behulp van een sprayvloeistof verkleuring optreedt door de aanwezigheid van PAK’s.

  • 6. De visuele waarneming ter controle op de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende of asbestverdachte materialen, bedoeld in het derde lid, wordt uitgevoerd:

    • a. door een persoon die is opgeleid om asbest te herkennen. Een bewijs van opleiding wordt op verzoek van de afnemer of de aangewezen toezichthouder overlegd;

    • b. op het moment waarop de te bewerken steenachtige afvalstoffen worden aangeboden en ten minste eenmaal tijdens het bewerkingsproces van die afvalstoffen.

Artikel 4. Productiecontrole

  • 1. Het toevoegen van toeslagstoffen aan recyclinggranulaat is toegestaan indien:

    • a. dit gebeurt overeenkomstig een in bijlage 1 bij deze regeling genoemde productnorm, en

    • b. het eindproduct van recyclinggranulaat met toeslagstof voldoet aan de overige eisen van deze regeling.

  • 2. De producent beschikt over een systeem voor productiecontrole. Dit systeem omvat ten minste:

    • a. een monsternemingsplan;

    • b. een keuringsplan;

    • c. een registratie waarmee wordt aangetoond dat recyclinggranulaten zijn gekeurd of beproefd volgens het keuringsplan, bedoeld onder b.

    • d. bij het niet voldoen aan de eisen van de regeling, wordt een registratie gemaakt van de hieraan verbonden vervolgstappen;

    • e. documentatie van de acceptatie van de te bewerken steenachtige afvalstoffen;

    • f. documentatie van de resultaten van de productiecontrole.

  • 3. De producent beschikt over een procedure voor het uitvoeren van calibratie van keuringsmiddelen, beproevingsmiddelen en meetmiddelen.

  • 4. Recyclinggranulaat wordt gekeurd met een frequentie en op een wijze die volgen uit de voor deze materialen geldende en in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen normen.

  • 5. Monsterneming van recyclinggranulaat ten behoeve van civieltechnische aspecten vindt plaats overeenkomstig NEN-EN 932-1 of overeenkomstig eisen die gelijkwaardig zijn aan het gestelde in die norm.

Artikel 5. Productkwaliteit

  • 1. Recyclinggranulaat voor toepassing op of in bodem, grond- of oppervlaktewater voldoet aan de samenstellingswaarden en de emissiewaarden die zijn vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.

  • 2. Voor recyclinggranulaat voor toepassing in asfalt bedraagt de samenstellingswaarde PAK’s ten hoogste 75 mg/kg d.s.

  • 3. Het maximumgehalte aan verontreinigingen als bedoeld in artikel 5.6 in NEN-EN 13242:2003+A1:2008, in het recyclinggranulaat bedraagt maximaal:

    • a. bij verontreinigingen met een soortgelijke massa van 1.000 kg/m3of minder: 10 cm3/kg;

    • b. bij verontreinigingen met een soortgelijke massa meer dan 1.000 kg/m3: 1%.

Artikel 6. Conformiteitverklaring

  • 1. Voor recyclinggranulaat dat voldoet aan deze regeling wordt door de producent na de productie een conformiteitverklaring als bedoeld in bijlage 2, opgesteld.

  • 2. Recyclinggranulaat wordt enkel gebruikt voor de toepassing waarvoor een conformiteitverklaring is afgegeven.

  • 3. De producent heeft de conformiteitverklaring, bedoeld in het eerste lid, tot ten minste vijf jaar na de productie digitaal beschikbaar en die verklaring wordt op verzoek van de afnemer of de aangewezen toezichthouder in schriftelijke vorm verstrekt.

  • 4. Bij ieder transport van recyclinggranulaat is een transportdocument aanwezig waarop een verwijzing naar de conformiteitverklaring is opgenomen.

Artikel 7. Kwaliteitsborging

  • 1. De producent beschikt over een kwaliteitsborgingssysteem dat voldoet aan NEN-EN 13242:2003+A1:2008 of aan eisen die gelijkwaardig zijn aan het gestelde in die norm.

  • 2. Het kwaliteitsborgingssysteem is beoordeeld en goed bevonden door een derde onafhankelijke partij, ten minste op het niveau 2+, bedoeld in bijlage V bij de verordening bouwproducten of gelijkwaardig.

  • 3. Het kwaliteitsborgingssysteem bevat procedures voor:

    • a. acceptatie van steenachtige afvalstoffen ter bewerking tot recyclinggranulaat;

    • b. procesbeheersing;

    • c. monsterneming, beproeving en keuring;

    • d. registratie van beproevingen en keuringen;

    • e. opleiding van de producent of diens personeel, en

    • f. registratie van ontvangen steenachtige afvalstoffen en geproduceerd recyclinggranulaat.

  • 4. Recyclinggranulaat voldoet aan de eisen gesteld in deze regeling indien:

    • a. het recyclinggranulaat is voorzien van een prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten, en die verklaring betrekking heeft op onderdelen genoemd in het eerste tot en met derde lid en de artikelen 3, 4 en 5, en

    • b. het recyclinggranulaat is gecertificeerd volgens een nationaal certificeringsschema, bevattende alle onderdelen, genoemd in onder a, waarop de prestatieverklaring, bedoeld in onder a, geen betrekking heeft.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 9. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1

Europese productnorm

Naam productnorm

NEN- EN 12620

Toeslagmaterialen voor beton

NEN-EN 13043

Toeslagmaterialen voor asfalt en oppervlakbehandeling voor wegen, vliegvelden en andere verkeersgebieden

NEN-EN 13242

Korrelvormige materialen voor ongebonden en hydraulisch gebonden materialen voor civieltechnische werken en de wegenbouw

NEN-EN 13285

Verhardingslagen van steenmengsel

NEN-EN 13383-1

Waterbouwsteen

NEN-EN 13450

Toeslagmaterialen voor spoorwegballast

NEN-EN 14227-2

Hydraulisch gebonden mengsels – Specificaties – Deel 2: Slakgebonden mengsels

NEN-EN 14227-1

Hydraulisch gebonden mengsels – Specificaties – Deel 1: Cementgebonden mengsels

NEN-EN 13108-8

Asfaltgranulaat voor warm asfalt

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 6

Conformiteitverklaring artikel 6 – Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat

1.

Producent (naam inschrijving KvK):

Adres:

Contactpersoon:

Tel:

Fax:

E-mail

2.

Type recyclinggranulaat:

 

Beoogde toepassing:

3.

Nummer certificaat (indien van toepassing):

 

of

Referentie partijkeuring Besluit bodemkwaliteit (indien van toepassing):

 

en,

Nummer Europese norm volgens welke het product is geproduceerd:

 

4.

a. Het recyclinggranulaat waarop genoemd certificaatnummer van toepassing is, voldoet aan het gestelde in de regeling.

 

b. Het recyclinggranulaat is geproduceerd onder een kwaliteitsborgingsysteem dat ten minste voldoet aan het gestelde in artikel 7, eerste tot en met derde lid, van de Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat.

5.

Ik bevestig dat bovenstaande informatie volledig en correct is.

 

Naam:

Datum:

Handtekening:

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De Kaderrichtlijn afvalstoffen1 biedt de mogelijkheid om voor een type afvalstof generiek te bepalen onder welke voorwaarden het ophoudt een afvalstof te zijn. In artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen staat dat de EU voor bepaalde afvalstoffen criteria kan vaststellen waardoor die afvalstoffen niet langer als afvalstof worden aangemerkt. Voor de volgende afvalstoffen zijn er inmiddels Europese verordeningen van kracht waarin criteria zijn vastgesteld:

  • IJzer-, staal- en aluminiumschroot;

  • Kringloopglas2;

  • Koperschroot3.

In artikel 6, vierde lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen is bepaald dat, wanneer er geen criteria op communautair niveau bestaan, lidstaten per geval kunnen beslissen dat een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. Tevens is bepaald dat bij die beslissing de lidstaat rekening moet houden met de bestaande jurisprudentie inzake afvalstoffen en zij moet de Europese Commissie overeenkomstig de technische notificatierichtlijn4 op de hoogte stellen van die beslissing.

In juni 2012 heeft de Europese Commissie5 de ‘Guidance on the interpretation of key provisions of Directive 2008/98/EC on waste’ uitgebracht. In paragraaf 1.3.4 van dat document geeft de Commissie aan dat een lidstaat per geval mag beslissen dat een bepaalde afvalstof niet langer afval is, maar ook per afvalstroom mag beslissen dat dat materiaal in het afvalstadium niet langer als afval wordt aangemerkt.

Op grond van artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer (hierna Wm) kan de Minister van Infrastructuur en Milieu op nationaal niveau per geval besluiten of bij ministeriële regeling per afvalstroom regelen dat een afvalstof, respectievelijk een afvalstroom, die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, niet als afval wordt aangemerkt. Een nationale regeling met criteria moet worden ingetrokken voor zover over die afvalstroom op Europees niveau een regeling gaat gelden.

Het doel van Europese of nationale regelgeving inzake einde-afval is om te bevorderen dat afval wordt gerecycled en dat dat plaats vindt op een heldere en verantwoorde wijze, in overeenstemming met alle geldende regelgeving.

Zowel een Europese als een nationale einde-afvalregeling moet voor een gespecificeerd soort afval aangeven onder welke voorwaarden het materiaal niet meer als afval hoeft te worden beschouwd en als product op de markt kan worden gebracht. Tevens geeft een dergelijke regeling aan vanaf welk moment in de keten van verwerking de einde-afvalfase geldt. In de verdere toepassing zal het als product overigens aan alle andere van toepassing zijnde regelgeving moeten voldoen.

Deze einde-afvalregeling vervangt niet de bestaande technische, milieuhygiënische en andere geldende voorschriften ten aanzien van de toepassing als product. Producenten en gebruikers van afvalstoffen, die in een einde-afval regeling zijn opgenomen, hoeven geen gebruik te maken van deze regeling, de afvalstoffen verliezen dan alleen niet de afvalstatus.

In de eerder genoemde EU-verordeningen inzake einde-afval zijn de volgende zaken geregeld:

  • specificatie van de aard van en eisen aan het te ontvangen en te behandelen afval;

  • bewerkingen van het afval;

  • meetvoorschriften en eisen aan het productieproces en het te maken product

  • de wijze van kwaliteitsborging;

  • specificatie van de toepassingsgebieden van het product;

  • de conformiteitverklaring aan de gestelde eisen in de regeling.

De onderhavige regeling over recyclinggranulaat sluit zoveel mogelijk aan bij de systematiek van de specifieke EU-verordeningen inzake einde-afval die hierboven zijn genoemd.

Met een afval-einde regeling wordt er naar gestreefd om de gevolgen van het vervallen van de afvalstatus beheersbaar te maken zodat, wanneer de afvalregelgeving op deze stoffen niet meer van toepassing is, geen nadelige gevolgen voor milieu en gezondheid optreden. De regeling op zich is niet het kader om alle mogelijke risico’s die kunnen ontstaan door de toepassing van een product, te dekken.

Deze regeling sluit aan bij de ambities en doelstellingen van de beleidsprioriteit

Van Afval Naar Grondstof (VANG) en het streven naar een circulaire economie waarin bruikbare materialen zoveel mogelijk als grondstof en niet als afvalstof worden bestempeld.

2. Hoofdlijnen van de regeling

2.1 Reikwijdte

De onderhavige regeling is van toepassing op recyclinggranulaat dat als product op de Nederlandse markt worden gebracht. In het buitenland kan een andere beoordeling gelden dan in Nederland. Een product dat aan de eisen van de nationale afval-einde regeling voldoet kan mogelijk in het buitenland als afval worden beoordeeld.

Recyclinggranulaat, in het buitenland gemaakt uit afval, dat aan de eisen van de onderhavige regeling voldoet, kan als product op de Nederlandse markt worden gebracht en wordt niet als afvalstof aangemerkt. Tevens bevat deze regeling een bepaling waarin is geregeld hoe wordt omgegaan met recyclinggranulaat dat voldoet aan een einde-afvalregeling inzake recyclinggranulaat van een andere EU-lidstaat, zie voor meer informatie de artikelgewijze toelichting bij artikel 2 van deze regeling.

In omvang is recyclinggranulaat het belangrijkste materiaal dat door recycling van bouw- en sloopafval wordt verkregen. Om het hoge niveau van recycling te behouden is het gewenst om recyclinggranulaat te beschouwen als een product en niet als een afvalstof omdat dat aansluit bij de uitgangspunten van een circulaire economie waarin het vrijkomen van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt beperkt. Hiervoor is het nodig om op landelijk niveau te komen tot een goede omschrijving van criteria die bepalen wanneer recyclinggranulaat geen afvalstof meer is.

Het doel van deze regeling is om criteria vast te stellen waarmee de einde-afvalstatus van recyclinggranulaat kan worden bepaald. Recyclinggranulaat is granulaat dat wordt geproduceerd door het bewerken van steenachtige afvalstoffen. De regeling beperkt dit tot inert (of: anorganisch) materiaal dat eerder in constructies is gebruikt. Ook het steenachtige afval van de primaire productie van bouwmaterialen of van andere productieprocessen valt onder de regeling. Door bewerking ontstaan diverse typen recyclinggranulaat welke worden geproduceerd voor specifieke toepassingen. De recyclinggranulaten worden geproduceerd overeenkomstig de EU-verordening bouwproducten6 geharmoniseerde normen. Bijlage 1 van de regeling geeft aan welke productnormen dit betreft. Alle recyclinggranulaten die conform één van de in de bijlage genoemde productnormen worden geproduceerd vallen onder deze regeling.

De Europese productnormen gelden één op één voor de Nederlandse situatie. In het verleden zijn echter andere naamgevingen voor verschillende typen recyclinggranulaat gebruikt. Deze naamgeving is bij betrokkenen vaak beter bekend dan de naamgeving die uit de productnormen volgt. De naamgeving voor diverse soorten recyclinggranulaten wordt als volgt gehanteerd:

Granulaat

Omschrijving

Asfaltgranulaat

Granulaat voortkomend uit het breken of frezen van asfalt.

Betongranulaat

Granulaat voortkomend uit het breken van beton.

Menggranulaat

Granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk en beton, zodat het mengsel een massapercentage van ten minste 45% beton bevat.

Hydraulisch menggranulaat

Een mengsel van menggranulaat en hydraulische slak. Het massapercentage hydraulische slak ligt tussen 5% en 20%.

Metselwerkgranulaat

Granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk.

Fijn granulaat 0/x

Los materiaal bestaande uit steenachtige deeltjes met een korrelgrootte kleiner dan 8 mm, verkregen bij het breken van gesloopt en adequaat bewerkt betonpuin en/of metselwerkpuin in een bewerkingsinstallatie.

Brekerzeefzand

Fijnkorrelig materiaal dat vrijkomt als steenachtige afvalstoffen in een bewerkingsinstallatie de eerste zeefgang ondergaan voordat het materiaal in de breker wordt geleid.

Onder de Europese productnormen vallen diverse typen granulaten: natuurlijke, gerecyclede en gefabriceerde (‘manufactured’) granulaten. De onderhavige regeling geldt enkel voor recyclinggranulaat. Gefabriceerde granulaten (zoals zinkslakken en AVI-bodemas) vallen buiten de regeling.

Voor de productie van recyclinggranulaat wordt gebruik gemaakt van steenachtige materialen die eerder in constructies zijn toegepast. Deze materialen worden omschreven als steenachtig bouw- en sloopafval. Bewerkers van bouw- en sloopafval nemen schoon, inert bouw- en sloopafval (puin) in en bewerken dit tot een granulaat. Er worden in geringe mate ook materialen aangenomen die niet uit constructies komen. Dit betreft voornamelijk afvalstoffen die vrijkomen bij de productie van bouwmaterialen, zoals betonafval. Dit zijn schone, inerte afvalstoffen die bijdragen aan de goede eigenschappen van het recyclinggranulaat. Ook andere op puin gelijkende niet-gevaarlijke afvalstoffen zoals spoorwegballast en ovenpuin kunnen als input materiaal gebruikt worden.

2.2 Bewijs van de status einde-afvalstof

De criteria voor de einde-afvalstatus van recyclinggranulaat vormen een stelsel van technische-, milieu- en systeemeisen. De afzonderlijke aspecten zijn wel controleerbaar, maar of aan het geheel van alle eisen wordt voldaan is zonder de nodige kennis van het proces en de hele keten lastig te controleren.

In verband met keuring en certificering van recyclinggranulaat zijn er keurmerken (of: labels) van toepassing. Deze keurmerken omvatten echter ieder afzonderlijk niet de volledige strekking van de regeling. Dat betekent dat met de aanwezigheid van dergelijke keurmerken niet de conformiteit met deze regeling vaststaat. Echter met de juiste combinatie van deze keurmerken ontstaat wel voldoende bewijs. Belangrijke voorbeelden zijn:

  • NL-BSB certificaat: Dit certificaat betreft de certificering in verband met de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Certificering op basis van het NL-BSB certificaat heeft echter uitsluitend betrekking op milieutechnische eisen en niet op technische eisen.

  • CE-markering: Het CE label wordt verkregen door het produceren van recyclinggranulaat in overeenstemming met de Europese productnormen. Deze normen refereren niet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit en dekken daarom niet alle aspecten van de regeling.

  • Partijkeuring: Een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit kent alleen de keuring en toetsing van de milieukwaliteit van het eindproduct. Hierbij is geen aandacht besteed aan de criteria voor acceptatie, technische kwaliteit, systeemcertificering en borging.

  • KOMO productcertificaat volgens BRL 2506: dit dekt de niet-CE gemarkeerde producten af en bevat criteria voor acceptatie, opleiding en dergelijke.

De som van de certificaten moet zowel de technische eisen als de milieueisen als de proces en systeemeisen afdekken, zoals in artikel 6 is vereist.

3. Gevolgen

3.1 Gevolgen voor milieu en gezondheid bij het afval-einde

Een belangrijke voorwaarde van artikel 6, eerste lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen voor het toekennen van de afval-einde status is dat over het geheel genomen er geen ongunstige effecten mogen optreden voor milieu of menselijke gezondheid. Zodra de afvalstoffenwetgeving niet meer van toepassing is, zal het betreffende materiaal of product vallen onder de wetgeving die gesteld wordt aan materialen en producten.

Recyclinggranulaat kan in hoofdlijn op drie verschillende wijzen worden toegepast:

  • in ongebonden vorm buiten (bijvoorbeeld als constructiemateriaal in de wegenbouw),

  • in gebonden vorm binnen en buiten,

  • vormgegeven binnen en buiten.

De mogelijke effecten van recyclinggranulaat op mens en milieu worden onderzocht in het kader van CEN. CEN heeft de opdracht om normen op te stellen om het vrijkomen van gevaarlijke stoffen uit granulaten te kunnen bepalen. CEN maakt onderscheid tussen effecten op het bodemsysteem (buiten-gebruik) en effecten op de luchtkwaliteit bij gebruik binnenshuis.

Bij het buitengebruik van recyclinggranulaat is uitloging het meest voor de hand liggende mechanisme voor blootstelling. Bij binnengebruik kan blootstelling ontstaan door verspreiding in de lucht. Bij binnengebruik is de kwaliteit van de lucht van belang, maar daarnaast is mogelijke radioactieve straling een punt van aandacht.

Door de ruime ervaring die is opgedaan met recyclinggranulaten, ook in het buitenland, is het evident dat uitloging naar de bodem het meest kritische milieu-aspect is voor recyclinggranulaat. Mogelijk negatieve gevolgen voor de bodem worden beheerst doordat aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit moet worden voldaan.

3.2 Bedrijfseffecten, administratieve en bestuurlijke lasten

De regeling heeft bedrijfseffecten voor recyclingbedrijven die puin bewerken tot recyclinggranulaat en afnemers van recyclinggranulaat, zoals aannemers en betonfabrikanten. Ingeschat wordt dat circa 150 puinverwerkende bedrijven, circa 200 betonmortelbedrijven en circa 200 betonwarenfabrikanten direct met de regeling te maken kunnen krijgen. Verder zijn er duizenden afnemers die het product toepassen.

De praktijk is dat in Nederland op zorgvuldige wijze met recyclinggranulaat wordt omgegaan. Betrokkenen die aan alle wettelijke regels voldoen en die recyclinggranulaat hebben geproduceerd volgens de bestaande procedures voor certificering zullen in de praktijk geen extra inspanningen hoeven te verrichten.

De regeling levert een vermindering en vereenvoudiging van de bestaande administratieve last op omdat puinverwerkende bedrijven geen begeleidingsbrief meer hoeven te voeren in het kader van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, omdat er geen sprake meer is van een afvalstof indien aan de regeling wordt voldaan. De regeling verplicht daarentegen wel om op de transportdocumenten aan te geven dat het om een einde-afval product gaat.

Verder hoeven afnemers van recyclinggranulaat (inrichtingen) geen milieuvergunning meer aan te vragen voor het innemen van recyclinggranulaat als grondstof. Recent is de verplichting voor deze milieuvergunning vervangen door de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) in het kader van het Activiteitenbesluit.

De voor de betrokken bedrijven meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten van de regeling, omvat:

  • Het feitelijk voeren van de begeleidingsbrief vervalt. Dit geldt nu per vracht. Uitgaande van 22 Mton in 2014 recyclinggranulaat gaat dit om 1,1 miljoen vrachten à 20 ton en evenzoveel brieven. Gesteld per brief à € 10,– bedraagt dit totaal circa: € 11 miljoen aan lastenverlichting.

  • In plaats van de begeleidingsbrief geldt er verplichting tot het opstellen van een conformiteitverklaring en het voorzien naar een verwijzing naar die verklaring bij elke vracht van granulaat. Gesteld per verklaring per vracht € 2,50 bedraagt dat circa € 2,75 miljoen.

  • De voorgaande twee posten maken per saldo een lastenverlichting van € 8,25 miljoen.

  • Gevolgkosten van administratieve correcties, fouten, etc. worden geraamd op 1% van het aantal brieven * 1 uur à € 50,– bedraagt circa € 5,5 miljoen verlichting.

  • Vervallen van OBM in het kader van het Activiteitenbesluit: € 2.500,– per melding. Gesteld dat 50% van de betonbedrijven dit moet doen: totaal circa € 0,5 miljoen lastenverlaging.

Totale baten voor de sector worden geschat op € 14,25 miljoen.

In het algemeen geldt dat marktpartijen de regeling als zeer wenselijk beschouwen omdat uitsluitend daardoor een landelijke uniforme status mogelijk wordt gemaakt en lokale verschillen worden weggenomen.

De huidige praktijk werkt overigens al voor een groot deel zoals de regeling beoogt. De regeling heeft als voordeel dat discussies over de status van een stof worden vermeden en heeft daardoor een lastenverminderende werking.

De regeling heeft geen gevolgen voor de werking van de markt. Het handelsverkeer wordt vereenvoudigd en er worden drempels weggenomen voor het hergebruik van het product, bijvoorbeeld doordat de acceptatie van materiaal verbetert.

Enkele landen rondom Nederland ontwikkelen regelingen met dezelfde strekking of zijn daar al mee klaar.

Deze regeling leidt naar verwachting niet tot een verzwaring van de lasten voor de overheid. Aangenomen mag worden dat de bestuurlijke lasten ten hoogste gelijk zullen zijn aan die in de situatie voor de komst van deze regeling. De aard van de bedrijven wijzigt namelijk niet, evenmin de bewerkingsprocessen en samenstelling van de stoffen. Een optimaal werkend systeem van input-, proces- en eindproductcontrole met certificering biedt bovendien een goede basis voor structurele beheersing van milieugevolgen en een daarop toegesneden toezicht. In ieder geval zal het vervallen van de meldingsplicht tot verlaging leiden van de inzet van het bevoegd gezag.

3.3 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De regeling heeft gevolgen voor de specifieke bedrijfstak, de zogeheten puinbrekers, en het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor de vergunningverlening en de handhaving. De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) is belast met het houden van toezicht op de naleving van deze regeling.

De specifieke bedrijven dienen zich te houden aan de in deze regeling opgenomen bepalingen vanaf het moment dat zij besluiten een specifieke partij granulaat niet meer als afval aan te merken. De regeling sluit nauw aan bij de al bestaande praktijk die reeds is gericht op het bereiken van een hoogwaardige kwaliteit aan recyclinggranulaat, er is immers al veel regelgeving daarop van toepassing. De provincie is het bevoegd gezag voor installaties waarin steenachtige afvalstoffen worden bewerkt tot recyclinggranulaat. De regeling heeft in beginsel beperkt invloed op de huidige toezicht- en handhavingstaken van de provincie omdat de bedrijfsprocessen niet wezenlijk veranderen en op de huidige praktijk wordt voortgebouwd.

De regeling is in nauw overleg met de bedrijfstak opgesteld en heeft draagvlak, in het bijzonder omdat met de regeling op landelijk niveau een eenduidige kwalificatie van einde-afval mogelijk wordt. De provinciale toezichthouders zijn meerdere malen geconsulteerd via werksessies, contacten met het Brancheteam Puinbrekers en via het Kennisplatform einde-afval van RWS/Leefomgeving waarin provinciale toezichthouders met elkaar overleggen, ervaringen en kennis uitwisselen.

De ILT zal bij het oordeel of recyclinggranulaat wel of niet als afvalstof gekwalificeerd moet worden, de naleving van deze regeling toetsen.

De ILT heeft een handhaafbaarheids-, uitvoerings-, en fraudebestendigheidstoets uitgevoerd. De regeling is naar aanleiding van deze toets op diverse punten verbeterd en aangevuld, zoals voor de asbestcontrole en het bijmengen. Gegeven de bestaande praktijk alsmede de eisen die worden gesteld aan het eindproduct, wordt aangenomen dat de regeling werkbaar en handhaafbaar zal zijn voor ILT en bevoegde gezagen. Desalniettemin is er nog weinig ervaring met einde-afvalcriteria in Nederland en daarom zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu binnen 18 maanden na inwerkingtreding van de regeling een evaluatie uitvoeren. Daarbij zal gekeken worden naar de doeltreffendheid en de uitvoerbaarheid van deze regeling.

4. Notificatie

Het ontwerp van deze regeling is op 4 augustus 2014 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer: 2014/0384/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204), verder: richtlijn 98/34/EG. Deze regeling bevat mogelijke technische voorschriften in de zin van richtlijn 98/34/EG.

Naar aanleiding hiervan heeft de Europese Commissie enkele opmerkingen gemaakt. De opmerkingen hadden betrekking op het voldoende waarborgen van het voorkomen van ongunstige effecten voor de menselijke gezondheid en het milieu. De opmerkingen hadden tevens betrekking op de certificering. Op de opmerkingen de Commissie is gereageerd en heeft geleid tot enkele aanpassingen van de onderhavige regeling en toelichting.

5. Inwerkingtreding

Ingevolge het kabinetsbeleid inzake de aanpak van administratieve lasten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309), gelden als algemeen uitgangspunt voor de inwerkingtreding van ministeriële regelingen vier vaste data, te weten 1 januari, 1 maart, 1 juli en 1 oktober, en een minimale invoeringstermijn van 2 maanden. Deze regeling treedt ingevolge artikel 8 echter in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hierbij is gebruik gemaakt van een van de uitzonderingen die in genoemd kabinetsbeleid zijn opgenomen. In het kabinetsbeleid is namelijk reeds aangegeven dat, indien er sprake is van private- of publieke voor- of nadelen van vertragingen of vervroeging van invoering, een uitzondering gemaakt kan worden op de vaste data van inwerkingtreding en de invoeringstermijn. Daarvan is in het voorliggende geval sprake. Het bedrijfsleven is gebaat bij een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van deze regeling omdat recyclinggranulaat dan niet langer als afval hoeft te worden aangemerkt indien aan de eisen van de regeling wordt voldaan. Voor het bedrijfsleven levert dat lastenverlichting op.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Recyclinggranulaat en steenachtige afvalstoffen

Recyclinggranulaat is granulaat dat wordt geproduceerd door steenachtige afvalstoffen (voornamelijk beton, metselwerk en asfalt) te breken. Steenachtig materiaal is voornamelijk afkomstig uit bouw- en sloopafval of van productie van (minerale) bouwstoffen. Steenachtige fracties uit thermische- of reinigingsprocessen en van sorteerinstallaties en afval ontstaan door het opbreken of frezen van asfalt vallen hier eveneens onder.

Voorts kunnen vergelijkbare steenachtige (niet gevaarlijke) afvalstoffen bij een breekinstallatie worden aangeboden en onder deze regeling vallen. Het kenmerk van deze afvalstoffen is dat zij net als bovengenoemde afvalstoffen hoofdzakelijk bestaan uit klei, zand, grind, steen (de grondstoffen voor beton, baksteen, asfalt, etc.). Het verschil is dat deze soms niet afkomstig zijn van bouwwerken, maar wel goed verwerkbaar zijn. Veel voorkomende afvalstoffen zijn productieafval uit de productie van steenachtige bouwmaterialen, ovenpuin, spoorwegballast en puin van bodemsanering of uit tuinen.

Onder deze regeling vallen niet anorganische (industriële) bijproducten van bijvoorbeeld thermische installaties, zoals AVI bodemassen. Deze materialen gelden niet als vergelijkbaar omdat zij niet zijn vervaardigd uit de natuurlijke materialen, klei, zand, grind en steen.

Verder kan het voorkomen dat secundaire of gefabriceerde granulaten als onderdeel van een wegconstructie worden ontgraven en als onderdeel van het bouw- en sloopafval bij een breekinstallatie worden aangeboden. In dat geval worden deze granulaten bezien als een component van de steenachtige fractie en als zodanig na doorlopen van het acceptatieproces in het breekproces opgenomen.

Naast steenachtige afvalstoffen verwerken breekinstallaties niet-teerhoudend asfalt. Het hiermee gevormde asfaltgranulaat wordt grotendeels ingezet als nieuwe grondstof bij de productie van asfalt en in cementgestabiliseerde funderingslagen. De definitie voor recyclinggranulaat geeft aan dat deze dienen te zijn geproduceerd volgens een Europese productnorm als genoemd in bijlage 1. De verordening bouwproducten is hierop van toepassing. Een aantal eigenschappen in de Europese productnormen is alleen van toepassing indien deze worden vereist (‘when required’). Dit betekent dat er voor de actuele toepassing van de partij granulaat eisen moeten zijn gesteld aan deze eigenschappen. Dat gebeurt normaal door de opdrachtgever via een bestek of anderszins. De vereiste eigenschappen moeten op de prestatieverklaring worden vermeld. Een belangrijk hulpmiddel voor bestekken of voor het stellen van eisen zijn bijvoorbeeld de technische specificaties zoals deze worden gesteld in de zogenoemde RAW-bepalingen van het CROW7. De RAW-systematiek biedt opdrachtgevers en opdrachtnemers in de grond-, weg- en waterbouw een kader om duidelijke afspraken te maken en deze goed vast te leggen in een bestek.

Artikel 2

In het eerste lid is bepaald dat recyclinggranulaat geen afvalstof is indien dat granulaat voldoet aan de genoemde artikelen van de regeling.

Het tweede lid bevat een wederzijdse erkenningsclausule. Hierdoor kan recyclinggranulaat, dat op grond van regelgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie de einde afvalfase heeft bereikt, ook aan de eisen van deze regeling voldoen. De regelgeving van die andere lidstaat moet dan wel voldoen aan artikel 6 van de kaderrichtlijn afvalstoffen en moet qua beschermingsniveau van de gezondheid van de mens en milieu ten minste gelijkwaardig zijn aan het niveau van de regeling.

Artikel 3

Eerste lid

Inkomend afval bij een breekinstallatie mag geen gevaarlijke afvalstof zijn of bevatten. In de Wm is in artikel 1.1 een definitie van ‘gevaarlijke afvalstof’ opgenomen. In die definitie wordt verwezen naar de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Tevens is ter bepaling of een afvalstof kwalificeert als gevaarlijke afvalstof het tiende lid van artikel 1.1 van de Wm van belang op grond waarvan nadere regels kunnen worden gesteld ter aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen. De aanwijzing van de status als gevaarlijke afvalstof betreft een gehele vracht of partij afvalstoffen. Dat betekent dat ‘geen’ niet kan worden uitgelegd als een eis van 0% op korrelniveau.

Ondanks dat een vracht of partij afval niet gevaarlijk is, kan de vracht gevaarlijke stoffen bevatten. Om de goede kwaliteit van recyclinggranulaat te bewaken dient visueel de aanwezigheid van dergelijke stoffen te worden gecontroleerd. Dit gebeurt door het opzetten van een acceptatiesysteem volgens artikel 3.

De ontdoener van afval dat bij een recyclingbedrijf wordt aangeboden is op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen verplicht informatie te verschaffen over de aard en samenstelling daarvan. Tevens moet de ontdoener de juiste EURAL-code8 verschaffen. Dit houdt tevens in dat de ontdoener vaststelt of sprake is van gevaarlijk afval of niet. Het recyclingbedrijf moet van deze informatie uitgaan. Doordat het recyclingbedrijf inspectie uitvoert bij acceptatie overtuigt het bedrijf zich van de juistheid van de informatie; de plicht voor het verschaffen van de juiste informatie blijft echter bij de ontdoener.

Vanwege het risico dat aangeboden informatie onjuiste gegevens bevat is er altijd sprake van een controle door de producent. Omdat er een diversiteit bestaat aan (bronnen van) informatie en typen bedrijfsprocessen is deze controle algemeen beschreven in de criteria. Indicatoren voor de beoordeling kunnen zijn:

  • begeleidingsbrief in het kader van het Besluit melden afvalstoffen,

  • mondelinge informatie van de aanbieder,

  • inspectie van slooplocatie,

  • keuringsrapporten van de aanbieder,

  • foto’s,

  • reputatie van aanbieder of ketenpartners,

  • historisch gebruik van de afvalstof.

Conform het Bouwbesluit 2012 dient bij een sloopproject een inventarisatie van aanwezige afvalstoffen te worden uitgevoerd en moeten bepaalde afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen gescheiden worden en apart afgevoerd. Dit betekent tevens dat het recyclingbedrijf derhalve geen gevaarlijk afval krijgt aangeboden. Deze vergewist zich er van door visuele inspectie conform het acceptatiereglement. Het kan zijn dat recyclingbedrijven een omgevingsvergunning hebben voor de acceptatie van specifieke gevaarlijke afvalstoffen. In die gevallen is in de vergunning geregeld hoe deze bedrijven hiermee om moeten gaan.

Tweede en derde lid

Door middel van acceptatie wordt zeker gesteld dat geen ongewenste stoffen het recyclingproces worden ingevoerd. Dit blijkt doordat geen gevaarlijke afvalstoffen aanwezig mogen zijn en doordat sprake is van steenachtig afval. In de regeling worden eisen gesteld aan de controle op de mate van zuiverheid (aanwezigheid van stoorstoffen) en de mate van verontreiniging (samenstelling en uitloging) van het eindproduct. Dit wordt gecontroleerd als onderdeel van de productiecontrole en daarmee is er ook een controle op het functioneren van de acceptatieprocedure. De betreffende eisen kunnen worden gehaald wanneer de acceptatie goed wordt uitgevoerd.

Acceptatie dient te bestaan uit controle van de transportdocumenten en de eventueel meegeleverde schriftelijke informatie over de geleverde kwaliteit. Acceptatie moet ten minste bestaan uit een visuele inspectie per vracht waarbij gelet wordt op de in artikel 3, derde lid, genoemde aspecten.

Bij acceptatie wordt gelet op de aanwezigheid van milieubelastende stoffen zoals boven is aangegeven. Daarnaast wordt gelet op de aanwezigheid van stoorstoffen zoals grond, hout, gips. Deze materialen geven geen aanleiding tot nadelige gevolgen voor het milieu. De aanwezigheid van dergelijke materialen is echter nadelig voor de kwaliteit van het recyclinggranulaat.

De verplichtingen voor een gedegen acceptatiebeleid vloeien voort uit het Landelijk Afvalbeheerplan. Conform het Landelijk Afvalbeheerplan moet een systeem voor AO/IC (administratieve organisatie/interne controle) worden opgesteld. De eisen met betrekking tot acceptatie en proces zijn in de vergunning vastgelegd. Veelal zijn soorten en aantallen te accepteren materialen gelimiteerd. De regeling stelt als eis dat een producent een acceptatiereglement voert.

Artikel 3, derde lid, onderdeel a, onder 1, bepaalt dat het acceptatiereglement een procedure moet bevatten voor de controle van asbest in het aangeleverde puin. Controle op asbest als onderdeel van het Nederlandse Bsb-certificaat als het BRL 2506-certificaat is door certificering geregeld. Aan de eisen voor asbestacceptatie kan worden voldaan door het volgen van de betreffende eisen uit de certificatieregelingen.

Onder de visuele controle op asbest en asbesthoudende materialen wordt ook verstaan de controle op materialen die mogelijk asbest bevatten: asbestgelijkende of asbestverdachte materialen.

Conform het Asbestverwijderingsbesluit 2005 moet een asbestinventarisatie worden uitgevoerd voorafgaande aan een sloop. Het asbest moet worden gesaneerd en apart worden afgevoerd. Wederom vergewist een recyclingbedrijf zich van de juiste uitvoering van de bewerking tot recyclinggranulaat door te controleren op de aanwezigheid van asbest in het aangeboden materiaal.

Het Productenbesluit asbest en het Besluit bodemkwaliteit stellen eveneens eisen aan de aanwezigheid van asbest in producten, respectievelijk in de bodem.

Vijfde lid

Met betrekking tot asfalt is het onderscheid tussen teerhoudend (>75mg/kg PAK) en niet-teerhoudend asfalt van belang. Voor teerhoudend asfalt is er geen mogelijkheid dit materiaal te hergebruiken. Voor de acceptatie van asfalt is dus niet van belang of dit feitelijk gevaarlijk afval vormt (>1.000 mg/kg koolteer) maar of dit al of niet teerhoudend is. Informatie daarover moet door de ontdoener van het asfalt worden geleverd.

Artikel 3, vijfde lid, gaat over de controle van teerhoudend asfalt in aangeleverd asfalt. De meest praktische methode daartoe is de zogenaamde PAK-marker. Met een PAK marker kan PAK worden aangetoond vanaf ongeveer 100 mg/kg. Teerhoudend asfalt bevat veel hogere concentraties PAK. ‘Zuiver’ teer bevat 1.000 tot 10.000 keer meer PAK dan bitumen. Vanwege deze zeer hoge concentraties PAK is het aantonen van teerhoudend asfalt derhalve eenvoudig. Niet-teerhoudend asfalt bevat lage concentraties PAK (<<75 mg/kg PAK). Het onderscheid tussen teerhoudend en niet-teerhoudend asfalt is dus goed te maken. Omtrent het meten van teergehaltes worden nieuwe ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot een heroverweging van de huidige procedure.

Zesde lid

De herkenning van asbest en asbestverdachte producten vereist vakkennis die alleen door opleiding kan worden verkregen. Derhalve is vereist dat personen die zich met deze beoordeling bezig houden een opleiding hebben genoten. Hoewel dit niet wettelijk is geregeld, is het gebruikelijk dat ten minste één medewerker op een bedrijfslocatie beschikt over een diploma ‘Deskundig Asbest Acceptant’9.

Gezien de vele verschillende bedrijfsprocessen en typen aangeboden afvalstoffen is er een grote diversiteit aan mogelijkheden om asbesthoudende partijen te weren. De controle op asbest kan worden uitgevoerd door middel van visuele controle. De praktijk leert dat dat voldoende is om te kunnen voldoen aan alle gestelde eisen.

De regeling eist dat ten minste op twee momenten de aanwezigheid van asbest wordt beoordeeld.

Artikel 4

Eerste lid

Soms zijn voor de productie van specifieke recyclinggranulaten toeslagstoffen nodig die er voor zorgen dat het eindproduct bepaalde eigenschappen verkrijgt. Deze toeslagstoffen vormen geen onderdeel van de input (voornamelijk bouw- en sloopafval) maar worden gedoseerd aan het gebroken granulaat toegevoegd. Een voorbeeld is de dosering van staalslak bij de productie van hydraulisch menggranulaat. Hoewel deze toeslagstoffen als afvalstof kunnen gelden en niet passen in de definitie van steenachtig afval, wordt het wel mogelijk geacht functionele hoeveelheden van dit soort stoffen in het proces toe te voegen en daarmee voor het eindproduct nog steeds een einde-afvalstof status te verkrijgen. De productnormen die in bijlage 1 zijn vermeld, hebben betrekking op deze producten, dat het eindproduct aan de afval-einde criteria voldoet. Het verwerken van deze (afval)stoffen is niet het primaire doel. Het primaire doel is en blijft om een recyclinggranulaat te produceren op basis van steenachtig afval volgens één van de productnormen genoemd in bijlage 1. Ook de eindproducten die na toevoeging van deze toeslagstoffen ontstaan, moeten voldoen aan de in de regeling gestelde eisen, waar onder die van het Besluit bodemkwaliteit en de van toepassing zijnde Europese norm.

Tweede tot en met vijfde lid

De Europese productnormen schrijven voor dat een systeem voor productiecontrole (factory production control) moet zijn opgezet. In de regeling zijn in artikel 4 relevante onderdelen van productiecontrole opgenomen. Deze onderdelen zijn van belang om zeker te stellen dat de technische kwaliteit en milieuhygiënische kwaliteit van recyclinggranulaat worden beheerst. De vereisten in dit artikel geven aan dat de kwaliteit van recyclinggranulaat door middel van planmatige monsterneming en keuring wordt beheerst en dat de resultaten van keuringen worden geregistreerd.

Bij afwijkingen van gestelde kwaliteitseisen moet traceerbaar zijn wat er met betreffende materialen gebeurd is. Zowel in de Europese productnormen als in de gangbare vergunningen is aandacht geschonken aan de identificatie van afgekeurde of afwijkende producten. Eventuele vermenging van productstromen wordt hiermee voorkomen.

Conform de eisen van de Europese productnormen en het Besluit bodemkwaliteit voert de producent zelf keuringen uit van zijn product. Hiertoe beschikt hij over diverse middelen, bijvoorbeeld voor monsterneming en analyse. Het is een vereiste dat de betreffende middelen betrouwbaar werken, daartoe voert de producent met regelmaat calibraties uit. De wijze van calibratie dient beschreven te zijn in een procedure.

De exacte uitvoering van monsterneming en keuring is strikt vastgelegd in de Europese productnormen. Met betrekking tot milieuhygiënische parameters voorzien de Europese productnormen niet in voorschriften. Deze zijn alsnog opgenomen door verwijzing naar het Besluit bodemkwaliteit.

De monsterneming van recyclinggranulaat vindt plaats conform de NEN-EN932-1 wanneer civieltechnische parameters bepaald moeten worden. Voor milieuhygiënische parameters bestaan geen Europese monsternemingsnormen. Wel gelden er nationale voorschriften op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 5

Eerste lid

Een belangrijk aspect van de criteria voor de bepaling van de einde-afvalstatus van recyclinggranulaten is dat in het algemeen geen ongunstige gevolgen voor mens en milieu mogen optreden. In Nederland is daarvoor een gedegen vangnet opgezet, namelijk het Besluit bodemkwaliteit. Recyclinggranulaat, voor toepassing op of in bodem, grond- of oppervlaktewater, dient conform de vereisten van dat Besluit te worden gekeurd. Door te voldoen aan de eisen van bijlage A bij de Regeling bodemkwaliteit kan recyclinggranulaat vrij worden toegepast. Het voldoen aan deze eisen kan onder meer worden aangetoond met een Nederlands BSB-certificaat of een partijkeuring. De keuring en toetsing van de samenstelling en uitloging levert de feitelijke bewijslast dat alle voorafgaande stappen in de keten goed zijn uitgevoerd. Wanneer dat niet het geval is, dan kan niet aan de gestelde milieutechnische eisen worden voldaan. In dat geval kan dan ook niet de afval-eindestatus worden toegekend.

Tweede lid

Asfaltgranulaat wordt ingezet bij de productie van nieuw asfalt en als granulaat in civiele werken. Deze productie betreft een thermisch proces. Bij mogelijke aanwezigheid van PAK’s kunnen ongewenste emissies bij de bedoelde productie ontstaan. Asfaltgranulaat dat ophoudt een afvalstof te zijn mag geen aanleiding geven tot negatieve gevolgen voor het milieu. Feitelijk bevat het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit geen eisen voor recyclinggranulaat als halffabrikaat, zoals asfaltgranulaat voor asfalt en recyclinggranulaat voor beton. Om die reden wordt in asfaltgranulaat een grenswaarde voor het gehalte PAK aangehouden. De PAK(som) betreft de som van naftaleen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, chryseen, benzo(a)antraceen, benzo(a)pyreen, benzo(k)fluoranteen, indeno (1, 2, 3cd)pyreen, benzo(ghi)peryleen, conform bijlage A bij de Regeling bodemkwaliteit.

Derde lid

Met artikel 5, derde lid wordt in feite gecontroleerd of alle voorafgaande stappen naar behoren zijn uitgevoerd.

De eisen in artikel 5, derde lid, zijn afgeleid van de eis in Europese productnormen NEN-EN 13242 en NEN-EN 12620 omtrent de zuiverheid van recyclinggranulaat. De eisen zoals opgenomen in de regeling gelden ook voor producten die volgens andere EU productnormen zijn geproduceerd, maar waar deze eigenschap niet is opgenomen in zulke productnormen. In dit verband dient een drijf/zinkproef (samenstellingsproef NEN-EN 933-11) te worden uitgevoerd. Drijvende delen (met een dichtheid <1.000 kg/m3) zijn ondermeer hout, kunststoffen en gips. Het recyclinggranulaat zinkt, maar daarnaast ook bijvoorbeeld metalen. Er wordt dus zowel een eis gesteld aan de hoeveelheid lichte verontreinigingen (< 1.000 kg/m3) als aan de hoeveelheid zware verontreinigingen (> 1.000 kg/m3).

Voor sommige toepassingen gelden strengere eisen ten aanzien van de zuiverheid van recyclinggranulaat. Eén en ander is beschreven in de betreffende Europese productnormen. Door te voldoen aan het derde lid volgt dus niet automatisch dat voldaan wordt aan de eisen voor elke toepassing. Recyclinggranulaat dat voldoet aan het derde lid van artikel 3 is in ieder geval voldoende zuiver om als product en dus niet meer als afvalstof te worden gezien.

Artikel 6

Conform de vereisten van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, en daarmee de Wm, is het een criterium voor de status einde-afvalstof dat het betreffende materiaal geproduceerd wordt voor een specifiek doel. Door recyclinggranulaat te produceren volgens een Europese productnorm geeft een producent van recyclinggranulaat aan dat dit inderdaad het geval is. Dit wordt bevestigd door de betreffende Europese productnorm te noemen in de conformiteitverklaring behorende bij de regeling.

Middels een conformiteitverklaring bevestigt een producent dat aan de gestelde eisen van de regeling is voldaan. De producent van het recyclinggranulaat waarborgt dat de verklaring gedurende vijf jaar opvraagbaar en terstond beschikbaar is voor betrokkenen en bevoegd gezag.

In de praktijk moet het voor betrokkenen eenduidig zijn dat een partij recyclinggranulaat geen afvalstof vormt. Hiertoe dient als bewijs een verwijzing op transportdocumenten dat verwijst naar de conformiteitverklaring van de producent.

Het kunnen controleren van elk van die eisen apart vergt veel kennis van zaken en een uitgebreid onderzoek. Om hier in tegemoet te komen kan met voldoende vertrouwen worden teruggegrepen op het mechanisme van certificering of partijkeuring (bewijsmiddelen volgens het Besluit bodemkwaliteit) en CE markering (de prestatieverklaring).

Het is aan eenieder toegestaan een certificeringsschema op te stellen. Echter, alleen certificeringsschema's opgesteld onder auspiciën van de Raad van Accreditatie worden algemeen erkend en geaccepteerd. Met de juiste combinatie van keurmerken kan worden bewezen dat aan de eisen van deze regeling is voldaan.

Er zijn verschillende keurmerken die van toepassing kunnen zijn op recyclinggranulaat. Deze keurmerken geven (afzonderlijk) niet in voldoende mate zekerheid dat aan de eisen van de regeling is voldaan. Het Nederlandse BSB-certificaat geeft aan dat aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit is voldaan. Aan overige eisen, zoals technische geschiktheid, refereert dit certificaat echter niet. CE-markering wordt voorts vaak gezien als bewijs van goede kwaliteit. CE-markering heeft echter alleen betrekking op de eisen uit de Europese productnormen (zoals technische eisen, borging) maar refereert niet aan acceptatievoorwaarden of milieutechnische eisen. Beoordeeld moet worden of zowel de technische- milieu als borgingseisen van de regeling zijn afgedekt.

Wanneer de producent geen gebruik maakt van onderhavige regeling, zal deze de conformiteitsverklaring achterwege laten. In dat geval gelden de vereisten voor transportdocumentatie zoals deze volgen uit het Besluit melden afvalstoffen.

Artikel 7

Er is voldoende zekerheid nodig dat een producent ook langdurig en op beheerste wijze recyclinggranulaat kan produceren dat voldoet aan de gestelde eisen in de regeling. Deze zekerheid kan worden gevonden in de aanwezigheid van een kwaliteitsborgingsysteem. Dit kwaliteitsborgingsysteem moet zich ten minste uitstrekken over de aspecten die in de regeling zijn opgenomen. De Europese productnormen, genoemd in bijlage 1, bevatten de eisen waaraan dit systeem moeten voldoen. De verschillende in die bijlage genoemde Europese productnormen kennen in grote lijnen dezelfde opzet. In dit artikel is derhalve verwezen naar de voor recyclinggranulaten belangrijkste norm, de NEN-EN 13242:2003+A12008. Om te voorkomen dat, indien bedrijven op basis van één van de andere genoemde normen haar kwaliteitssysteem opzet, niet voldoen aan deze regeling, is gesteld dat gelijkwaardige systemen eveneens voldoen. Gelijkwaardige systemen moeten ten minste voldoen aan de eisen gesteld in artikel 7, derde lid. Momenteel is door de CEN een norm in voorbereiding die de paragrafen inzake kwaliteitsborging en conformiteit uit de diverse productnormen zal vervangen. Deze onderdelen worden vanaf dat moment geborgd in NEN-EN 16236. Op het moment van vaststellen van deze regeling is deze nieuwe norm nog niet gepubliceerd. In artikel 7, tweede lid, wordt verwezen naar de beoordeling van het kwaliteitsborgingssysteem door een certificerende instelling. Deze beoordeling vormt onderdeel van de certificering van het recyclinggranulaat. Door te verwijzen naar conformiteitsniveau 2+ van de EU-verordening bouwproducten wordt aangegeven dat het kwaliteitssysteem moet worden beoordeeld door een externe instantie op de in de criteria opgenomen eisen aan dit systeem. In het vierde lid is bepaald dat recyclinggranulaat dat gecertificeerd is, voldoet aan de eisen van deze regeling. De certificeringsschema’s moeten dan wel nationale certificeringsschema’s betreffen en alle onderdelen genoemd in de artikelen 3, 4, 5 en 7, eerste tot en met derde lid, bevatten. Als gevolg van de verplichtingen van de EU-verordening bouwproducten kunnen bepaalde producten en eigenschappen van producten niet via het certificaat worden beoordeeld. Voor deze producten en eigenschappen geldt dat deze moeten zijn voorzien van een geldige prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4 van de EU-verordening bouwproducten, en de bijbehorende certificering voor de overige onderdelen van artikelen 3, 4, 5 en 7.

Certificering is een mogelijkheid, geen verplichting, om conformiteit met de regeling aan te tonen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312).

X Noot
2

Verordening (EU) nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt (PbEU 2012, L 337).

X Noot
3

Verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt (PbEU 2013, L 201).

X Noot
4

Richtlijn nr. 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 98/48/EG van het Europees Parlement van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

X Noot
6

Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU 2011, L88).

X Noot
7

CROW is een onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer & vervoer, zie voor meer informatie: www.crow.nl.

X Noot
8

De eerste ontvangstmeldingen en de afgiftemeldingen bevatten altijd een Euralcode. De Euralcode komt voort uit de Regeling Europese afvalstoffenlijst.

X Noot
9

Zie voor meer informatie: www.ascert.nl.