Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Stichting Fonds voor CultuurparticipatieStaatscourant 2015, 34149Besluiten van algemene strekking

Deelregeling Impuls muziekonderwijs PO 2015–2020

Het bestuur van het Fonds voor Cultuurparticipatie,

Gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

Met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 september 2015

Besluit:

Paragraaf 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Fonds voor Cultuurparticipatie:

het bestuur van de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

School:

basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra of een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES;

Schoolbestuur:

het bevoegd gezag van een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra en artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES;

Locatie:

een in Nederland gelegen hoofd- of nevenvestiging als bedoeld in de Wet op het Primair Onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES;

Culturele instelling met muziekexpertise:

vereniging of stichting met een culturele doelstelling met expertise op het gebied van muziek zoals een afdeling muziek, een muziekschool of een samenwerkingsverband van muziekdocenten die als zelfstandige werkzaam zijn;

Nederland:

het land Nederland, inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Artikel 1.2. Doel subsidieverstrekking

Het doel van deze regeling is het verstrekken van projectsubsidies voor het realiseren van een duurzame inbedding van kwalitatief goed muziekonderwijs in het primair onderwijs door deskundigheidsbevordering van de mensen die voor de klas staan, het structureel verzorgen van muziekonderwijs onder schooltijd en het vormen van verbindingen tussen binnenschoolse en buitenschoolse muziekeducatie.

Paragraaf 2: Subsidieverlening

Artikel 2.1. Subsidieaanvraag

  • 1. Een schoolbestuur gevestigd in Nederland kan voor één of meerdere locaties een aanvraag voor subsidie indienen. Per locatie wordt een aparte aanvraag ingediend.

  • 2. Een aanvraag voor subsidie wordt digitaal ingediend met behulp van het door het Fonds voor Cultuurparticipatie daartoe opgestelde formulier.

  • 3. Een aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier,

    • b. een samenwerkingsovereenkomst met minimaal één lokale of regionale culturele instelling met muziekexpertise, en

    • c. een ingevulde modelbegroting.

  • 4. De subsidieaanvraag heeft betrekking op alle drie de volgende onderdelen:

    • a. het vergroten van de muziekpedagogische en didactische kennis en vaardigheden van de mensen die voor de klas staan,

    • b. het structureel verzorgen van muziekonderwijs onder schooltijd in alle leerjaren, en

    • c. het verbinden van binnenschoolse en buitenschoolse muziekeducatie aanbod.

  • 5. De subsidieaanvraag voldoet verder aan de volgende voorwaarden:

    • a. de aanvrager heeft een visie op de verankering van muziek in het onderwijs van de locatie en geeft aan hoe er wordt gewerkt aan versterking van het draagvlak binnen het team van de betreffende locatie. De aanvrager neemt het muziekprogramma op in het schoolwerkplan of schoolgids en in de begroting.

    • b. de SLO doorgaande leerlijn muziek wordt als uitgangspunt genomen voor het muziekonderwijs onder schooltijd,

    • c. er is sprake van kennisdeling binnen de bestaande netwerken van het schoolbestuur en/of met schoollocaties in de regio, en

    • d. de begroting is redelijk en sluitend en geeft inzicht in de vereisten genoemd in artikel 2.5, tweede tot en met vierde lid.

  • 6. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, onder b, is ondertekend door het bevoegd gezag van de culturele instelling en door het bevoegd gezag van de locatie. In de samenwerkingsovereenkomst is in ieder geval het volgende vastgelegd:

    • a. het doel van de samenwerking,

    • b. de inhoud van de samenwerking met betrekking tot minimaal twee van de in het vierde lid genoemde onderdelen,

    • c. afspraken over taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen, waaronder de directie en het bestuur, alsmede de wijze van afstemming tijdens de ontwikkeling en uitvoering van de activiteiten bij de samenwerking, en

    • d. afspraken over de inzet van uren en financiële middelen.

Artikel 2.2. Weigeringsgronden

Subsidie kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:5 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, geweigerd worden indien:

  • a. een schoolbestuur reeds een subsidie op basis van deze regeling heeft ontvangen voor de desbetreffende locatie;

  • b. de aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds een subsidie heeft ontvangen.

Artikel 2.3. Behandeling aanvragen

  • 1. Het Fonds voor Cultuurparticipatie verdeelt het beschikbare bedrag, genoemd in artikel 2.4, tweede lid, in de volgorde van ontvangst van de volledige aanvragen. Van een volledige aanvraag is sprake indien wordt voldaan aan artikel 2.1.

  • 2. Wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 3. Indien toekenning van aanvragen die op dezelfde datum zijn binnengekomen leidt tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot die aanvragen de volgorde op basis van het tijdstip van binnenkomst vastgesteld.

  • 4. Op een aanvraag wordt binnen een termijn van dertien weken na het indienen van de volledige aanvraag beslist.

Artikel 2.4. Aanvraagtijdvakken en subsidieplafonds

  • 1. Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend:

    • a. voor de schooljaren 2016–2017, 2017–2018 en 2018–2019: vanaf 1 november 2015 tot 1 april 2016,

    • b. voor de schooljaren 2017–2018, 2018–2019 en 2019–2020: vanaf 2 oktober 2016 tot 1 april 2017,

    • c. voor de schooljaren 2018–2019, 2019–2020 en 2020–2021: vanaf 2 oktober 2017 tot 1 april 2018.

  • 2. Het subsidieplafond bedraagt:

    • a. voor het in het eerste lid, onder a, genoemde tijdvak: € 5.000.000,–

    • b. voor het in het eerste lid, onder b, genoemde tijdvak: € 6.000.000,–

    • c. voor het in het eerste lid, onder c, genoemde tijdvak: € 5.750.000,–

  • 3. Het Fonds voor Cultuurparticipatie kan eerder vastgestelde subsidieplafonds wijzigen.

  • 4. Wanneer er na het laatste tijdvak budget over is kan het Fonds voor Cultuurparticipatie een extra tijdvak voor subsidieaanvragen instellen.

  • 5. Besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid worden bekendgemaakt via de website van het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Artikel 2.5. Hoogte subsidie en eigen bijdrage

  • 1. De subsidie bedraagt voor 3 schooljaren:

    • a. voor locaties met een leerlingenaantal tot en met 99 leerlingen: € 10.000,–

    • b. voor locaties met een leerlingenaantal tussen de 100 en 199 leerlingen: € 15.000,–

    • c. voor locaties met een leerlingenaantal van 200 leerlingen en meer: € 20.000,–.

  • 2. Subsidie wordt alleen toegekend als de subsidieaanvrager minimaal eenzelfde bedrag bijdraagt aan de totale projectkosten als het te ontvangen subsidiebedrag. De subsidieaanvrager doet dit door:

    • a. ten minste 40% van het in het eerste lid genoemde bedrag in financiële zin bij te dragen, en

    • b. maximaal 60% van het in het eerste lid genoemde bedrag door een gekapitaliseerde inzet van eigen personeel voor de uitvoering van het project. Dit wordt vastgelegd in het takenbeleid van de locatie.

  • 3. Reeds bestaande activiteiten op het gebied van muziekonderwijs binnen de locatie komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 4. Maximaal 15% van de subsidie wordt besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf of huur van muziekinstrumenten en lesmaterialen.

Artikel 2.6. Begrotingsvoorbehoud

Subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verstrekt onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 3: Verplichtingen en verantwoording

Artikel 3.1. Meldingsplicht

De subsidieontvanger meldt onverwijld aan het Fonds voor Cultuurparticipatie als:

  • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b. niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

  • c. er aanzienlijke wijzigingen zijn ten opzichte van het projectplan op basis waarvan de subsidie is verstrekt.

Artikel 3.2. Verantwoording, voorschotten, vaststelling en betaling

Verantwoording, bevoorschotting, vaststelling en betaling van de subsidie geschiedt overeenkomstig het daarover bepaalde in hoofdstukken 8, 9,10 en 11 van het Algemeen reglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Artikel 3.3. Monitoring en evaluatie

Activiteiten die in het kader van deze regeling worden ontwikkeld en uitgevoerd worden gemonitord en geëvalueerd.

Paragraaf 4: Overige bepalingen

Artikel 4.1. Wijziging Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO

De definities ‘school’ en ‘schoolbestuur’ in artikel 1.1. van de Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO komen te luiden:

School: basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra of een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES;

Schoolbestuur: het bevoegd gezag van een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs en artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES;

Artikel 4.2. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023. Op bezwaar-en beroepsprocedures die op dat moment nog niet zijn afgerond, blijft het bepaalde in deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.3.Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Deelregeling Impuls muziekonderwijs PO 2015–2020

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Het bestuur van het Fonds voor Cultuurparticipatie, Namens deze: J.J.K. Knol, Directeur/voorzitter van het bestuur.

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding

Met de Deelregeling Impuls muziekonderwijs PO 2015–2020 beoogt het Fonds voor Cultuurparticipatie binnen het lopende programma Cultuureducatie met Kwaliteit het onderdeel muziek te intensiveren en versnellen, door subsidie beschikbaar te stellen voor basisscholen om kwalitatief goed muziekonderwijs duurzaam in te bedden in de praktijk. De aanleiding voor het opstellen van deze subsidieregeling is de brief van de minister aan de Tweede Kamer d.d. 24 oktober 2014 betreffende Impuls cultuuronderwijs. De Handreiking Muziekonderwijs 2020 die de commissie Gehrels in opdracht van de minister heeft opgesteld is het vertrekpunt van waaruit deze regeling ontwikkeld is.

Goed cultuuronderwijs is belangrijk: voor de persoonlijke ontwikkelingen van kinderen en jongeren, voor hun creativiteit en voor de creativiteit van onze samenleving. Het fundament ligt hiervoor in het primair onderwijs. Vanaf 2012 is hiervoor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit gestart met als doel de kwaliteit van cultuuronderwijs te verbeteren. Dit programma richt zich op basisscholen en culturele instellingen. Er is aandacht voor alle verschillende vormen van cultuuronderwijs. Met de aandacht voor 21st century skills en met de maatschappelijke dialoog over het curriculum 2032 neemt het belang van cultuureducatie alleen maar toe.

Er is groot draagvlak in de samenleving voor cultuuronderwijs en in het bijzonder voor meer en beter muziekonderwijs. 84% Van de ouders vindt het belangrijk dat hun kinderen op school in aanraking komen met muziek1. Daar staat tegenover dat slechts 11% van de scholen vindt dat hun leraren deskundig genoeg zijn om muziekonderwijs te geven2. Groepsleerkrachten voelen zich vaak niet bekwaam genoeg voor muziekonderwijs. Ze missen vaak het zelfvertrouwen om bijvoorbeeld te zingen voor en met de klas3.

Om die redenen heeft Minister Bussemaker van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in de genoemde brief aan de Tweede Kamer als onderdeel van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit de Impuls muziekonderwijs aangekondigd en aan het Fonds voor Cultuurparticipatie gevraagd een bijbehorende regeling op te stellen. Het doel is om goed muziekonderwijs, als onderdeel van cultuuronderwijs, voor alle Nederlandse kinderen toegankelijk te maken.

Vooruitlopend op deze regeling heeft de minister in mei 2015 vijftien schoollocaties verdeeld over het land de gelegenheid gegeven alvast te starten met de Impuls muziekonderwijs. Met subsidie van het Fonds voor Cultuurparticipatie starten deze zogenaamde Vroege Starters met ingang van het jaar 2015-2016 met de uitvoering van hun programma. Op de website van het Fonds, www.cultuurparticipatie.nl staan de beschrijvingen van deze plannen die ter inspiratie kunnen dienen voor schoollocaties die ook een impuls willen geven aan hun muziekonderwijs. De praktijkervaringen van de Vroege Starters zullen gedeeld worden en op deze wijze benut worden om de kwaliteit van de Impuls muziekonderwijs programma’s te verbeteren.

Met deze subsidieregeling sluit het Fonds aan bij de brede landelijke campagne Méér Muziek in de Klas. Met deze publiek-private samenwerking zetten diverse partijen zich gezamenlijk in voor structureel muziekonderwijs onder schooltijd en in de vrije tijd.

Onder muziekonderwijs wordt verstaan het binnenschoolse muziekaanbod gerelateerd aan de kerndoelen van het onderwijs en muziekeducatie als het gaat over muziekaanbod in het algemeen en specifiek over buitenschoolse muzieklessen.

2. Meer en beter muziekonderwijs

Meer en beter muziekonderwijs voor alle kinderen in Nederland betekent muziekonderwijs op alle basisscholen. Deze subsidieregeling staat open voor aanvragen vanuit álle basisscholen. Ook scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs worden uitdrukkelijk uitgenodigd deel te nemen aan deze regeling. De subsidie aanvraag moet ingediend worden door het schoolbestuur die voor één of meerdere locaties4 een aanvraag kan indienen. Voor elke locatie dient een aparte aanvraag ingediend te worden. Het betreft een plan dat op maat ontwikkeld wordt passend bij de onderwijsvisie, expertise en ambitie van de desbetreffende locatie. Kennisdeling met de andere locaties binnen het bestuur of in de regio is een belangrijk aspect in deze subsidieregeling.

De regeling staat open voor alle schoollocaties. Dat kunnen schoollocaties zijn die al een vorm van muziekonderwijs hebben en daar een verbeterslag in aan willen brengen. Maar ook voor schoollocaties die op dit moment nog weinig tijd en aandacht geven aan muziekonderwijs of zich onzeker of onvoldoende deskundig voelen om muziekonderwijs uit te voeren, maar wel de ambitie hebben om muziek te versterken in hun onderwijs. Muziek is een verrijking in het onderwijs, het speelt in op de brede ontwikkeling van het kind en draagt bij aan de creativiteitsontwikkeling.

Van schoollocaties wordt gevraagd dat zij met deze impuls een (volgende) stap zetten naar meer en beter muziekonderwijs en daarmee muziek een duurzame plek in hun onderwijs geven. Dat doet een schoollocatie door de volgende activiteiten uit te voeren: deskundigheidsbevordering van de mensen die voor de klas staan, het structureel uitvoeren van muziekonderwijs en het verbinden van binnenschools muziekonderwijs en buitenschoolse voorzieningen voor muziekeducatie.

De bestaande cultuureducatie en muziekactiviteiten mogen geen deel uit maken van deze subsidieaanvraag. Dat betekent dat een verbetering van een bestaande activiteit of een aanvulling op bestaande activiteit wèl onderdeel kan zijn van de subsidieaanvraag, maar niet een nieuwe editie van eenzelfde activiteit. Bovendien is het niet de bedoeling dat de tijd en geld voor de Impuls muziekonderwijs ten koste gaat van de andere kunstdisciplines.

In alle subsidieregelingen van het Fonds voor Cultuurparticipatie wordt van de aanvrager gevraagd het subsidiebedrag te matchen met een eigen bijdrage. Voor deze subsidieregeling heeft het Fonds ervoor gekozen om de aanvullende financiële bijdrage vanuit de aanvrager beperkt te houden tot minimaal 40% van het subsidiebedrag. Daarnaast wordt van de aanvrager gevraagd om een equivalent van maximaal 60% van het subsidiebedrag in te zetten vanuit de eigen uren van het personeel ten behoeve van de uitvoering van dit project (daarbij gaat het om uren die bovenop de reguliere lesuren van de leerkrachten komen). Deze ureninzet dient vastgelegd te worden in het takenbeleid van de schoollocatie zodat deze geborgd is.

Meer en beter muziekonderwijs betekent dat de energie van alle betrokkenen gericht is op de organisatie, kwaliteitsverbetering en implementatie van muziekonderwijs en niet blijft hangen in discussies over methoden en het ontwikkelen van nieuwe leerlijnen. Het gewenste eindbeeld is dat alle kinderen op de basis op regelmatige basis een betekenisvol aantal uren muziekonderwijs krijgen, verzorgd door gekwalificeerde mensen die voor de klas staan, met als uitgangspunt de SLO leerlijn muziek (onderdeel van het leergebied kunstzinnige oriëntatie) en waarbij een verbinding tussen binnenschoolse en buitenschoolse muziekaanbod bestaat.

3. Samenwerking binnenschools – buitenschools

Samenwerking tussen schoollocatie en muzikale omgeving is van belang voor de muzikale ontwikkeling van kinderen. Deze samenwerking kan vorm krijgen in verschillende activiteiten zoals: samenwerking op het gebied van deskundigheidsbevordering; inzet van buitenschoolse expertise voor muziekaanbod onder schooltijd en om de doorstroming van kinderen van binnenschoolse naar buitenschoolse muziekactiviteiten te stimuleren (zoals muziekactiviteiten uitvoeren in het verlengde van de schooldag). Voorwaarde in de subsidieregeling is dat de schoollocatie hiervoor samenwerkt met minimaal één culturele instelling met muziekexpertise in de regio van de locatie gedurende de looptijd van het project. Wie de samenwerkingspartner is zal in elke stad of regio variëren en bepaald worden door de specifieke en unieke culturele infrastructuur. Dat kan zijn een muziekschool zijn, een centrum voor de kunsten met muziekexpertise, een harmonie of fanfare, een samenwerkingsverband van zelfstandig werkende muziekdocenten enzovoort. Van belang is dat met deze samenwerking de muziek- en onderwijsexpertise uitgewisseld wordt, samen opgetrokken wordt om muziekonderwijs duurzaam in de schoollocatie te verankeren en dat kinderen een rijke muzikale omgeving te bieden. Voorwaarde is dat de samenwerking vorm krijgt in minimaal twee van de drie onderdelen (deskundigheidsbevordering, muziekonderwijs in school en verbinding binnenschools-buitenschools) waarvoor subsidie aangevraagd kan worden. Uitgangspunt is een gezamenlijke aanpak en een heldere rolverdeling. Op de website van het Fonds staat een voorbeeld van een samenwerkingsovereenkomst die voor de subsidieaanvraag gebruikt kan worden.

Aanvullend op de minimaal één vereiste samenwerkingspartner kan de schoollocatie ook nog met andere partijen samenwerken om de ambities van de muziekimpuls te realiseren. Zo kan het voor een schoollocatie interessant zijn om de kennis en materialen in te zetten van landelijke (profit of non profit) organisaties op het gebied van muziekonderwijs. Samenwerking met PABO’s of lerarenopleidingen geeft mogelijkheden om specifieke expertise binnen de school te halen en stagiaires kunnen een waardevolle rol hebben bij de verschillende activiteiten. Ook is het mogelijk om als extra ondersteuning in een zelfstandige muziekdocent of vakleerkracht muziek in te zetten. Aandachtspunt voor de schoollocatie is hierbij wel de continuïteit van deze inzet.

Niet voor alle kinderen is de weg naar buitenschoolse muziekeducatie vanzelfsprekend. Verschillende activiteiten kunnen hiervoor een brugfunctie vervullen. Het aanbieden van muziekactiviteiten in het verlengde van het programma biedt alle kinderen een mogelijkheid tot verdieping van muziekonderwijs. Dat kan vorm krijgen in een schoolkoor, schoolorkest, brassband of raplessen in de verlengde schooldag, brede school of tijdens het naschoolse programma. Een combinatiefunctionaris of cultuurcoach kan ondersteuning bieden aan geïnteresseerde en/of talentvolle leerlingen om door te stromen naar een buitenschools traject, waarbij eventueel ook een Jeugdcultuurfonds een rol kan spelen.

Culturele instellingen kunnen naast dit alles ook een rol spelen op praktisch gebied zoals faciliteren met ruimte, materiele middelen en logistiek. Dit kan voor zowel de schoollocatie als de culturele instelling waardevol zijn. Zo komen bijvoorbeeld nieuwe bezoekers een muzikale voorstelling in de schouwburg bijwonen. Of kan de muziekschool een ruimte in de schoollocatie gebruiken voor buitenschoolse muzieklessen terwijl de muziekdocenten tevens ingezet worden voor algemene muzikale vorming in bijvoorbeeld groep 6.

4. Deskundigheidsbevordering van de mensen die voor de klas staan

Essentieel voor goed muziekonderwijs zijn deskundige mensen die voor de klas staan. Daarbij kan het gaan om zowel de groepsleerkrachten, vakleerkrachten of muziekdocenten. Het Fonds verstaat onder vakleerkrachten iemand die ofwel in het oude systeem de opleiding muziek heeft voltooid ofwel in het huidige systeem de opleiding docent muziek. Een muziekdocent is iemand die opgeleid is om op een bepaald terrein of in bepaalde instrumenten muziekonderwijs te verzorgen. Voor velen die voor de klas staan geldt dat zij zich onzeker voelen over hun competenties om goed muziekonderwijs te kunnen verzorgen. Voor groepsleerkrachten zal deskundigheidsbevordering vooral liggen op het gebied van de muzikale vaardigheden. Bij muziekdocenten zal vooral scholing in pedagogisch-didactische competenties van belang zijn.

Samenwerking tussen vakleerkracht, muziekdocent en de groepsleerkracht in de klas leidt niet automatisch tot deskundigheidsbevordering. Daar is zeker meer voor nodig. Principes van co-teaching kunnen hierbij behulpzaam zijn. Ervaringen met co-teaching leert dat tijd en aandacht voor overleg over de inhoud en uitvoering van de lessen hiervoor een voorwaarde is. Naast aandacht voor deskundigheidsbevordering in het geven van muziekonderwijs is ook begeleiding bij wat kwalitatief goed muziekonderwijs is en ondersteuning bij het proces van implementatie van muziekonderwijs in de onderwijspraktijk een belangrijk onderdeel.

De visie van de schoollocatie en het schoolbestuur op de inhoud en de organisatie van muziekonderwijs is bepalend voor hoe het programma voor deskundigheidsbevordering opgezet wordt. Moeten alle groepsleerkrachten alle muzieklessen kunnen geven? Of geldt dat alleen in de onderbouw? Worden de algemeen vormende muzieklessen door de groepsleerkrachten gegeven en de instrumentale lessen door muziekdocenten? Welke talenten zijn er al op muzikaal gebied binnen de locatie en hoe kunnen die ingezet worden? Wordt muziek geïntegreerd in de cognitieve vakken? Wat is de rol van de vakleerkracht? Waarvoor wordt een muziekdocent of een musicus ingezet?

De culturele instelling kan de onderwijspraktijk begeleiding geven bij het ontwikkelen van de visie en bij de opzet van het scholingsprogramma. Culturele instellingen kunnen daarnaast samenwerken met schoollocaties voor de uitvoering van dit programma maar ook door de samenwerking met amateurverenigingen te begeleiden of door te bemiddelen bij de inzet van muziekdocenten of musici.

5. Duurzame inbedding

Het doel van deze regeling is een duurzame inbedding van kwalitatief goed muziekonderwijs op school. Dat is de reden dat gekozen is voor een looptijd voor deze impulsgelden van drie schooljaren.

Voor een duurzaam effect is borging van muziek in de onderwijspraktijk van belang. Hoe de schoollocatie en het schoolbestuur het muziekonderwijs borgt is aan de locatie en bestuur om te bepalen, passend bij de onderwijsvisie, het profiel en de culturele omgeving. Geïntegreerd in het onderwijs of als apart vak? Met een vakleerkracht, een gespecialiseerde groepsleerkracht of muziekdocenten uit de culturele omgeving? Met welke methode? Met een programma in de verlengde schooldag en met welke culturele partner? Het is aan de schoollocatie en het schoolbestuur om op deze en meer vragen een antwoord te geven. Want voor een duurzame inbedding van muziekonderwijs in de schoollocatie zijn het hebben van een visie, draagvlak binnen het team, een doorgaande leerlijn, samenhang met het cultuureducatiebeleid, personele inzet op het gebied van muziekonderwijs in het takenbeleid, zichtbaar maken van het leerproces van de leerlingen en last but not least kennisdeling met andere schoollocaties belangrijke aandachtspunten.

Voor de borging van muziek in het onderwijs is het logisch om een inhoudelijke verbinding te leggen tussen het vak muziek en het brede curriculum cultuureducatie. Een visie en beleid voor cultuureducatie in het onderwijs legt een basis voor muziekonderwijs. Muziek heeft een nauwe relatie met andere kunstdisciplines en het kan interessant zijn om deze samenhang in het muziek- en cultuurbeleid vorm te geven. Maar het is ook mogelijk om de intensivering op muziekonderwijs als voorbeeld gebruikt om het kerndoel Kunstzinnige Oriëntatie te versterken in het onderwijs.

De duurzame inbedding van muziek wordt zichtbaar gemaakt in het schoolplan en de schoolgids. Van de gesubsidieerde schoollocaties wordt verwacht dat zij muziek opnemen in hun schoolplan en/of schoolgids, in het takenbeleid en de begroting van de schoollocatie.

Het accent in deze regeling ligt niet op het ontwikkelen van nieuwe methoden of nieuwe doorlopende leerlijnen op het gebied van muziek maar het benutten van hetgeen er al is en dat duurzaam inbedden in het onderwijsbeleid en praktijk van de schoollocatie. Daarom is ervoor gekozen dat de plannen die in het kader van deze regeling gesubsidieerd worden de SLO doorgaande leerlijn muziek als uitgangspunt hebben. De volledige informatie over deze leerlijn is te vinden via http://kunstzinnigeorientatie.slo.nl/leerlijnen/kunstzinnige-vakdisciplines-en-cultureel-erfgoed/muziek. Aan de hand van deze leerlijn kan de schoollocatie het muziekonderwijs concretiseren en invullen.

6. Aanvullende ideeën voor borging van muziekonderwijs

De voorgaande paragrafen geven informatie over de aanleiding van en een toelichting op de regeling en vereisten waaraan een aanvraag moet voldoen. In de tekst hieronder volgen ideeën en suggesties die eveneens meegenomen kunnen worden in de plannen van de schoollocatie om muziekonderwijs te verbeteren en te versterken. Deze suggesties maken geen deel uit van de voorwaarden en criteria van de regeling maar kunnen interessant zijn voor de uitwerking van het muziekimpuls plan van de schoollocatie.

Voor meer en beter muziekonderwijs is het wenselijk ouders te bereiken. Zij zijn natuurlijk het enthousiaste publiek voor de musicerende kinderen maar kunnen ook ondersteuning bieden bij praktische werkzaamheden. Er kan onderzocht worden of muzikale ouders betrokken kunnen worden bij het onderwijs. Betrokkenheid van ouders is essentieel voor een goede doorstroming naar buitenschoolse muzieklessen.

Subsidie vanuit deze regeling is een eenmalige bijdrage om een impuls te geven aan het muziekonderwijs en zo muziek in de basisschool te borgen. De realiteit is echter dat extra of bijzondere muziekactiviteiten binnen de school of in het verlengde van de school vaak kosten met zich mee brengen. Het kan hiervoor behulpzaam zijn om een werkgroep op te richten die zich bezig houdt met sponsoring en fondsenwerking vanuit de school en schoolbestuur of vanuit de culturele partner. Op deze wijze kunnen ook de extra of bijzondere activiteiten zich verduurzamen.

Muziekonderwijs voor kinderen beperkt zich niet alleen tot de binnenschoolse tijd en de verantwoording van de onderwijspraktijk. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheden, het onderwijs en culturele instellingen om zich in te spannen voor de muzikale ontwikkeling van kinderen. Die begint met een algemene muzikale ontwikkeling en kennismaking binnenschools en gaat verder met een verdieping buitenschools. Een gezamenlijke inzet van alle drie de partijen is van belang om een goede en toegankelijke muzikale infrastructuur voor kinderen op lokaal niveau te hebben. Een dialoog op lokaal niveau, bijvoorbeeld in de LEA (Lokale Educatieve Agenda), kan de school benutten om ook de lokale overheid te betrekken in het proces.

7. Een eenvoudige en flexibele regeling

Het onderwijsbeleid is gericht op deregulering en legt de verantwoording voor de uitvoering van het onderwijs bij de scholen. Met deze subsidieregeling wil het Fonds een gerichte impuls geven aan muziekonderwijs. Daarom is ervoor gekozen om deze impuls vorm te geven via een specifieke subsidieregeling, echter met een eenvoudige opzet. De regeling heeft een duidelijke opzet en voorwaarden maar biedt ruimte voor regionale verschillen en aansluiting bij verschillende types en visies.

8. Gevoerd overleg

Voor de ontwikkeling van deze regeling is met diverse betrokkenen vanuit het primair onderwijs, de culturele sector en het muziekonderwijs gesproken. De aanbevelingen vanuit het primair onderwijs voor een regeling met een eenvoudige opzet, met differentiatie in subsidiebedragen naar schoolgrootte en aandacht voor kennisdeling zijn meegenomen in de opzet van de regeling. Vanuit de culturele instellingen is aandacht gevraagd voor het duurzame effect van deze muziekimpuls, voor ongewenste neveneffecten op andere kunstdisciplines en voor de samenhang met het programma Cultuureducatie met Kwaliteit. Met de stichting Méér Muziek in de Klas en het LKCA is overlegd en zal verdere afstemming plaatsvinden over de communicatie, promotie, kennisdeling en evaluatie van deze regeling en muziekonderwijs in het algemeen. Tevens zullen deze partijen er gezamenlijk op toezien, dat het totaal aan activiteiten om meer en beter muziekonderwijs te realiseren onderling is afgestemd. Met Special Heroes is de aansluiting van deze regeling op het speciaal onderwijs besproken. Verder zijn de bevindingen van de tussentijdse evaluatie van de Deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs meegenomen in de opzet van deze regeling.

Een conceptversie van de regeling is voor advies aan diverse deskundigen uit bovengenoemde sectoren voorgelegd en de reacties zijn verwerkt in de definitieve versie.

II. ARTIKELGEWIJS

Artikel 1.1

In artikel 1.1. wordt voor de definities van de begrippen school, schoolbestuur en locatie aangesloten bij de Wet op het Primair onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES. Een school is een basisschool in de zin van artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs. Dit is inclusief speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Het schoolbestuur is het bevoegd gezag van de basisschool.

Onder locatie wordt in deze regeling een hoofd- of nevenvestiging van de school bedoeld. Een nevenvestiging is in de wet gedefinieerd als een deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de regeling dus geen dislocatie verstaan, d.w.z. een deel van een school in een ander gebouw en op een andere locatie dan het hoofdgebouw waarmee feitelijk ruimtegebrek in het hoofdgebouw van de school wordt opgevangen. Een nevenvestiging kan ook een dislocatie hebben.

Artikel 2.1

De subsidieaanvraag bestaat uit drie documenten:

  • 1. een volledig ingevuld aanvraagformulier,

  • 2. een samenwerkingsovereenkomst en

  • 3. een volledig ingevulde modelbegroting.

Een aanvraag gaat verder vergezeld van een kopie van een recent bankafschrift of een schermafdruk (screenshot) van het rekeningoverzicht bij het internetbankieren waarop duidelijk de naam van het schoolbestuur en het rekeningnummer zichtbaar is. In het aanvraagformulier dienen de activiteiten die beschreven zijn in het vierde lid van artikel 2.1, onder a, b en c uitgewerkt te worden. Bij het vergroten van de muziekpedagogische en didactische kennis en vaardigheden van de mensen die voor de klas staan, kan het gaan om de groepsleerkrachten maar ook om vakleerkrachten, muziekdocenten en musici uit de professionele en amateurmuzieksector. Verder dient in de aanvraag aandacht te worden besteed aan de voorwaarden genoemd in het vijfde lid.

Op basis van de samenwerkingsovereenkomst is sprake van een gelijkwaardige samenwerking met één of meerdere culturele instellingen met muziekexpertise in de lokale of regionale omgeving van de locatie. Deze overeenkomst dient ondertekend te zijn door zowel het bevoegd gezag van de lokale of regionale culturele instelling als door de verantwoordelijke locatiemanager. Het begrip regionaal wordt niet afgebakend met kilometers maar heeft betrekking op een redelijke en logische keuze; wat is de muzikale infrastructuur in de omgeving van de school en wat is uitvoerbaar (en dus bereisbaar) voor het leggen van een verbinding tussen binnenschoolse, naschoolse en buitenschoolse muziekeducatie. Culturele instellingen zijn overigens vaak BTW plichtig en scholen niet.

Artikel 2.2

In artikel 2.2. worden de weigeringsgronden opgesomd. Daarnaast gelden de algemene weigeringsgronden uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op basis van artikel 4:5 Awb kan besloten worden de aanvraag niet te behandelen als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag (bijvoorbeeld artikel 2.1, derde lid, van de regeling; wanneer de aanvrager de begroting of de samenwerkingsovereenkomst niet heeft bijgevoegd) of wanneer de verstrekte gegevens of bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Artikel 4:5 Awb ziet toe op gebreken die naar hun aard herstelbaar zijn. Indien het gebrek niet hersteld wordt binnen een door het Fonds gestelde redelijke termijn dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Op grond van artikel 4:35 Awb kan subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. De subsidieverlening kan voorts worden geweigerd indien de aanvrager:

    • a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of b. failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 2.3.

Op basis van artikel 29, onder a, van het Algemeen Reglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie wordt een subsidie die minder dan € 25.000,– bedraagt en bij honorering direct wordt vastgesteld binnen een termijn van 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

Artikel 2.5.

De teldatum voor het bepalen van het aantal leerlingen is 1 oktober voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag. Het verstrekte subsidiebedrag wijzigt niet wanneer het leerlingenaantal na deze teldatum verandert.

In het tweede lid wordt het principe van de eigen bijdrage uitgewerkt. De subsidie dient voor 100% te worden gematcht met eigen middelen vanuit het schoolbestuur. Tenminste 40% van de ontvangen € 10.000,–, € 15.000,– of € 20.000,– (respectievelijk € 4.000,–, € 6.000,– of € 8.000,–) dient derhalve vanuit het schoolbestuur gefinancierd te worden.

Maximaal 60% van het te ontvangen subsidiebedrag dient gematcht te worden door middel van de inzet van eigen personeel voor de uitvoering van het project. Uitgaande van een gemiddeld salaris in het primair onderwijs inclusief werkgeverslasten (€ 60,– per lesuur bij een volledige aanstelling) is dit respectievelijk 100, 150 of 200 lesuren voor de periode van drie schooljaren. Dit wordt vastgelegd in het takenbeleid van de school en kan bijvoorbeeld worden ingezet voor coördinatie van het programma, deskundigheidsbevordering, ontwikkelen en implementeren schoolplan muziekonderwijs, afstemming met de culturele samenwerkingspartners of kennisdeling met andere scholen binnen het schoolbestuur.

Artikel 3.2.

Op basis van deze regeling worden subsidies tot maximaal € 20.000 verstrekt. Subsidies worden per locatie aangevraagd. Op basis van het Uniform subsidiekader wordt de subsidie daarom ambtshalve vastgesteld. De aanvrager hoeft dus geen verzoek tot vaststelling in te dienen. Wel wordt van de aanvrager verwacht de opgedane kennis en ervaring van dit project te delen met andere scholen die onderdeel uit maken van het schoolbestuur of scholen in de regio en mee te werken aan andere activiteiten op het gebied van kennisdeling over muziekonderwijs op school. Het Fonds voor Cultuurparticipatie kan overigens wel in een steekproef om een verantwoording over de prestatie vragen.

Artikel 3.3.

Voor de monitoring en evaluatie van deze regeling wordt aansluiting gezocht bij landelijke enquêtes zoals van DUO, Sardes en Oberon. Het Fonds zal de monitoring en evaluatie uitwerken in samenwerking met partners zoals PO Raad, Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst en stichting Méér Muziek in de Klas. Daarnaast wordt van de aanvrager gevraagd, conform artikel 2.1. lid 5.c. kennis te delen binnen bestaande netwerken van het schoolbestuur en/of met schoollocaties in de regio.

Artikel 4.1.

De Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO is vanaf de datum van inwerkingtreding van de regeling, t.w. 24 juli 2015, ook van toepassing op het speciaal onderwijs. Dit is destijds abusievelijk niet in de regeling meegenomen.


X Noot
1

Veldkamp, Muziek telt! Onderzoek naar behoefte en imago van muziekonderwijs bij Nederlands publiek (18 jaar en ouder), 2010. Onderzoek in opdracht van Kunstfactor. Zie http://www.primaonderwijs.nl/po/84-nederlanders-vindt-muziekonderwijs-belangrijk.

X Noot
2

Zie de monitor Cultuuronderwijs in het primair onderwijs 2013–2014, tabel 46. Uw Kamer vindt de monitor als bijlage 2 bij deze brief.

X Noot
3

Schilt-Mol, T. van, Mariën, H., Vijfeijken, M. van, Broekmans, A.: Muziekeducatie in het primair onderwijs. Een kwantitatieve en kwalitatieve verkenning van de stand van zaken. IVA beleidsonderzoek en advies, Tilburg, 2011.

X Noot
4

In deze toelichting wordt term ‘schoollocatie’ gehanteerd. Echter daar waar het zaken betreft rondom personeelsbeleid, financiën, visievorming en borging is bestuurlijke afstemming essentieel. Schoolbestuur is verantwoordelijk voor beleid en aanjager voor onderwijsverbetering. Een kwaliteitsimpuls kan niet los gezien worden van bestuurlijke inbedding en vereist congruentie binnen de verschillende lagen van de onderwijspraktijk.