Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 september 2015, nr. WJZ/15121736, houdende wijziging van bijlage C bij de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 8a van het Besluit gebruik meststoffen;

Besluit:

Artikel 1

In bijlage C bij de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen wordt aan de opsomming toegevoegd:

Japanse haver

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 22 september 2015

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

ZLTO heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken verzocht om Japanse haver (Avena strigosa) toe te voegen aan de lijst van wettelijk toegestane vanggewassen na de teelt van maïs. Dit verzoek is voorgelegd aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) met de vraag het te beoordelen.

CDM concludeert dat er geen redenen zijn om het grasachtige gewas Japanse haver uit te sluiten als vanggewas. Uit onderzoeken blijkt dat dit gewas bij de gebruikelijke inzaai tot begin september, qua stikstofopname zeker niet onderdoet voor de gewassen die al op de lijst van wettelijk toegelaten vanggewassen staan. Bij latere inzaai zal de stikstofopname wel aanzienlijk minder zijn dan uit de beschikbare onderzoeksgegevens naar voren komt. Maar ook dan zal Japanse haver, mede vanwege de goede kiemkracht, in staat zijn minstens de hoeveelheid stikstof uit de bodem te halen die andere vanggewassen uit de bodem halen.

In het verzoek van ZLTO wordt in overweging gegeven om als uiterste inzaaimoment 1 oktober te nemen. CDM gaat daarop in en adviseert om, net als voor de reeds aangewezen vanggewassen, niet te eisen dat maïs voor een bepaalde datum geoogst moet zijn en het vanggewas voor 1 oktober gezaaid moet zijn. Dit advies is overgenomen en in de regeling is geen voorschrift opgenomen om voor een bepaalde datum Japanse haver in te zaaien.

Japanse haver kan bevriezen en is dus vorstgevoelig. Daarover zijn echter onvoldoende onderzoeksgegevens. Bronnen zijn niet eensluidend over de mate van vorstgevoeligheid. Het oordeel daarover loopt van vorstgevoelig tot beperkt vorstgevoelig. In vergelijking met bladrammenas, dat op de lijst van vanggewassen staat en waarvan bekend is dat het vorstgevoelig is, kan met een grote mate van zekerheid worden gesteld dat Japanse haver niet gevoeliger is voor vorst.

ZLTO voert in haar verzoek aan dat Japanse haver een aaltjesbeheersende werking bezit. Dit argument speelt echter geen criterium om dit gewas wel of niet toe te staan als vanggewas. Wel is het een gunstige eigenschap die telers kunnen benutten om bij aanwezigheid van het aaltje Pratylenchus penetrans in de bodem te voorkomen dat de populatie van dit aaltje zich verder uitbreid. Het aaltje Meloidogyne chitwoodi kan zich wel op Japanse Haver vermeerderen; een kortere groeiperiode, zoals die na maïs, verkleint echter de vermeerderingskansen.

Alle onderzoeken met Japanse Haver hebben betrekking op situaties waarin het gewas tussen eind juli en begin september gezaaid werd. Bij gebruik van Japanse Haver als vanggewas na maïs wordt later gezaaid en zou de groeiperiode 4-8 weken korter duren. De potentiële N-opname is in dat geval 40–80 kg N per ha lager, maar deze is vergelijkbaar met andere vanggewassen na maïs. Omdat de gewaardeerde eigenschappen van Japanse Haver voor wat betreft aaltjes niet berusten op een dodend effect maar op het onvermogen van Pratylenchus penetrans om zich op Japanse Haver te vermeerderen, doet (ver)late zaai niets af aan die eigenschap van het gewas.

2. Regeldruk

Qua regeldruk verandert er niets. Ook in de uitvoering en de handhaving zijn er geen veranderingen.

3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2015. Voor wat betreft de datum van inwerkingtreding wordt dan ook gehandeld conform het beleid inzake de vaste verandermomenten. Voor wat betreft de inwerkingtredingstermijn van twee maanden wordt hiervan afgeweken. Dat is in dit geval gerechtvaardigd, omdat de betrokken partijen gebaat zijn bij spoedige inwerkingtreding.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Naar boven