Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 31821Convenanten

Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016–2021 regio Oost

van de samenwerkende overheden in het RBO Rijn-Oost en maatschappelijke organisaties, betrokken bij het project Zoetwatervoorziening Oost-Nederland.

1. Partijen

  • De Minister van Infrastructuur en Milieu, hierna te noemen: ‘het Rijk’

  • Het Waterschap Groot Salland

  • Het Waterschap Reest en Wieden

  • Het Waterschap Rijn en IJssel

  • Het Waterschap Vallei en Veluwe

  • Het Waterschap Vechtstromen

  • De provincie Drenthe

  • De provincie Overijssel

  • De provincie Gelderland

  • De provincie Utrecht

  • De gemeenten verenigd in het Platform Water Vallei en Eem1

  • De gemeente Aa en Hunze

  • De gemeente Aalten

  • De gemeente Almelo

  • De gemeente Apeldoorn

  • De gemeente Berkelland

  • De gemeente Borger-Odoorn

  • De gemeente Borne

  • De gemeente Bronckhorst

  • De gemeente Brummen

  • De gemeente Coevorden

  • De gemeente Dalfsen

  • De gemeente De Wolden

  • De gemeente Deventer

  • De gemeente Dinkelland

  • De gemeente Doesburg

  • De gemeente Doetinchem

  • De gemeente Elburg

  • De gemeente Enschede

  • De gemeente Epe

  • De gemeente Ermelo

  • De gemeente Hardenberg

  • De gemeente Harderwijk

  • De gemeente Hattem

  • De gemeente Heerde

  • De gemeente Hellendoorn

  • De gemeente Hengelo

  • De gemeente Hof van Twente

  • De gemeente Hoogeveen

  • De gemeente Kampen

  • De gemeente Lochem

  • De gemeente Losser

  • De gemeente Meppel

  • De gemeente Midden-Drenthe

  • De gemeente Montferland

  • De gemeente Nunspeet

  • De gemeente Oldebroek

  • De gemeente Oldenzaal

  • De gemeente Olst-Wijhe

  • De gemeente Ommen

  • De gemeente Oost Gelre

  • De gemeente Oude IJsselstreek

  • De gemeente Putten

  • De gemeente Raalte

  • De gemeente Rijnwaarden

  • De gemeente Rijssen-Holten

  • De gemeente Rozendaal

  • De gemeente Staphorst

  • De gemeente Steenwijkerland

  • De gemeente Tubbergen

  • De gemeente Voorst

  • De gemeente Westerveld

  • De gemeente Westervoort

  • De gemeente Wierden

  • De gemeente Winterswijk

  • De gemeente Zevenaar

  • De gemeente Zutphen

  • De gemeente Zwartewaterland

  • De gemeente Zwolle

  • Vitens N.V.

  • Waterleidingmaatschappij Drenthe

  • Land- en Tuinbouworganisatie Noord (LTO Noord)

  • Staatsbosbeheer Overijssel

  • Staatsbosbeheer Drenthe

  • Staatsbosbeheer Gelderland

  • Staatsbosbeheer Utrecht

  • Natuurmonumenten regio Overijssel/Flevoland

  • Natuurmonumenten regio Groningen/Friesland/Drenthe

  • Natuurmonumenten regio Gelderland

  • Natuurmonumenten regio Noord-Holland/Utrecht

  • Landschap Overijssel

  • Het Drentse Landschap

  • Geldersch Landschap en Kasteelen

  • Stichting Het Utrechs Landschap

  • Natuur en Milieu Overijssel

  • Natuur en Milieufederatie Drenthe

  • Gelderse Natuur en Milieufederatie

  • Natuur en Milieufederatie Utrecht

  • Het Overijssels Particulier Grondbezit

  • Het Drents Particulier Grondbezit

  • Het Gelders Particulier Grondbezit

  • Het Utrechts Particulier Grondbezit

Hierna te noemen: Partijen,

2. Overwegingen

  • a. Gezien:

    • de verklaring ‘Hoog en Droog’, vastgesteld op 6 juni 2012, waarin eerdere voornemens van Partijen zijn neergelegd;

    • de instemming van het RBO Rijn-Oost op 11 oktober 2013 met de ontwikkelde strategie voor de Hoge Zandgronden, opgenomen in het document ‘Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, op weg naar een strategie en uitvoeringsprogramma voor de regio's Oost en Zuid: sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren’ (90%-versie, 14-2-2014), hierna te noemen: UP;

    • het daarop gebaseerde Regionale Bod ‘Aanbod Hoge Zandgronden’ dat Partijen op 17 februari 2014 hebben uitgebracht aan de Deltacommissaris, met bijlagen, hierna te noemen Bod;

    • de Intentieverklaring Zoetwatervoorziening Oost-Nederland, ter bekrachtiging van het Bod door Partijen, ondertekend op 27 juni 2014;

    • het Deltaprogramma 2015, aangeboden op 16 september 2014 aan de Tweede Kamer, samen met de begroting van het Deltafonds, waarin het investeringsprogramma Zoetwater is opgenomen dat € 60 miljoen reserveert voor de zoetwatervoorziening voor de Hoge Zandgronden (Deltaprogramma 2015, p. 116);

    • dat voornoemde stukken bij Partijen genoegzaam bekend zijn, en in te zien op de website www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl en voor wat betreft het Deltaprogramma op: www.deltacommissaris.nl.

Overwegende dat:

  • b. de Intentieverklaring Zoetwatervoorziening Oost-Nederland een inzet vraagt van de Regionale Partijen om hun aandeel in de strategie en ambities, zoals verwoord in Bod en UP, bestuurlijk en organisatorisch te verankeren in hun beleids- en beheerplannen voor de periode 2016–2021 om de strategie en ambities te verwezenlijken;

  • c. de Intentieverklaring een inzet vraagt van de Regionale Partijen om een gezamenlijk werkprogramma voor de periode 2016–2021 op te stellen;

  • d. de Intentieverklaring een inzet vraagt van Regionale Partijen om te starten met het beschrijven van het voorzieningenniveau van het regionaal watersysteem op de Hoge Zandgronden in Oost-Nederland;

  • e. de Intentieverklaring een inzet vraagt van de Regionale Partijen om voor de uitvoering van het werkprogramma de governance te verkennen;

  • f. de beschikbaarheid van voldoende zoetwater mede van groot belang is voor de drinkwatervoorziening, een bijzondere (publieke taak) en cruciale (volksgezondheid) gebruiksfunctie. Waarbij de drinkwatersector zich in samenwerking met belanghebbende Partijen inzet voor innovatie, waterbesparing en duurzame inrichting;

  • g. de nationale en regionale maatregelen en de beoogde financiële bijdrage van het Rijk daarvoor zijn opgenomen in het Deltaplan Zoetwater in het Deltaprogramma 2015 en het Rijk zich zal inzetten om de toegezegde financiële bijdrage voor de Hoge Zandgronden te reserveren;

  • h. op 31 oktober 2014 de leden van het Bestuurlijk Platform Zoetwater hebben afgesproken dat, voor de programmering van zoetwatermaatregelen voor de periode tot 2021, afspraken over verantwoordelijkheden, kostenverdeling, financieel arrangement en planning via bestuursovereenkomsten per regio worden vastgelegd.

Komen Partijen het volgende overeen:

Artikel 1. Begrippenkader

a. Ambtelijke coördinatiegroep:

Een werkgroep bestaande uit medewerkers van de betrokken overheden in te stellen door het RAO Rijn-Oost. Deze ambtelijke werkgroep coördineert de uitvoering van het werkprogramma op hoofdlijnen en adviseert de leden van het RAO wat betreft voortgangsrapportage en aanpassing van het werkprogramma.

b. Bestuurlijk platform zoetwater (BPZ):

Landelijk bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van de zoetwaterregio’s, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW) en Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ministerie van Economische Zaken, Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (VEWIN) en Staf Deltacommissaris zijn agendalid. De natuur- en milieufederaties zijn vertegenwoordigd in het BPZ. Het BPZ stemt af over de uitvoering van de Deltabeslissing Zoetwater en bijbehorende zoetwaterstrategie en adviseert de stuurgroep Deltaprogramma.

c. Deltabeslissing zoetwater:

Hoofdkeuze voor de aanpak van de zoetwatervoorziening in Nederland. Het beleid dat voortvloeit uit het voorstel voor de Deltabeslissing, dat is opgenomen in het Deltaprogramma 2015, wordt door overheden verankerd in beleidsplannen. Dit beleid geeft richting aan de maatregelen die worden ingezet voor de aanpak van het behoud en waar mogelijk het verbeteren van de zoetwatervoorziening, op korte en op lange termijn.

d. Deltafonds:

Begrotingsfonds (als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Compatibiliteitswet 2001) dat bedoeld is voor de financiering en bekostiging van maatregelen en voorzieningen in verband met de opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. De beoogde bijdragen uit het Deltafonds aan de zoetwatermaatregelen zijn opgenomen in het Deltaprogramma 2015, verdeeld over de perioden 2015–2021 en een agendering van maatregelen 2022–2027 waarover later een beslissing wordt genomen.

e. Initiatiefnemers:

Initiatiefnemers zijn de Partijen die maatregelen realiseren. Dit zijn op het moment van ondertekening waterschappen, provincies, gemeenten, agrarische ondernemers, terreinbeherende organisaties, particuliere landgoedeigenaren, waterleidingbedrijven en watergebruikende industrieën. Ook maatschappelijke koepelorganisaties als LTO-Noord, natuur- en milieuorganisaties en koepels van particuliere grondeigenaren kunnen initiatiefnemer zijn.

f. Regionaal Ambtelijk Overleg (RAO) Rijn-Oost:

Ambtelijk overleg, met vertegenwoordigers van regionale overheden, Rijk en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost, dat adviseert aan het RBO.

g. Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) Rijn-Oost:

Bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van regionale overheden, Rijk en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost. Voor de huidige samenstelling zie bijlage I.

h. Regionale overheden:

Alle ondertekenende provincies, waterschappen en gemeenten.

i. Regionale Partijen:

Alle ondertekenende Partijen behoudens het Rijk.

j. Stuurgroep RBOM/DHZ:

Bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van regionale overheden, Rijk en andere organisaties uit het stroomgebied Maas.

k. Verkenningsfase/Planuitwerkingsfase/Uitvoeringsfase:

Fasering conform MIRT-systematiek. Deze wordt toegepast op programmaniveau.

l. Voorzieningenniveau:

Het begrip is omschreven in het Deltaprogramma 2015. Het betreft in het kort: afspraken tussen overheden en gebruikers van water, die gaan over de beschikbaarheid van zoetwater, risico’s als gevolg van mogelijke tekorten en de onderlinge verantwoordelijkheden.

m. Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021:

Het door de Regionale Partijen opgestelde werkprogramma, waarin het Bod en bijbehorende UP (februari 2014) nader is uitgewerkt. Het werkprogramma is geen integraal onderdeel van de Bestuursovereenkomst, maar vormt een uitwerking. Het is een dynamisch instrument om de samenhang van de uitvoering te beschrijven en te bewaken. Het werkprogramma wordt periodiek geactualiseerd. Het werkprogramma is bestuurlijk vastgesteld in het RBO Rijn-Oost op 27 mei 2015 en is ter informatie als bijlage opgenomen (bijlage II). Na actualisatie zal de vigerende versie steeds geplaatst worden op de volgende website: www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl.

n. Werkwijze:

Bestuurlijke afspraak over werkwijze zoetwaterprogram-mering.

o. Zoetwaterregio’s (waaronder Hoge Zandgronden Zuid en Oost):

Het landelijk deelprogramma Zoetwater kent vijf Zoetwaterregio’s, waaronder de Hoge Zandgronden Zuid en Oost. Zie het kaartje hiernaast voor een geografische aanduiding van beide gebieden binnen de Hoge Zandgronden.

Artikel 2. Doel en reikwijdte

Deze overeenkomst heeft tot doel om de afspraken vast te leggen tussen (1) Regionale Partijen en het Rijk en tussen (2) de Regionale Partijen onderling voor de uitvoering van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021. De afspraken betreffen: de organisatie van de uitvoering, de financiering en de rapportage over besteding van middelen.

Artikel 3. De maatregelen en investeringen

  • a. Regionale Partijen hebben de uitvoering van maatregelen – op basis van het Bod – nader uitgewerkt in het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021. De maatregelen zijn voor de hanteerbaarheid geclusterd in zes categorieën.

  • b. De Regionale Partijen doen het toegezegde investeringsvolume van het Bod gestand. Dit houdt in dat Partijen hun deel van dit investeringsvolume, zoals opgenomen in bijlage III, inzetten voor de uitwerking en de uitvoering van de maatregelen uit het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021. Regionale Partijen reserveren hiervoor de middelen in hun begrotingen en meerjarenramingen.

  • c. Het Rijk zal voor de uitvoering van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 de toegezegde middelen uit het Deltafonds reserveren.

  • d. Het Bod en het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 laten een grotere ambitie (investeringsvolume) zien dan met de inzet van middelen uit Bod en Deltafonds kan worden gerealiseerd. Alle partijen gaan uit van de ambitie die in het Bod is geformuleerd voor de periode 2016–2021 en spannen zich in om de daarvoor benodigde ontbrekende financiering te verkrijgen. In tabel 1 zijn de bedragen van het Bod en de ambitie van regio Oost en regio Zuid weergegeven. Voor deze overeenkomst zijn alleen de bedragen voor Hoge Zandgronden – Oost relevant.

Tabel 1: Regionaal bod (bedragen in miljoenen €’s)
 

Ambitie

Regionale Bijdrage

Bijdrage uit Deltafonds

Nog niet gedekt

Hoge Zandgronden – Oost

131

87

27,1

16,9

Hoge Zandgronden – Zuid

159

106

32,9

20,1

Hoge Zandgronden – Totaal

290

193

60,0

37,0

Financiën en Organisatie

Artikel 4. Financiële afspraken Rijk – regio

  • a. De verdeling van de Rijksbijdrage over de regio’s Oost en Zuid van de Hoge Zandgronden vindt plaats op basis van de verhouding in het Bod van 2014. Dit betekent dat het Rijk aan de maatregelen van Hoge Zandgronden Oost € 27,1 miljoen bijdraagt voor de periode 2016–2021. De verdeling geldt in principe voor de periode 2016–2021.

  • b. Partijen spreken af de verdeling in 2018 tussentijds te evalueren. Op basis daarvan wordt in een gezamenlijk overleg van RBO Rijn-Oost en de Stuurgroep RBOM/DHZ vastgesteld of de verdeling aanpassing behoeft. Indien de tussenevaluatie leidt tot een andere verdeling, dan zal deze overeenkomst hierop worden aangepast.

  • c. De bijdrage van het Rijk voor regio Oost wordt toegekend aan de provincies Drenthe, Overijssel, Gelderland en Utrecht, volgens een verdeelsleutel die opgenomen is in het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021. Het Rijk draag er zorg voor dat deze bijdrage via het provinciefonds (decentralisatie-uitkeringen) aan deze provincies wordt toegekend.

  • d. De in het vorige lid genoemde provincies ontvangen de bijdrage van het Rijk voor de uitvoering van de maatregelen die zijn opgenomen in het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021.

  • e. Ten aanzien van de bijdrage van het Rijk aan de Provincies Overijssel, Gelderland. Drenthe en Utrecht gelden de volgende Rijksregels over BTW:

    • De toegezegde Rijksbijdragen bij de projecten zijn inclusief BTW;

    • Provincies en gemeenten mogen in sommige gevallen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds om de door hen afgedragen BTW terug te vorderen;

    • Het Rijk stort het BTW-compensabele deel van zijn bijdrage in het BTW-compensatiefonds en de bijdrage aan het programma netto in het provinciefonds;

    • De omvang van het BTW-compensabele deel wordt bepaald op basis van een raming die de initiatiefnemer opstelt en die getoetst wordt door het Rijk;

    • De initiatiefnemer kan de compensabele BTW op basis van daadwerkelijke betaalde rekeningen terugvragen bij de beheerder van het BTW-compensatiefonds;

    • Verrekening achteraf met het Rijk vindt niet plaats.

  • f. De volgende kasreeks zal worden aangehouden voor de Rijksbijdrage (Tabel 2). Het Rijk maakt de bedragen van de eerste drie jaren van deze kasreeks in genoemde jaren over aan de provincies Overijssel, Gelderland, Drenthe en Utrecht. De bedragen voor de laatste drie jaren van deze kasreeks kunnen in 2018 op basis van een tussentijdse evaluatie door Partijen worden herzien. De bedragen van de laatste drie jaren worden door het Rijk eveneens in genoemde jaren aan betreffende provincies overgemaakt.

Tabel 2: kasreeks Rijksbijdrage (Jaren)
 

Co-financiering

(%)

Oost

Overijssel

Gelderland

Drenthe

Utrecht

Compensabele BTW

(Bedragen in €’s)

2016

10

2.700.000

1.288.924

829.142

520.384

28.550

43.000

2017

15

4.100.000

1.933.386

1.248.463

780.576

38.075

64.500

2018

15

4.100.000

1.933.386

1.246.563

780.576

39.975

64.500

2019

20

5.400.000

2.577.848

1.662.084

1.040.768

53.300

86.000

2020

20

5.400.000

2.577.848

1.662.084

1.040.768

53.300

86.000

2021

20

5.400.000

2.577.848

1.662.084

1.040.768

53.300

86.000

Totaal

100

27.1000.000

12.889.240

8.310.420

5.203.840

266.500

430.000

Artikel 5. Financiële afspraken tussen Regionale Partijen onderling

  • a. De bepalingen van artikel 5 betreffen afspraken tussen de Regionale Partijen onderling. Het Rijk is geen partij bij dit artikel.

  • b. De verdeling van de toegekende Rijksmiddelen tussen de Regionale Partijen onderling is een verantwoordelijkheid van Regionale Partijen. De verdeling is opgenomen in bijlage III. Daarbij is het aandeel in het Bod van februari 2014 als uitgangspunt gehanteerd.

  • c. De provincies zorgen via een (subsidie)regeling voor toedeling van de Rijksmiddelen aan initiatiefnemers. Uitgangspunt daarbij is dat de provincies geen aanvullende inhoudelijke beoordeling van maatregelen of projecten doen. Aanvragen, die passen binnen het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021, worden toegekend tot het maximum van de toegedeelde Rijksbijdrage (zie bijlage III). Eén of meer van de provincies kunnen met mandaat regelen, dat de uitvoering door een andere provincie gebeurt.

  • d. Een deel van de Rijksmiddelen wordt ingezet om initiatiefnemers uit de landbouwsector en terreinbeherende organisaties overeenkomstig het Bod een bijdrage te geven voor maatregelen die passen in het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021. Deze initiatiefnemers kunnen tot eind 2016 een beroep doen op deze middelen (zie bijlage III).

  • e. Toekenning van de onder lid d genoemde middelen geschiedt door de provincie nadat de landbouwsector en terreinbeherende organisaties uiterlijk december 2016 met voldoende uitgewerkte plannen zijn gekomen. Indien genoemde initiatiefnemers met onvoldoende projecten en maatregelen komen, zullen de dan resterende middelen ingezet worden voor de overige initiatiefnemers.

  • f. Initiatiefnemers, die geparticipeerd hebben in het Bod, en in het Werkprogramma een groter investeringsvolume hebben neergelegd dan in het Bod en initiatiefnemers, die niet geparticipeerd hebben in het Bod, maar nu wel een aandeel hebben in het Werkprogramma kunnen een beroep doen op cofinanciering vanuit de Rijksbijdrage bij vrijval van middelen door substantiële onderbesteding van Initiatiefnemers en / of het beschikbaar komen van aanvullende Rijksmiddelen. Het RBO Rijn-Oost besluit hierover. In 2018 beoordeelt het RBO Rijn-Oost of er financiële ruimte is om deze initiatiefnemers te voorzien van cofinanciering.

  • g. Initiatiefnemers die (nog) geen deel uitmaken van deze overeenkomst, maar wel een bijdrage aan de zoetwateropgave willen leveren, kunnen voorstellen indienen bij de ambtelijke coördinatiegroep. Het RBO Rijn-Oost beslist over de mogelijkheden van opname in het werkprogramma en cofinanciering.

Artikel 6. Organisatie

  • a. Bij het opstellen van deze overeenkomst en het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 is de door de leden van het BPZ vastgestelde werkwijze gehanteerd (zie bijlage IV). Mocht het werkprogramma worden bijgesteld dan passen Partijen de genoemde werkwijze opnieuw toe. Aanpassing van deze werkwijze is alleen mogelijk na instemming door de leden van het BPZ. Het RBO Rijn-Oost kan hiervoor voorstellen doen aan het BPZ.

  • b. Bij de uitvoering van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 draagt iedere initiatiefnemer zelf de verantwoordelijkheid voor de realisatie van de maatregelen zoals die per partij zijn beschreven in of ten grondslag liggen aan het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021.

  • c. De regionale partijen zullen het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 gezamenlijk en op een flexibele manier aansturen. Uitgangspunt daarbij is dat initiatiefnemers de vrijheid hebben om een maatregel uit het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021in te wisselen voor een gelijkwaardige maatregel. Initiatiefnemers informeren daarover de partijen die de maatregelen cofinancieren (Rijk en provincies). De wijze van informeren is beschreven in artikel 7. Indien daar aanleiding toe is wordt het Werkprogramma aangepast.

  • d. In Regio Oost zorgt het RBO Rijn-Oost voor de coördinatie van de uitvoering van maatregelen. Het RBO Rijn-Oost:

    • bewaakt en rapporteert over de voortgang en samenhang van het deel van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 / regio Oost en signaleert en bespreekt eventuele knelpunten in de uitvoering van deze overeenkomst;

    • actualiseert periodiek het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021, in ieder geval in 2018;

    • verzorgt de afstemming met het BPZ en de Stuurgroep RBOM/DHZ;

    • stelt jaarlijks een voortgangsrapportage op en stuurt deze uiterlijk op 1 maart toe aan het Rijk.

  • e. In bijlage V wordt de werkwijze voor de aan- en bijsturing van de uitvoering van de maatregelen in Regio Oost nader uitgewerkt.

  • f. Hieronder genoemde maatschappelijke koepelorganisaties vervullen de volgende rol in de uitvoering van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021:

    • LTO-Noord: stimuleert en enthousiasmeert agrarische ondernemers om projecten op bedrijfsniveau op te pakken. En legt verbinding met het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer in een brede aanpak voor de landbouwsector (ook voor niet LTO-leden).

    • Natuur- en milieuorganisaties (Natuur en Milieu Overijssel, Natuur- en Milieufederatie Drenthe, Gelderse Natuur en Milieufederatie en Natuur en Milieufederatie Utrecht), Verenigingen van particuliere grondbezitters (Overijssels Particulier Grondbezit, Drents Particulier Grondbezit, Gelders Particulier Grondbezit, Utrechts Particulier Grondbezit) alsook Landschap Overijssel communiceren en leggen verbinding met burgers, gemeenten en terreinbeheerders, stimuleren en enthousiasmeren particulieren en grondeigenaren om projecten op eigen gronden op te pakken.

  • g. Uiterlijk 31 december 2018 worden de afspraken in deze bestuursovereenkomst betreffende de financiering en de organisatie geëvalueerd en na overeenstemming tussen Partijen zo nodig bijgesteld.

Artikel 7. Voortgangsrapportage

  • a. Op basis van een jaarlijkse voortgangsrapportage informeren Partijen elkaar over de voortgang van de uitvoering van het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021.

  • b. Over de uitvoering van de maatregelen uit het Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021 wordt jaarlijks als volgt gerapporteerd:

    • Van initiatiefnemers aan het RBO Rijn-Oost en op basis hiervan vanuit het RBO Rijn-Oost per provincie ter informatie naar de respectievelijke GS-en;

    • Van het RBO Rijn-Oost in gebundelde vorm voor de gehele zoetwaterregio Oost-Nederland aan het Rijk op het niveau van maatregelcategorieën (zie Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021, bijlage II).

  • c. Onderdelen van de jaarlijkse rapportage zijn:

    • Voortgang van de uitvoering per categorie van maatregelen in termen van: % voorbereiding (verkenning/planvorming); % uitvoering en % gereed.

    • Inzicht in de financiële uitgaven op basis van informatie die beschikbaar komt uit de horizontale verantwoording door Partijen

    • Verloop van programma als geheel: % verloopt volgens planning; % loopt enige vertraging op; % loopt ernstige vertraging op.

    • Verklaring van eventuele afwijkingen.

    • Voorstellen voor aanpassing programma.

    • Voortgang van de klimaatpilots.

    • Voortgang van de uitwerking van het voorzieningenniveau.

    • Waar mogelijk worden doelbereik en effect van de maatregelen kwalitatief en kwantitatief geduid.

    • Prognose van de eindstand van het programma op de aspecten tijd, geld, kwaliteit en doelbereik.

Overige bepalingen

Artikel 8. Voorzieningenniveau

  • a. Partijen werken gezamenlijk aan het beschrijven van het voorzieningenniveau voor regio Oost.

  • b. Partijen hanteren bij de uitwerking van het voorzieningenniveau de termijnen die zijn vastgelegd in het Deltaprogramma 2015. Dit betekent dat het RBO Rijn-Oost in 2018 informatie aanlevert voor de landelijke evaluatie en dat het er op toeziet dat in 2021 voor alle gebieden voorzieningenniveaus zijn afgesproken.

Artikel 9. Looptijd en planning

  • a. Deze overeenkomst treedt in werking op de dag na (de laatste) ondertekening en eindigt op 22 december 2021.

  • b. Uiterlijk een jaar voor laatstgenoemde datum treden Partijen in overleg over een vervolg op deze overeenkomst voor de periode 2022–2027, of over maatregelen die nog moeten worden afgerond.

Artikel 10. Wijzigingen en beëindiging

  • a. Elke partij kan, onverminderd de eventuele andere aan Partijen toegekende rechten tot wijziging, de andere Partijen verzoeken deze overeenkomst te wijzigen.

  • b. Wijzigingen van één of meer bepalingen van de overeenkomst behoeven de instemming van alle Partijen.

  • c. Beëindiging van deze overeenkomst kan uitsluitend plaatsvinden om zwaarwegende redenen die naar redelijkheid niet waren te voorzien.

  • d. Tussentijdse opzegging door één van de Partijen kan pas worden geëffectueerd na een schriftelijk verzoek hiertoe aan de andere Partijen waarna Partijen in een bijzonder gezamenlijk overleg de reden voor opzegging hebben besproken en zich tot het uiterste hebben ingespannen om deze in de geest van deze overeenkomst op te lossen.

Artikel 11. Geschillen

  • a. Deze overeenkomst is niet in rechte afdwingbaar.

  • b. Partijen zullen zich inspannen om te voorkomen dat er geschillen ontstaan ter zake de totstandkoming, uitleg of uitvoering van deze overeenkomst.

  • c. Een geschil is aanwezig als een der Partijen dat stelt.

  • d. Eventuele geschillen in verband met de uitvoering van deze overeenkomst worden, met uitsluiting van de rechter, in onderling overleg tot een oplossing gebracht, waarbij Partijen niet tussentijds over het geschil met derden zullen communiceren.

  • e. Partijen zullen zich inspannen om geschillen minnelijk op te lossen.

Artikel 12. Slotbepaling

  • a. De volgende bijlagen vormen een nadere uitwerking van of toelichting op de afspraken in deze overeenkomst. Partijen hebben hier kennis van genomen:

    • I. Samenstelling RBO Rijn-Oost

    • II. Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021

    • III. Toegezegde bijdragen per organisaties op basis van Regionaal Bod 2014

    • IV. Werkwijze voor de zoetwaterprogrammering door Rijk-Regio

    • V. Werkwijze voor de zoetwaterprogrammering door Regionale Partijen onderling

  • b. De (zakelijke inhoud van deze) overeenkomst zal binnen 20 werkdagen na ondertekening van deze bestuursovereenkomst in de Staatscourant worden gepubliceerd.

  • c. Bij wijzigingen van de tekst van deze bestuursovereenkomst vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing.

Aldus in tweevoud ondertekend op 7 september 2015

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Aldus in enkelvoud ondertekend door overige Partijen in de periodejuni – december 2015

BIJLAGE I: SAMENSTELLING RBO RIJN-OOST

De heer E. Boerman

Gedeputeerde Provincie Overijssel (voorzitter)

Mevrouw J. Meijers

Provincie Gelderland

De heer J.F. de Jong

Waterschap Groot Salland

De heer H.Th.M. Pieper

Waterschap Rijn en IJssel

De heer S. Kuks

Waterschap Vechtstromen

De heer J. van Hees

Rijkswaterstaat Oost-Nederland

De heer J. Gosse

Ministerie van Economische Zaken

De heer J. Busstra

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

De heer G.H.M. Lohuis

Gemeente Midden-Drenthe

De heer J. Huizing

Gemeente Coevorden

De heer P.J.T. van Daalen

Gemeente Barneveld

De heer J.M.P. Wagteveld

Gemeente Steenwijkerland

De heer V.F.M. van Uem

Gemeente Oost Gelre / Regio Achterhoek +

De heer E. Kleissen

Gemeenten Tubbergen en Dinkelland

De heer A. van der Tuuk

Provincie Drenthe

De heer J. Lodders

Provincie Flevoland

Mevrouw J. Verbeek-Nijhof

Provincie Utrecht

Mevrouw M.M. Kool

Waterschap Reest en Wieden

De heer R. van Leeuwen

Gemeente Dalfsen

De heer A. van Agteren

Gemeente Enschede

De heer J. Janssen

Gemeente Hardenberg

De heer M.J.H. Elferink

Gemeente Hengelo

De heer G. van den Berg

Gemeente Nunspeet

Mevrouw. T. Klip- Martin

Waterschap Vallei en Veluwe

Mevrouw H. Klavers

Waterschap Zuiderzeeland

De heer E. Luiten

Gemeente Aalten

De heer J. Cnossen

Voorzitter Klankbordgroep Rijn-Oost

De heer E.W. Anker

Gemeente Zwolle

De heer W. Bootsma

Vitens NV

   

De heer R.B. Koops

Secretaris RBO Rijn-Oost

BIJLAGE II: WERKPROGRAMMA HOGE ZANDGRONDEN 2016–2021

Zie het document getiteld: ‘Wel goed water geven, Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021’.

BIJLAGE III: TOEGEZEGDE BIJDRAGEN PER ORGANISATIE OP BASIS VAN REGIONAAL BOD 2014

Toegezegde bijdrage

Rijksbijdrage

TOTAAL

Waterschap Rijn en IJssel

€ 7.300.000

€ 2.220.000

 

Waterschap Vallei en Veluwe

€ 2.900.000

€ 880.000

Waterschap Groot Salland

€ 6.000.000

€ 1.830.000

Waterschap Reest en Wieden

€ 6.000.000

€ 1.830.000

Waterschap Vechtstromen

€ 11.800.000

€ 3.600.000

Provincie Overijssel

€ 18.000.000

€ 5.490.000

Provincie Gelderland

€ 6.000.000

€ 1.830.000

Provincie Drenthe

€ 600.000

€ 180.000

Totaal gemeentes

€ 7.900.000

€ 2.410.000

Totaal TBO's

€ 4.400.000

€ 1.340.000

Totaal Land- en tuinbouw

€ 18.000.000

€ 5.490.000

TOTAAL

€ 88.900.000

€ 27.100.000

€ 116.000.000

Nota bene: het totaal van € 88,9 miljoen in de 2e kolom wijkt in positieve zin iets af van het totaal van het Regionaal Bod van € 87 miljoen. Dit heeft als oorzaak dat na het uitbrengen van het Regionaal Bod de inzet van Partijen preciezer is gemaakt. Ook is bij het provinciaal aandeel het POP3 deel in mindering gebracht om dubbeltelling te voorkomen. De Regionale inzet van € 87 miljoen blijft in ieder geval verzekerd.

BIJLAGE IV: WERKWIJZE VOOR DE ZOETWATERPROGRAMMERING DOOR RIJK-REGIO

(versie, 13 mei 2015)

A. Begrippenkader

Amendement

Verzoek tot aanpassing van het budget van een van de onderdelen (project, programma, onderzoek, pilot) in de programmering van het Deltaprogramma Zoetwater door een van de initiatiefnemers.

Deltaplan Zoetwater

Uitvoeringsprogramma van het Deltaprogramma Zoetwater: beschrijft de manier waarop de Deltabeslissing Zoetwater wordt gerealiseerd; omvat een gezamenlijk investeringsprogramma van Rijk, zoetwaterregio’s en een aantal sectoren/gebruiksfuncties voor de periode2015–2021), een onderzoeksprogramma en een agenda met kansrijke maatregelen voor de middellange en lange termijn.

ECK-B

Expertisecentrum Kosten en Baten: geeft in opdracht van het programmabureau Zoetwater een advies (‘second opinion’) van de onderbouwingen van de kosten en de risico-analyse voor de verschillende onderdelen met een Rijksbijdrage in de programmering van het Deltaprogramma Zoetwater.

Hardheidsclausule

Onderdeel van de werkwijze programmering Deltaprogramma Zoetwater dat beschrijft hoe te handelen bij onvoorziene omstandigheden die niet zijn voorzien in de risico-analyse en die leiden tot een kostenverhoging die redelijkerwijs niet alleen door de initiatiefnemers kan worden gedragen.

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport: investeringsprogramma van het Rijk voor ruimtelijke en infrastructurele programma’s en projecten. Programma’s en projecten doorlopen in samenwerking tussen het Rijk en decentrale overheden drie of vier fasen: onderzoek, verkenning, planuitwerking en realisatie.

Programmabureau Zoetwater

Werkorganisatie ter ondersteuning van de taken van het Bestuurlijk Platform Zoetwater met vertegenwoordigers van enkele zoetwaterregio’s, IPO, UvW, Rijkswaterstaat en DGRW dat de landelijke coördinatie van de uitvoering van het Deltaplan Zoetwater, de uitwerking van het voorzieningenniveau en de verdere ontwikkeling van de voorkeurstrategie verzorgt met inbreng van zoetwaterregio’s, Rijkswaterstaat, koepels, Rijk en gebruikers via maandelijkse werksessies.

Regiovertegenwoordiger

Ambtelijk vertegenwoordiger van de zoetwaterregio.

Samenwerkingsovereenkomst

Nadere uitwerking van (een onderdeel van) de Regionale bestuursovereenkomst Zoetwater waarin Partijen nadere afspraken maken over de realisatie van (onderdelen van) de programmering Zoetwater.

SSK methode

Standaard Systematiek voor Kostenramingen: systematiek voor het maken van eenduidige kostenramingen in de (water)bouwsector.

B. Doel, afbakening en status:

Doel

Het vastleggen van de werkwijze en planning van de programmering is bedoeld om de maatregelen binnen tijd, scope en budget te realiseren.

Afbakening

De beschrijving van de werkwijze heeft betrekking op de programmering en de financiering van de zoetwatermaatregelen die opgenomen zijn in het Deltaplan Zoetwater en die bekostigd worden of waaraan wordt bijgedragen vanuit het Deltafonds. Deze maatregelen staan genoemd in tabel 13 van het Deltaprogramma 2015.

Status

De beschreven werkwijze betreft een aantal bestuurlijke afspraken ten behoeve van de programmering van zoetwatermaatregelen en is niet in rechte afdwingbaar.

C. Werkwijze voor de programmering:

  • 1. Beschikbaar budget vanuit het Deltafonds

    Voor het programma is € 150 miljoen investeringsruimte vanuit het Deltafonds voor de periode 2015–2021 beschikbaar. Als door tegenvallers in de geprogrammeerde projecten dit bedrag dreigt te worden overschreden zal het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ) bespreken hoe door fasering en/of prioritering de programmering weer binnen de grens van de programmaruimte wordt gebracht.

  • 2. Kostenverdeling Rijk-regio

    De kostenverdeling is per maatregel beschreven in het Deltaplan Zoetwater en wordt nader uitgewerkt in de Regionale bestuursovereenkomsten.

  • 3. Typen maatregelen

    Het Deltaplan Zoetwater is opgebouwd uit 4 typen maatregelen. Het betreft:

    Projecten met fysieke ingreep: de specificaties liggen vast en kunnen in de verdere uitwerking niet (of nauwelijks) worden aangepast.

    Programma’s: waar resultaatsafspraken in een gebied zijn gemaakt, die nog verder moeten worden uitgewerkt in concrete projecten. De specificaties van de maatregelen moeten nog verder worden uitgewerkt en de locatie moet nog worden bepaald. Aanpassingen in dimensionering of aantal maatregelen is nog mogelijk.

    Onderzoek (o.a. voorzieningenniveau en slim watermanagement): eindproduct is nog niet exact gespecificeerd. Op basis van vast budget kan hoeveelheid en kwaliteit worden geoptimaliseerd.

    Pilots: een combinatie van innovatieve fysieke maatregelen en onderzoek. Gegeven de hoeveelheid middelen kan de omvang en diepgang worden aangepast.

  • 4. Fasering

    Voor de programmering van de zoetwater maatregelen type a en b wordt gebruik gemaakt van de MIRT systematiek. Er worden 3 of 4 fasen onderscheiden: (onderzoek), verkenning, planuitwerking en realisatie. Er wordt een besluit genomen per fase via het onder punt 5 beschreven proces.

  • 5. Planning jaarlijkse programmering

    Jaarlijks wordt een nieuwe programmering opgesteld door het programmabureau. Deze is afgestemd op de planningscyclus van de Rijksbegroting: Een concept programmering wordt jaarlijks bij IenM ingediend op 1 november. Een definitieve programmering uiterlijk 1 februari.

    Het BPZ wordt vooraf instemming gevraagd met de programmering, de fasering, het omgaan met mee- en tegenvallers en eventuele amendementen. Het BPZ besluit vormt een advies voor de Deltacommissaris en voor de reservering van budgetten in het Deltafonds en op begrotingen van andere deelnemende Partijen.

    De initiatiefnemers dienen via een door het programmabureau opgesteld format tweemaal per jaar geactualiseerde informatie aan. Voor 1 maart ten behoeve van de voortgangsrapportage en voor 15 september ten behoeve van de jaarlijkse programmering. De jaarlijkse programmering wordt uitgewerkt in een planningstabel en financieringstabel met jaarreeksen.

  • 6. Financieringsgrondslag

    Voor de financiering vanuit de Rijksbegroting (Deltafonds) zijn er 3 mogelijke grondslagen: opdrachtverlening, subsidiebeschikking en decentrale uitkering. In overleg met de regio kiest IenM een financieringsgrondslag per regio of maatregel op basis van rechtmatigheid en minimale procedurele lasten. De Rijksbijdrage voor waterschappen zal zoveel als mogelijk via incidentele subsidies ter beschikking worden gesteld. Als grondslag van deze (incidentele) subsidies zal de Rijksbegroting worden gebruikt. Rijksbijdragen aan Provincies zullen zoveel als mogelijk via decentralisatieuitkeringen worden verstrekt. Daar waar incidentele subsidie of decentrale uitkering niet mogelijk is wordt gekozen voor gedeeld opdrachtgeverschap.

    De grondslag wordt in een bestuursovereenkomst per regio voor de maatregelen van de betreffende regio vastgelegd. De nadere uitwerking gebeurt waar nodig in samenwerkingsovereenkomsten per programma of project. Met het ondertekenen van de overeenkomsten wordt de bijdrage per deelnemer geborgd.

  • 7. Beschikbaar komen Rijksbudgetten

    Voor maatregelen die in 2015 een Rijksbijdrage ontvangen, komen de Rijksbudgetten beschikbaar nadat de wijziging van de Deltafondsbegroting 2015 bij Voorjaarsnota openbaar is (begin juni), tenzij het een project betreft waarover politiek nog geen overeenstemming is. Dan komt het budget beschikbaar nadat de Kamer de begroting heeft goedgekeurd.

    Overige Rijksbudgetten zijn per 1 januari 2016 gereserveerd in de Rijksbegroting. De toekenning geschiedt per fase, waarbij per fase een aanvraag wordt ingediend. In een bestuurs- en/of samenwerkingsovereenkomst worden hierover specifieke afspraken gemaakt. Als er geen specifieke afspraken zijn gemaakt wordt jaarlijks overgemaakt.

  • 8. Personeelskosten

    Personeelskosten van overheden voor de uitwerking en uitvoering van de projecten worden niet bekostigd uit het investeringsbudget (Deltafonds), tenzij anders wordt afgesproken.

  • 9. Onderbouwing kostenberekening

    De kostenberekening is gebaseerd op:

    • Een erkende methodiek, zoals de Standaard Systematiek Kostenramingen (SSK-methode).

    • ECK-B factsheets van kostenramingen voor zoetwatermaatregelen. Deze zijn bij het programmabureau opvraagbaar.

    Als er geen factsheet of SSK is gebruikt voor de kostenraming geeft de initiatiefnemer aan op basis van welke eenheidsprijzen de raming is gebaseerd, inclusief verwijzing.

    Als de kostenraming van de initiatiefnemer afwijkt van de factsheet/referentie is een onderbouwing nodig. De kostenonderbouwing bevat ten minste de investering, het beheer&onderhoud en BTW.

  • 10. Risicoverdeling (Mee- en tegenvallers)

    Algemeen uitgangspunt bij risicoverdeling is dat de partij die het risico kan beheersen, het risico in beginsel ook draagt. De initiatiefnemer benoemt, kwantificeert en onderbouwt de voorziene/bekende risico’s middels een risicoanalyse en neemt deze op in de raming (voorzien onvoorzien). Tevens neemt de initiatiefnemer een reservering op voor onvoorziene risico’s (onvoorzien onvoorzien). Er kunnen specifieke afspraken over de risicoverdeling worden gemaakt en vastgelegd in een bestuurs- of samenwerkingsovereenkomst.

    Specifiek voor type a maatregelen:

    Basis voor de risicoanalyse is de SSK-methodiek, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van het project en de complexiteit. Aanbestedingsrisico’s worden meegenomen in de risicoanalyse. Onvoorzien kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarbij de werkelijke kosten sterk afwijken van de geraamde kosten (onvoorzien onvoorzien). Een voorbeeld hiervan is een geval waarin tijdens de uitvoering van een project onverwacht een grote archeologische vindplaats wordt aangetroffen. Met het oog op dergelijke gevallen kan worden afgeweken van de kostenraming. Er kan dan een beroep worden gedaan op de Hardheidsclausule. Na afronding van de maatregel wordt een eindrapport opgesteld met verantwoording over de uitvoering van het project inclusief de financiering.

    Voor de overige typen maatregelen worden de risico’s (mee- en tegenvallers) binnen het project/programma opgevangen. Ook voor deze projecten/programma’s geldt dat een beroep kan worden gedaan op de zogenoemde Hardheidsclausule en dat na afronding een eindrapport wordt opgesteld met verantwoording over de uitvoering van het project inclusief de financiering.

    Het is niet de bedoeling dat ‘Risico bij diegene die risico kan beheersen’ leidt tot conservatieve aanpak en het vermijden van (meer risicovolle) innovatieve oplossingen of meekoppelkansen. De initiatiefnemer kan als dit speelt via een amendement aanpassing van de programmering vragen. Deze werkwijze kan worden opgenomen in het projectplan of in de bestuursovereenkomst.

  • 11. De Hardheidsclausule

    Een initiatiefnemer die een beroep wenst te doen op de Hardheidsclausule dient hiertoe een onderbouwd verzoek in bij de voorzitter van het BPZ/programmabureau. Het BPZ stelt een advies op over het verzoek, waarbij alle Partijen zich inspannen voor het vinden van een oplossing. De status van het advies van het BPZ staat beschreven onder punt 5. Criterium voor deze clausule is dat vasthouden aan de raming voor de initiatiefnemers zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 12. Second opinion kosten- en risico-onderbouwing

    Het Expertisecentrum Kosten en Baten (ECK-B) geeft een oordeel over de kosten- en risico-onderbouwing en beoordeelt of de kostenraming conform de fasering is. Het ECK-B maakt bij de beoordeling onderscheid tussen de vier typen maatregelen. Er wordt door het ECK-B een protocol opgesteld welke informatie wanneer nodig is voor de toetsing en hoe er wordt getoetst. Het ECK-B geeft een advies aan het programmabureau over de kostenonderbouwing, risico-analyse en fasering. Het Programmabureau geeft in het advies aan het BPZ over de programmering aan wat de uitkomst is van de second opinion van het ECK-B.

  • 13. Amendementen t.a.v. de programmering

    Over amendementen dient beslist te worden voor 1 november in verband met het opstellen van de Rijksbegroting. Amendementen dienen daarom voor 1 oktober aan het programmabureau te worden gemeld. Het BPZ van oktober stelt vervolgens een advies op over de verzoeken tot aanpassing van de programmering ten behoeve van de besluitvorming over de Rijksbegroting.

    In het aanvangsjaar 2015 zal ook in het BPZ van april over amendementen die van belang zijn voor een betekenisvolle start worden gesproken.

  • 14. Toetsen en advisering

    De benodigde informatie wordt verzameld via projectenformats en een uitvraag van het programmabureau over de voortgang. De planning staat beschreven onder punt 5. Actualiseren van de projectenformats is alleen nodig als er zaken zijn veranderd bijvoorbeeld qua planning, financiering, scope.

    Het Programmabureau beoordeelt de ingevulde formats en de half-jaarlijkse actualisatie en formuleert zo nodig voorstellen voor aanpassing van de programmering, de fasering, het omgaan met mee- en tegenvallers en eventuele amendementen. Het programmabureau stelt op basis van de jaarlijkse uitvraag een voortgangsrapportage op. Deze voortgangsrapportage vormt de verantwoording of de maatregel conform de afspraken is uitgevoerd. Specifieke eisen met betrekking tot de verantwoording kunnen worden gesteld via bestuurlijke en/of juridische overeenkomsten tussen betrokken Partijen.

    Het programmabureau bereidt de besluitvorming in het BPZ over programmering en voortgang voor in overleg met regio’s en initiatiefnemers tijdens de gezamenlijke landelijke werksessies. Het BPZ besluit vormt een advies voor de Deltacommissaris en voor de reservering van budgetten in het Deltafonds en op begrotingen van andere deelnemende Partijen.

    Het programmabureau toetst na een fase samen met de regiovertegenwoordigers of de activiteiten waarvoor een bijdrage is verleend hebben plaatsgevonden en of is voldaan aan de afspraken. De bevindingen uit deze toets resulteren in een advies aan het BPZ en jaarlijks aan de Minister van Infrastructuur en Milieu of een gemandateerde directeur.

  • 15. Meekoppelen

    De initiatiefnemer is verantoordelijk om te zoeken naar mogelijkheden voor meekoppelen en ‘werk-met-werk’ maken. De initiatiefnemer laat zien hoe de verantwoordelijkheid is ingevuld door per project/maatregel aan te geven wat er is gedaan aan meekoppelen met andere dossiers (waterkwaliteit, natuur, gebiedsontwikkeling, innovatie). De informatie hierover wordt jaarlijks op 1 maart als onderdeel van de voortgangsrapportage aangeleverd bij het programmabureau. Het programmabureau zorgt voor een overzicht en evaluatie en kan hiervoor specifieke deskundigheid inschakelen (bijvoorbeeld reviewteam).

BIJLAGE V: WERKWIJZE ZOETWATERPROGRAMMERING REGIONALE PARTIJEN ONDERLING

  • De aansturing van het werkprogramma, de (her)verdeling en verantwoording van de Rijksmiddelen uit het Deltafonds (Programmamiddelen) voor de regio Oost gebeurt door het RBO Rijn-Oost.

  • De Programmamiddelen zijn – met het oog op tijdige duidelijkheid bij de start van de uitvoering – op basis van het Regionaal Bod van 2014 verdeeld over de initiatiefnemers. De provinciale middelen, voor zover nog niet toegedeeld aan initiatiefnemers/projecten, zullen in een later stadium aan initiatiefnemers worden toegekend.

  • Een aantal initiatiefnemers heeft in het Werkprogramma een hogere investering opgenomen dan in het Regionaal Bod van 2014. Het verschil tussen de investeringen in het Werkprogramma en het Bod wordt het ‘regionaal pluspakket’ genoemd. Het pluspakket is allereerst bedoeld om flexibiliteit te behouden in het programma, bijvoorbeeld om tegenvallers op te vangen. In tweede instantie zetten Regionale Partijen het pluspakket in om aanvullende ambities te realiseren.

  • Initiatiefnemers, die geparticipeerd hebben in het Bod, en in het Werkprogramma een groter investeringsvolume hebben neergelegd dan in het Bod en initiatiefnemers, die niet geparticipeerd hebben in het Bod, maar nu wel een aandeel hebben in het Werkprogramma kunnen nu nog geen aanspraak maken op Programmamiddelen. Bij de evaluatie in 2018 zal blijken in hoeverre er ruimte is voor cofinanciering door vrijval van middelen of aanvullende Rijksfinanciering. Indien voor 2018 al substantieel onderbesteding blijkt kan het RBO Rijn-Oost beslissen om deze eerder in te zetten.

  • Bijsturing van het Werkprogramma vindt jaarlijks plaats door de initiatiefnemers zelf. De bijsturing geschiedt als volgt: jaarlijks wordt in een rapportage door de initiatiefnemer voortgang per maatregeltype in beeld gebracht. Wanneer een maatregel niet of niet volledig wordt uitgevoerd, kan de initiatiefnemer (het restant van) de Programmamiddelen inzetten voor een gelijkwaardige maatregel. De initiatiefnemer informeert het RBO Rijn-Oost jaarlijks middels de voortgangsrapportage over deze wijzigingen.

  • Herverdeling van Programmamiddelen tussen Partijen vindt plaats op basis van een tussentijdse evaluatie in 2018. De herverdeling richt zich op de inzet van middelen in de periode 2019–2021.

  • Wanneer uit de evaluatie blijkt dat een initiatiefnemer een maatregel niet of niet geheel binnen de periode t/m 2021 zal kunnen uitvoeren en geen gelijkwaardige alternatieve maatregelen binnen het eigen gebied kan inzetten, dan kan het RBO Rijn-Oost besluiten om resterende Programmamiddelen:

    • opnieuw te verdelen over de Partijen door deze toe te kennen aan gelijkwaardige maatregelen van een andere initiatiefnemer in regio Oost. Dit kunnen ook nieuwkomers zijn.

    • als die niet in regio Oost kunnen worden ingezet (omdat geen geschikte alternatieve maatregelen bij Partijen beschikbaar zijn) over te hevelen aan Partijen in regio Zuid.

  • De advisering van het RBO Rijn-Oost ov de voortgang en bijstelling van de uitvoering van het Werkprogramma en verdeling van Programmamiddelen gebeurt door het RAO.

  • Voor de uitvoering van de bestuursovereenkomst en het Werkprogramma wordt gewerkt met een ambtelijke coördinatiegroep, als werkgroep onder het RAO. Het RAO stelt deze coördinatiegroep samen en stelt een trekker van de coördinatiegroep aan. De trekker van de coördinatiegroep is lid van het RAO. De trekker van de coördinatiegroep is ook de vertegenwoordiger vanuit regio Oost in het landelijk deelprogramma Zoetwater. Het RAO informeert het RBO over samenstelling, trekkerschap, taak en werkwijze van deze werkgroep.


X Noot
1

In het Platform Water Vallei en Eem werken de volgende gemeenten samen met waterschap Vallei en Veluwe: Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Eemnes, Leusden, Nijkerk, Renkum, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen en Woudenberg.