Geachte heer Frimpong,
Op 12 augustus 2015 heeft u een brief gestuurd waarin u mededeling doet van het voornemen
tot het buiten gebruik stellen van een 8” en 6” pijpleiding tussen platform K18 Kotter
en platform L16 Logger en tot het voornemen tot het buiten gebruik stellen van een
12” pijpleiding tussen platform K18 Kotter en het platform Helder.
De Inspecteur-generaal der Mijnen heeft op 24 augustus 2015 advies uitgebracht (kenmerk:
15117380 en 1517359).
Met de informatie die u bij bovenvermelde mededeling heeft gevoegd, heeft u aannemelijk
gemaakt dat de pijpleidingen in overeenstemming met artikel 103 van het Mijnbouwbesluit
(Stb. 2002, 604) schoon en veilig worden achtergelaten.
Op grond van artikel 104, tweede lid van het Mijnbouwbesluit, geef ik u de aanwijzing
dat de pijpleidingen op zodanige wijze moeten worden achtergelaten, dat de minimale
gronddekking van de pijpleidingen inclusief de uiteinden 0,2 meter bedraagt.
Op grond van artikel 104, derde lid van het Mijnbouwbesluit verplicht ik u de ligging
van de pijpleidingen, inclusief de uiteinden, periodiek te controleren. De frequentie
van dit periodiek onderzoek stel ik op een jaar. Indien blijkt dat de pijpleidingen
stabiel liggen en er geen gevaar is voor andere gebruikers, kan bij den Inspecteur-generaal
der mijnen verzocht worden om verruiming van deze frequentie voor periodiek onderzoek.
U verstrekt slechts die resultaten van het onderzoek aan de Inspecteur-generaal der
mijnen, waarbij afwijkingen worden geconstateerd van de op grond van artikel 104,
tweede lid van het Mijnbouwbesluit, aangewezen minimale gronddekking van 0,2 meter.
Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken,
binnen 6 weken na de dag, waarop dit besluit is verzonden, een gemotiveerd bezwaarschrift
indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken,
Postbus 20401, 2500 EK ’s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef
vermelde datum.