Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2015, 31250Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2015, 2015-0000246688, tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op de artikelen 38c, 38f, vijfde lid, 38g, zesde lid, en 122n, tweede en vierde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 32d, tweede lid, en 72 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, 2.22, eerste lid, en 2.23, eerste lid, van het Besluit Wfsv, 3.3 van het Besluit SUWI, en 19, tweede lid, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken;

Besluit:

ARTIKEL I

In de Regeling Wfsv wordt na hoofdstuk 3 een nieuw hoofdstuk met opschrift ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 3A MONITORING ARBEIDSBEPERKTEN EN QUOTUMHEFFING

Artikel 3.26 Gelijkgestelde arbeidsbeperkten

De werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking of op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 78d, eerste lid, van de Participatiewet wordt mede beschouwd als een arbeidsbeperkte.

Artikel 3.27 Indeling sectoren
  • 1. Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a van de Wfsv en artikel 122n van de Wfsv worden overheidswerkgevers gerekend tot de sector overheid, en werkgevers, met uitzondering van overheidswerkgevers, tot de sector niet-overheid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt een overheidswerkgever die tevens premieplichtig is ten gunste van een sectorfonds, aangemerkt als werkgever die behoort tot de sector niet-overheid indien van het totaal aantal verloonde uren ten minste de helft is onderworpen aan de premieplicht ten gunste van een sectorfonds.

  • 3. De indeling van overheidswerkgevers en werkgevers overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt bepaald op basis van het laatste aangiftetijdvak in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g van de Wfsv, wordt vastgesteld en geldt gedurende dat laatste kalenderjaar.

Artikel 3.28 Gemiddeld aantal verloonde uren arbeidsbeperkten

Voor de toepassing van artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt het gemiddeld aantal verloonde uren van een werkzame arbeidsbeperkte op jaarbasis bepaald op 1.331 uren.

Artikel 3.29 Monitoring banenafspraak
  • 1. Het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten als bedoeld in de artikelen 38b, eerste lid, van de Wfsv en artikel 3.26, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december 2012, bedraagt voor:

    • a. de overheidssector: 1.055.474 uren;

    • b. de niet-overheidssector: 6.914.491 uren.

  • 2. Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de overheidsector in:

    • 1°. 2015: 332.760 uren;

    • 2°. 2016: 720.980 uren;

    • 3°. 2017: 1.109.200 uren;

    • 4°. 2018: 1.386.500 uren;

    • 5°. 2019: 1.663.800 uren;

    • 6°. 2020: 1.941.100 uren;

    • 7°. 2021: 2.218.400 uren;

    • 8°. 2022: 2.495.700 uren;

    • 9°. 2023 en verder: 2.773.000 uren.

  • 3. Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de niet-overheidssector in:

    • 1°. 2015: 665.520 uren;

    • 2°. 2016: 1.552.880 uren;

    • 3°. 2017: 2.551.160 uren;

    • 4°. 2018: 3.438.520 uren;

    • 5°. 2019: 4.436.800 uren;

    • 6°. 2020: 5.546.000 uren;

    • 7°. 2021: 6.655.200 uren;

    • 8°. 2022: 7.764.400 uren;

    • 9°. 2023: 8.873.600 uren;

    • 10°. 2024: 9.982.800 uren.

    • 11°. 2025 en verder: 11.092.000 uren.

Artikel 3.30 Ingeleende arbeidsbeperkten
  • 1. Voor de toepassing van artikel 122n, tweede lid, van de Wfsv wordt als arbeidsbeperkte beschouwd de arbeidsbeperkte werknemer die aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking is gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten.

  • 2. Het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, wordt voor 2013 verminderd met het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, van de ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, door werkgevers in de overheidssector aan werkgevers in de niet-overheidssector onderscheidenlijk door werkgevers in de niet-overheidssector aan werkgevers in de overheidssector. De banen, uitgedrukt in verloonde uren, die in mindering zijn gebracht worden gerekend tot de niet-overheidssector onderscheidenlijk de overheidssector waartoe de werkgever behoort waaraan de arbeidsbeperkte ter beschikking is gesteld.

Artikel 3.31 Nadere bepaling variabelen quotumpercentages

Voor de berekening van de quotumpercentages, bedoeld in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, wordt voor de toepassing van de variabelen van de formule, bedoeld in dat lid, het volgende in acht genomen:

  • a. voor variabele A:

    • 1°. onder een baan wordt verstaan het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen overeenkomstig variabele C als bedoeld in onderdeel c;

    • 2°. het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten werkzaam bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, van de Wfsv een quotumheffing zijn verschuldigd, gemeten over de maand december 2012 bedraagt op grond van artikel 3.29, eerste lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.30, eerste en tweede lid, voor de overheidssector 12.196 banen en voor de niet-overheidssector 35.397 banen.

  • b. voor variabele B:

    • 1°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de overheidsector in:

      • 1°. 2017: 8.750;

      • 2°. 2018: 11.250;

      • 3°. 2019: 13.750;

      • 4°. 2020: 16.250;

      • 5°. 2021: 18.750;

      • 6°. 2022: 21.250;

      • 7°. 2023: 23.750.

      • 8°. 2024 en verder: 25.000

    • 2°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de niet-overheidssector in:

      • 1°. 2017: 19.500;

      • 2°. 2018: 27.000;

      • 3°. 2019: 35.500;

      • 4°. 2020: 45.000;

      • 5°. 2021: 55.000;

      • 6°. 2022: 65.000;

      • 7°. 2023: 75.000;

      • 8°. 2024: 85.000;

      • 9°. 2025: 95.000;

      • 10°. 2026 en verder: 100.000.

  • c. voor variabele C: het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.331 uren per jaar.

  • d. voor variabele E: het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.623 uren per jaar.

ARTIKEL II

De Regeling statistiek Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt na onderdeel g, onder verlettering van de onderdelen h en i tot i en j, een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

h. UWV:

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;.

B

Na artikel 6 wordt een artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 6a Gegevens ten behoeve van de doelgroepregistratie

  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit SUWI, betreffen het gegeven of een persoon werkzaam is op een ID-baan of WIW-baan en het burgerservicenummer van de betrokken persoon als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling.

  • 2. Het Centraal Bureau voor de Statistiek is gemachtigd de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die het verkrijgt op grond van artikel 5, eerste lid, te verstrekken aan het UWV op een door de minister, na overleg met het Centraal Bureau voor de Statistiek en het UWV, te bepalen wijze.

ARTIKEL III

De Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 11, derde lid, wordt ‘Research voor Beleid’: vervangen door: ‘Panteia’.

B

Na artikel 12 wordt een artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 12a Gegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 19 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken, betreffen de gegevens die zijn vermeld in de bijlage bij deze regeling met betrekking tot de volgende rubrieken: Besluit/advies indicatie, Wachtlijst, Dienstbetrekking en Arbeidsovereenkomst (begeleid werken) alsmede het burgerservicenummer van de betrokken persoon.

  • 2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan een daartoe door de minister aangewezen bewerker op een door de bewerker te bepalen wijze.

  • 3. De bewerker, bedoeld in het tweede lid, verwerkt de gegevens op een door de minister te bepalen wijze.

  • 4. De bewerker is gemachtigd de gegevens te verstrekken aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een door de minister, na overleg met het UWV, te bepalen wijze.

  • 5. Als bewerker is aangewezen Panteia.

ARTIKEL IV

De Regeling SUWI wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk 3 wordt een paragraaf met opschrift toegevoegd, luidende:

§ 3.4 Gegevensverstrekking doelgroepregistratie arbeidsbeperkten

Artikel 3.13 Gegevensverstrekking aan de Minister van BZK

Het UWV verstrekt periodiek de in bijlage IV vermelde gegevens uit de registratie arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38d van de Wfsv, en uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet SUWI, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor zover die Minister deze gegevens nodig heeft voor de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten voor de sector overheid.

B

Na Bijlage III wordt de bij deze regeling opgenomen Bijlage IV ingevoegd.

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2015.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 september 2015

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL IV, ONDERDEEL B

Bijlage IV, behorende bij artikel 3.13 van de Regeling SUWI

In deze bijlage zijn de gegevens uit de doelgroepregistratie arbeidsbeperkten en de polisadministratie gespecificeerd die het UWV periodiek aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dient te verstrekken op grond van artikel 3.13 van de Regeling SUWI.

Het betreft de volgende gegevens:

  • a. het burgerservicenummer van de desbetreffende arbeidsbeperkten die werkzaam zijn in de sector overheid;

  • b. de aanduiding of de arbeidsbeperkte, bedoeld in onderdeel a, een arbeidsbeperkte is als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de Wfsv, of dat hij een arbeidsbeperkte is op grond van artikel 38f, vijfde lid, van de Wfsv;

  • c. het totaal aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten werkzaam bij de desbetreffende overheidswerkgever;

  • d. naam inhoudingsplichtige overheidswerkgever en het loonheffingennummer van de desbetreffende overheidswerkgever.

TOELICHTING

ALGEMEEN

Met de onderhavige regeling wordt ter uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten een nieuw hoofdstuk 3a in de Regeling Wfsv ingevoegd. Dit hoofdstuk heeft betrekking op:

  • Indeling sectoren;

  • Gemiddeld aantal verloonde uren werkzame arbeidsbeperkten;

  • Monitoring banenafspraak;

  • Ingeleende arbeidskrachten;

  • De nadere bepaling variabelen quotumpercentage.

Tevens worden de Regeling statistiek Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 en de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken aangepast ten behoeve van een juiste doelgroepregistratie en de nulmeting en monitoring van de banenafspraak.

Tot slot wordt in de Regeling SUWI in hoofdstuk 3 een paragraaf toegevoegd over de gegevensverstrekking doelgroepregistratie.

Regeling Wfsv

Indeling sectoren

In het sociaal akkoord van 11 april 2013 hebben het kabinet en de sociale partners een afspraak gemaakt over het aan de slag helpen van mensen met een arbeidsbeperking. Werkgevers in de marktsector (inclusief zorg) stellen zich garant voor 100.000 extra banen. In aanvulling daarop stelt de overheid zich garant voor 25.000 extra banen.

Doordat er voor de marktsector en de overheidssector separate afspraken zijn gemaakt, kunnen er twee afzonderlijke quota worden geactiveerd, als deze sectoren de afgesproken extra banen niet realiseren. Eén voor de marktsector en/of één voor de overheid.

Voor een goede werking van de banenafspraak, de monitoring daarvan en voor de quotumheffing is derhalve een duidelijke vaststelling nodig van de sector markt en de sector overheid. In overleg met het ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) kiest het kabinet ervoor om voor de indeling markt versus overheid uit te gaan van de afbakening van de overheid zoals die geldt sinds de Organisatiewet sociale verzekeringen 1952 en de afbakening zoals die geldt langs de lijn van het pensioenfonds ABP. De minister van BZK is, via de Wet privatisering ABP, verantwoordelijk voor de bepaling van de kring van overheidswerkgevers in de zin van de pensioenregeling en, daaraan gekoppeld, de WW. Deze afbakening sluit het beste aan bij de verantwoordelijkheid van de minister van BZK als coördinerend minister voor de arbeidszaken van de publieke sector. Het onderscheidend criterium voor de indeling in markt dan wel overheid is hiermee of een werkgever premieplichtig is aan een sectorfonds of aan het Uitvoeringsfonds overheid (Ufo).

In de praktijk komt het zelden voor dat werkgevers overgaan van sector overheid naar sector markt (de overstap van markt naar overheid is niet meer mogelijk met ingang van 1 juli 2014). Er wordt jaarlijks gemonitord of er werkgevers overgaan van de sector overheid naar markt. Indien er in een jaar werkgever(s) van sector zijn gewisseld, bekijkt het kabinet in overleg met werkgeverspartijen uit beide sectoren hoe met deze wisseling om te gaan.

Gemiddeld aantal verloonde uren arbeidsbeperkten

Het doel van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is om extra banen te creëren voor mensen uit de doelgroep. Hierbij is een goede definitie van het begrip ‘baan’ van evident belang. Gewaarborgd moet worden dat het om betekenisvolle arbeidsrelaties gaat. Het kabinet wil voorkomen dat bijvoorbeeld dienstbetrekkingen van enkele uren als een volledige baan meetellen. Dan wordt immers het doel, mensen naar vermogen laten participeren, niet bereikt. Een baan wordt daarom uitgedrukt in een aantal verloonde arbeidsuren. Het kabinet gaat hierbij uit van het aantal uren dat mensen uit de doelgroep gemiddeld werken, zoals dat blijkt uit de data van de nulmeting. Op basis van de nulmeting1 is het gemiddeld aantal verloonde uren voor een baan van iemand uit de doelgroep vastgesteld op 25,50 uur per week. Dit is gelijk aan 1.331 verloonde uren op jaarbasis (25,5 uur per week / 5 dagen x 261 dagen). Voor de maand december komt dit neer op 110,92 verloonde uren (1.331 uur per jaar / 12 maanden).

In tegenstelling tot de premieheffing voor de werknemersverzekeringen waarbij een jaar wordt gesteld op 260 dagen, wordt voor de monitoring van de banenafspraak en de quotumheffing uitgegaan van 261 dagen.

Monitoring banenafspraak

In de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten wordt uitgegaan van een opbouw tot 100.000 extra banen bij werkgevers in de markt (in 2025) en tot 25.000 extra banen bij de overheid (in 2023). Voor de monitoring tijdens de banenafspraak wordt aan het eind van ieder jaar bekeken of het aantal extra afgesproken banen op macroniveau ook werkelijk is gecreëerd. Voor de banenafspraak gaat het daarbij om de extra banen bij alle werkgevers in de markt en in de overheid, ongeacht de grootte van de werkgever. Dit wordt gemeten middels een peilmoment (het totaal aantal verloonde uren in december van een jaar wordt jaarlijks afgezet tegen het totaal aantal verloonde uren in december tijdens de nulmeting). Voordeel van dit peilmoment is dat in december zichtbaar wordt of deze extra banen er op dat moment ook werkelijk zijn. Daarnaast is het kabinet met UWV in overleg over tussentijdse peilmomenten om te zien hoe de banenafspraak vordert door het jaar heen.

Indien de quotumheffing wordt geactiveerd, wordt per individuele werkgever met 25 of meer werknemers (uitgedrukt in verloonde uren) bekeken of het aantal verloonde uren van mensen uit de doelgroep in een jaar boven of onder het quotumpercentage ligt. Dit vereist een nauwkeurigere berekening dan tijdens de banenafspraak en daarom hanteert het kabinet tijdens de quotumheffing een stroommeting in plaats van een peilmoment. De nauwkeurigheid van een stroommeting is om twee redenen noodzakelijk:

  • 1) Er zit mogelijk een heffing voor individuele werkgevers aan vast met bezwaar en beroep mogelijkheden.

  • 2) Het quotum is op microniveau (individueel werkgeversniveau). Werkgevers zouden bij hanteren van een peilmoment makkelijker aan hun verplichting kunnen voldoen, zonder dat er daadwerkelijk structureel extra banen beschikbaar komen (een werkgever neemt bijvoorbeeld alleen mensen uit de doelgroep in december aan en voldoet dan aan het quotumpercentage).

In onderhavige regeling wordt het aantal banen uit de nulmeting vastgesteld en uitgedrukt in verloonde uren per maand (tijdvak december). Uit de nulmeting blijkt dat het aantal verloonde uren van mensen uit de doelgroep binnen de sector overheid 1.055.474 uren bedraagt en binnen de markt 6.914.491 uren bedraagt. Dit aantal verloonde uren is nog niet gecorrigeerd voor uitgeleende arbeidskrachten. Deze tellen niet mee bij de uitlenende sector, maar bij de inlenende sector.

Als we de nulmeting corrigeren voor de inleenverbanden (inleenverbanden meetellen bij de sector van de werkgever die de werknemer heeft ingeleend) dan bedraagt het aantal verloonde uren binnen de sector overheid 1.385.098 en binnen de markt 6.584.867. In de brief over de nulmeting van 19 december 20142 zijn de resultaten van de nulmeting uitgebreid toegelicht.

Voor de jaarlijkse monitoring is voor elk jaar het cumulatief aantal extra banen uitgedrukt in verloonde uren in december zoals afgesproken bij de banenafspraak (aantal banen bij de banenafspraak vermenigvuldigd met 110,92 uur). Dit wordt in één keer gedaan voor de volledige periode van de banenafspraak. Dit leidt voor de markt en de overheid tot onderstaande tabellen.

Voor de beoordeling of de banenafspraak is gerealiseerd, wordt de realisatie van het extra aantal verloonde uren ten opzichte van de nulmeting afgezet tegen de cumulatieve reeks uitgedrukt in verloonde uren zoals opgenomen in deze tabellen.

Tabel: te realiseren aantal banen overheid uitgedrukt in verloonde uren

Jaar

cumulatief aantal extra banen overheid

extra banen overheid uitgedrukt in aantal verloonde uren december

2015

3.000

332.760

2016

6.500

720.980

2017

10.000

1.109.200

2018

12.500

1.386.500

2019

15.000

1.663.800

2020

17.500

1.941.100

2021

20.000

2.218.400

2022

22.500

2.495.700

2023

25.000

2.773.000

2024

25.000

2.773.000

2025 en verder

25.000

2.773.000

Tabel: te realiseren aantal banen markt uitgedrukt in verloonde uren

Jaar

cumulatief aantal extra banen markt

extra banen markt uitgedrukt in aantal verloonde uren december

2015

6.000

665.520

2016

14.000

1.552.880

2017

23.000

2.551.160

2018

31.000

3.438.520

2019

40.000

4.436.800

2020

50.000

5.546.000

2021

60.000

6.655.200

2022

70.000

7.764.400

2023

80.000

8.873.600

2024

90.000

9.982.800

2025 en verder

100.000

11.092.000

Ingeleende arbeidskrachten

Het meetellen van inleenverbanden3 vergroot de mogelijkheden voor werkgevers om invulling te geven aan het beschikbaar stellen van extra banen voor mensen uit de doelgroep. Voor de nulmeting en monitoring van de banenafspraak is het niet noodzakelijk om inleenverbanden op individueel werkgeversniveau te monitoren. Dit maakt het mogelijk om gedurende de periode van de banenafspraak te werken met een minder fijnmazig systeem dan tijdens de quotumheffing. Als het quotum is geactiveerd, wordt per individuele werkgever met 25 of meer werknemers (uitgedrukt in verloonde uren) berekend of wordt voldaan aan het quotum en zo nodig een quotumheffing opgelegd. Dit betekent dat er op dat moment gegevens nodig zijn op individueel werkgeversniveau. Tijdens de periode van de banenafspraak kan echter worden volstaan met gegevens waarbij op macroniveau wordt gekeken of mensen uit de doelgroep worden ingeleend door de sector overheid dan wel niet-overheid.

In de regeling is bepaald dat voor de nulmeting en de jaarlijkse monitor van de banenafspraak mensen uit de doelgroep die aan een werkgever ter beschikking zijn gesteld, meetellen bij de inlenende sector en niet meetellen bij de uitlenende sector.

Samen met betrokken partijen (sociale partners, de uitzendbranche, de Wsw-sector, UWV en de Belastingdienst) is uitgewerkt hoe dit tijdens de periode van de banenafspraak vormgegeven wordt. Op basis van de polisadministratie en het doelgroepregister wordt jaarlijks het totaal aantal banen van mensen uit de doelgroep in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid vastgesteld. Voor de monitoring of de extra banen zijn gerealiseerd wordt dit aantal banen afgezet tegen het aantal banen uit de nulmeting. Deze aantallen zijn gebaseerd op de formele werkgever.

Deze initiële meting wordt gecorrigeerd voor de inleenverbanden. De uitgeleende Wajongers, Wsw-detacheringen en (in de toekomst) ook mensen die onder de Participatiewet vallen, worden door UWV uit deze meting gehaald en daarmee niet meegeteld bij hun formele (uitlenende) werkgever en dus ook niet bij de sector waartoe deze werkgever behoort. Door een jaarlijks vast te stellen verdeelsleutel worden de uitgeleende mensen uit de doelgroep vervolgens verdeeld over beide sectoren. Deze verdeelsleutel wordt vastgesteld middels aanvullend onderzoek onder de mensen uit de doelgroep die zijn uitgeleend dan wel door onderzoek onder de uitlenende werkgevers.

De hierboven beschreven correctie voor inleenverbanden tijdens de banenafspraak kent dus de volgende twee fases:

  • 1. Corrigeren inleenverbanden bij formele werkgevers.

    • De jaarlijkse monitor wordt gecorrigeerd voor de Wajongers (en vanaf 1 januari 2015 mensen die onder de Participatiewet vallen) die zijn uitgeleend. Deze correctie vindt plaats door uit de telling alle mensen uit de doelgroep te verwijderen waarvan de werkgever in de loonaangifte heeft opgegeven dat zij werkzaam zijn als uitzendkracht. Tevens wordt de jaarlijkse monitor gecorrigeerd voor de Wsw-detacheringen. Gegevens hiervoor worden door Panteia bij UWV aangeleverd.

    • De uitgeleende mensen uit de doelgroep worden bij beide sectoren niet meegeteld bij de formele werkgever. Deze correcties worden uitgevoerd door UWV.

  • 2. Verdelen van inleenverbanden over sector overheid en niet-overheid.

    • Er wordt specifiek voor dit doeleinde jaarlijks een onderzoek uitgevoerd waarbij gegevens uit bestaande registraties en statistieken gebruikt kunnen worden (bestand van mensen uit de doelgroep die zijn uitgeleend en wie de uitlenende werkgevers zijn). Op basis van dit bestand wordt onderzocht in welke verhouding mensen uit de doelgroep worden ingeleend door de sector overheid en de sector niet-overheid. Dit levert de verdeelsleutel op waarmee ingeleende mensen uit de doelgroep worden toegerekend aan de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid, waartoe de werkgever behoort waarnaar wordt uitgeleend.

Groot voordeel van dit systeem op macroniveau is dat er slechts beperkt additionele administratieve lasten zijn omdat gebruik wordt gemaakt van bestaande gegevensbestanden met een beperkte extra uitvraag.

Voor de monitoring van het aantal extra Wsw-detacheringen geldt daarbij het volgende. Met partijen (FNV, VNO-NCW en VNG) is afgesproken dat extra Wsw-detacheringen alleen meetellen tot het aantal nieuwe voorzieningen beschut werk dat is gecreëerd. Deze herbezettingvoorwaarde wordt in een separate ministeriele regeling nader uitgewerkt.

Mocht het quotum geactiveerd worden dan geldt deze beperking voor het meetellen van extra Wsw-detacheringen niet meer en tellen alle Wsw-detacheringen mee.

Nadere bepaling variabelen quotumpercentage

Indien uit de monitoring blijkt dat de banenafspraak niet is gerealiseerd, dan kan na overleg met sociale partners en gemeenten de quotumregeling geactiveerd worden. In deze regeling wordt een quotumpercentage berekend waaraan individuele werkgevers moeten voldoen. Hierbij geldt dat voor de marktsector en de overheid afzonderlijk wordt beoordeeld of de banenafspraak is gerealiseerd en zo niet, welk quotumpercentage gaat gelden. Bij de berekening van het quotumpercentage gaat het om de verhouding tussen het aantal banen dat conform de banenafspraak moet worden ingevuld door mensen uit de doelgroep ten opzichte van het totale aantal banen in de sector markt onderscheidenlijk de sector overheid. Deze banen worden wederom uitgedrukt in verloonde uren.

De formule voor de vaststelling van het quotumpercentage ziet er als volgt uit:

A

staat voor

Aantal banen doelgroep nulmeting werkgevers met 25 of meer medewerkers.

B

staat voor

Aantal extra banen dat meetelt voor de berekening (= aantal extra banen van 2014 t/m jaar t-1 + 50% banen jaar t).

C

staat voor

Gemiddeld aantal verloonde uren van de doelgroep (dit is vastgesteld aan de hand van de nulmeting).

D

staat voor

Totaal aantal banen werkgevers met 25 of meer werknemers.

E

staat voor

Gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer bij deze werkgevers met 25 of meer werknemers.

In deze regeling worden de variabelen uit de formule voor de berekening van het quotumpercentage nader gedefinieerd. Met de invulling van de variabelen A tot en met E is de formule zoals opgenomen in artikel 38f, tweede lid van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten nog niet volledig ingevuld. Aan de formule zijn twee variabelen toegevoegd die betrekking hebben op een uitbreiding van de doelgroep met personen die vallen onder de Participatiewet met een arbeidsbeperking die is ontstaan voor de leeftijd van 18 jaar en die zonder voorziening niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, maar met voorziening wel het WML kunnen verdienen. Deze variabelen (F en G) worden conform artikel 38f, vierde lid van de wet ingevuld bij nader op te stellen algemene maatregel van bestuur.

Variabele A

Het aantal banen uit de nulmeting (variabele A) wordt bepaald door het totaal aantal verloonde uren op jaarbasis zoals dat blijkt uit de nulmeting, onderscheidenlijk de sector overheid en sector markt, te delen door het gemiddeld aantal verloonde uren van de doelgroep. In tegenstelling tot de monitoring wordt voor variabele A voor de berekening van het quotumpercentage uitsluitend uitgegaan van het aantal banen uit de nulmeting bij grote werkgevers (met 25 of meer werknemers). Als voor variabele A ook het aantal banen voor arbeidsbeperkten bij kleine werkgevers zou worden meegenomen dan werkt dit door in het quotumpercentage. Omdat alleen grote werkgevers quotumplichtig zijn, is dit niet wenselijk. Zonder rekening te houden met inleenverbanden leidt dit tot de volgende tabel.

Sector

Uren uit nulmeting bij kleine werkgevers

Uren uit nulmeting bij grote werkgevers

Totaal uren nulmeting exclusief uren inleenverbanden

Overheid

11.745

436.472

448.217

Markt

1.433.327

2.184.748

3.618.076

Bij de vaststelling van variabele A moet voor de berekening van het quotumpercentage tevens rekening worden gehouden met mensen uit de doelgroep die worden ingeleend. Deze mensen tellen niet mee bij de uitlenende sector, maar bij de inlenende sector. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om ingeleende werknemers door grote werkgevers.

Uit het onderzoek naar de verdeelsleutel voor de inleenverbanden blijkt uit een representatieve steekproef dat van het totaal aantal verloonde uren van inleenverbanden 24,0% is ingeleend door de overheid en 76,0% is ingeleend door de markt. Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat binnen de overheid voor 97,8% van deze uren bij grote werkgevers wordt verloond. Binnen de markt ligt dit percentage op 58,7%.

Dit leidt tot de volgende berekening:

Sector

Uren nulmeting inleenverbanden totaal

Uren nulmeting inleenverbanden bij grote werkgevers

Overheid

936.881 (24,0%)

916.269 (97,8%)

Markt

2.966.791 (76,0%)

1.741.506 (58,7%)

Dit leidt tot het volgende totaaloverzicht.

Sector

Uren uit nulmeting bij grote werkgevers

Uren uit nulmeting inleenverbanden bij grote werkgevers

Totaal uren nulmeting bij grote werkgevers

Overheid

436.472

916.269

1.352.741

Markt

2.184.748

1.741.506

3.926.254

Om het aantal banen vast te stellen zoals dat voor variabele A moet worden aangehouden, moet het totaal aantal uren worden gedeeld door het aantal uren dat iemand uit de doelgroep gemiddeld werkt. Het gemiddeld aantal arbeidsuren van iemand uit de doelgroep is vastgesteld op 110,92 uur per maand.

Het aantal banen dat voor variabele A wordt aangehouden, wordt berekend in onderstaande tabel.

Sector

Totaal uren nulmeting bij grote werkgevers

Uren per maand

Aantal banen nulmeting bij grote werkgevers (variabele A)

Overheid

1.352.741

110,92

12.196

Markt

3.926.254

110,92

35.397

Variabele B

Het aantal extra banen dat meetelt voor de berekening van het quotumpercentage (variabele B) wordt eerst vanaf 2017 ingevuld, aangezien de quotumheffing niet eerder dan per kalenderjaar 2017 kan worden geactiveerd. Variabele B wordt afgeleid van het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten bij werkgevers dat dient te worden gerealiseerd vanaf het kalenderjaar 2015 voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid. Daarbij wordt voor de vaststelling van het quotumpercentage rekening gehouden met het feit dat werkgevers gedurende het betreffende kalenderjaar de tijd hebben om het extra aantal banen te realiseren. Dit wordt gedaan door uit te gaan van een gewogen gemiddelde waarbij de extra banen uit het betreffende kalenderjaar voor 50% worden meegeteld.

Variabele C

Net als bij de bepaling van het quotumtekort, wordt bij de berekening van het quotumpercentage het gemiddeld aantal verloonde uren van iemand uit de doelgroep (variabele C) vastgesteld op 1.331 verloonde uren op jaarbasis.

Variabele D

Het totaal aantal banen van werkgevers met 25 of meer werknemers (variabele D) wordt jaarlijks vastgesteld wanneer het quotumpercentage voor het volgende jaar bekend wordt gemaakt. Op die manier kan gebruik worden gemaakt van de meest recente cijfers en sluiten we met de berekening van het quotumpercentage zoveel mogelijk aan bij de situatie op de arbeidsmarkt. Hierdoor zal het aantal banen dat middels het quotumpercentage gerealiseerd wordt zoveel als mogelijk aansluiten bij het aantal extra banen uit de banenafspraak.

Variabele E

Bij de berekening wordt het aantal verloonde uren (variabele E) op jaarbasis vastgesteld op 1.623 verloonde uren (31,1 / 5 dagen x 261 dagen). Jaarlijks wordt het aantal banen bij werkgevers met 25 of meer werknemers (variabele D) berekend door het totaal aantal verloonde uren bij deze werkgevers te delen door 1.623.

Het aldus berekende quotumpercentage zal jaarlijks in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumpercentage wordt toegepast bekend worden gemaakt.

Informatievoorziening aan de Tweede Kamer

Tijdens de periode van de banenafspraak wordt jaarlijks bij ministeriële regeling de uitkomst van de monitoring kenbaar gemaakt. Daarbij wordt tevens kenbaar gemaakt of de cumulatieve extra banen in het betreffende kalenderjaar zijn gerealiseerd. Vanaf het moment dat de quotumheffing geactiveerd zou moeten gaan worden, zal jaarlijks een ministeriële regeling worden opgesteld waarin (de berekening van) het quotumpercentage voor het volgende kalenderjaar kenbaar wordt gemaakt.

Uiterlijk 4 weken voorafgaand aan de publicatie van deze ministeriële regelingen zal de Tweede Kamer schriftelijk worden geïnformeerd over de inhoud.

Regeling statistiek Participatiewet, IOAW, IOAZ 2015

UWV ontwerpt en beheert een doelgroepregister. Dit doelgroepregister wordt onder meer gebruikt voor de nulmeting en de monitoring van de banenafspraak. Het is daarom van belang dat alle personen die tot de doelgroep van de banenafspraak en een eventueel quotum behoren, in dit doelregister zijn opgenomen. In artikel 3.4 van het Besluit SUWI is geregeld dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevoegd is om gegevens die hij verkrijgt van gemeenten (ook via tussenkomst van het CBS) en die nodig zijn voor de vulling van het doelgroepregister, de nulmeting en de monitoring aan UWV te leveren. In deze regeling wordt bepaald welke gegevens in dat kader aan UWV mogen worden geleverd. Het betreft de gegevens over de mensen die werkzaam zijn op ID- en WIW-banen.

Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken 2008

UWV ontwerpt en beheert een doelgroepregister. Dit doelgroepregister wordt onder meer gebruikt voor de nulmeting en de monitoring van de banenafspraak.

Mensen met een Wsw-indicatie behoren tot de doelgroep voor de banenafspraak en het quotum, maar tellen slechts mee indien zij in dienst zijn bij een reguliere werkgever (begeleid werken) of als zij vanuit de Wsw zijn gedetacheerd bij een reguliere werkgever (Wsw-detachering4).

Om hiermee rekening te kunnen houden, heeft UWV een aantal gegevens nodig die worden geleverd voor de statistiek sociale werkvoorziening. De organisatie Panteia verzorgt deze Wsw-statistiek. In deze regeling wordt bepaald dat Panteia de benodigde gegevens aan UWV mag verstrekken, voor zover deze nodig zijn voor de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

Regeling SUWI; gegevensverstrekking aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

In deze regeling is geregeld dat UWV gegevens levert aan de minister van BZK. De minister van BZK heeft een coördinerende rol met betrekking tot het personeelsbeleid van de overheid. De minister van BZK ontvang gegevens van UWV waarmee de ontwikkelingen met betrekking tot de banenafspraak binnen de overheid gevolgd kunnen worden. Dit stelt de minister van BZK in staat zo nodig gerichte maatregelen te treffen.

Financiële consequenties

De financiële consequenties van alle lagere regelgeving bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten zijn opgenomen in de toelichting op het Besluit tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Hiervoor is gekozen omdat het besluit en deze regeling onderling nauw met elkaar samenhangen.

Regeldruk

In deze regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Net zoals al beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij deze Wet geldt dat regeldruk zich pas gaat voordoen op het moment dat de quotumheffing daadwerkelijk wordt geactiveerd. Zolang werkgevers de in het sociaal akkoord afgesproken extra banen in de markt en bij de overheid jaarlijks realiseren, zal de quotumregeling op non-actief blijven. De banenafspraak is een vrijwillige afspraak tussen sociale partners en het kabinet. Er is geen sprake van directe regeldruk die voortvloeit uit wet -en regelgeving.

Als besloten wordt het quotum te activeren, dan zorgt dit voor regeldruk voor werkgevers en mensen uit de doelgroep vanuit de overheid. Het grootste deel van deze regeldruk is al in paragraag 6.3 van de memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten in kaart gebracht. Dit stuk beschrijft welke extra regeldruk voortkomt uit de bepalingen in deze regeling. Deze bepalingen betreffen in de meeste gevallen nadere uitwerking en deze regeling leidt slechts in beperkte mate tot extra verplichtingen en regeldruk. Voor de bepalingen in deze regeling betreft dit het meetellen van inleenverbanden tijdens de periode van banenafspraak.

Inleenverbanden gedurende banenafspraak

Voor de monitoring van de banenafspraak is het niet noodzakelijk om inleenverbanden op individueel werkgeversniveau te monitoren. Hier is alleen de indeling overheid / niet-overheid waarin ingeleende mensen uit de doelgroep werken van belang. Daarom is ervoor gekozen dit vast te stellen middels een aanvullend onderzoek. Bij dit onderzoek worden zoveel mogelijk gegevens uit bestaande registraties en statistieken gebruikt. Middels dit onderzoek worden de ingeleende mensen uit de doelgroep jaarlijks verdeeld. Groot voordeel van dit systeem op macroniveau is dat er geen additionele administratieve lasten zijn omdat gebruik wordt gemaakt van bestaande gegevensbestanden eventueel met een beperkte extra uitvraag.

Voor het geval de quotumheffing geactiveerd zou moeten worden, zijn op verzoek van sociale partners, de uitzendbranche en de Wsw-sector, betrokken partijen bezig een systeem op te zetten dat het mogelijk maakt om tijdens de quotumheffing ingeleende arbeidskrachten mee te tellen bij de inlenende werkgever. Dit systeem zal naar verwachting gepaard gaan met extra regeldruk omdat niet volstaan kan worden met bestaande gegevensbestanden. Zodra hiervoor een werkend systeem is opgezet, zal dit nader worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Op dat moment zal de regeldruk nader in beeld worden gebracht.

Ontvangen commentaren en adviezen

Deze regeling alsmede het besluit5 zijn gezamenlijk op uitvoeringsaspecten beoordeeld door de Belastingdienst, UWV, VNG en het Uitvoeringspanel gemeenten. Het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) heeft een advies uitgebracht ten aanzien van de administratieve lasten / regeldruk. De Inspectie SZW heeft het besluit en de regeling bezien op toezichtbaarheid. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft een advies uitgebracht ten aanzien van de privacy-aspecten. Ook het College van de Rechten van de Mens heeft het besluit en de regeling beoordeeld. Hieronder gaan we in op de reacties die betrekking hebben op deze regeling.

Belastingdienst

De Belastingdienst concludeert dat de regeling uitvoerbaar is. De Belastingdienst concludeert dat de oplossing om inleenverbanden mee te kunnen tellen bij de sector van de inlenende werkgever buiten de loonaangifte is vormgegeven en er daarmee geen rol voor hen is weggelegd.

UWV

UWV acht de regeling uitvoerbaar en plaatst de volgende opmerkingen.

UWV geeft aan dat de levering van gegevens aan het onderzoeksbureau ten behoeve van het vaststellen van een verdeelsleutel ten aanzien van inleenverbanden uitvoerbaar is, maar dat mogelijk voor de gegevenslevering onvoldoende juridische grondslag bestaat. De lagere regelgeving is hierop aangepast. Aan artikel 3.4 zoals opgenomen in het besluit is een nieuw derde lid toegevoegd waarmee de bevoegdheid van UWV om gegevens aan een onderzoeksbureau te leveren, wordt geregeld.

UWV wijst erop dat voor de nulmeting en monitoring gemeten wordt met een peilmoment over de maand december van enig kalenderjaar, terwijl de regelgeving jaartotalen hanteert. De lagere regelgeving is hierop aangepast.

UWV stelt voor om in geval het quotum geactiveerd wordt, werkgevers al vroegtijdig in het kalenderjaar waarin de heffing wordt berekend, te informeren over de gegevens waarop een eventuele heffing zal worden gebaseerd. Tevens stelt UWV voor om samen met SZW te onderzoeken welke aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden om het aantal bezwaarzaken te verminderen. Net als UWV hecht de regering aan een soepel lopend uitvoeringsproces waarbij het aantal bezwaarzaken zo beperkt mogelijk blijft. Graag gaat de regering daarom met UWV in gesprek om de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken. Daarbij zal ook de Belastingdienst worden betrokken, aangezien de Belastingdienst de heffing aan werkgevers oplegt.

UWV geeft verschillende malen aan dat het belangrijk is om werkgevers op een goede manier te informeren over de banenafspraak en al haar facetten. De regering onderschrijft dit belang. Daarom is een overleg gestart met vertegenwoordigers van sociale partners, UWV, Belastingdienst, VSO (verbond sectorwerkgevers overheid), Oval (branchevereniging voor onder meer arbodiensten, re-integratiebedrijven en jobcoachorganisaties), Cedris (vertegenwoordiger sw-sector) en VNG om dit op een goede manier vorm te geven.

VNG

De VNG betrekt in haar bestuurlijke reactie de opmerkingen van het uitvoeringspanel.

De VNG wijst op het belang van een goede communicatie en verzoekt SZW om het communicatieproces maximaal te ondersteunen. De regering onderschrijft het belang van een goede communicatie. Daarom is een overleg gestart met vertegenwoordigers van sociale partners, BZK, VSO, Oval, Cedris en VNG om dit op een goede manier vorm te geven.

De VNG is positief over de mogelijkheid die geboden wordt om inleenverbanden mee te kunnen tellen bij de sector van de inlenende werkgever voor de periode van de banenafspraak. De VNG acht het vaststellen van een verdeelsleutel een elegante oplossing. Benadrukt wordt dat de uitvraag onder uitgeleende mensen van de doelgroep zoveel mogelijk vermeden moet worden en idealiter verkregen wordt uit bestaande registraties en van de uitlenende werkgevers. De VNG geeft aan graag betrokken te worden bij de opzet van het onderzoek.

De regering is op dit moment vergevorderd met de aanbesteding van het onderzoek naar de verdeelsleutel. Uitgangspunt daarbij is dat de gegevensverzameling plaatsvindt op basis van bestaande registraties en een (beperkte) aanvullende uitvraag bij uitlenende en inlenende werkgevers. Daarmee wordt voldaan aan het verzoek van de VNG om uitvraag onder ingeleende mensen uit de doelgroep zoveel mogelijk te beperken. De regering zal de VNG uitnodigen om deel te nemen aan de begeleidingscommissie.

Het College Bescherming Persoonsgegevens

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) constateert dat in het voorgestelde artikel 3.30 een uitwerking is opgenomen ten aanzien van de ingeleende arbeidskrachten. Het CBP merkt daarbij op dat niets is geregeld voor de informatievoorziening aan werkgevers over ingeleende arbeidskrachten.

De informatievoorziening aan werkgevers is geregeld in het besluit. Artikel 3.3 van het besluit is verduidelijkt. Zie voor een toelichting de reactie die is opgenomen in de toelichting bij het besluit.

Actal

Actal adviseert om een goede informatievoorziening aan werkgevers vorm te geven. Zoals al eerder aangegeven onderschrijft de regering het belang van een goede communicatie en wordt hierover overleg gevoerd met belanghebbende partijen.

College voor de rechten van de mens en de Inspectie SZW

De reacties van het College van de rechten voor de mens en van de Inspectie SZW zijn opgenomen in de toelichting bij het ontwerpbesluit.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I (artikel 3.26)

Een werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW), of op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet, of die werkzaam is in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen wordt als een arbeidsbeperkte beschouwd. De WIW en het ID-besluit zijn per 1 januari 2004 vervallen maar voor de werknemers die met toepassing van deze regelingen destijds zijn gaan werken zijn deze regelingen nog steeds van toepassing. Dit is geregeld in artikel 78d van de Participatiewet. Hierbij is bepaald dat deze dienstbetrekkingen gelden als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit betekent dat het hierbij gaat om dienstbetrekkingen die door de gemeenten worden gesubsidieerd. Dergelijke banen worden in de praktijk aangeduid als WiW-banen en ID-banen. De bepaling brengt met zich mee dat deze arbeidsbeperkten worden meegeteld bij de monitoring van het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten en voor de bepaling of er sprake is van een quotumtekort bij een werkgever in het kader van de quotumheffing. Wanneer de subidieverstrekking door de gemeente wordt beëindigd, worden deze werknemers niet meer beschouwd als arbeidsbeperkten werkzaam als WiW’er of in een ID baan. In dat geval is er geen voorziening meer als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, zodat artikel 78d van de Participatiewet niet meer van toepassing is.

Met betrekking tot de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van de WIW wordt opgemerkt dat het hierbij gaat om een dienstbetrekking met de gemeente die vervolgens de werknemer voor het verrichten van arbeid ter beschikking stelt aan een andere (inlenende) werkgever. Deze categorie arbeidsbeperkten tellen voor de bepaling van het quotumtekort mee bij de gemeente als formele werkgever tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 38g, vierde lid, van de Wfsv. In dat geval wordt deze categorie betrokken bij de inlenende werkgever. Met betrekking tot de personen die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de WiW, of die werkzaam zijn in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen geldt dat zij niet door de gemeente zijn uitgeleend maar in dienst zijn van de werkgever waar zij feitelijk werken.

Artikel I (artikel 3.27)

Voor zowel de monitoring van het aantal werkzame arbeidsbeperkten als voor de vaststelling van het quotumtekort in het kader van de quotumheffing wordt een onderscheid gemaakt tussen de sectoren overheid en niet-overheid. In dit artikel is bepaald dat overheidswerkgevers worden gerekend tot de sector overheid en overige werkgevers tot de sector niet-overheid. De overheidswerkgever is ingevolge artikel 1, onderdeel r, van de Wfsv de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet, waarbij de overheidswerkgever nader is gedefinieerd. In artikel 1, onderdeel q, van de Wfsv is de werkgever gedefinieerd als de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In deze wetten is de werkgever gedefinieerd als de overheidswerkgever, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke personen in diensbetrekking staan. Gelet op deze definitie is het noodzakelijk om in het eerste lid de overheidswerkgevers van het begrip werkgever uit te zonderen. Voor de toepassing van de Wfsv is het onderscheid werkgever en overheidswerkgever in het bijzonder van belang voor de premieverschuldigdheid van de overheidswerkgever voor het uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo), bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 3 van de Wfsv. Hierbij wordt aangesloten voor de onderhavige onderverdeling naar sectoren. Indien een werkgever premieplichtig is voor het Ufo (eigenrisicodrager voor de WW), dan wordt deze werkgever aangemerkt als overheidswerkgever. Is dit niet het geval dan wordt de werkgever gerekend tot de sector niet-overheid.

In het tweede lid is een regeling gegeven wanneer een overheidswerkgever tevens premieplichtig is ten gunste van een sectorfonds op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2 van de Wfsv. In dat geval wordt deze overheidswerkgever als werkgever die behoort tot de sector niet-overheid aangemerkt indien van het totaal aantal verloonde uren voor ten minste de helft is onderworpen aan de premieplicht ten gunste van een sectorfonds.

In het derde lid is geregeld dat de indeling van (overheids)werkgevers in de onderscheiden sectoren wordt bepaald op basis van de gegevens uit het laatste aangiftetijdvak in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarover het quotumtekort wordt berekend. Deze indeling geldt in het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt berekend.

Artikel I (artikel 3.28)

In artikel 38g, derde lid, van de Wfsv is een formule weergegeven voor de berekening van het quotumtekort. Variabele D van deze formule heeft betrekking op het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten op jaarbasis. In artikel 3.28 is vervolgens bepaald dat het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten op jaarbasis afgerond 1.331 verloonde uren bedraagt. Hierbij is een jaar op 261 dagen gesteld. Verder is hierbij uitgegaan van een werkweek van 25,5 uren en een week is gesteld op 5 werkdagen. Op maandbasis komt dit neer op 110,9 uur per maand.

Het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten op jaarbasis is ook van betekenis bij de vaststelling van het quotumpercentage; zie artikel 3.31.

Artikel I (artikel 3.29)

Op grond van artikel 122n, tweede lid, van de Wfsv wordt bij ministeriële regeling de jaarlijkse toename van het aantal banen voor arbeidsbeperkten ten opzichte van de nulmeting op 1 januari 2013 bepaald. Hierbij gaat het om arbeidsbeperkten, werkzaam bij alle werkgevers ongeacht de grootte, als bedoeld in de artikelen 38b, eerste lid, en 38f, vijfde lid, van de Wfsv. Artikel 38f, vijfde lid, van de Wfsv is uitgewerkt in artikel 3.26 van de Regeling Wfsv (gelijkgestelde arbeidsbeperkten). De arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede lid, van de Wfsv worden niet betrokken bij de nulmeting en de monitoring van de banenafspraak; deze categorie arbeidsbeperkten worden alleen betrokken bij de vaststelling van de quotumheffing. Voor de monitoring wordt eerst het aantal banen voor de doelgroep in de desbetreffende sector bepaald op 1 januari 2013 (nulmeting), uitgedrukt in verloonde uren over de maand december 2012. Voor de banenafspraak gaat het hierbij om alle werkgevers in de betreffende sector, ongeacht of het gaat om een grote of kleine werkgever. Hieraan is uitvoering gegeven in het eerste lid van artikel 3.29. Vervolgens wordt per kalenderjaar voor de desbetreffende sector het aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten bepaald, uitgedrukt in verloonde uren in december. Hierbij gaat het om een cumulatief oplopende reeks in de jaren 2015 tot en met 2025. Dit zijn de afspraken die in het sociaal akkoord zijn gemaakt over het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten. Hieraan is uitvoering gegeven in het tweede en derde lid van artikel 3.29.

Daarna wordt per kalenderjaar voor de desbetreffende sector het feitelijke aantal banen bepaald dat voor arbeidsbeperkten is gerealiseerd, uitgedrukt in verloonde uren in december. Voor het eerst zal in 2016 bekend zijn wat over het kalenderjaar 2015 hier het resultaat van is. In 2015 en volgende kalenderjaren zal artikel 3.29 worden aangevuld met de cumulatief gerealiseerde banen, uitgedrukt in verloonde uren over december, voor arbeidsbeperkten in de desbetreffende sector. Gestreefd zal worden om zo snel mogelijk na het bekend worden van het aantal gerealiseerde banen in het voorafgaande kalenderjaar dit gegeven door middel van een aanvulling op artikel 3.29 te publiceren.

Tot slot wordt de uitkomst van de vergelijking tussen het aantal afgesproken extra banen en de extra gerealiseerde banen, uitgedrukt in verloonde uren per december, voor de desbetreffende sectoren vastgesteld. In 2015 en volgende kalenderjaren zal artikel 3.29 worden aangevuld met deze vergelijking voor arbeidsbeperkten in de desbetreffende sector, gelijktijdig met de hiervoor genoemde aanvulling van artikel 3.29.

Indien de uitkomst is dat er in vergelijking met de afspraken in het sociaal akkoord te weinig extra banen voor arbeidsbeperkten in de desbetreffende sector zijn gerealiseerd, dan kan op grond van artikel 122n, eerste lid, van de Wfsv worden bepaald dat de quotumheffing voor de desbetreffende sector wordt geactiveerd.

Artikel I (artikel 3.30)

In dit artikel is een regeling gegeven voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met arbeidsbeperkte werknemers van werkgevers in een bepaalde sector die worden ingeleend door werkgevers in een andere sector voor de bepaling van de toename van het aantal banen voor arbeidsbeperkten in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.

In artikel 122n, vierde lid, van de Wfsv is geregeld dat bij ministeriële regeling bepaalde categorieën arbeidsbeperkten die door de werkgever in de sector overheid of de sector niet-overheid worden uitgeleend, worden aangewezen die meetellen bij de sector van de inlenende werkgever volgens de regels die bij die regeling worden gesteld. Deze arbeidsbeperkte werknemers tellen dan niet mee bij de sector van de werkgever die deze werknemers ter beschikking heeft gesteld.

Bij artikel 3.30 is hier uitvoering aan gegeven. In het eerste lid zijn alle categorieën arbeidsbeperkten die bij de inlenende werkgever worden ingeleend als zodanig aangewezen. Dit betekent dat deze ingeleende personen meetellen bij de sector van de werkgever die deze personen heeft ingeleend en niet meetellen bij de sector van de werkgever die deze personen heeft uitgeleend. Het gaat hierbij om alle arbeidsbeperkten die zijn gedefinieerd in artikel 38b, eerste lid, van de Wfsv en de gelijkgestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 3.26.

Met betrekking tot de aard van het ter beschikking stellen wordt opgemerkt dat hierbij gaat om alle vormen van ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Hierbij gaat het niet alleen om personen die op grond van artikel 690 van Boek 7 van het BW (regeling uitzendovereenkomst) worden uitgeleend al dan niet met toepassing van een uitzendbeding als bedoeld in artikel 691, lid 2, van Boek 7 van het BW. Hierbij gaat het om het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf (bijvoorbeeld uitzendbureaus). Artikel 3.30 is ruimer en heeft ook het oog op werknemers die in dienstbetrekking staan tot de uitlenende werkgever (bijvoorbeeld op basis van een arbeidsovereenkomst) en die worden uitgeleend aan de inlenende werkgever. Dus ook wanneer een werkgever, bijvoorbeeld een gemeente, die uiteraard niet het bedrijf uitoefent van het uitlenen van personeel, een arbeidsbeperkte uitleent dan telt betrokkene mee bij de bepaling van de toename van het aantal banen in de sector waartoe de inlenende werkgever behoort.

In het tweede lid is een rekenregel gegeven. Bij de nulmeting van de banenafspraak wordt het aantal banen gecorrigeerd met het aantal banen van arbeidsbeperkten die zijn uitgeleend naar een werkgever die behoort tot een andere sector. Hierbij worden deze banen uitgedrukt in verloonde uren. Dit betekent dat het aantal verloonde uren die betrekking hebben op de uitgeleende arbeidsbeperkten van de uitlenende werkgever in mindering worden gebracht van het totaal aantal verloonde uren in de sector waartoe de werkgever behoort. Vervolgens worden deze uren opgeteld bij het totaal aantal verloonde uren in de sector waartoe de werkgever behoort waarnaar wordt uitgeleend.

Met betrekking tot de uitvoering van de nulmeting en de monitoring wordt er op gewezen dat op grond van artikel 38d, zesde lid, van de Wfsv (doelgroepregistratie) het UWV bevoegd is om gegevens uit de polisadministratie te gebruiken die noodzakelijk zijn om voornoemde rekenregels te kunnen toepassen. Waar het gaat om de gegevens met betrekking tot de populatie van de Wsw wordt op grond van artikel 19 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken deze gegevens door de gemeenten aan het UWV verstrekt.

Artikel I (artikel 3.31)

Op grond van artikel 38f, eerste lid, van de Wfsv worden bij ministeriële regeling voor het desbetreffende kalenderjaar quotumpercentages voor de verschillende sectoren vastgesteld. Hierbij gaat het om het percentage van het totaal aantal verloonde uren bij een werkgever in het desbetreffende kalenderjaar dat moet worden ingevuld door arbeidsbeperkte werknemers. Deze percentages worden voor elk kalenderjaar vastgesteld nadat de quotumheffing is geactiveerd. De quotumheffing kan op zijn vroegst voor het kalenderjaar 2017 geactiveerd worden.

De vaststelling van de quotumpercentages vindt plaats op grond van de berekeningsformule in het tweede lid van artikel 38f van de Wfsv. De quotumpercentages worden jaarlijks vastgesteld omdat de uitkomst van de variabelen in de formule van het tweede lid in de tijd kan veranderen. Bij artikel 3.31 worden de variabelen nader bepaald. De variabelen, de verschillende elementen in de berekeningsformule, hebben betrekking op het totaal aantal banen voor arbeidsbeperkten in de desbetreffende sector, het aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten in de desbetreffende sector, het gemiddeld aantal verloonde uren van alle arbeidsbeperkten in de sectoren tezamen, het totaal aantal banen bij werkgevers met 25 of meer werknemers in de desbetreffende sector en het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de sectoren tezamen.

Bij variabele A in de formule gaat het om het totaal aantal banen bij werkgevers waarop de quotumheffing van toepassing is en die worden vervuld door arbeidsbeperkten op grond van de nulmeting op 1 januari 2013 in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.

In onderdeel a van artikel 3.31 is voor variabele A bepaald dat het aantal banen wordt vastgesteld op basis van de nulmeting, rekening houdend met het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen overeenkomstig variabele C als bedoeld in onderdeel c (zie hierna); dit aantal uren is bepaald op 1.331 verloonde uren op jaarbasis. Het aantal banen uit de nulmeting wordt vastgesteld door de nulmeting uit te drukken in het totaal aantal verloonde uren van de doelgroep en dit aantal te delen door het gemiddeld aantal verloonde uren van de totale doelgroep (variabele C). Door het aantal banen uit de nulmeting vast te stellen op basis van het gemiddeld aantal verloonde uren van de doelgroep (variabele C) wordt bereikt dat de baan uit de nulmeting (variabele A) in uren gelijk wordt gesteld aan de extra banen (variabele B). Variabele A wordt voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid vastgesteld.

Bij de vaststelling van het totaal aantal banen vervuld door arbeidsbeperkten in 2013, voor de desbetreffende sectoren wordt uitgegaan van het totaal aantal verloonde uren van werkgevers in de sector waarop de quotumheffing van toepassing is (dat betreffen dus de werkgevers met 25 of meer werknemers, uitgedrukt in verloonde uren) op grond van de monitoring zoals is vastgesteld in artikel 3.29, eerste lid, gecorrigeerd met het aantal uren van ter beschikking gestelde arbeidskrachten als bedoeld in artikel 3.30, eerste en tweede lid. Evenals bij de monitoring wordt ook bij de vaststelling van variabele A van het quotumpercentage rekening gehouden met ingeleende arbeidsbeperkte arbeidskrachten die meetellen voor de bepaling van het aantal banen door arbeidsbeperkten in de inlenende sector die vervolgens niet meetellen bij de uitlenende sector.

In onderdeel b van artikel 3.31 is variabele B gedefinieerd. Variabele B in de formule wordt afgeleid van het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten bij werkgevers dat dient te worden gerealiseerd vanaf het kalenderjaar 2015 overeenkomstig het sociaal akkoord voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid. Daarbij wordt voor de vaststelling van het quotumpercentage rekening gehouden met het feit dat werkgevers gedurende het desbetreffende kalenderjaar de tijd hebben om het extra aantal banen te realiseren. Dit wordt gedaan door uit te gaan van een gewogen gemiddelde waarbij voor het desbetreffende kalenderjaar 50% van het extra aantal banen wordt meegeteld.

Bij variabele C in de formule gaat het om het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen.In onderdeel c van artikel 3.31 is voor variabele C bepaald dat het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen 1.331 uren per jaar bedraagt. Dit aantal is gebaseerd op 25,5 uren per week en 261 werkdagen per jaar. Dit aantal uren zal niet periodiek worden aangepast maar blijft een constante factor.

Bij variabele D in de formule gaat het om het totaal aantal banen bij werkgevers met 25 of meer werknemers in de desbetreffende sector. Dit aantal banen wordt vastgesteld door het totaal aantal verloonde uren bij deze werkgevers te delen door variabele E. Voor deze variabele geldt dat eerst vanaf begin 2016 hierover duidelijkheid zal zijn, waarna artikel 3.31 van de Regeling Wfsv met deze gegevens zal worden aangevuld. Deze variabele zal voor onderscheiden sectoren per kalenderjaar worden aangepast.

Bij variabele E van de formule gaat het om gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de sectoren tezamen. In onderdeel d van artikel 3.31 is voor variabele E bepaald dat het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de onderscheiden sectoren tezamen 1.623 verloonde uren per jaar bedraagt. Dit aantal is gebaseerd op 31,1 uur per week en 261 werkdagen per jaar.

Artikel II (artikel 6a)

Op grond van artikel 3.4, tweede lid, van het Besluit SUWI is de minister bevoegd om gegevens die hij verkrijgt van gemeenten, ook indien deze gegevens door tussenkomt van het CBS zijn verkregen, met betrekking tot re-integratievoorzieningen en de personen die het betreft op grond van de artikelen 77 van de Wet SUWI, 78, derde lid, van de Participatiewet, 55, tweede lid, van de IOAW en 55, tweede lid, van de IOAZ te verstekken aan het UWV ten behoeve van de registratie van arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38d van de Wfsv. Hierbij kan het gaan om gegevens die de minister op grond van artikel 3 van de Regeling statistiek Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 ontvangt van de gemeenten door tussenkomst van het CBS op grond van artikel 5, eerste lid, van deze regeling. In artikel 3.4, derde lid, van het Besluit SUWI is geregeld dat de desbetreffende gegevens nader worden bepaald.

In het nieuwe artikel 6a, eerste lid, zijn deze gegevens meer specifiek bepaald. Personen die werkzaam zijn in WIW-banen en ID-banen worden op grond van artikel 38b, aanhef en onder 1, onderdeel d, van de Wfsv beschouwd als arbeidsbeperkten. In verband hiermee is het noodzakelijk dat deze mensen in het doelgroepregister worden opgenomen. Met betrekking tot deze dienstbetrekkingen en de personen die het aangaan wordt op grond van artikel 3 van de Regeling statistiek Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 en de hierbij behorende bijlage 2 door de gemeenten specifieke informatie versterkt door tussenkomst van het CBS aan de minister. In artikel 6a, eerste lid, is nader bepaald welke gegevens ten aanzien van deze personen noodzakelijk zijn voor de registratie in het doelgroepregister. Hierbij gaat het alleen om het burgerservicenummer en de kwalificatie van de dienstbetrekking WIW-baan of ID-baan.

In het tweede lid van artikel 6a is geregeld dat het CBS gemachtigd is om de desbetreffende gegevens rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de minister, te verstrekken aan het UWV om te worden verwerkt in het doelgroepregister. De wijze van verstrekking dient op een veilige wijze plaats te vinden. Met het oog hierop worden tussen de minister, het CBS en het UWV afspraken gemaakt om de gegevensverstrekking veilig te laten plaatsvinden.

Artikel III (Onderdeel A; artikel 11)

Als bewerker voor de statistiek sociale werkvoorziening is de organisatie Panteia aangewezen. Hierbij gaat het om een gewijzigde naam van de aangewezen bewerker Research voor Beleid.

Artikel III (Onderdeel B; artikel 12a)

Op grond van artikel 19, eerste lid, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken zijn de gemeenten verplicht om gegevens te verstekken aan het UWV die betrekking hebben op (uitgeleende) Wsw'ers die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. In het eerste lid zijn deze gegevens aangewezen. Hierbij gaat het om een deel van de informatie die is opgenomen in de bijlage bij de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken 2008 die de gemeenten aan de aangewezen bewerker verstekken voor de statistiek sociale werkvoorziening.

Op grond van het tweede lid van artikel 12a verstrekken de gemeenten de desbetreffende gegevens aan een daartoe door de minister aangewezen bewerker op een door de bewerker te bepalen wijze. De gegevens worden op een zodanige wijze bewerkt dat hieruit blijkt welke Wsw’er in de onderscheiden dienstbetrekkingen al dan niet zijn uitgeleend naar een werkgever in een andere sector dan de sector waartoe de formele werkgever behoort. De bewerker is gemachtigd deze gegevens te verstrekken aan het UWV. Dit gebeurt op een wijze die door de minister is bepaald na overleg met het UWV. Als bewerker is aangewezen de organisatie Panteia.

Artikel IV (artikel 3.13)

Dit artikel regelt de informatieverstrekking uit het doelgroepenregister arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38d van de Wfsv, en uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet SUWI, door het UWV aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Het UWV heeft tot taak een registratie van arbeidsbeperkten in te richten en zorg te dragen voor een adequate werking van deze registratie o.a. met het oog op het bevorderen van de arbeidsdeelname van deze personen. In het kader van de banenafspraak tussen sociale partners en het kabinet is bij het sociaal akkoord in 2013 afgesproken dat de marksector en de overheidssector in de tijd banen beschikbaar stellen die bestemd zijn voor arbeidsbeperkten overeenkomstig de aantallen en tijdschema die hierbij zijn afgesproken.

De Minister van BZK heeft een coördinerende rol met betrekking tot het personeelsbeleid van de overheid. Dit brengt met zich mee dat BZK de ontwikkelingen met betrekking tot de banenafspraak in de verschillende overheidssectoren dient te volgen en zo nodig maatregelen kan nemen om te kunnen voldoen aan de banenafspraak. In verband hiermee is het nodig om inzicht te hebben welke overheidswerknemers behoren tot de doelgroep arbeidsbeperkten, onderverdeeld naar de verschillende categorieën arbeidsbeperkten, waar deze arbeidsbeperkten werkzaam zijn binnen de sector overheid en het aantal verloonde uren ten aanzien van deze arbeidsbeperkten. Tegen deze achtergrond heeft de Minister van BZK gegevens nodig uit het doelgroepenregister en de polisadministratie. De in bijlage IV genoemde gegevens worden ten behoeve van dit doel verstrekt. De gegevens die zijn vermeld in de onderdelen a en b in bijlage IV vloeien voort uit het doelgroepenregister en de gegevens die zijn vermeld in de onderdelen c en d worden verkregen uit de polisadministratie. De Minister van BZK draagt er zorg voor dat de desbetreffende gegevens alleen voor dit doel worden gebruikt en dat overeenkomstig de Wet bescherming persoonsgegevens er voldoende privacybeschermende maatregelen worden getroffen, opdat de gegevens slechts toegankelijk zijn voor de onderdelen van zijn ministerie die belast zijn met de eerdergenoemde coördinatiefunctie voor het personeelsbeleid van de overheid. De gegevens zullen in overleg tussen BZK, UWV en SZW periodiek worden geleverd. De gegevens worden in ieder geval aan BZK verstekt wanneer ook SZW van het UWV de desbetreffende gegevens ontvangt in het kader van de monitoring van de banenafspraak. De gegevens worden door het UWV aan BZK geleverd via het gebruikelijke digitale loket; dit is een internet applicatie waarin UWV gegevens kan uploaden en waarbij altijd gebruik wordt gemaakt van versleutelde gegevens. Dit artikel is gebaseerd op artikel 72 van de Wet SUWI.

Artikel IV

De Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten en het Besluit tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de uitvoering van deze wet zijn beide op 1 mei 2015 in werking getreden. De onderhavige ministeriële regeling, die uitvoering geeft aan voornoemde wet en besluit, werkt na de inwerkingtreding, terug tot en met 1 mei 2015 waarmee wordt aangesloten bij de datum van inwerkingtreding van de wet en besluit.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II, 2014/2015, 33 981, nr. 46

X Noot
2

Kamerstukken II, 2014/15, 33 981, nr. 46

X Noot
3

Onder inleenverbanden wordt verstaan uitzendingen en detacheringen.

X Noot
4

Voor de periode van de banenafspraak geldt dat extra Wsw-detacheringen meetellen tot ten hoogste het aantal nieuwe voorzieningen beschut werk dat is gecreëerd. Deze herbezettingvoorwaarde wordt in separate lagere regelgeving uitgewerkt.

X Noot
5

Besluit tot Wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten