Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 januari 2015, nr 2014-0000666538, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, houdende wijziging van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP (aanwijzing CIZ)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van de Wet privatisering ABP;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 1 van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP wordt als volgt gewijzigd:

A

In onderdeel l wordt ‘bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;’ vervangen door: bedoeld in artikel 6.1.1. van de Wet langdurige zorg;.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

q. de leden, onder wie de voorzitter, en de personeelsleden van het CIZ, bedoeld in artikel 7.1.1., eerste lid, van de Wet langdurige zorg.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

  • 2. Artikel I, onderdeel B, vervalt met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R. A. H. Plasterk

TOELICHTING

1. Inleiding

Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet privatisering ABP (WPA) zijn overheidswerknemers in de zin van deze wet, degenen die bij een publiekrechtelijk lichaam zijn aangesteld of in dienst zijn genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam worden bezoldigd of beloond.

Een overheidswerknemer is op grond van artikel 21 van de WPA verplicht om deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, zodat hij daar verplicht zijn pensioen opbouwt.

In afwijking van deze hoofdregel in de WPA kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP regels stellen, waarbij personen of groepen van personen worden aangewezen die op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden géén overheidswerknemer in de zin van de WPA zullen zijn (artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van de WPA). Op grond van de onderhavige regeling worden de leden en de personeelsleden van het CIZ (het indicatieorgaan voor de langdurige zorg) met toepassing van artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van de WPA aangewezen. Dit zowel gezien de historie van het CIZ, de bijzondere aard van werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden, als de kennelijke bedoeling van de Wet langdurige zorg (Wlz). In de memorie van toelichting bij het voorstel van die wet (Kamerstukken II, 2012/13, 33 891, nr 3, pag. 60) is toegelicht waarom in navolging van het CAK in 20131, de werknemers die op het moment van inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg in dienst zijn van het CIZ niet veranderen van rechtspositieregeling of van pensioenfonds. De drie aspecten gezamenlijk – de bijzondere aard van werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden en de kennelijke bedoeling van de Wlz – vormen de achtergrond van de uitzondering op de hoofdregel in de WPA in het geval van het CIZ. In de paragrafen 2 en 3 van deze toelichting wordt hierop nader ingegaan.

2. De instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CIZ

In artikel 2, eerste lid, onder a, van de WPA, worden personeelsleden van een publiekrechtelijk lichaam als overheidswerknemer aangewezen. De Stichting CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) voert tot en met 31 december 2014 als indicatieorgaan taken op grond van de AWBZ uit. Op grond van de Wlz wordt het CIZ met ingang van 1 januari 2015 omgevormd tot een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan. Dit vanuit de intentie om de zelfstandige positie van het indicatieorgaan ten opzichte van zijn ‘klanten” te waarborgen. In de genoemde wet is tevens geregeld en toegelicht dat de werknemers van het CIZ niet de ambtenarenstatus krijgen: zij behouden hun arbeidsovereenkomst en gaan niet over naar de rechtspositieregeling voor ambtenaren. De ambtenarenstatus staat echter los van de verplichte deelname in de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van de WPA. Die verplichte deelname is gekoppeld aan de vraag of men overheidswerknemer in de zin van de WPA is of niet. Ambtenaren zijn niet altijd overheidswerknemers, en overheidswerknemers zijn niet altijd ambtenaren. Degene die werkzaam is bij een zelfstandig bestuursorgaan is op grond van artikel 2 van de WPA, in beginsel wél een overheidswerknemer. De bedoeling van de wetgever in de Wlz met betrekking tot het CIZ is echter geweest om eerst de overgang naar een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan te formaliseren, maar nog niet daaraan te koppelen de onmiddellijke overgang naar een andere rechtspositie of de aansluiting bij een ander pensioenfonds. Het CIZ bevindt zich in de komende periode van maximaal vier jaar in een overgangsfase waarin zal worden onderzocht of de taken van het CIZ het beste passen bij zorgaanbieders op grond van de Wlz en daarmee bij een rechtspositieregeling en een pensioenvoorziening in de zorg, of beter bij die van een ander zelfstandig bestuursorgaan, al dan niet met zijn eigen arbeidsvoorwaarden en pensioenfonds, dan wel of de taken van het CIZ het beste passen bij ambtelijke taken in openbare dienst en daarmee bij de rechtspositieregeling voor ambtenaren, het ARAR en het pensioenfonds ABP voor overheidswerknemers, zoals geregeld in de WPA. Vooruitlopend op die keuze is de stap tot omvorming van het indicatieorgaan tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan nu reeds gemaakt, zoals gezegd vanuit de intentie van een onafhankelijke positie van het indicatieorgaan. Om te voorkomen dat medewerkers al per 1 januari 2015 een afwijkende rechtspositie zouden krijgen, is in artikel 11.3.1 van de Wlz een voorziening getroffen. Voor het onbedoelde gevolg dat medewerkers van het CIZ verplicht zouden worden per 1 januari 2015 als overheidswerknemer over te stappen naar het pensioenfonds ABP, wordt in de onderhavige regeling bepaald dat zij – oor een zo kort mogelijke periode,- worden aangewezen als zijnde géén overheidswerknemer in de WPA.

3. Geen overheidswerknemer

In artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van de WPA is bepaald dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels kan stellen waarbij hij personen of groepen van personen aanwijst die in afwijking van artikel 1 van genoemde wet géén overheidswerknemer zijn. Dit kan op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden. De aanwijzing van de leden en de personeelsleden van het CIZ op grond van de historie van het CIZ, de bijzondere aard van hun werkzaamheden en hun bijzondere arbeidsvoorwaarden, wordt hierna toegelicht.

Bijzondere historie van het CIZ

Het CIZ is voortgekomen uit de Regionale Indicatieorganen (RIO’s) die op hun beurt de gemeentelijke indicatiecommissies vervingen. De eerste indicatiecommissies waren voorgeschreven in de Wet op de bejaardenoorden. Gemeenten moesten voorzien in commissies die voor alle bejaarden in hun gemeente konden adviseren ten aanzien van opname in verzorgingshuizen (toen nog: bejaardenoorden). Was vanaf 1963 alleen het bereiken van de leeftijd van 65 jaar voldoende om in aanmerking te kunnen komen voor een kamer in het verzorgingshuis, vanaf 1988 was ook een zekere mate van hulpbehoevendheid vereist. Deze meer inhoudelijke beoordeling van iemands persoonlijke, ook lichamelijke situatie werd mede ingegeven door de schaarse hoeveelheid beschikbare plaatsen. Ook de wens om ouderen voor zowel verzorgings- als verpleeghuizen langs dezelfde meetlat te halen om in aanmerking te kunnen komen voor een plek in een van beide voorzieningen speelde toen een belangrijke rol. De indicatiestellers uit die eerste periodewaren derhalve gemeenteambtenaren, zonder dat er specifieke kennis en ervaring werd gevraagd voor de beoordeling van de toegang. Vanaf eind jaren ’80 van de vorige eeuw werd de behoefte gevoeld aan een meer uniforme, voor alle Nederlanders gelijke wijze van toegangbepaling tot verzorgings- en verpleeghuizen, ook al werden die vanuit verschillende wettelijke regimes bestuurd en op verschillende wijzen gefinancierd. Weer bijna tien jaar later, eind jaren ’90, werd besloten de verzorgingshuizen onder te brengen in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Ook de indicatiestelling kreeg in de AWBZ een nieuwe wettelijke verankering. Deze twee ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er vanaf eind jaren ’80 gemeentelijke en bovengemeentelijke indicatiecommissies waren die op meer uniforme wijze de toegang tot de verzorgingshuizen en verpleeghuizen moesten gaan bepalen. Gemeenten besloten, al dan niet gezamenlijk, tot oprichting van die commissies en opnieuw waren de medewerkers in dienst van de gemeenten. De noodzakelijke kennis en ervaring werd al meer medisch gekleurd; zo moest er altijd een arts deel uit maken van de commissie. Maar ook medewerkers van de beschikbare zorginstellingen konden lid zijn. Daartegen ontstond meer en meer weerstand, omdat van onafhankelijke vaststelling van iemands zorgbehoefte op die wijze geen sprake was. Evenmin vond die vaststelling op landelijke uniforme wijze plaats. De noodzaak daarvan werd onafwendbaar toen de verzorgingshuizen met ingang van 2001 onderdeel gingen uitmaken van het verzekerd pakket van de AWBZ, tot dat moment een instellingsgerichte sociale verzekering. De toegang tot die voorzieningen moest voor elke verzekerde op gelijke wijze worden vastgesteld en op afstand van degenen die beleidsmatig of financieel invloed zouden kunnen uitoefenen op de zorg als zodanig. Bovendien werd de kring van te indiceren verzekerden groter; waren eerder alleen ouderen onderwerp van indicatiestelling, vanaf 2001 wordt er ook voor gehandicapten en verzekerden met psychiatrische aandoeningen geïndiceerd. Dit betekende ook dat er meer indicatiestellers nodig waren met kennis en ervaring van de inhoud van de zorg. De taak van het CIZ is gedurende de tijd dan ook verschoven van het ambtelijk stellen van indicaties naar het verlenen van medisch-inhoudelijke indicaties. Veel medewerkers van de in 2005 opgerichte Stichting Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) hebben eerder in de, wat nu langdurige zorg heet, gewerkt. Zij hadden en kregen privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten en behielden hun pensioenen die werden opgebouwd bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Tot op de dag van vandaag is een groot deel van de nieuwe medewerkers werkzaam geweest in de zorg.

Tijdelijke transitieperiode, bijzondere arbeidsvoorwaarden, bijzondere aard van werkzaamheden

In het kader van de hervorming van de langdurige zorg is besloten om de uitvoeringsorganisatie stichting CIZ om te vormen tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid. Een en ander om te borgen dat er sprake is van een onafhankelijke claimbeoordeling (indicatiestelling) passend bij het verzekeringskarakter van de Wlz. Immers, een door gemeenten aan te wijzen organisatie die zich uitspreekt over de toegang tot en het recht op zware zorg, terwijl er een duidelijke relatie is naar de nieuwe gemeentelijke taken in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (en dat zijn wezenlijk andere taken dan die in de Wet maatschappelijke ondersteuning die tot en met 31 december 2014 van kracht is), past niet langer bij de taken in de verschillende domeinen van de langdurige zorg. Al te gemakkelijk zou er sprake kunnen zijn van afwenteling van cliënten door gemeenten naar de Wlz. Om elke schijn van belangenverstrengeling te voorkomen, is voor het CIZ een eigen, zelfstandige bestaansgrond nodig en die is in de Wlz gecreëerd. Deze omvorming tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan vindt plaats vanuit die onafhankelijke claimbeoordeling en loopt vooruit op de arbeidsvoorwaardelijke transitie. Het feit dat het CIZ publiekrechtelijk wordt zou op basis van de verplichte bedrijftakpensioenfondsindeling echter nu al een verplichte overgang naar het pensioenfonds ABP per 1 januari 2015 inhouden. Hoewel de stap naar het publieke domein (wellicht tijdelijk) is genomen vanuit die onafhankelijke claimbeoordeling, is het nog niet duidelijk welke richting het in de zeer nabije toekomst qua aard van werkzaamheden en dus arbeidsvoorwaardelijk op zal gaan. Die fase loopt immers nog. Dus voordat de transitieperiode is ingezet, laat staan afgerond, is de omvorming tot zelfstandig bestuursorgaan als het ware reeds gemaakt. Gedurende de komende overgangsperiode zal duidelijk worden, naar welke kant de omvorming van de arbeidsvoorwaarden en aard van werkzaamheden zal gaan.

Er is voor gekozen om het CIZ zelfstandig bestuurorgaan te maken en eigen rechtspersoonlijkheid toe te kennen voor de duur van maximaal vier jaren. Dat wil overigens niet zeggen dat de uitzondering op de WPA vier jaar zal duren. Deze tijdelijke uitzondering voor de werknemers in dienst van het CIZ zal ongedaan worden gemaakt, zodra de nieuwe richtingen en contouren duidelijk worden. Het ligt gedurende deze bijzondere overgangsituatie van het CIZ voor de hand om eerst de uitkomst van de transitie af te wachten, om vervolgens te bezien welke organisatievorm (agentschap, zelfstandig bestuursorgaan zonder eigen rechtspersoonlijkheid of aansluiten bij een andere organisatie) het beste bij de uit het reorganisatieproces ontstane organisatie en dan aanwezige feitelijke situatie past.

Op 18 december 2014 heeft het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP ingevolge artikel 2, tweede lid, onder j, van de WPA ingestemd met het tijdelijk uitzonderen van de leden en personeelsleden van het Centrum indicatiestelling voor de Zorg (CIZ) van verplichte deelneming in het ABP, namelijk voor de periode van één jaar. Dit gelet op de bijzondere omstandigheden als de tijdelijkheid, de historie in relatie met de in transitie zijnde arbeidsvoorwaarden, c.q. de arbeidsvoorwaarden die thans ‘bevroren’ zijn. Aan het eind van 2015 zal het bestuur een nieuwe beoordeling maken. Onderhavige regeling werkt terug tot en met 1 januari 2015 zodat er voor de medewerkers van het CIZ geen wijziging optreedt in hun positie. De tijdelijke uitzondering voor het CIZ duurt tot 1 januari 2016, maar zonodig zal een verlenging van deze periode met een nieuwe aanvulling op deze ministeriële regeling worden vastgesteld.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.A.H. Plasterk


X Noot
1

Het CAK is per 1 januari 2013 uitgezonderd in de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, vanwege bijzondere historie, bijzondere arbeidsvoorwaarden, en de kennelijke bedoeling van het amendement Uitslag. In de loop van 2015 zal deze uitzondering voor het CAK overigens worden heroverwogen.

Naar boven