Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 29101Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 11 september, nr. IENM/BSK-2015/148123, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met diverse aanpassingen, alsmede de aanpassing van enkele regelingen ten gevolge van de omvorming van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen naar publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 130, eerste lid, 132a, tweede en derde lid, 132c, zesde en zevende lid, 133, vierde en vijfde lid, en 134, derde, lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 82, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

De mededeling bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gedaan op een door het CBR vastgestelde wijze.

B

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘Alle in het eerste lid bedoelde kosten’ vervangen door: De in artikel 132a, tweede en derde lid, van de wet bedoelde kosten.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door: eerste lid.

C

Aan artikel 11, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘Alle in het eerste lid bedoelde kosten’ vervangen door: De in artikel 132a, tweede en derde lid, van de wet bedoelde kosten.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in het tweede lid genoemde termijn’ vervangen door: voor de kosten, bedoeld in artikel 132a, derde lid, van de wet, de in het eerste lid genoemde termijn.

E

Aan artikel 14, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, of derde lid, onderdeel a, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

F

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

Artikel 13, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

G

Artikel 21 komt te luiden:

Artikel 21

  • 1. De in artikel 132c, zesde lid, van de wet bedoelde kosten worden betaald binnen 10 weken nadat het besluit tot oplegging van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij dat besluit.

  • 2. De in artikel 132c, zevende lid, onderdeel a, van de wet bedoelde kosten worden betaald in termijnen op de wijze zoals door het CBR vermeld bij het besluit, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, dan wel bij het besluit, bedoeld in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.

H

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

  • 1. De kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder:

    • a. in de in artikel 23, eerste lid, bedoelde gevallen, en

    • b. in de in artikel 23, derde lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover het de gevallen betreft, bedoeld in bijlage 1, onder B, onderdeel III, Andere drogerende stoffen.

  • 2. De kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van het onderzoek aan betrokkene is bekendgemaakt, op de wijze zoals vermeld bij dat besluit.

  • 3. Indien betrokkene zich in een zodanige financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd.

  • 4. Het CBR brengt kosten in rekening indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven. In dat geval wordt het verschil tussen de kosten voor het bedoelde onderzoek en de kosten vanwege het niet verschijnen door het CBR terugbetaald aan degene die de in het eerste lid bedoelde kosten heeft betaald.

I

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na ‘het tweede onderzoek’ ingevoegd: , bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet.

3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:

  • 2. Het CBR brengt kosten in rekening indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het tweede onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven. In dat geval wordt het verschil tussen de kosten van het bedoelde onderzoek en de kosten vanwege het niet verschijnen door het CBR terugbetaald aan degene die de in het eerste lid bedoelde kosten heeft betaald.

J

In bijlage 1, onderdeel A, onder IV, onderdeel d, wordt ‘de artikelen 20, 21 en 22 RVV 1990’ vervangen door: de artikelen 20, 21, 22 en 45 RVV 1990.

K

Bijlage 2 vervalt.

ARTIKEL II

In de bijlage bij het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV wordt in hoofdstuk III, onder 2, ‘Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’ vervangen door: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

ARTIKEL III

In artikel 2, onderdelen a en b, van de Regeling taxibestuurders 2005 wordt ‘Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’ telkens vervangen door: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

ARTIKEL IV

Artikel I, onderdeel J, van deze regeling is alleen van toepassing op na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling begane feiten.

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van de artikelen I, onderdelen A en K, en II en III, die in werking treden met ingang van 1 oktober 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen

TOELICHTING

1. Inleiding

De onderhavige wijziging bevat op een viertal punten aanpassingen van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (RMRG 2011). Allereerst betreft het het doorvoeren van een actualisering van de vorm van de mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze wordt niet langer bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarnaast gaat het om een aantal wijzigingen die verband houden met het feit dat op grond van de Reparatiewet infrastructuur en milieu van 2014 de kosten van de verschillende maatregelen die het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) oplegt in het kader van de vorderingsprocedure op grond van de artikelen 130 e.v. van de Wegenverkeerswet 1994 niet langer bij ministeriële regeling worden vastgesteld, maar door het CBR worden vastgesteld, op basis van een door de minister goedgekeurd tarievenvoorstel. Verder betreft het de aanwijzing van de maatregel die het CBR oplegt, nadat het een rijbewijshouder na een onderzoek naar de rijvaardigheid respectievelijk de geschiktheid in verband met alcohol als rijvaardig of niet ongeschikt beoordeelt. Daarnaast bevat de regeling een uitbreiding van de feiten die onder de beginnersregeling vallen.

Ten slotte bevat de onderhavige wijzigingsregeling de aanpassing van enkele ministeriële regelingen in verband met de aanpassing van de benaming van het CBR.

2. Toelichting

a. Laten vervallen van bijlage 2 (artikel I, onderdelen A en K)

In de praktijk blijkt dat geen behoefte meer bestaat aan een voorgeschreven model voor het uitbrengen van de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 en dat gebruikgemaakt wordt van de voorheen in artikel 4 van de RMRG 2011 opgenomen mogelijkheid om op andere wijze de mededeling uit te brengen, mits daarbij dezelfde gegevens worden vermeld als zijn opgenomen in de modelmededeling. Dit heeft geleid tot de conclusie dat bijlage 2 kan vervallen en dat kan worden volstaan met de bepaling dat de mededeling wordt uitgebracht op een door het CBR bepaalde wijze.

b. Aanpassingen in verband met het feit dat de kosten voor de vorderingsmaatregelen niet langer bij ministeriële regeling worden vastgesteld (artikel I, onderdelen B, D en F tot en met I)

Aanvankelijk was in diverse artikelen van de Wegenverkeerswet 1994 bepaald dat de kosten voor de verschillende maatregelen in het kader van de vorderingsprocedure bij ministeriële regeling moesten worden vastgesteld. In de Reparatiewet infrastructuur en milieu 2014 is bepaald dat dat niet langer het geval is en dat het CBR zelf die kosten vaststelt, nadat die als onderdeel van het jaarlijkse tarievenvoorstel door de minister zijn goedgekeurd.

De in artikel I, onderdelen B, D en F tot en met I, opgenomen aanpassingen voorzien in het schrappen van de vaststelling in de ministeriële regeling van de kosten van de verschillende maatregelen.

c. Opleggen maatregel na gebleken geschiktheid of rijvaardigheid (artikel I, onderdelen C en E)

Aanvankelijk was in artikel 134, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) de bepaling opgenomen dat het CBR bij gebleken geschiktheid na een onderzoek aan de betrokken rijbewijshouder een educatieve maatregel alcohol en verkeer zou opleggen. Bij de invoering van het alcoholslotprogramma (asp) is ervoor gekozen om dit te vervangen door een asp. Tevens is toen op wetsniveau geregeld dat een educatieve maatregel gedrag en verkeer (emg) zou worden opgelegd bij gebleken rijvaardigheid na een onderzoek naar de rijvaardigheid.

In eerder genoemde Reparatiewet infrastructuur en milieu 2014 is een aanpassing geregeld op grond waarvan de op te leggen maatregel niet in de wet zelf is opgenomen, maar bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. De in de onderdelen C en E opgenomen aanpassing voorziet erin dat bij gebleken geschiktheid na een onderzoek in verband met alcohol een educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt opgelegd en bij gebleken rijvaardigheid na een rijvaardigheidsonderzoek, een emg.

d. Uitbreiding van het aantal feiten dat onder de beginnersregeling valt (artikel I, onderdeel J, en artikel IV)

De zogenoemde beginnersregeling is onderdeel van de in de artikelen 130 e.v. van de Wegenverkeerswet 1994 neergelegde bestuursrechtelijke vorderingsprocedure. Dit is de procedure op grond waarvan wordt beoordeeld of een rijbewijshouder nog wel beschikt over de rijvaardigheid en geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen.

Onderdeel van deze procedure is de beginnersregeling, op grond waarvan de officier van justitie ten aanzien van een beginnende bestuurder na de tweede onherroepelijke afdoening (dat kan een onherroepelijke uitspraak van de rechter betreffen of een onherroepelijke strafbeschikking) een mededeling uitbrengt aan het CBR in verband met het vermoeden van ontbrekende rijvaardigheid. Het CBR legt dan aan de betrokken rijbewijshouder de verplichting op tot deelname aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

De volgende feiten vielen tot nu toe onder de beginnersregeling:

  • overtreding van artikel 5 van de wet;

  • overtreding van artikel 6 van de wet;

  • overtreding van artikel 19 van het RVV 1990;

  • overtredingen van de artikelen 20, 21 en 22 van het RVV 1990;

  • overtreding van artikel 62 juncto bord A1 of bord A3 van het RVV 1990;

  • overige overtredingen van het RRVV 1990 indien daarbij letsel aan personen is toegebracht of schade aan goederen is ontstaan.

Uit deze opsomming blijkt dat tot de snelheidsovertredingen worden gerekend overtredingen van artikel 20, 21 en 22 RVV 1990 alsmede van artikel 62 juncto bord A1 of bord A3 RVV 1990. In deze opsomming ontbreekt artikel 45 RVV 1990 (maximumsnelheid binnen woonerven). Dit betekent dat dit artikel thans onder de zgn. ‘restcategorie’ valt: alle overige overtredingen van het RVV 1990, indien daarbij letsel aan personen is toegebracht of schade is veroorzaakt aan goederen. Concreet heeft dit bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een beginnende bestuurder die binnen een woonerf harder rijdt dan 45 km/u, slechts in aanmerking komt voor een punt in het kader van de beginnersregeling, indien hij daarbij letsel of schade heeft veroorzaakt. Het gaat hier echter om een feit dat ook zonder dat er schade of letsel is veroorzaakt, zodanig ernstig is en een zodanige twijfel opwerpt of de betrokken rijbewijshouder nog wel beschikt over de vereiste rijvaardigheid, dat het te allen tijde puntwaardig wordt geacht. Vandaar dat artikel 45 RVV 1990 nu ook aan de lijst van feiten is toegevoegd.

In artikel IV is een overgangsregeling opgenomen, die inhoudt dat overtredingen van artikel 45 van het RVV 1990 niet mee tellen als punt, indien zij zijn begaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J.

e. Aanpassing van een aantal ministeriële regelingen in verband met de benaming van het CBR (artikelen II en III)

Tot aan 1 januari 2013 was het CBR een stichting en privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo) dat al geruime tijd publieke taken uitvoerde namens de Minister van Infrastructuur en Milieu. Omdat in lijn met het Kabinetsbeleid en de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bij een publieke taakuitoefening een publiekrechtelijk regime behoort, is het CBR per 1 januari 2013 door de opname van artikel 4a in de Wegenverkeerswet 1994 omgevormd tot een publiekrechtelijk zbo. Daarmee is het CBR niet langer een stichting. De verwijzing naar het CBR als ‘Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’ moest in diverse regelingen dan ook omgezet worden in ‘Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’. De onderhavige wijziging strekt daartoe.

3. Administratieve lasten en nalevingskosten

Er is geen sprake van administratieve lasten of nalevingskosten.

4. Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van uitzondering van de artikelen I, onderdelen A en K, en II en III, die in werking treden met ingang van 1 oktober 2015.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen