Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
WeespStaatscourant 2015, 28671Instelling gemeenschappelijke regelingen
Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie SWW-gemeenten
Logo Weesp
 
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren
Overwegende dat
De colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren besloten hebben hun krachten op het terrein van uitvoeringstaken en ondersteunende processen in het sociaal domein en andere taken die daarvoor in aanmerking komen te bundelen in intergemeentelijk verband om deze zo kwalitatief beter en doelmatiger te kunnen organiseren
Gelet op
Hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen
Besluiten
de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:
Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie SWW-gemeenten
Artikel 1: Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a.bestuur:
het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
b.colleges:
de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;
c.gemeenten:
de gemeenten Stichtse Vecht, Weesp en Wijdemeren;
d.bedrijfsvoeringsorganisatie:
de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3;
e.raden:
de gemeenteraden van de gemeenten;
f.regeling:
de Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie SWW-gemeenten;
g.voorzitter:
de voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 6;
Artikel 2: Belang
De regeling wordt getroffen ter uitvoering van de taken van de colleges in het kader van het doelmatig en efficiënt uitvoeren van taken en ondersteunende processen in het sociaal domein.
Hoofdstuk 2: Bedrijfsvoeringsorganisatie
Artikel 3: Bedrijfsvoeringsorganisatie
  • 1.
    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd SWW-gemeenten.
  • 2.
    De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Weesp.
Artikel 4: Samenstelling
  • 1.
    Het bestuur bestaat uit drie leden. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan.
  • 2.
    Ieder lid van het bestuur heeft één stem.
  • 3.
    Het bestuur beslist bij unanimiteit.
  • 4.
    De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.
Artikel 5: Reglement van orde
  • 1.
    Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast.
  • 2.
    Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal.
  • 3.
    Artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6: Voorzitter
  • 1.
    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
  • 2.
    De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.
  • 3.
    De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 5.
  • 4.
    Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.
  • 5.
    Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.
  • 6.
    De voorzitter kan door het bestuur ontheven worden van zijn functie.
Artikel 7: Secretaris
  • 1.
    Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris.
  • 2.
    De secretaris is bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij in de uitvoering van zijn taken.
  • 3.
    De secretaris medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.
  • 4.
    Het bestuur regelt de vervanging van de secretaris.
Artikel 8: Ambtelijke organisatie
  • 1.
    De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft een ambtelijke organisatie, onder leiding van de directeur. De secretaris, bedoeld in artikel 7, is tevens directeur.
  • 2.
    De directeur werkt onder verantwoordelijkheid van het bestuur en is verantwoording schuldig aan het bestuur.
  • 3.
    Ambtenaren van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden benoemd, geschorst en ontslagen door het bestuur. Artikel 4 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
  • 4.
    Het bestuur stelt regels over de ambtelijke organisatie, waaronder de rechtspositionele regelingen als bedoeld in de Ambtenarenwet.
Hoofdstuk 3: Taken en verantwoording
Artikel 9: Taken
  • 1.
    Het bestuur van bedrijfsvoeringsorganisatie voert voor de gemeenten taken uit op het gebied van het sociaal domein en andere daarvoor in aanmerking komende taken.
  • 2.
    De colleges dragen zorg voor de vaststelling van de benodigde mandaten, volmachten en machtigingen die het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken. De taken die krachtens dit artikel worden opgedragen, worden door het bestuur bijgehouden in een register.
  • 3.
    In het door het bestuur vast te stellen dienstverleningshandvest, dat tevens de algemene voorwaarden van de bedrijfsvoeringsorganisatie bevat, wordt nadere uitwerking gegeven aan de dienstverleningsrelatie met de gemeenten. In het dienstverleningshandvest worden in ieder geval geregeld:
    • a.
      de basistaken die voor elke gemeente structureel door de bedrijfsvoeringsorganisatie moeten worden uitgevoerd;
    • b.
      de voorwaarden voor de taakuitvoering en wijziging van het onder a. bedoelde takenpakket;
    • c.
      de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een college het volume aan taken kan verminderen;
    • d.
      de voorwaarden voor uitvoering van andere, incidentele taken;
    • e.
      de aansprakelijkheid, wijze van verzekering en de procedure van geschillenbeslechting met betrekking tot de taakuitoefening;
    • f.
      de financiële verrekening van de dienstverlening, en
    • g.
      een voorziening in geval de bedrijfsvoeringsorganisatie of een of meerdere gemeenten niet aan de aan hen gestelde voorwaarden voldoen.
  • 4.
    In een dienstverleningsovereenkomst tussen een college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt per taakgebied of per taak nadere uitwerking gegeven aan het dienstverleningshandvest, bedoeld in het vorige lid.
  • 5.
    Het dienstverleningshandvest en de dienstverleningsovereenkomst komen niet te vervallen door wijziging van de regeling.
Artikel 10: Bevoegdheden
  • 1.
    De colleges dragen geen bevoegdheden over aan het bestuur.
  • 2.
    Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de bedrijfsvoeringsorganisatie of zijn bestuursorganen komen toe aan het bestuur.
Artikel 11: Verantwoording
  • 1.
    Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt.
  • 2.
    Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.
  • 3.
    Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.
  • 4.
    Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden.
  • 5.
    Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.
Hoofdstuk 4: Financiën
Artikel 12: Gemeentewet
De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken.
Artikel 13: Financiële verantwoordelijkheid
  • 1.
    De gemeenten dragen er zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
  • 2.
    Indien een gemeente weigert deze uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten van Noord-Holland onderscheidenlijk Utrecht het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
  • 3.
    Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de gemeenten financieel bijdragen aan de middelen van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Artikel 14: Kadernota
Het bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.
Artikel 15: Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting
  • 1.
    De colleges stellen gezamenlijk een ontwerp-begroting op die door het bestuur wordt vastgesteld en in procedure wordt gebracht
  • 2.
    Het bestuur zendt de ontwerp-begroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.
  • 3.
    De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
  • 4.
    De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen.
  • 5.
    Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.
  • 6.
    Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van Noord-Holland hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
  • 7.
    Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Noord-Holland.
  • 8.
    Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt. In dat geval behoeft inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus plaats te vinden.
Artikel 16: Jaarrekening
  • 1.
    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
  • 2.
    Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden.
  • 3.
    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht.
Hoofdstuk 5: Bepalingen over de regeling
Artikel 17: Duur
De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.
Artikel 18: Toetreding
  • 1.
    Een college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan een verzoek tot toetreding richten aan het bestuur. Het bestuur zendt het verzoek onverwijld door aan de colleges. Het bestuur kan zijn eigen advies omtrent de toetreding meezenden aan de colleges.
  • 2.
    De toetreding komt tot stand indien de colleges en het college van burgemeester en wethouders dat wenst toe te treden met de toetreding hebben ingestemd, na verkregen toestemming van hun eigen gemeenteraad, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
  • 3.
    De toetreding treedt in werking op een in het toetredingsbesluit te bepalen moment.
  • 4.
    Het bestuur kan vooraf voorwaarden verbinden aan de toetreding. Deze voorwaarden worden bekendgemaakt aan de colleges en het college van burgemeester en wethouders dat wenst toe te treden, alvorens zij tot besluitvorming in de zin van het tweede lid kunnen overgaan.
Artikel 19: Wijziging
  • 1.
    Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden.
  • 2.
    Ieder college kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging aan het bestuur zenden. Het bestuur zendt het verzoek, voorzien van zijn advies, door aan de colleges.
  • 3.
    De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 20: Uittreding
  • 1.
    Een college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten kan een verzoek tot uittreding aan het bestuur zenden.
  • 2.
    Het bestuur zendt het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voorzien van een door een onafhankelijke deskundige opgesteld en door het bestuur vastgesteld liquidatieplan, aan de colleges.
  • 3.
    Het college van burgemeester en wethouders dat wenst uit te treden, draagt de kosten voor het opstellen van het liquidatieplan en geeft hiertoe, in overeenstemming met het bestuur, de opdracht aan de onafhankelijke deskundige.
  • 4.
    Het college van burgemeester en wethouders dat wenst uit te treden, besluit, na verkregen toestemming van zijn raad, of tot uittreding wordt overgegaan.
  • 5.
    Het college van burgemeester en wethouders dat besloten heeft tot uittreding draagt de kosten die reëel met de uittreding verbonden zijn.
  • 6.
    De uittreding gaat in op een in het uittredingsbesluit te bepalen moment, dat niet eerder ligt dan 2 jaar na het indienen van het verzoek, bedoeld in het eerste lid. De uittreding kan slechts ingaan per 1 januari van een kalenderjaar.
Artikel 21: Opheffing
  • 1.
    Het bestuur kan de colleges een voorstel doen tot opheffing van de regeling, al dan niet op verzoek van een van de colleges.
  • 2.
    De regeling wordt opgeheven indien ten minste twee van de drie colleges daartoe besluiten.
  • 3.
    Artikel 20, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het voorstel, bedoeld in het eerste lid.
  • 4.
    Indien de colleges besluiten te gaan deelnemen aan een andere gemeenschappelijke regeling voor de behartiging van belangen in het kader van bedrijfsvoering, verplichten zij zich in te spannen dat de nieuwe samenwerking de rechten en plichten van de bedrijfsvoeringsorganisatie zo veel als mogelijk overneemt.
Hoofdstuk 6: Slotbepalingen
Artikel 22: Inzenden regeling en bekendmaking
  • 1.
    Het college van burgemeester en wethouders van de in artikel 3, tweede lid, genoemde gemeente zendt deze regeling aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht.
  • 2.
    Het college, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling in de gemeenten, onverminderd het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
  • 3.
    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het wijzigen van, toetreden tot of uittreden uit de regeling.
Artikel 23: Archief
  • 1.
    Het bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
  • 2.
    Overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht wordt medegedeeld, draagt het bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
  • 3.
    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
  • 4.
    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten aan.
  • 5.
    Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het bestuur een verordening vast, welke aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en Utrecht wordt medegedeeld.
  • 6.
    De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.
  • 7.
    In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van de gemeente als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Artikel 24: Inwerkingtreding
  • 1.
    Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2015, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
  • 2.
    Indien bekendmaking plaatsvindt na 1 januari 2015 werkt de regeling terug tot 1 januari 2015 vanaf het moment van bekendmaking.
Artikel 25: Citeerwijze
De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie SWW-gemeenten.
 
Aldus vastgesteld 17 maart 2015
Burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,
gemeentesecretaris burgemeester
 
Aldus vastgesteld 24 maart 2015
Burgemeester en wethouders van Weesp
gemeentesecretaris burgemeester
 
Aldus vastgesteld 17 maart 2015
Burgemeester en wethouders van Wijdemeren
gemeentesecretaris burgemeester