Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 augustus 2015, nr. MBO/803345, tot het instellen van een commissie macrodoelmatigheid voor het beroepsonderwijs (Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op artikel 6.1.4a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet:

Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Minister van Economische Zaken;

c. commissie:

de commissie, bedoeld in artikel 2 van dit besluit;

d. zorgplicht arbeidsmarktperspectief:

de zorgplicht bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de wet;

e. zorgplicht doelmatigheid:

de zorgplicht bedoeld in artikel 6.1.3, derde lid, van de wet;

f. beleidsregel:

de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1. Er is een Commissie macrodoelmatigheid mbo.

  • 2. De commissie heeft tot taak:

    • a. om op verzoek van de minister een onderzoek in te stellen naar de naleving van de zorgplicht doelmatigheid dan wel de zorgplicht arbeidsmarktperspectief;

    • b. op basis van het onderzoek naar naleving van de zorgplicht doelmatigheid of de zorgplicht arbeidsmarktperspectief de minister te adviseren over het nemen van maatregelen;

    • c. op verzoek van de minister thematisch het opleidingenaanbod in het beroepsonderwijs door te lichten in verband met de naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief en zorgplicht doelmatigheid en op basis van deze doorlichting de minister te adviseren.

Artikel 3. Lidmaatschap

  • 1. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 september 2015.

  • 2. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.

  • 3. De commissie benoemt uit haar midden een vice-voorzitter die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt.

  • 4. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd.

  • 5. De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk.

  • 6. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister.

  • 7. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 4. Leden

  • 1. Tot de leden van de commissie worden benoemd:

    • a. de heer prof. dr. F. Leijnse, tevens voorzitter;

    • b. mevrouw drs. M.H.J. Blom;

    • c. de heer M. J. Hoefeijzers;

    • d. de heer drs. A.J.E.G. Renique; en

    • e. de heer prof. dr. M.J.M. Vermeulen.

Artikel 5. Secretariaat

  • 1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.

  • 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

  • 3. In het secretariaat wordt voorzien door de minister.

Artikel 6. Werkwijze

  • 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2. De commissie legt jaarlijks voor 1 november een werkplan voor het volgend kalenderjaar en een begroting tot uitvoering van dit werkplan voor aan de minister. De begroting behoeft goedkeuring van de minister. Uitgaven buiten de begroting worden tevoren per geval ter goedkeuring voorgelegd aan de minister.

  • 3. De commissie brengt jaarlijks aan de minister voor 1 juli een verslag over de uitvoering van haar werkzaamheden in het voorafgaand kalenderjaar en een financieel verslag uit.

  • 4. De commissie kan ter voorbereiding op de totstandkoming van een advies nadere informatie vragen aan de betrokken instelling of instellingen.

  • 5. De commissie kan in voorkomende gevallen onderzoek laten uitvoeren of expertise van derden inroepen, voor zover dat valt binnen de goedgekeurde begroting.

Artikel 7. Procedure vaststellen rapport van bevindingen

  • 1. Waar het gaat om de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, legt de commissie haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek vast in een rapport.

  • 2. De commissie zendt uiterlijk 13 weken na het starten van het onderzoek dit rapport aan de minister. Indien het rapport niet binnen 13 weken kan worden toegezonden, stelt de commissie de minister daarvan in kennis. De minister bepaalt in overleg met de commissie de termijn waarbinnen het rapport alsnog toegezonden dient te worden.

  • 3. Alvorens dit rapport vast te stellen en de minister te adviseren, stelt de commissie het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen in de gelegenheid kennis te nemen van het ontwerprapport. Indien het ontwerprapport feitelijke onjuistheden bevat kan het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen deze binnen de gestelde termijn kenbaar maken aan de commissie. Wanneer het ontwerprapport daartoe aanleiding geeft kan het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen aangeven aan welke aanbeveling(en) uit het ontwerprapport het navolging zal geven.

  • 4. Na de gestelde termijn wordt het rapport vastgesteld. Eventueel door het bevoegd gezag overgenomen aanbevelingen uit het ontwerprapport worden in het vast te stellen rapport vermeld.

Artikel 8. Informatieplicht

  • 1. De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

  • 2. De commissie doet verslag van haar werkzaamheden aan de minister in een jaarlijks te publiceren verslag.

Artikel 9. Geheimhouding

  • 1. De commissie neemt geheimhouding in acht ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

  • 2. De commissie zorgt ervoor dat door een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie, geheimhouding in acht wordt genomen ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

Artikel 10. Kosten commissie en vergoeding

  • 1. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd op basis van artikel 6, tweede lid, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning,

    • b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en

    • c. de kosten voor publicatie van rapportages.

  • 2. De voorzitter en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitter en de andere leden is het maximum van schaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter en de andere leden is maximaal 0,0675, respectievelijk 0,045.

  • 3. De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland. Deze vergoeding wordt door het secretariaat van de commissie afgehandeld.

Artikel 11. Openbaarmaking

  • 1. Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd of vergaard in het kader van de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden uitsluitend aan de minister uitgebracht of overgedragen.

  • 2. De minister besluit tot openbaarmaking van producten die door of namens de commissie zijn vervaardigd in het kader van de taken, bedoeld in artikel 2.

  • 3. In opdracht van de minister plaatst de commissie vervolgens de openbaar te maken producten op de website.

Artikel 12. Archiefbescheiden

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de Directie MBO van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 augustus 2015, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 september 2015.

Artikel 14. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

TOELICHTING

Onderhavig besluit heeft tot doel de instelling van de commissie macrodoelmatigheid beroepsonderwijs. De grondslag voor de instelling van deze commissie is artikel 6.1.4a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Dit artikel is door wijziging van de WEB in verband met de macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs (Stb. 2015, 56) toegevoegd. Met deze wijziging wordt beoogd de doelmatigheid van het middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren, een doelmatigere spreiding van het opleidingenaanbod te realiseren en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te versterken.

Van onderwijsinstellingen wordt verwacht dat deze zelf de verantwoordelijkheid nemen voor een doelmatig onderwijsaanbod dat deelnemers afdoende arbeidsmarktperspectief biedt, dit in nauw overleg en afstemming met het (regionale) bedrijfsleven en met (nabijgelegen) onderwijsinstellingen. Deze taken zijn wettelijk verankerd in de WEB door de zorgplicht doelmatigheid (bedoeld in artikel 6.1.3, derde lid, van de WEB) en de zorgplicht arbeidsmarktperspectief (zoals bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de WEB); deze zorgplichten dienen door instellingen nageleefd te worden.

In de beoogde Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs zal worden vastgelegd in welke gevallen signalen voor de minister een indicatie zijn van de niet-naleving van de zorgplichten. De beoogde Beleidsregel zal tevens criteria bevatten voor de beoordeling of er daadwerkelijk sprake is van niet-naleving. De Commissie macrodoelmatigheid mbo heeft primair tot taak om de minister bij de toepassing van deze beleidsregel te adviseren. Bij de totstandkoming van dit advies aan de minister zal de commissie onderzoek uitvoeren naar de veronderstelde niet-naleving van de zorgplichten; hierbij dient de commissie het in de beoogde Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs neer te leggen beoordelingskader in acht te nemen.

De commissie kan daarnaast, zoals ook wordt opgemerkt in de toelichting op de beoogde beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs, de instellingen adviseren. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om advies bij een verschil van inzicht tussen instellingen over de doelmatige organisatie van het onderwijs. Instellingen kunnen deze signalen direct richten aan het secretariaat van de commissie macrodoelmatigheid mbo. Dergelijke adviezen zijn geen grond voor het nemen van een besluit door de minister, maar zijn bedoeld om de zelfregulering door de instellingen te versterken en zo de macrodoelmatigheid van het onderwijsaanbod verder te verbeteren.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Instelling en taak

De taken van de commissie houden in ieder geval verband met de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs. Deze taken zijn opgesomd in het tweede lid. Het instellen van onderzoek naar aanleiding van signalen van niet-naleving van de zorgplichten gebeurt enkel naar aanleiding van een adviesverzoek van de minister. Hij beoordeelt of de binnengekomen signalen als indicatie van het overtreden van de zorgplichten worden gezien of dat er om andere reden aanleiding is tot het starten van een onderzoek, zoals is vastgelegd in de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs. Hetzelfde geldt voor de thematische doorlichting van het opleidingenaanbod: ook hieraan ligt een adviesverzoek van de minister ten grondslag.

Daarnaast kan de commissie onderzoek doen en advies uitbrengen op verzoek van één of meer instellingen. Dit onderzoek leidt niet tot een advies aan de minister, maar kan wel leiden tot het advies aan een instelling over de goede naleving van een zorgplicht.

Artikel 7. Procedure vaststellen rapport

De WEB heeft als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, een doelmatig aanbod van opleidingen en een doelmatige spreiding van het onderwijsaanbod liggen bij de instellingen. De zorgplichten arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid rusten bij iedere instelling voor zich, maar in het kader van de zorgplicht doelmatigheid hebben instellingen tevens de verplichting te letten op het geheel van de voorzieningen. Uitgangspunt is dus zelfregulering, zowel door de afzonderlijke instellingen als door de instellingen in onderling overleg. De verplichting het starten of stoppen van een opleiding tijdig te melden (artikel 6.1.2 WEB) beoogt eveneens deze zelfregulering te versterken. De werkwijze van de commissie past in dit streven naar versterken van de zelfregulering. Het proces van ‘hoor en wederhoor’ en het overleggen van het ontwerprapport, zodat instellingen hun opleidingenaanbod aan kunnen passen en/of andere informatie aan kunnen dragen, maakt daarom deel uit van de werkwijze van de commissie. Daarnaast worden instellingen in staat gesteld om de commissie op de hoogte te brengen indien het ontwerprapport feitelijke onjuistheden bevat. Zo wordt getracht om voorafgaande aan advisering van de minister de commissie al in te zetten op het versterken van de macrodoelmatigheid door de betrokken instelling(en). De minister kan bij het besluiten over de te nemen maatregelen de intenties van de instellingen wegen en hiermee rekening houden bij het nemen van maatregelen.

De Minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Naar boven