Beschikking van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende ontheffing van het verbod voorwerpen of stoffen te verwijderen tijdens de vlucht, alsmede VFR-vluchten uit te voeren buiten de daglichtperiode, alsmede VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, alsmede VFR-vluchten uit te voeren in luchtverkeerdienstverleningsgebieden met klasse A

Datum: 12 augustus 2015

Nummer: ILT-2015/54618

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gezien het verzoek om ontheffing van 1 augustus 2015 van het Commando Luchtstrijdkrachten, adres: Postbus 8762, 4820 BB Breda; contactpersoon: LTZ 1 ing. J.J. Kesteloo, tel.: +31 76 544 7184; e-mail: jj.kesteloo@mindef.nl;

Overwegende dat de vereiste maatschappelijke relevantie onder andere blijkt uit de opdracht van de Directie Kustwacht Nederland voor het uitvoeren van alle kustwachttaken, waaronder SAR-vluchten en trainingsvluchten in het kader van de opleiding van bemanningsleden die belast zijn of worden met de uitvoering van de kustwachttaken;

Gelet op artikel 4, eerste lid, onderdeel d van verordening (EU) nr. 923/2012 en de artikelen 10, vierde lid, 18, tweede lid, en 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op de vliegtuigen van het type Dornier 228-212, met als nationaliteits- en inschrijvingkenmerk PH-CGN en PH-CGC, of een gelijkwaardig vervangend vliegtuig, in gebruik bij het Commando Luchtstrijdkrachten, waarmee VFR-vluchten en IFR-vluchten worden uitgevoerd boven het zeegebied van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ), boven de territoriale wateren (TTW), boven de Waddenzee en de Zeeuwse wateren en boven het IJsselmeer en boven land ten behoeve van het uitvoeren van alle kustwachttaken, waaronder SAR-vluchten en het operationeel uitwerpen van voorwerpen of stoffen ten behoeve van SAR- en trainingsvluchten in het kader van de opleiding van bemanningsleden die belast zijn of worden met de uitvoering van de kustwachttaken in opdracht van, onder andere, de Directie Kustwacht Nederland en Rijkswaterstaat Noordzee.

Artikel 2

VERWIJDEREN VAN VOORWERPEN OF STOFFEN TIJDENS DE VLUCHT

Aan de gezagvoerders van de in artikel 1 genoemde vliegtuigen wordt voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 10, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer 2014 om tijdens VFR-vluchten voorwerpen of stoffen uit het luchtvaartuig te verwijderen. Aan deze ontheffing zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  • a. de vlieghoogte bedraagt tijdens het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht tussen de 100 en 300 ft boven het water;

  • b. het vliegzicht voldoet aan de VFR-minima;

  • c. op het moment van het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht mag ander luchtverkeer hier geen hinder van ondervinden;

  • d. het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht vindt alleen plaats boven het zeegebied van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ), boven de territoriale wateren (TTW), boven de Waddenzee en de Zeeuwse wateren en boven het IJsselmeer;

  • e. tijdens het verwijderen van voorwerpen of stoffen heeft de gezagvoerder voortdurend zicht op het water;

  • f. het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht gebeurt dusdanig dat personen daardoor niet worden gehinderd of gevaar lopen en zaken op het water niet worden beschadigd.

Artikel 3

VFR-VLUCHTEN BUITEN DE DAGLICHTPERIODE

Aan de gezagvoerders van de in artikel 1 genoemde vliegtuigen wordt voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 ontheffing verleend van het verbod van artikel 18, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer 2014 tot het uitvoeren van VFR-vluchten buiten de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit luchtverkeer 2014, bedoelde luchtvaartgids, met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. voor het uitvoeren van de vlucht is het luchtvaartuig uitgerust met de instrumenten die zijn vereist voor IFR-vluchten, aangevuld met verlichting van instrumenten en installaties, navigatielichten, een landingslichtinstallatie, verlichting in de passagiersruimte en een elektrische zaklantaarn voor ieder lid van het stuurhutpersoneel;

  • b. de gezagvoerders beschikken over een geldige CPL met bevoegdverklaring IR;

  • c. vóór de vlucht wordt tijdig een vliegplan ingediend;

  • d. tijdens het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • e. het vliegzicht voldoet aan gestelde in de luchtvaartgids, ENR 1.2 Visual Flight Rules.

Artikel 4

VFR-VLIEGEN BENEDEN DE MINIMUM VFR-VLIEGHOOGTE

Aan de gezagvoerders van de in artikel 1 genoemde vliegtuigen wordt voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, om VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte, met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de minimum VFR-vlieghoogte bedraagt 60 m (200 ft) boven de grond of het water, of zoveel lager als voor de uitvoering van alle kustwachttaken, waaronder SAR-vluchten en het operationeel uitwerpen van voorwerpen of stoffen ten behoeve van SAR- en trainingsvluchten in het kader van de opleiding van bemanningsleden die belast zijn of worden met de uitvoering van de kustwachttaken, noodzakelijk is, doch ten minste 30 m (100 ft) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 100 m van het luchtvaartuig;

  • b. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

    • 3. in geval van een motorstoring op een veilige wijze op de nog werkende motor kan worden weg geklommen;

  • c. bij het uitvoeren van een vlucht als bedoeld in onderdeel a worden afzonderlijke gebouwen, ingericht voor het verblijf van personen, zoveel als mogelijk vermeden;

  • d. er wordt niet bij voortduring laaggevlogen doch slechts gedurende de periode dat dit voor het uitvoeren van alle kustwachttaken, waaronder SAR-vluchten en het operationeel uitwerpen van voorwerpen of stoffen ten behoeve van SAR- en trainingsvluchten in het kader van de opleiding van bemanningsleden die belast zijn of worden met de uitvoering van de kustwachttaken, noodzakelijk is;

  • e. één uur vóór aanvang van elke vlucht wordt gecoördineerd met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.

Artikel 5

VFR-VLIEGEN IN LUCHTVERKEERSDIENSTVERLENINGSGEBIEDEN MET KLASSE A

Aan de gezagvoerders van de in artikel 1 genoemde luchtvaartuigen wordt van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 ontheffing verleend van het verbod tot het uitvoeren van VFR-vluchten in luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse A, als genoemd in paragraaf SERA.6001, onderdeel (a), van verordening (EU) nr. 923/2012, met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de vluchten worden uitgevoerd als een gecontroleerde VFR-vlucht;

  • b. de gezagvoerder is te allen tijde in staat en bevoegd de vlucht onder instrumentvliegvoorschriften voort te zetten;

  • c. de vluchten worden slechts uitgevoerd indien het vliegzicht minimaal 8 kilometer bedraagt en de afstand tot de wolken horizontaal 1.500 meter en verticaal 300 meter bedraagt;

  • d. indien mogelijk worden voorafgaand aan de vlucht vluchtgegevens, de te vliegen route en andere relevante informatie aangeleverd bij de Operationele Helpdesk LVNL, tel.: 020 4062201 (0700 1700 LT); fax: 020 4063672; e-mail: ops_helpdesk@lvnl.nl; waar dit niet mogelijk is, is eerst een klaring noodzakelijk van de dienstdoende luchtverkeersleider.

Artikel 6

Aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig dat de in artikel 5 genoemde vluchten uitvoert, wordt door de betrokken luchtverkeersleidingsdienst een afwijkende klaring verstrekt, als bedoeld in paragraaf SERA.8020, onderdeel (a), onder 1 van verordening (EU) nr. 923/2012. Deze klaring wordt verstrekt voor het afwijken van luchtverkeersroutes als bedoeld in artikel 3 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening, indien de luchtverkeerssituatie dit toelaat, mits de volgende voorschriften in acht worden genomen:

  • a. voor deze vluchten wordt de procedure gevolgd voor ‘Survey projects’, zoals gepubliceerd op de site van de Operationele Helpdesk LVNL: http://www.lvnl-ohd.nl/;

  • b. vóór aanvang van een vlucht worden de volgende gegevens aangeleverd bij de Operationele Helpdesk LVNL:

    • 1°. naam PIC;

    • 2°. telefoonnummer operator;

    • 3°. registratie luchtvaartuig;

    • 4°. plaatsnaam en markering van iedere opdracht;

    • 5°. tijdsduur van opdracht;

    • 6°. gewenste vlieghoogten; en

    • 7°. aanvullende informatie die de vluchtuitvoering kan beïnvloeden;

  • c. de aanvraag wordt pas door de Operationele Helpdesk LVNL in behandeling genomen wanneer deze vergezeld gaat van een ondertekende opdracht (verklaring); deze ondertekende opdracht bevat minimaal de informatie, genoemd in onderdeel b; voor het invullen van deze gegevens is een formulier beschikbaar; dit formulier is op te vragen bij de Operationele Helpdesk LVNL;

  • d. indien luchtverkeerstechnische redenen daartoe noodzaken, kan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst de vlucht doen uitstellen, dan wel annuleren.

Artikel 7

  • 1. De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerders bekend zijn met de inhoud van deze beschikking.

  • 2. Het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften en beperkingen, genoemd in de artikelen 2, 3, 4 en 5, kan aanleiding zijn deze ontheffing in te trekken.

Artikel 8

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 oktober 2015 en vervalt op 1 oktober 2016.

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, DE INSPECTEUR ILT/LUCHTVAART, M.A.M. van Velzen Senior Inspecteur

Bezwaarmogelijkheid

Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u hiertegen op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum waarop deze beslissing is verzonden, schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Postbus 16191

2500 BD Den Haag

Naar boven