Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2015, 25322Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 augustus 2015, nr. HO&S/755642 houdende wijziging van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen in verband met de uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen en de toelating van nieuwe opleidingsscholen

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onder a, juncto artikel 4, tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING REGELING TEGEMOETKOMING KOSTEN OPLEIDINGSSCHOLEN

De Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel m door een komma, wordt aan artikel 1 een onderdeel toegevoegd, luidende:

n. aspirant-opleidingsschool:

opleidingsschool zoals bedoeld in artikel 2a.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘beperkt aantal opleidingsscholen’ vervangen door: opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 5.6, vijfde lid, onderdeel b’ vervangen door: artikel 5.2a, onderdeel b.

C

Na artikel 2 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a. Aspirant-opleidingsschool

  • 1. Een aspirant-opleidingsschool is een opleidingsschool die niet eerder subsidie heeft ontvangen in het kader van deze regeling.

  • 2. Bij de aanvraag voor een aspirant-opleidingsschool dient de aanvrager een samenwerkingsovereenkomst en een ontwikkelplan in.

  • 3. In afwijking van artikel 13, eerste lid wordt de subsidie voor een aspirant-opleidingsschool niet geweigerd op grond van onderdelen a en b van dat lid.

  • 4. Een aspirant-opleidingsschool is een opleidingsschool in het po, vo of mbo als minimaal 75% van de opleidingsplaatsen binnen de opleidingsschool zich op scholen in de betreffende onderwijssector bevindt.

D

In artikel 3, tweede lid, wordt ‘opleidingsschool’ vervangen door: opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool.

E

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverlening aan opleidingsscholen, niet zijnde aspirant-opleidingsscholen, op grond van deze regeling is per jaar een bedrag van € 20.000.000 beschikbaar.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid is in de periode 2015–2019 een bedrag van € 2.700.000 per jaar beschikbaar voor de subsidieverlening aan aspirant-opleidingsscholen in het vo.

F

Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking op het eerste lid, bedraagt de subsidie aan een aspirant-opleidingsschool de eerste twee schooljaren € 300.000 per schooljaar.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. De aanvraag voor subsidie voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend met het formulier Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen dat beschikbaar is op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

  • 2. De aanvraag bedoeld in artikel 11, vierde lid, wordt ingediend met behulp van het formulier Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen dat door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de opleidingsscholen ter beschikking wordt gesteld.

H

Na artikel 7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a. Samenwerkingsovereenkomst en ontwikkelplan aspirant-opleidingsscholen

  • 1. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, bevat de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool en bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de gezamenlijke visie op het opleiden van studenten;

    • b. de inzet van middelen die beide partijen hierbij inbrengen; en

    • c. de partner die zal optreden als penvoerder, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

  • 2. Het ontwikkelplan, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, is opgesteld aan de hand van de criteria in bijlage 3 bij deze regeling en bevat een beschrijving van de mate waarin de aspirant-opleidingsschool reeds voldoet aan de kaders gesteld in onderdeel 1 van bijlage 1 bij deze regeling en welke activiteiten worden uitgevoerd om een jaar voor het einde van de subsidieperiode volledig aan deze kaders te voldoen.

I

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8. Termijn indiening aanvraag

  • 1. De aanvraag voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 oktober 2015.

  • 2. De aanvraag bedoeld in artikel 11, vierde lid, wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin het in artikel 11 genoemde tijdvak afloopt.

J

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9. Verdeling bij overschrijding subsidieplafond

  • 1. De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen.

  • 2. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag voor opleidingsscholen bedoeld in artikel 4, eerste lid bij overschrijding van het subsidieplafond evenredig over de subsidieontvangers zodanig dat iedere subsidieontvanger een gelijk percentage ontvangt van het bedrag wat op grond van de tabel in bijlage 2 aan hem zou worden verleend.

  • 3. De subsidieverlening voor aspirant-opleidingsscholen geschiedt op basis van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie.

  • 4. In hoeverre een aspirant-opleidingsschool bijdraagt aan een evenwichtige geografische spreiding over Nederland maakt deel uit van de geschiktheid.

  • 5. Indien het verlenen van de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond bedoeld in artikel 4, tweede lid, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

K

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De NVAO brengt in afwijking van het tweede lid geen advies uit bij de aanvraag voor aspirant-opleidingsscholen en de Minister beslist in afwijking op het eerste lid niet mede op basis van een dergelijk advies.

L

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11. Tijdvak subsidieverlening

  • 1. Subsidie wordt telkens verleend tot het einde van het schooljaar waarin de accreditatietermijn van de lerarenopleiding of lerarenopleidingen eindigt.

  • 2. Indien meerdere lerarenopleidingen deelnemen in een opleidingsschool, wordt de subsidie verleend tot en met het einde van het schooljaar waarin de accreditatietermijn van de door de subsidieontvanger aangewezen lerarenopleiding eindigt.

  • 3. In afwijking op het eerste lid wordt de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen verleend voor een periode van vier schooljaren.

  • 4. Na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, kan door de subsidieontvanger een nieuwe aanvraag worden ingediend.

M

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel e vervalt ‘of’.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

N

Artikel 18, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt het subsidiebedrag voor aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren jaarlijks in één keer betaald in december.

O

Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20. Vervaldatum

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2022, van toepassing blijft op subsidies die zijn verleend vóór die datum.

P

Na bijlage 2 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 3, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 7A, TWEEDE LID, VAN DE REGELING TEGEMOETKOMING KOSTEN OPLEIDINGSSCHOLEN

Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:

  • 1. een lijst van deelnemende opleidingen, besturen en scholen (inclusief status accreditatie, laatste inspectieoordeel);

  • 2. een opgave van de beoogde studentenaantallen (per onderwijssector) aan het einde van de ontwikkelperiode;

  • 3. een (concept)beschrijving van de beoogde structuur van de opleidingsschool (inclusief rollen schoolopleider en werkplekbegeleider*);

  • 4. een beschrijving waarin wordt aangegeven op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool al denkt te voldoen aan de kaders genoemd in bijlage 1 bij deze regeling en op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool zich nog gaat ontwikkelen in de ontwikkelperiode (inclusief hiervoor benodigde activiteiten en planning).

    Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:

    • opleidingsplan (standaard 1)

    • gezamenlijke visie op professionalisering (standaard 2)

    • gezamenlijke visie op HR-beleid

    • kwaliteitszorgplan (standaard 4)

    Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe de gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.

    Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot

    • * De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.

    De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

TOELICHTING

Algemene toelichting

Inleiding en doel

Opleiden in de School heeft het afgelopen decennium een steeds belangrijkere plaats ingenomen binnen de lerarenopleidingen. Opleidingsscholen spelen een betekenisvolle rol bij de versterking van de samenwerking tussen scholen en (universitaire) lerarenopleidingen rond schoolontwikkeling, het opleiden en ontwikkelen van leraren voor het VO en onderzoek.1 De argumenten om substantieel bij te dragen aan de kwaliteit van (academische) opleidingsscholen, hangen direct samen met de doelstelling om scholen tot ‘professionele leergemeenschappen’ te laten ontwikkelen.

De staatssecretaris van Onderwijs en de VO-raad hebben in het sectorakkoord voor het voortgezet onderwijs afgesproken om het aantal opleidingsscholen substantieel uit te breiden, leidend tot minimaal 2.200 en zo mogelijk 4.000 extra structurele opleidingsplaatsen in 2020. Daardoor wordt de bestaande opleidingsinfrastructuur van scholen die (nog niet) zijn aangesloten bestendigd en versterkt. Daarnaast is in 2016 een uitbreiding van het aantal opleidingsscholen in het po en het mbo voorzien in het kader van de 'Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016'.

De uitbreiding van het aantal opleidingsscholen vormt onderdeel van de kwalitatieve doelstellingen van de Lerarenagenda 2013–2020. De intensievere praktijkcomponent die de opleidingsscholen verzorgen levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van de lerarenopleiding en de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar. Bovendien ervaren scholen dat de deelname in een opleidingsschool ook een stimulerend effect heeft op de professionalisering van het eigen personeel. De deelnemende scholen zijn volgens de Inspectie van het Onderwijs sterker betrokken bij ontwikkelingen binnen de lerarenopleidingen, wat bij (een deel van) de scholen een impuls geeft aan verdere professionalisering, ook van het zittende personeel. Met de uitbreiding van het aantal opleidingsscholen beoogt de overheid deze effecten verder te versterken.

In 2009 is een structureel bekostigingsstelsel voor opleidingsscholen ingevoerd. De opleidingsscholen ontvangen vanaf dat moment een aanvullende bekostiging voor de extra kosten die zij maken voor de intensievere praktijkopleiding. De aanvullende bekostiging is een aanvulling op de vergoeding die scholen via de lumpsum krijgen voor stagebegeleiding. Het huidige bekostigingsstelsel voor opleidingsscholen is een gesloten stelsel. De bestaande 55 opleidingsscholen kunnen het aantal deelnemende scholen en het aantal opleidingsplekken uitbreiden, maar er kunnen geen nieuwe opleidingsscholen toetreden tot het stelsel (de regeling laat thans alleen hernieuwde aanvragen toe). De 55 opleidingsscholen groeien weliswaar nog gestaag, maar de mogelijkheden tot groei zijn te beperkt om de doelstellingen uit het sectorakkoord vo te realiseren. Voor het vormen van een opleidingsschool is een intensieve samenwerking nodig tussen scholen en opleidingen. Het is hierbij belangrijk dat de organisatievorm en schaal aansluiten bij de regionale omstandigheden. Elementen als denominatie, onderwijsfilosofie, maar ook geografische afstand en de bestuurlijke indeling van scholen spelen hierbij een grote rol en leggen beperkingen op aan de mogelijkheden tot uitbreiding van bestaande opleidingsscholen.

Met deze wijziging wordt het toetreden van nieuwe opleidingsscholen mogelijk gemaakt. De uitbreiding in het voortgezet onderwijs vindt in twee stappen plaats. In 2015 wordt gestart met het eerste deel van de uitbreiding en kunnen 9 nieuwe opleidingsscholen toetreden. In 2016 volgt een nieuwe wijziging van de regeling waarmee het tweede deel van de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt. Het tweede deel bestaat uit twee rondes (2016 en 2017) Het exacte aantal opleidingsscholen dat in de tweede en derde ronde kan worden toegelaten is afhankelijk van de groei die de bestaande opleidingsscholen weten te realiseren en de uiteindelijke grootte van de aspirant-opleidingsscholen die in 2015 toe zullen treden. Naar verwachting zal het totaal gaan om 5 tot 10 nieuwe opleidingsscholen. De VO-raad stimuleert en ondersteunt scholen en lerarenopleidingen die een nieuwe opleidingsschool willen starten.

Met de nieuwe wijziging in 2016 zal bovendien de uitbreiding in de sectoren po en mbo mogelijk worden gemaakt. De 15 nieuwe samenwerkingsverbanden in het po en mbo die zich hebben gevormd met subsidie uit de 'Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016', kunnen deze subsidie gebruiken om een opleidingsschool te vormen. In dat geval krijgen zij eind 2016 de mogelijkheid om toe te treden als aspirant-opleidingsschool waarbij de termijnen aangepast zullen worden aan hun specifieke situatie. Als niet alle samenwerkingsverbanden gebruik (kunnen) maken van deze mogelijkheid, ontstaat extra ruimte in het budget. Deze ruimte wordt dan gebruikt om enkele andere nieuwe aspirant-opleidingsscholen in dezelfde sectoren toe te laten.

In de komende jaren wordt stapsgewijs een bedrag van 11 miljoen euro toegevoegd aan het budget voor de opleidingsscholen voor de uitbreiding in alle onderwijssectoren.

Opleidingsscholen die willen toetreden tot de bekostiging kunnen in eerste instantie in aanmerking komen voor een aspirantstatus. Deze status krijgen ze voor de periode van vier schooljaren. Tijdens de eerste twee jaar ontvangen zij een vast bedrag van 300.000 euro per jaar om zich te ontwikkelen naar het niveau van een bekostigde opleidingsschool. Het bedrag ligt net iets onder het gemiddelde bedrag dat bestaande opleidingsscholen nu ontvangen. De studentenaantallen zijn bij aspirant-opleidingsscholen in de opstartfase naar verwachting gemiddeld lager, maar de aspirant-opleidingsschool heeft nog wel meer ontwikkelkosten.

De nieuwe opleidingsscholen moeten een aanvraag indienen bij DUO. DUO stelt een ambtelijke commissie van experts samen die de minister adviseert bij de beoordeling van de aanvragen. Bij de aanvraag moeten deze nieuwe opleidingsscholen een ontwikkelplan aanleveren waarin per onderdeel van de bestaande NVAO-kaders voor bekostigde opleidingsscholen wordt aangegeven waar de opleidingsschool staat en hoe de opleidingsschool zich in de eerste drie jaar van de aspirantperiode wil ontwikkelen naar het beoogde niveau. In het vierde jaar van de aspirant-status voert de NVAO een beoordeling uit van de opleidingsschool dat leidt tot een advies aan de Minister. Als de NVAO een positief advies geeft en ook aan de overige subsidievoorwaarden wordt voldaan, wordt de opleidingsschool na de aspirantperiode toegelaten tot de structurele bekostiging.

Met deze wijziging wordt een toetredingsprocedure opgenomen in de regeling. Hoeveel aspirant-opleidingsscholen er daadwerkelijk kunnen toetreden is afhankelijk van het budget. De hoogte van het budget dat beschikbaar is voor nieuwe toetreders wordt per jaar bepaald. In 2015 is vanuit het sectorakkoord 2,7 miljoen euro beschikbaar voor aspirant-opleidingsscholen in de sector voortgezet onderwijs. Begin 2016 worden de bedragen voor 2016 vastgesteld. Totaal is uiteindelijk 8 miljoen euro beschikbaar voor nieuwe opleidingsscholen en de uitbreiding van bestaande opleidingsscholen in het voortgezet onderwijs. Naast een extra budget voor de sector voortgezet onderwijs is voor 2016 ook een beperkte uitbreiding in de sectoren po en mbo voorzien.

De huidige bekostigingsregeling is niet van toepassing op Caribisch Nederland en de uitbreiding daarmee ook niet. Er zijn geen lerarenopleidingen in Caribisch Nederland die vallen onder de Nederlandse wetgeving. De geografische afstand tot Nederland maakt de intensieve samenwerking met Nederlandse lerarenopleidingen die nodig is voor de vorming van een opleidingsschool ook in de praktijk onmogelijk.

Administratieve lasten

Door deze wijziging neemt de totale administratieve last enigszins toe omdat het aantal opleidingsscholen stijgt. De administratieve last per opleidingsschool daalt echter licht, omdat anders dan bij de start van de regeling in 2009 nieuwe opleidingsscholen bij hun eerste aanvraag nog geen kritische zelfreflectie en onderzoeksrapport hoeven in te leveren.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel B, eerste lid en onderdeel C

Met deze wijziging wordt de subsidie ook opengesteld voor aspirant-opleidingsscholen

Artikel I, onderdeel B, tweede lid

Technische verwerking van de wijzigingen in de WSF 2000 die zijn opgenomen in de Wet studievoorschot hoger onderwijs.

Artikel I, onderdeel C

Een aspirant-opleidingsschool komt in aanmerking als minimaal 75% van het beoogde aantal opleidingsplekken aan het eind van de subsidieperiode in het voortgezet onderwijs wordt gerealiseerd. In 2015 is een bedrag van 2,7 miljoen euro beschikbaar voor opleidingsscholen in het voortgezet onderwijs. Opleidingsscholen zijn in de praktijk soms samengesteld uit scholen in meerdere onderwijssectoren. Om de mogelijkheid van sector overstijgende samenwerking open te houden, hoeft een aspirant-opleidingsschool zich niet helemaal exclusief op het voortgezet onderwijs te richten om in aanmerking te komen voor subsidie.

Artikel I, onderdeel E en F

Opleidingsscholen ontvangen een bedrag dat gerelateerd is aan het aantal studenten dat aan de opleidingsschool wordt opgeleid. Aspirant-opleidingsscholen die net zijn gestart hebben in het begin relatief veel ontwikkelkosten, maar zullen in de eerste jaren nog weinig studenten opleiden. Tijdens de ontwikkelperiode ontvangen deze aspirant-opleidingsscholen daarom voor de eerste twee schooljaren een vast bedrag van 300.000 euro per schooljaar. Vanaf het derde schooljaar wordt het subsidiebedrag, net als bij bestaande opleidingsscholen, bepaald op basis van studentenaantallen volgens de tabel in bijlage 2 bij de regeling.

Artikel I, onderdeel G

De subsidie wordt per subsidieperiode toegekend. De subsidieperiode loopt telkens tot en met het einde van de accreditatietermijn van (één van) de betrokken lerarenopleidingen(en). De aanvraag voor de nieuwe periode moest tot nu toe worden ingediend voor 15 juni van het jaar waarin deze accreditatietermijn afloopt. Om de administratieve last te verlagen wordt de aanvraag voor deze verlenging gecombineerd met de jaarlijkse opgave van de studentenaantallen die voor 1 oktober van dat jaar moet worden ingeleverd (zie ook onderdeel F).

Artikel I, onderdeel H

Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de bekostiging voor aspirant-opleidingsscholen is dat de opleidingsschool de onderlinge afspraken duidelijk heeft vastgelegd en dat er een duidelijk en realistisch ontwikkelplan is dat ertoe leidt dat in het laatste jaar van de ontwikkelperiode voldaan zal worden aan de eisen die gesteld zijn in het NVAO-kader dat in onderdeel 1 van bijlage 1 van deze regeling is opgenomen.

Artikel I, onderdeel I

De aanvraag voor aspirant-opleidingsscholen dient voor 1 oktober 2015 te zijn ingediend. In 2016 zal door middel van een nieuwe wijzigingsregeling opnieuw een mogelijkheid worden geboden om een aanvraag in te dienen als aspirant-opleidingsschool. De exacte budgetten en aanvraagtermijnen voor 2016 zullen bij die gelegenheid worden vastgesteld.

De deadline voor de aanvraag voor bestaande opleidingsscholen wordt naar achteren verschoven (zie ook de toelichting bij onderdeel E).

Artikel I, onderdeel J en K

Bij een overschrijding van het subsidieplafond voor de aspirant-opleidingsscholen, worden de aanvragen gerangschikt op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelen van de subsidie. Het doel van het sectorakkoord vo om 2.200 tot 4.000 extra opleidingsplekken in het voortgezet onderwijs te creëren wordt hierbij meegenomen. Ook wordt gekeken naar de regionale spreiding van de bestaande opleidingsscholen. De minister streeft naar een landelijk dekkend netwerk van opleidingsscholen. Aanvragen die een bijdrage leveren om de geografische dekking over Nederland te vergroten hebben daarbij een voorkeur boven andere aanvragen.

De NVAO brengt nog geen advies uit over de kwaliteit van de opleiding van de aspirant-opleidingsscholen. Aspirant-opleidingsscholen kunnen bij de start nog niet beoordeeld worden op gerealiseerde kwaliteit en worden daarom beoordeeld op basis van de kwaliteit van hun ontwikkelplan. Na drie jaar beoordeelt de NVAO deze aspirant-opleidingsscholen alsnog en geeft op basis hiervan advies aan de Minister over een nieuwe subsidieaanvraag.

Artikel I, onderdeel L

De subsidieperiode voor aspirant-opleidingsscholen is vier jaar. Aan het einde van deze periode kunnen deze aspirant-opleidingsscholen een nieuwe aanvraag indienen. De NVAO zal hierbij een advies aan de Minister uitbrengen over de kwaliteit van de samenwerking en praktijkopleiding die door de opleidingsschool wordt verzorgd. Als dit advies positief is en ook aan de overige subsidievoorwaarden is voldaan, krijgt de aspirant-opleidingsschool definitief de status van een bekostigde opleidingsschool.

Artikel I, onderdeel M

Het tweede lid komt te vervallen omdat de Regeling verdiepingsslag academische opleidingsschool 2009–2011 per 01-01-2012 is komen te vervallen.

Artikel I, onderdeel N

Bij de start van een nieuwe opleidingsschool worden relatief veel ontwikkelkosten gemaakt aan het begin van het traject. Om een vliegende start te kunnen maken, is er voor gekozen de betaling voor de eerste twee schooljaren aan deze opleidingsscholen niet te spreiden over het schooljaar, maar het subsidiebedrag in deze eerste periode in één keer aan de start van het schooljaar uit te betalen. Vanaf het derde schooljaar vindt de betaling, net als bij de bestaande opleidingsscholen, in twee termijnen plaats.

Artikel I, onderdeel O

Met deze wijziging wordt ook de einddatum van de regeling gewijzigd. In 2013 is, in lijn met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, een einddatum van 1 juli 2017 in de regeling opgenomen. De subsidie voor de opleidingsscholen is een structurele vergoeding van (een deel) van de kosten die voor de praktijkopleiding via opleidingsscholen worden gemaakt. De subsidie is opgenomen onder de bekostigingsparagraaf van artikel 9 van de onderwijsbegroting. Omdat artikel AWB titel 4.2 niet van toepassing is op de bekostiging van onderwijs en onderzoek, is het opnemen van een horizonbepaling, zoals bedoeld in artikel 24a, lid 2 van de Comptabiliteitswet 2001, niet verplicht. In 2013 is wel een einddatum opgenomen in de regeling omdat het de bedoeling was om de aanvullende bekostiging voor de opleidingsscholen per die datum een grondslag in de sectorale onderwijswetten te geven. Het aansluiten van deze sector overstijgende bekostiging op de verschillende bekostigingsstelsels van het po, vo, mbo, hbo en wo op een manier waarbij het karakter van de aanvullende bekostiging in stand blijft, blijkt echter complexer dan aanvankelijk gedacht en neemt daardoor meer tijd in beslag. Om onduidelijkheid over de komende bekostigingsperiode (deze loopt t/m 2022) te voorkomen wordt daarom een einddatum van 1 januari 2023 opgenomen.

Artikel I, onderdeel P

De subsidie voor aspirant-opleidingsscholen is beschikbaar voor nieuwe opleidingsscholen die niet eerder subsidie hebben ontvangen in het kader van deze regeling. Opleidingsscholen die feitelijk een afsplitsing zijn van een bestaande opleidingsschool, kunnen alleen in aanmerking komen voor subsidie als uit hun ontwikkelplan blijkt dat er sprake is van een zelfstandige opleidingsschool met een eigen te onderscheiden visie en organisatie.

Bij de aanvraag moet een ontwikkelplan worden gevoegd. In dit ontwikkelplan beschrijft de aanvrager aan welke onderdelen van het toetsingskader voor opleidingsscholen (opgenomen in bijlage 1) de opleidingsschool naar eigen inschatting al voldoet en hij onderbouwt deze inschatting. Daarnaast beschrijft de aanvrager op welke onderdelen de opleidingsschool zich nog moet ontwikkelen. De aanvrager geeft een heldere beschrijving van de (beoogde) opleidings- en begeleidingsinfrastructuur waarbij de doelstellingen en resultaten m.b.t. opleiden, begeleiden en beoordelen worden benoemd. Deze doelen en resultaten zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) geformuleerd.

Als de opleidingsschool nog niet beschikt over een opleidingsplan, kwaliteitszorgplan en gezamenlijke visies op HR-beleid en professionalisering moet de aanvrager beschrijven op welke wijze toegewerkt wordt naar deze producten. Als de opleidingsschool al wel beschikt over deze producten, worden deze bijgevoegd bij de aanvraag.

Artikel II

De wijziging wordt ingevoerd per 1 september 2015. Hiermee wordt aangesloten op van de vaste verandermomenten voor het onderwijs. Er wordt afgeweken van de wachttijd van twee maanden opdat de eerste groep aspirant-opleidingsscholen nog in 2016 van start kan gaan.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Zie o.a. Onderwijsraad, Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen (Den Haag 2011) p17