Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2015, 22401Interne regelingen

Regeling vergoeding beroepsziekten politie

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 54a, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. besluit:

het Besluit algemene rechtspositie politie;

b. ambtenaar:

de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het besluit;

c. bevoegd gezag:

het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het besluit;

d. beroepsziekte:

een beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van het besluit;

e. invaliditeit:

het objectief medisch vast te stellen blijvende gehele of gedeeltelijke functieverlies van een orgaan of een ander deel van het lichaam of de objectief medisch vast te stellen mate van blijvende psychische beperkingen van de ambtenaar in het functioneren in het dagelijks leven;

f. smartengeld:

een vergoeding ter hoogte van een met inachtneming van deze regeling vast te stellen uitkeringspercentage van het bedrag genoemd in artikel 54a, eerste lid, van het besluit.

Artikel 2

  • 1. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen tot erkenning van zijn klachten als beroepsziekte.

  • 2. De ambtenaar die klachten heeft die kunnen leiden tot een beroepsziekte welke heeft geleid of kan leiden tot invaliditeit of tot het verergeren van bestaande invaliditeit:

    • a. meldt deze zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 150 dagen na de in het eerste lid bedoelde aanvraag;

    • b. licht het bevoegd gezag zo volledig mogelijk in over de klachten die kunnen leiden tot een beroepsziekte en de vermoedelijke oorzaak of oorzaken ervan;

    • c. stelt zich zo spoedig mogelijk onder geneeskundige behandeling;

    • d. doet al het mogelijke om een spoedig herstel te bevorderen, onder meer door de aanwijzingen van de behandelend arts op te volgen; en

    • e. verleent zijn medewerking aan de vaststelling van de als gevolg van de klachten ontstane invaliditeit.

  • 3. Indien de ambtenaar verzuimt te handelen overeenkomstig het tweede lid, onderdelen a tot en met e, kan alleen recht op smartengeld ontstaan indien:

    • a. hij aannemelijk maakt dat de ontstane invaliditeit uitsluitend het gevolg is van de beroepsziekte en

    • b. hij aantoont dat het bevoegd gezag als gevolg van dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad.

  • 4. Een ander kan namens de ambtenaar voldoen aan het tweede lid, onderdelen a en b, en het derde lid, onderdeel a, mits die ander geacht kan worden de belangen van de ambtenaar te vertegenwoordigen.

  • 5. Onderzoekskosten die voortvloeien uit het tweede lid komen voor rekening van de ambtenaar.

Artikel 3

  • 1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar éénmalig met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.

  • 2. Het smartengeld is gelijk aan het in het eerste lid bedoelde percentage invaliditeit, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag. Indien op grond van artikel 4 een hoger uitkeringspercentage wordt vastgesteld, is het smartengeld gelijk aan dat percentage van het in artikel 54a, eerste lid van het besluit genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag.

  • 3. Indien naar aanleiding van één of meer incidenten een ambtenaar beroep doet op uitkering van smartengeld op grond van zowel deze regeling als de Regeling smartengeld dienstongevallen politie, bedraagt het totale smartengeld niet meer dan het in artikel 54a, eerste lid, genoemde bedrag.

  • 4. Indien de ambtenaar anders dan als gevolg van de beroepsziekte overlijdt voordat het uitkeringspercentage kan worden vastgesteld, wordt uitgekeerd naar het bedrag dat naar verwachting zou zijn uitgekeerd indien betrokkene niet overleden zou zijn.

  • 5. Het bevoegd gezag draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4

  • 1. Indien op grond van artikel 3, eerste lid, een percentage is vastgesteld en de beroepsziekte tevens heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid wordt een tweede percentage vastgesteld, tenzij de ambtenaar het bevoegd gezag binnen zes weken schriftelijk verzoekt niet tot vaststelling daarvan over te gaan.

  • 2. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die het tweede percentage vaststelt aan de hand van de in het derde lid opgenomen tabel. Daarbij wordt uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de opgedane beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.

  • 3. Het tweede percentage wordt vastgesteld overeenkomstig onderstaande tabel:

    Arbeidsongeschiktheidstabel

    Percentage aan de beroepsziekte toe te rekenen arbeidsongeschiktheid

    Uitkeringspercentage

    5

    5

    6

    5,8

    7

    6,5

    8

    7,3

    9

    8

    10

    8,8

    11

    9,5

    12

    10,3

    13

    11

    14

    11,8

    15 < 25

    12,5

    25 < 35

    25

    35 < 45

    37,5

    45 < 55

    50

    55 < 65

    62,5

    65 < 80

    80

    80 of meer

    100

  • 4. Het bevoegd gezag draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5

  • 1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde melding geldt als aanvraag tot toekenning van smartengeld.

  • 2. De beschikking op de aanvraag wordt uiterlijk acht weken nadat de mate van invaliditeit is vastgesteld afgegeven, tenzij met toepassing van artikel 4 een tweede percentage is vastgesteld. In dat geval wordt de beschikking uiterlijk drie weken na de vaststelling van het tweede percentage afgegeven.

  • 3. Indien sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voordat de mate van invaliditeit is vastgesteld, wordt de in het tweede lid bedoelde beschikking op aanvraag afgegeven uiterlijk drie weken nadat de mate van invaliditeit is vastgesteld. Indien het verzoek na vaststelling van de invaliditeit is ingediend, wordt de beschikking uiterlijk drie weken na indiening van het verzoek afgegeven.

Artikel 6

Indien de bepaling van de hoogte van het smartengeld is geschied op grond van door de ambtenaar of zijn vertegenwoordiger, bedoeld in van artikel 2, vierde, verstrekte gegevens waarvan zij wisten of moesten weten dat deze gegevens onjuist waren, kan het bevoegd gezag het besluit tot toekenning van smartengeld herzien of intrekken.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoeding beroepsziekten politie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

TOELICHTING

Algemeen

In het akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector politie van 24 februari 1997 is een afspraak neergelegd over de verantwoordelijkheid van de werkgever voor het financiële risico bij een dienstongeval of een beroepsziekte. Deze afspraak houdt in dat indien een dienstongeval of beroepsziekte leidt tot overlijden of invaliditeit van de ambtenaar er recht ontstaat op smartengeld. Deze afspraak is geformaliseerd met de invoeging van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bij Besluit van 9 maart 1999, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met verantwoordelijkheid van de politiewerkgever bij dienstongeval van ambtenaren van politie (Stb. 1999, 131). In artikel 54a, eerste lid, van het Barp is bepaald dat bij invaliditeit, die voortvloeit uit een dienstongeval of beroepsziekte de ambtenaar een uitkering tot maximum van € 150.000,– (peildatum 2013) krijgt vergoed. Dit maximum wordt op basis van artikel 54a, lid 5 van het Barp jaarlijks per 1 januari geïndexeerd. De uitkering voor invaliditeit ten gevolge van beroepsziekte is afhankelijk van de mate van invaliditeit van de ambtenaar. Artikel 54a Barp is ingevoerd met terugwerkende kracht tot 24 februari 1997, de datum van ondertekening van het akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector politie.

De Regeling vergoeding beroepsziekten politie is bedoeld om invulling te geven aan het bepaalde in artikel 54a, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie voor wat betreft de beroepsziekten in de lijn van de reeds bestaande Regeling smartengeld dienstongevallen politie. In deze regeling is, voor zover het beroepsziekten betreft, de aanspraak op smartengeld bij invaliditeit ten gevolge van een beroepsziekte uitgewerkt. Onder een beroepsziekte wordt verstaan een ziekte welke door het bevoegd gezag is aangemerkt als een beroepsziekte en welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Ook gewezen politieambtenaren kunnen een beroep op deze regeling doen als de oorzaak van de ziekte binnen de aanstelling is gelegen en de ziekte als beroepsziekte is erkend. In dat geval komt alleen het percentage van de tijdens de werkzaamheden als politieambtenaar opgedane mate van invaliditeit, c.q. arbeidsongeschiktheid, voor vergoeding in aanmerking.

Artikelsgewijs

Artikelen 2 tot en met 4

Een beroepsziekte kan direct, maar ook op een later moment, leiden tot het ontstaan van invaliditeit. Teneinde een beroep te kunnen doen op de in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) opgenomen voorzieningen rond beroepsziekten (zoals over de vakantieaanspraak, de loonkorting en het smartengeld) moet de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag in tot erkenning van zijn klachten als beroepsziekte indienen. De ambtenaar meldt de klachten zodra hij er redelijkerwijs van op de hoogte is dat er sprake is van een beroepsziekte. Dit doet hij zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 150 dagen nadat een aanvraag is gedaan de ziekte te erkennen als beroepsziekte, om het bevoegd gezag in staat te stellen te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een beroepsziekte en van een causaal verband tussen de beroepsziekte en de werkzaamheden van betrokkene. De schriftelijke melding geldt als aanvraag van een besluit tot toekenning van smartengeld (zie ook artikel 2, eerste lid en artikel 5, eerste lid). Op deze aanvraag zijn de bepalingen over de aanvraag van besluiten in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Teneinde het bevoegde gezag in staat te stellen een gefundeerd besluit te nemen, dient de ambtenaar minimaal de hiervoor benodigde informatie gevraagd en ongevraagd aan te leveren. De ambtenaar moet naast de informatie over de oorzaak en toedracht van de beroepsziekte (desgevraagd) ook andere gegevens en bescheiden verschaffen die voor beslissing noodzakelijk zijn, zoals de mate van de door de beroepsziekte veroorzaakte blijvende invaliditeit. Wanneer de ambtenaar van mening is dat bepaalde voor het besluit noodzakelijke medische gegevens gevoelig voor hem zijn, dan kan hij er voor kiezen deze aan de medisch adviseur van de Korpschef en/of aan de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij van de Nationale Politie aan te leveren. Indien de benodigde (medische) gegevens ondanks rappel niet worden verschaft, kan het bevoegd gezag met een beroep op artikel 4:5 van de Awb besluiten de aanvraag niet verder te behandelen.

Indien de ambtenaar verzuimt te voldoen aan de in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, opgenomen verplichtingen zal hij, wil een recht op smartengeld kunnen ontstaan, aannemelijk moeten maken dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend het gevolg is van de beroepsziekte. Het feit dat hij zich niet onder behandeling heeft gesteld of de voorschriften van de behandelende artsen niet heeft opgevolgd, mag dus niet leiden of hebben geleid tot het ontstaan of de toename van zijn invaliditeit. De kosten die de ambtenaar maakt om aan te tonen dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend een gevolg is van de beroepsziekte worden niet gedragen door het bevoegd gezag.

Om het percentage van de uitkering te kunnen bepalen, stelt een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige de aan de beroepsziekte toe te rekenen invaliditeit medisch objectief vast zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren is. Een termijn van ten hoogste drie jaar nadat de beroepsziekte is opgelopen of nadat betrokkene de effecten van de beroepsziekte gewaar werd, wordt normaal gesproken daarvoor voldoende geacht. Wanneer deze eindsituatie dan niet bereikt is, maar de verwachting is dat deze binnen een redelijke termijn wel kan worden bereikt, dan wordt de termijn van drie jaar éénmalig met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. De mate van ontstane of toegenomen invaliditeit ten gevolge van een beroepsziekte wordt vastgesteld aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. Deze zogenoemde AMA-schaal wordt in Nederland algemeen gebruikt bij de vaststelling van invaliditeit.

In het kader van deze regeling wordt voor de bepaling van de vergoeding alleen rekening gehouden met de mate van invaliditeit, respectievelijk arbeidsongeschiktheid, welke men door de beroepsziekte tijdens het werk opgelopen heeft. Gedeeltelijk invaliditeit of gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid die men voor het oplopen van een beroepsziekte reeds had telt daarin niet mee.

Wanneer er ten gevolge van één incident of meerdere overeenkomstige incidenten sprake zou zijn van het oplopen van meerdere beroepsziekten, zal het maximum uit te keren bedrag nooit meer kunnen zijn dan het in artikel 54a van het besluit genoemde bedrag.

Wanneer er ten gevolge van één incident of van meerdere overeenkomstige incidenten sprake zou zijn van een beroep op beide onder artikel 54a van het besluit vallende regelingen, zal het maximum uit te keren bedrag nooit meer bedragen dan het in artikel 54a van het besluit genoemde bedrag.

Wanneer is vastgesteld dat sprake is van ontstane of toegenomen invaliditeit en de beroepsziekte ook heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid, wordt naast het uitkeringspercentage op grond van de ten gevolge van de beroepsziekte opgetreden mate van invaliditeit, een tweede uitkeringspercentage met betrekking tot die arbeidsongeschiktheid vastgesteld. De ambtenaar kan echter verzoeken om geen tweede uitkeringspercentage vast te stellen. Hij dient dit verzoek te doen binnen zes weken nadat het invaliditeitspercentage is vastgesteld. Een dergelijk verzoek zou hij bijvoorbeeld kunnen doen als het uitkeringspercentage op grond van de mate van invaliditeit al zo hoog is dat onaannemelijk is dat het tweede uitkeringspercentage nog hoger zal zijn.

Uitgangspunt bij deze vaststelling van een tweede uitkeringspercentage vormt het (toegenomen) arbeidsongeschiktheidspercentage (conform de tabel bij artikel 4, lid 3) zoals dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen is vastgesteld. De deskundige bepaalt vervolgens in hoeverre dit (toegenomen) arbeidsongeschiktheidspercentage rechtstreeks en onlosmakelijk het gevolg is van de gemelde beroepsziekte. Het in artikel 4, tweede lid, bedoelde uitvoeringsorgaan dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen het arbeidsongeschiktheidspercentage bepaalt, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Indien zowel een uitkeringspercentage wegens invaliditeit, als een uitkeringspercentage wegens arbeidsongeschiktheid zijn vastgesteld, wordt het smartengeld berekend naar het hoogste percentage. Bij de vaststelling van de uitkeringspercentages bestaat geen beleidsvrijheid voor het bevoegde gezag.

Artikel 5

Op grond van artikel 5, eerste lid, wordt de melding aangemerkt als een aanvraag tot de uitkering van smartengeld. Uiteraard is afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht hierop van toepassing. In artikel 5, tweede en derde lid, zijn de beslistermijnen aangegeven in het geval sprake is van een beroepsziekte.

Artikel 7

In september 2014 is met de vakbonden overeenstemming bereikt over het coulancebeleid PTSS. De (ex-)politiemedewerkers die een beroep op dit beleid wilden doen, konden zich tot uiterlijk 31 december 2014 aanmelden. In dit beleid is reeds aangekondigd dat bij de toepassing van deze regeling de reguliere verjaringstermijnen zullen gelden en dat de medische kosten op basis van aantoonbare daadwerkelijk gemaakte kosten zullen worden vergoed. Verder is in het beleid aangekondigd dat voor politiemedewerkers die PTSS opgelopen hebben na 1 januari 2015 deze regeling zal gaan gelden. Daar deze voor alle beroepsziekten geldende regeling voor PTSS een opvolging is van het coulancebeleid, is besloten om deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in te laten gaan.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur