Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2015, 17308Interne regelingen

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2015, nr. 609500, houdende regels omtrent het dragen, het onderhoud en het in een inbraakwerende ruimte bewaren van wapens en munitie door ambtenaren van politie (Regeling beheer wapens en munitie politie 2015)

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelet op artikel 21, eerste en tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    a. ambtenaar:

    de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012, aan wie een of meer wapens rechtens zijn toegekend;

    b. wapen:

    het krachtens artikel 15, eerste lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18 of artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurde wapen;

    c. vuurwapen:

    het krachtens artikel 15, eerste lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18 of artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurde vuurwapen;

    d. munitie:

    de krachtens artikel 15, eerste lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18 of artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurde munitie;

    e. vervoer van een wapen:

    het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat zodanig is verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend;

    f. dragen van een wapen:

    het bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer in de onder e bedoelde zin;

    g. het pistool:

    het pistool als bedoeld in artikel 1, onder b, van het van het Besluit bewapening en uitrusting politie;

    h. wapenkamer:

    de voor de opslag van wapens ingerichte en beveiligde ruimte;

    i. wapenkamerbeheerder:

    de ambtenaar die is belast met het feitelijk beheer, de inname, de uitgifte en het onderhoud van de wapens;

    j. operationele dienst:

    de uitvoering van de politietaak waarbij publiekscontacten kunnen plaatsvinden;

  • 2. In deze regeling wordt onder wapen mede verstaan de krachtens de artikelen 15, eerste lid, en 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurde munitie.

  • 3. In deze regeling wordt onder pistool mede verstaan de krachtens artikel 15, eerste lid, of artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurde patroonhouder en munitie voor het pistool.

Artikel 2

  • 1. Tijdens de uitoefening van de operationele dienst is de ambtenaar verplicht tot het dragen van de aan hem verstrekte wapens.

  • 2. Het vuurwapen wordt tijdens de uitoefening van de operationele dienst in geladen toestand gedragen.

  • 3. Het pistool mag uitsluitend worden gedragen in een krachtens artikel 15, tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie goedgekeurd draagmiddel.

  • 4. De ambtenaar die optreedt in burgerkleding is uitgezonderd van de verplichting tot het dragen van de wapenstok.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kan de korpschef de ambtenaar toestemming verlenen om van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk af te wijken.

Artikel 3

Het dragen of vervoeren van de aan de ambtenaar verstrekte wapens is buiten de uitoefening van de dienst slechts toegestaan ten behoeve van:

  • a. het verrichten van piketdienst of operationele dienst;

  • b. het volgen van een training of toetsing;

  • c. het deelnemen aan een competitie, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef;

  • d. de veiligheid van de ambtenaar of van burgers, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef.

Artikel 4

  • 1. De ambtenaar is verantwoordelijk voor het opbergen en in een inbraakwerende ruimte bewaren van de aan hem verstrekte wapens.

  • 2. Het is niet toegestaan om wapens onbeheerd in een voertuig achter te laten tenzij de wapens zijn opgeborgen in een hiervoor bestemd en beveiligd compartiment van een dienstvoertuig.

  • 3. Buiten diensttijd dient het vuurwapen te worden opgeborgen in de wapenkamer, een wapenkluis of op een andere door de korpschef voorgeschreven wijze.

  • 4. Het bewaren van wapens in de woning van de ambtenaar is slechts toegestaan ten behoeve van:

    • a. het verrichten van piketdienst of operationele dienst;

    • b. het volgen van een training of toetsing;

    • c. het deelnemen aan een competitie, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef;

    • d. de veiligheid van de ambtenaar of van burgers, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef.

Artikel 5

  • 1. De ambtenaar die is uitgerust met een vuurwapen is verantwoordelijk voor het regulier onderhoud van het vuurwapen zoals voorgeschreven in de bij het vuurwapen verstrekte instructie van de korpschef.

  • 2. Na de schiettraining of -toetsing dient de ambtenaar het vuurwapen zo spoedig mogelijk te reinigen en oliën conform de instructies, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien het vuurwapen aan bijzondere vervuiling is blootgesteld, dient de ambtenaar het ter inspectie aan de wapenkamerbeheerder aan te bieden.

  • 4. Het is de ambtenaar niet toegestaan om wijzigingen aan het vuurwapen aan te brengen.

  • 5. Bij een gebleken defect dient de ambtenaar het vuurwapen zo spoedig mogelijk voor inspectie aan de wapenkamerbeheerder aan te bieden.

  • 6. De ambtenaar dient het vuurwapen minimaal eenmaal per jaar ter inspectie aan te bieden aan de wapenkamerbeheerder.

Artikel 6

De Regeling beheer wapens en munitie politie wordt ingetrokken.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2015.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer wapens en munitie politie 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

TOELICHTING

Algemeen

Op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie zijn alle ambtenaren van politie, ongeacht of zij werkzaam zijn bij de politie dan wel de rijksrecherche, alsmede personeel van de Koninklijke marechaussee en andere delen van de krijgsmacht die deel uitmaken van de bijzondere bijstandseenheden gehouden tot inachtneming van de bij ministeriële regeling vast te stellen voorschriften omtrent het dragen, het onderhoud en het in een inbraakwerende ruimte bewaren van dienstwapens en -munitie. Voornoemd personeel wordt in deze toelichting aangeduid als: ambtenaren. Onder de Politiewet 1993, zoals die luidde voor 1 januari 2013, zijn dergelijke voorschriften voor ieder korps vastgesteld door de desbetreffende beheerder. Deze regelingen worden echter gekenmerkt door onderlinge verscheidenheid. Deze diversiteit van regimes verdraagt zich niet met de uitgangspunten van de Politiewet 2012. Met deze wet wordt immers waar mogelijk een landelijke uniformiteit nagestreefd.

Met de inwerkingtreding van de Regeling beheer wapens en munitie politie 2015 worden er regels vastgesteld die moeten zorgen voor een landelijk uniform beleid met betrekking tot het dragen, onderhoud en het in een inbraakwerende ruimte bewaren van wapens en munitie door ambtenaren van politie. Deze regeling vervangt de Regeling beheer wapens en munitie politie die was opgesteld ter overbrugging van de periode tussen de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 en het van kracht worden van een landelijke regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Bij de definitie van het begrip vervoer is aangesloten bij hetzelfde begrip in artikel 1, onder 9°, van de Wet wapens en munitie.

Bij de definitie van het begrip dragen is niet aangesloten bij hetzelfde begrip in artikel 1, onder 10°, van de Wet wapens en munitie. Onder dragen in de zin van die wet wordt verstaan het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer als bedoeld in artikel 1, onder 9°, van die wet bedoelde zin. Het dragen in de zin van deze regeling is ruimer en omvat ook het dragen in niet voor het publiek toegankelijke plaatsen, zoals woningen.

De ‘operationele dienst’ is gedefinieerd als de uitvoering van de politietaak waarbij publiekscontacten kunnen plaatsvinden. Hieronder wordt verstaan het uitvoeren van de politietaak op straat, maar ook bijvoorbeeld achter een balie of op ander voor publieke toegankelijke plaatsen zoals bij het dienstdoen in een gerechtsgebouw.

Artikel 2

Het niet dragen van alle rechtens toegekende geweldsmiddelen vergroot de kans dat een ambtenaar niet kan ingrijpen waar dit wel nodig is. Het uitgangspunt is dan ook dat alle ambtenaren, waaronder de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012 die op grond van artikel 7, zevende lid, van die wet de bevoegdheid heeft geweld te gebruiken, de volledige aan hun toegekende bewapening met munitie dienen te dragen tijdens de uitoefening van de operationele dienst. Er zijn echter situaties waarin het dragen van (de volledige) bewapening niet wenselijk is bijvoorbeeld vanwege de aard van de te verrichten werkzaamheden of vanwege de veiligheidsrisico’s die het dragen van wapens in sommige situaties kan opleveren. Derhalve geeft deze regeling aan de korpschef (of een bevoegd leidinggevende, namens de korpschef) de bevoegdheid om de ambtenaar toestemming te verlenen om af te mogen wijken van de algemene draagplicht.

Het vuurwapen dient in geladen toestand, met een patroon in de kamer, te worden gedragen zodat de ambtenaar in voorkomende gevallen snel en veilig zijn vuurwapen kan trekken en zo nodig ook direct kan afvuren. Het pistool mag uitsluitend worden gedragen in een goedgekeurd draagmiddel.

Ambtenaren die in burgerkleding optreden zijn niet verplicht tot het dragen van de korte wapenstok omdat de huidige wapenstok niet goed verdekt te dragen is. Als de politie in de toekomst overgaat op het invoeren van een uitschuifbare wapenstok, die makkelijker verdekt te dragen is, dan zal worden bezien of deze uitzondering kan komen te vervallen.

Artikel 3

De aan de ambtenaren toegekende wapens en munitie worden in beginsel alleen gedragen tijdens de uitoefening van de dienst. Buiten de dienst mogen de wapens alleen worden gedragen als er sprake is van een aan de dienst gerelateerde activiteit zoals het verrichten van een piketdienst, wanneer een detachering elders dit nodig maakt of het gaan volgen van een training of toetsing of het, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef, deelnemen aan een competitie zoals (inter)nationale schietwedstrijden.

Daarnaast kan de korpschef (of een bevoegd leidinggevende, namens de korpschef), in verband met de veiligheid van de ambtenaar, schriftelijk toestemming geven tot het dragen van (een deel van) de wapens buiten de dienst. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan situaties waarin de ambtenaar wordt bedreigd of andere situaties waarbij de veiligheid van de ambtenaar of van burgers in gevaar kan zijn.

Artikel 4

Indien de aan de ambtenaar toegekende wapens en munitie niet worden gedragen dan dienen deze zodanig te worden opgeborgen dat deze niet toegankelijk zijn voor of gebruikt kunnen worden door onbevoegden. Het vuurwapen en de munitie moeten in principe altijd in een wapenkamer of wapenkluis worden opgeborgen. Dit geldt ook voor het opbergen van het vuurwapen in de privéwoning. Indien er echter geen wapenkluis in de woning is gemonteerd dan mag het vuurwapen na toestemming van de korpschef worden opgeborgen op een andere door hem voorgeschreven wijze waarmee voorkomen wordt dat het vuurwapen gebruikt kan worden door onbevoegden.

Artikel 5

Goed en regelmatig onderhoud is essentieel voor een betrouwbare werking en een lange levensduur van het vuurwapen. De ambtenaar is zelf verantwoordelijk voor het regulier onderhoud van het vuurwapen conform de hiervoor geldende instructies. Het niet goed onderhouden van het vuurwapen kan er voor zorgen dat het vuurwapen in een levensbedreigende situatie niet goed functioneert.

Het aanbrengen van wijzigingen aan het vuurwapen, waaronder het polijsten of blank maken van onderdelen, is niet toegestaan omdat dit de werking van het mechanisme, en daarmee de betrouwbaarheid van het vuurwapen, kan beïnvloeden. Bij een gebleken defect of bij bijzondere vervuiling dient het vuurwapen te worden geïnspecteerd door een daartoe opgeleide wapenkamerbeheerder. Daarnaast dient de ambtenaar het vuurwapen minimaal één maal per jaar ter inspectie aan te bieden aan de wapenkamerbeheerder. Deze inspectie is bedoeld om slijtage aan onderdelen die de betrouwbare werking van het vuurwapen kunnen beïnvloeden tijdig te ontdekken zodat de desbetreffende onderdeel, of zo nodig het hele vuurwapen, tijdig kan worden vervangen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur