Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2015, 16752Vergunningen

Definitieve beschikking Wet Bescherming Antarctica, Rijkswaterstaat

De aanvraag

Op 11 februari 2015 heeft de heer S. Bokhorst een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet bescherming Antarctica ingediend voor het verrichten van handelingen in het Antarctisch gebied.

De handelingen bestaan uit het betreden van het Antarctisch gebied in het kader van wetenschappelijk onderzoek waarbij de effecten van klimaatopwarming worden vergeleken met de effecten van groeiende populaties van vertebraten langs de Antarctische kust. Het onderzoek betreft het 1) verzamelen van bodemorganismen en grond, 2) plaatsen van experimentele vakken en open klimaatkamers inclusief meetapparatuur, 3) bemesten van vegetatie in experimentele vakken. De vergunning wordt aangevraagd voor de periode 1 november 2015 tot en met 20 februari 2016.

Definitieve beschikking

De Staatssecretarissen van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken hebben op 18 juni 2015 de vergunning afgegeven. Deze beschikking is niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. Aan de vergunning zijn beperkende voorschriften verbonden ter bescherming van het Antarctisch gebied.

De bekendmaking van de vergunning heeft plaatsgevonden door toezending aan de aanvrager op 18 juni 2015.

Reageren

De vergunning ligt ter inzage van 19 juni 2015 tot en met 30 juli 2015 op het kantoor van Rijkswaterstaat Zee & Delta, Lange Kleiweg 34 te Rijswijk (Z.H.).

U kunt als belanghebbende tegen dit besluit beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt 6 weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voor­geschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat het indienen van een beroepschrift mogelijk is tot en met 30 juli 2015. Geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht op het ontwerp van het desbetreffende besluit.