Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 11506Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 29 april 2015, nr. IENM/BSK-2015/79216, tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen en enkele andere wijzigingen

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op richtlijn nr. 2014/103 van de Europese Commissie van 21 november 2014 tot derde aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU 2014, L 335), de artikelen 10a en 24 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De bijlage bij de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen wordt vervangen door bijlage I bij deze regeling.

ARTIKEL II

De Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘lid-staat’ vervangen door: lidstaat.

B

Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage II bij deze regeling.

C

Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2 vervalt.

2. In artikel 5, eerste en tweede lid, wordt ‘195 • 24’ vervangen door: 195 bij 24.

3. Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. Vervoerdocument

In geval het vervoer van gevaarlijke stoffen uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, is het toegestaan dat de documenten die op basis van het ADN verplicht aan boord moeten worden meegevoerd, uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

D

Tabel 1 behorende bij artikel 1 van bijlage 4 komt te luiden:

Tabel 1

Randnummer

Instanties

1.2.1 Monstername

ILT

1.2.1 Erkende veilige elektrische inrichting

ILT

1.2.1 Onderzoeksinstantie

ILT

1.3.3 Documentatie

ILT

1.2.1 Openingsdruk

ILT

1.5.3.1; 1.5.3.2; 1.6.7.2.2

ILT

1.8.1.1; 1.8.1.2

ILT

1.8.1.3

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

1.8.3.7; 1.8.3.8; 1.8.3.10; 1.8.3.14; 1.8.3.16

CBR

1.8.5.1

ILT

1.10.1.6

CBR

1.10.2.4, eerste volzin

ILT

1.10.3.2.2, Opmerking

politie

1.16.1.3

ILT

1.16.1.4.3

ILT

1.16.2

ILT

1.16.3

ILT

1.16.5

ILT

1.16.6

ILT

1.16.10

ILT

1.16.11

ILT

1.16.13

ILT

1.16.14

ILT

1.16.15

ILT

2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit in het Handboek beproevingen en criteria

TNO

2.2.1.1.3; Opmerking bij UN-nummer 0190

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan

2.2.1.1.7.2

TNO

2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.13

TNO

2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit in het Handboek beproevingen en criteria

TNO

2.2.52.1.8

TNO

2.2.62.1.9, Opmerking; 2.2.62.1.12

EZ of VWS

2.2.9.1.7

ILT

2.2.9.1.11, Opmerking 2 en 3

Minister

3.2.3.1, kolom 20, Extra eisen of Aantekeningen 12 p) en 12 q)

ILT

3.2.3.1, kolom 20, Extra eisen of Aantekeningen 28 b)

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

3.3.1, bijzondere bepaling 16 en 178

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan

3.3.1, bijzondere bepaling 181 en 237

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 239

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 266, 271, 272 en 278

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 283

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 288, 309 en 311

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 356

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 364

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 636, Opmerking

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 637

Minister

3.3.1, bijzondere bepaling 645

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 661

ILT

5.2.2.1.9, 5.4.1.2.1

TNO

7.1.4.7

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.1.4.77

ILT

7.1.4.8

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.1.4.9

ILT

7.1.4.16

ILT

7.1.5.1

ILT

7.1.5.4.2

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.1.5.4.3; 7.1.5.4.4; 7.1.5.5; 7.1.6.14 voor HA03

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.2.2.6

ILT

7.2.3.7.1; 7.2.3.7.3

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.2.4.2.1

ILT

7.2.4.2.2

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

7.2.4.7.1

In havens: havenmeester

Buiten havens HID-RWS

7.2.4.77

ILT

7.2.4.9; 7.2.4.10.1

ILT

7.2.3.7.2; 7.2.4.24; 7.2.5.4.2; 7.2.5.4.3; 7.2.5.4.4; 7.2.5.1

In havens: havenmeester

Buiten havens: HID-RWS

8.1.2.6; 8.1.2.7; 8.1.6.1; 8.1.6.2; 8.1.6.3; 8.1.7; 8.1.8.3; 8.1.8.7; 8.1.8.8; 8.1.8.9; 8.1.9.1

ILT

8.2.1.2; 8.2.1.3; 8.2.1.4; 8.2.1.5; 8.2.1.6; 8.2.1.7; 8.2.1.8

CBR

8.2.1.9; 8.2.1.10

ILT

8.2.2.6.1; 8.2.2.6.4; 8.2.2.6.5; 8.2.2.6.7; 8.2.2.7; 8.2.2.8

CBR

8.3.5

ILT

8.6.3

ILT

9.1.0.40.2.7; 9.2.0.94.4

ILT

9.3.1.50.2

ILT

9.3.2.12.7; 9.3.2.23.5; 9.3.2.50.2

ILT

9.3.3.12.7; 9.3.3.23.5; 9.3.3.50.2

ILT

9.3.4.1.4; 9.3.4.1.5

ILT

ARTIKEL III

De Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede onderdeel wordt ‘instantie,’ vervangen door: instantie, of.

2. In het derde onderdeel wordt ‘instantie, of’ vervangen door: instantie;.

3. Het vierde onderdeel vervalt.

B

Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage III bij deze regeling.

C

Bijlage 2, artikel 3, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 1.9.5.3 NE vervalt.

2. In onderdeel 4.3.3.4.3 NE, onderdeel a, wordt ‘afzender’ vervangen door: vuller.

3. Onderdeel 7.5.1.4 NE vervalt.

D

Tabel 1 behorende bij artikel 1 van bijlage 3 komt te luiden:

Tabel 1

Randnummer

Instanties

1.1.3.1 d)

brandweer of politie

1.3.3, eerste volzin

ILT

1.5.1.1

Minister

1.8.1.1, 1.8.1.2, 1.8.1.3, 1.8.1.4

ILT

1.8.2.2, 1.8.2.3

ILT

1.8.3.5

ILT

1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16

CBR

1.8.5.1

ILT

1.9.4

Minister

1.10.2.4, eerste volzin

ILT

1.10.3.2.2, Opmerking

politie

2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in

het Handboek beproevingen en criteria

TNO

2.2.1.1.3

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.1.1.7.2

TNO

2.2.1.1.8.1 en 2.2.1.1.8.2

TNO

2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in Het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13

2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8

TNO

2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12

EZ of VWS

2.2.9.1.7

ILT

2.2.9.1.11, Opmerking 2 en 3

Minister

   

3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 266, 271, 272 en 278

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 239 en 356

ILT

3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 311 en 364

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 376 en 636, Opmerking

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 637

Minister

3.3.1, bijzondere bepaling 645

TNO

4.1.1.15

ILT

4.1.4.1, P099, P200 (9), (10) v

ILT

4.1.4.1, P101

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P405 (2) b)

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P620, P650

EZ of VWS

4.1.4.2, IBC520, IBC02, B16

TNO

4.1.5.15, 4.1.5.18

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.7.2.2

TNO

4.1.8.7

EZ of VWS

4.1.10.4, MP21

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3

TNO

4.2.5.3, TP9

TNO

4.3.5, TU39

TNO

5.2.2.1.9

TNO

5.4.1.2.1

TNO of Defensie, laatgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

6.1.1.4

ILT

6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7

ILT

6.3.2.2

ILT

6.5.4.1

ILT

6.6.1.2

ILT

6.8.4, TA2

TNO

7.3.2.6.2

ILT

7.7

ILT

ARTIKEL IV

De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage IV bij deze regeling.

B

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Hoofdstuk I, artikel 3, onderdeel 8.2.1. N, komt te luiden:

8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder

Randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:

  • a. op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit personeel veiligheidsregio’s aanwezig is, en

  • b. het met diploma behaalde veiligheidsniveau van dit personeel is gewaarborgd.

2. In hoofdstuk II, artikel 1, tweede lid, vervalt: , behoudens de in de artikelen 4 tot en met 7 van die bijlage genoemde uitzonderingen voor vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.

3. Hoofdstuk II, artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • a. De onderdelen f tot en met l worden geletterd h tot en met n.

  • b. Er worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • f. de Sluiskiltunnel, gelegen in de N62 bij Terneuzen;

  • g. Salland-Twentetunnel, gelegen in de N35 te Hellendoorn;.

4. Tabel 1 behorende bij artikel 4 van hoofdstuk II komt te luiden:

Tabel 1

Klasse

Vervoer in tanks

Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6

1

Alle stoffen

Alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 met uitzondering van de stoffen en voorwerpen genoemd onder subklasse 1.4

2

Alle brandbare en/of giftige gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is voorgeschreven

 

4.1

 

Zelfontledende stoffen met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven

4.2

Stoffen van verpakkingsgroep I

 

4.3

Alle stoffen

 

5.2

 

Organische peroxides met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 5.2 en 1 is voorgeschreven

6.1

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1

 

8

De stoffen met de volgende UN-nummers: 1829, 2240, 2502 en 2817

UN-nummer 2502

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

 

5. In hoofdstuk II, artikel 5, vervalt: alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.

6. Hoofdstuk II, artikel 6, wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. vuurwerk te vervoeren boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1.

b. In de aanhef van het tweede lid vervalt: en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.

7. Tabel 2 behorende bij artikel 7 van hoofdstuk II komt te luiden:

Tabel 2

Klasse

Vervoer in tanks

Losgestort vervoer

Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6

1

Alle stoffen

 

Alle stoffen

2

Alle brandbare en/of giftige gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is voorgeschreven.

 

Alle brandbare gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 is voorgeschreven.

3

Stoffen met bijkomend gevaarsetiket 6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II.

 

Stoffen met bijkomend gevaarsetiket 6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II.

4.1

   

Zelfontledende stoffen met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven.

4.2

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

4.3

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

5.2

Alle stoffen

 

Alle stoffen

6.1

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1.

 

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.1.2 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1

6.2

UN-nummers 2814, 2900

 

UN-nummers 2814, 2900

8

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

Lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

 

C

Tabel 1 behorende bij artikel 1 van bijlage 3 komt te luiden:

Tabel 1

Randnummer

Instanties

1.1.3.1 d)

brandweer of politie

1.3.3 , eerste volzin

ILT

1.4.2.2.4

ILT

1.5.1.1

Minister

1.6.3.44

RDW

1.8.1.1, 1.8.1.2. 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3, 1.8.3.5, 1.8.5.1

ILT

1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16

CBR

1.9.4

Minister

1.9.5.1

Minister

1.10.1.6

CBR

1.10.2.4, eerste volzin

ILT

1.10.3.2.2, Opmerking

Politie

2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria

TNO

2.2.1.1.3

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.1.1.7.2

TNO

2.2.1.1.8.1 en 2.2.1.1.8.2

TNO

2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8

TNO

2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12

EZ of VWS

2.2.9.1.7

ILT

2.2.9.1.11, Opmerking 2 en 3

Minister

3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

3.3.1, bijzondere bepalingen 181 en 237

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 239

ILT

3.3.1, bijzondere bepalingen 266, 271, 272 en 278

TNO

3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 311

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 356

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 364

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 376

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 636, Opmerking

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 637

Minister

3.3.1, bijzondere bepaling 645

TNO

4.1.1.15

ILT

4.1.4.1, P099

ILT

4.1.4.1, P101

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P200 (9), 10v

ILT

4.1.4.1, P405 (2) b)

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P620, P650

EZ of VWS

4.1.4.2, IBC520, IBC02, B16

TNO

4.1.5.15, 4.1.5.18

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.7.2.2

TNO

4.1.8.7

EZ of VWS

4.1.10.4, MP21

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.2.1.7

RDW

4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3

TNO

4.2.5.3, TP9

TNO

4.2.5.3, TP10

RDW

4.3.5, TU39, TU41

TNO

5.2.2.1.9

TNO

5.4.1.2.1

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

6.1.1.4

ILT

6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7

ILT

6.3.2.2

ILT

Alle randnummers in hoofdstuk 6.4

EZ

6.5.4.1

ILT

6.6.1.2

ILT

6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b), 6.7.4.14.10

RDW

6.7.4.14.11

ILT

6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1

RDW

6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

RDW

6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19, 6.8.2.1.20, 6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2, 6.8.2.2.10

RDW

6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.4.1 voetnoot 10, 6.8.2.4.2 voetnoot 10, 6.8.2.4.5

RDW

6.8.2.7, 6.8.3.7

ILT

6.8.4 TA2

TNO

6.8.4 TT11

RDW

6.9.1.1

ILT

6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1

RDW

6.11.4.4

RDW

6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2

RDW

7.3.2.6.2 d)

ILT

7.3.3.1, VC3

RDW

7.5.11 CV1

Burgemeester

7.5.2.2 voetnoot a)

RDW

8.1.4.4

V&J

8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.5, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.2, 8.2.2.8.4

CBR

8.5 S1 (4)

Burgemeester

9.1.2, 9.1.3

RDW

D

Bijlage 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. directeur:

Algemeen Directeur van de RDW;

b. EN:

Europese norm vastgesteld door de Europese commissie voor normalisatie (CEN);

c. IEC:

Internationaal Electrotechnical Commission;

d. ISO:

Internationale norm vastgesteld door de International Organization for Standardization;

e. RDW:

Dienst Wegverkeer;

f. rn:

randnummer in de zin van de bijlagen 1 en 2;

g. voertuig:

ingevolge rn. 9.1.2.1 van de VLG keuringsplichtig voertuig of voertuigcombinatie;

h. VT:

Divisie voertuigtechniek van de RDW;

i. TTV:

Afdeling Toelating en Toezicht Voertuigen, Productbeoordeling zwaar.

2. In artikel 2 vervalt: EN 10204:2004: Producten van metaal – Soorten keuringsdocumenten;.

3. In artikel 3, eerste, tweede en derde lid, vervalt ‘, tanks en tankcontainers’.

4. Artikel 4 vervalt.

5. Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de VT waaronder de ondernemer ressorteert.

6. De artikelen 6, 11 en 14 vervallen.

7. Artikel 15, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Tanks mogen scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.

8. De artikelen 16 tot en met 18 vervallen.

9. In artikel 20 vervallen onder vernummering van het zesde lid tot vierde lid het vierde en vijfde lid.

10. Hoofdstuk II, paragraaf 4, de artikelen 23 en 24, paragraaf 5, en hoofdstuk III vervallen.

11. Artikel 43 komt te luiden:

Artikel 43

Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.

12. Hoofdstuk IV, de artikelen 44 tot en met 46, hoofdstuk V, paragraaf 2, en hoofdstuk VI, artikel 52, vervallen.

13. In artikel 53, eerste lid, aanhef, vervalt: , onverminderd het bepaalde in artikel 52,.

14. Hoofdstuk VI, artikel 54, de hoofdstukken VII en VIII en hoofdstuk IX, de artikelen 74 tot en met 76, vervallen.

15. Artikel 77 komt te luiden:

Artikel 77

Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.

16. In artikel 78, aanhef, vervalt: of proefpersing.

17. In artikel 79, eerste lid, wordt ‘onder artikel 77, tweede lid,’ vervangen door: in artikel 77.

18. Hoofdstuk IX, de artikelen 81, 82 en 84 en de paragrafen 3 en 4 vervallen.

19. In artikel 94, eerste en tweede lid, wordt ‘IKS’ vervangen door: TTV.

20. Hoofdstuk IX, paragraaf 6, vervalt.

21. Aanhangsel 1 vervalt.

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III en IV, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

BIJLAGE I BEHOREND BIJ ARTIKEL I

Bijlage behorend bij artikel 2, tweede lid, onder a en b, van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen

Tabel 1. Randnummers in het ADN

3.2.3, Toelichting colom 20, Extra eisen of Aantekeningen nr. 33, constructievoorschriften i.2

7.2.3.7.6

9.1.0.40.2.7

9.3.1.23.1

Tabel 2. Randnummers in het ADR

1.6.2.12

3.3.1, bijzondere bepaling 371(2)

3.3.1, bijzondere bepaling 662

4.1.2.2.b)

4.1.3.6.2

4.1.4.1, P200 (13), P201(1)

4.1.4.1, P601 (3g)

4.1.4.1, P902, P905

4.1.4.2, IBC99

4.1.4.3, LP99 en LP902

4.1.6.14

4.2.1.7, 4.2.1.9.1

4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1

4.2.5.3 TP10, TP16, TP24, TP41

4.3.2.1.5, voetnoot 2

4.3.3.2.5

6.1.3.1 g), 6.1.3.7, 6.1.3.8 i)

6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.8, 6.1.5.1.10

6.2.1.3.6.5.4, 6.2.1.4.1, 6.2.1.5.1 opmerking, 6.2.2.5.2.1, 6.2.2.5.2.2

6.2.2.5.3.2, 6.2.2.5.3.3, 6.2.2.5.4.1, 6.2.2.5.4.2, 6.2.2.5.4.4, 6.2.2.5.4.5

6.2.2.5.4.6, 6.2.2.5.4.8, 6.2.2.5.4.9, 6.2.2.6.2.1, 6.2.2.6.2.2, 6.2.2.6.4.3

6.2.2.7.8, 6.2.2.9.2 h), 6.2.3.5.1, 6.2.3.6.1, 6.2.3.11.2, 6.2.3.11.4

6.2.5.4.2, 6.2.6.3.2, 6.2.6.3.3 a) en b)

6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1, 6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8

6.5.1.1.3

6.5.4.4.1, 6.5.4.4.4, 6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3

6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8

6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14, 6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1

6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1

6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.4, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10

6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1,

6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10

6.7.4.1, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1,

6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b)

6.7.4.14.10

6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1, 6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19, 6.8.2.1.20, 6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2

6.8.2.2.10

6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.3.4, 6.8.2.4.1 voetnoot 10, 6.8.2.4.2 voetnoot

10, 6.8.2.4.5 (als erkend deskundige)

6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4, 6.8.3.4.6, 6.8.3.4.7, 6.8.3.4.11, voetnoot 10

6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16

6.8.4 TT2, 6.8.4 TT7, 6.8.5.2.2

6.9.2.1, 6.9.2.5, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1

6.9.5.3,

6.11.4.4, 6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2, 6.12.3.2.6, 6.12.5

7.5.2.2a)

Tabel 3. Randnummers in het RID

1.6.2.12

3.3.1, bijzondere bepaling 371(2)

3.3.1, bijzondere bepaling 662

4.1.2.2.b), 4.1.3.6.2

4.1.4.1, P 200 (13), P201(1)

4.1.4.1, P601 (3) g)

4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905

4.1.4.2, IBC99, 4.1.4.3, LP99

4.1.4.3 LP902

4.1.6.14

4.2.1.7, 4.2.1.9.1

4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1

4.2.5.3 TP10, TP16, TP24, TP41

4.3.2.1.5, voetnoot 2

4.3.3.2.5

6.1.3.1 g), 6.1.3.7, 6.1.3.8 i)

6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.8, 6.1.5.1.10

6.2.1.3.6.5.4, 6.2.1.4.1, 6.2.1.5.1 opmerking, 6.2.2.5.2.1, 6.2.2.5.2.2

6.2.2.5.3.2, 6.2.2.5.3.3, 6.2.2.5.4.1, 6.2.2.5.4.2, 6.2.2.5.4.4, 6.2.2.5.4.5, 6.2.2.5.4.6, 6.2.2.5.4.8, 6.2.2.5.4.9, 6.2.2.6.2.1, 6.2.2.6.2.2, 6.2.2.6.4.3, 6.2.2.7.8, 6.2.2.9.2 h), 6.2.3.5.1, 6.2.3.6.1, 6.2.3.11.2, 6.2.3.11.4, 6.2.5.4.2

6.2.6.3.2, 6.2.6.3.3 a) en b)

6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1, 6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8

6.5.1.1.3

6.5.4.4.1, 6.5.4.4.4, 6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3

6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8

6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14

6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1

6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1,

6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.4, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10

6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1

6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.1, 6.7.4.2.1,

6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4

6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b), 6.7.4.14.10

6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1

6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

6.8.2.1.2, 6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19, 6.8.2.1.20, 6.8.2.1.23

6.8.2.1.29

6.8.2.2.2, 6.8.2.2.10

6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.3.4, 6.8.2.4.1 voetnoot 12, 6.8.2.4.2, voetnoot 12

6.8.2.4.5 (als erkend deskundige)

6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4, 6.8.3.4.6, 6.8.3.4.7, 6.8.3.4.11 voetnoot 6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16

6.8.4, TT2, TT7

6.8.5.2.2

6.9.2.1, 6.9.2.5, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1

6.9.5.3

6.11.4.4

7.3.3.1, VC3

7.5.2.2 voetnoot a)

BIJLAGE II BEHOREND BIJ ARTIKEL II, ONDERDEEL B

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de Regeling van 29 april 2015 tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen en enkele andere wijzigingen.

BIJLAGE III BEHOREND BIJ ARTIKEL III, ONDERDEEL B

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de Regeling van 29 april 2015 tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen en enkele andere wijzigingen.

BIJLAGE IV BEHOREND BIJ ARTIKEL IV, ONDERDEEL A

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de Regeling van 29 april 2015 tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen en enkele andere wijzigingen.

TOELICHTING

Hoofdstuk 1. Inleiding

Deze regeling strekt in de eerste plaats tot wijziging van vier ministeriële regelingen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (ADR), over de binnenwateren (ADN) en over de spoorweg (RID). Het gaat om de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG), de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen.

De onderhavige regeling strekt daarnaast tot implementatie van richtlijn nr. 2014/103 van de Europese Commissie van 21 november 2014 tot derde aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 335).

Deze regeling strekt ten slotte tot enkele wijzigingen in VLG, VBG en VSG. Het betreft daarbij in hoofdzaak het schrappen van bestaande bepalingen.

Hoofdstuk 2. Hoofdlijnen regeling en verhouding tot bestaande regelgeving

§ 2.1 Algemeen

De wijzigingen van de hiervoor genoemde regelingen houden onder meer verband met de per december 2012 vastgestelde wijzigingen van de mondiale VN-aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt een harmonisatie van voorschriften voor de verschillende transportmodaliteiten bereikt.

Belangrijke wijzigingen die voor de verschillende vervoersmodaliteiten gemeenschappelijk gelden betreffen:

Praktische afvoer van afgedankte verpakkingen

Een nieuw UN-nummer 3509 is gecreëerd voor ongereinigde lege verpakkingen en verpakkingsrestanten, met diverse gevaren en bestemd als afval. Voor dit afval is in Europa een praktische maar tevens veilige wijze van vervoer geregeld. Tot dusver werden bestaande voorschriften voor afvoer van deze afgedankte verpakkingen als moeilijk uitvoerbaar aangemerkt.

Viskeuze mengsels

De regels in het RID, ADR en ADN voor classificatie van viskeuze stoffen zoals verven en lakken in verpakkingsgroep III zijn in lijn gebracht met de mondiale VN-aanbevelingen. Dit betekent dat alleen voor houders tot 450 liter nog gebruik gemaakt kan worden van de relaxatie van indeling in verpakkingsgroep III.

Lithiumbatterijen

De voorschriften voor het vervoer van lithiumbatterijen zijn in lijn gebracht met de VN-Aanbevelingen. Toch blijft een praktische Europese inzamelingsregeling bestaan voor gebruikte lithiumbatterijen, zonder dat de lithiumbatterijen individueel hoeven te worden beschermd tegen kortsluiting.

Vereenvoudiging voorschriften voor vervoer als losgestort goed

De voorschriften voor vervoer van stoffen losgestort in een wagen of container zijn aanmerkelijk vereenvoudigd. Deze vereenvoudiging is mogelijk door het gebruik van kleine containers toe te laten als grote containers zijn toegestaan en gesloten voertuigen toe te laten als gesloten containers zijn toegestaan.

Gascilinders in vliegtuigen of op schepen

Bepaalde gascilinders (o.a. in de VS gekeurde gascilinders) die worden gebruikt in vliegtuigen of aan boord van schepen, voldoen niet aan alle eisen uit het RID, ADR en ADN. Om vervoer over land naar een vul- of inspectieplaats toch mogelijk te maken is een voorziening getroffen in het RID, ADR en ADN.

Keuringsinterval voor gascilinders

In navolging van de bestaande mogelijkheid voor LPG-gasflessen wordt in Europa toegestaan dat ook voor andere gasflessen de keuringsinterval van 10 jaar onder voorwaarden wordt uitgebreid naar 15 jaar.

Gezien de omvang van de wijzigingen van de technische voorschriften zoals opgenomen in de bijlagen II, III en IV bij deze regeling en de beperkte doelgroep van deze voorschriften is er voor gekozen deze niet in de Staatscourant te publiceren. Bekendmaking vindt plaats door terinzagelegging in de bibliotheek van de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ook zijn de bijlagen te raadplegen via de internetsite www.rijksoverheid.nl.

§ 2.2 Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen

Vervoer van vloeibaar aardgas

Vanaf 2015 is het vervoer van vloeibaar aardgas (Liquified Natural Gas, LNG) per binnenvaartschip toegelaten. Hieraan zijn diverse eisen gesteld zoals de maximale reisduur van het schip na belading en de technische uitrusting.

Vluchtwegen

De voorschriften voor het hebben van vluchtwegen op schepen zijn uitgebreid en gespecificeerd. De nieuwe voorschriften bevatten diverse nauwkeurig beschreven alternatieven aan vluchtwegen. Dit systeem biedt de bemanning van schepen een basisveiligheid voor het geval dat er een calamiteit plaatsvindt en zij snel het schip wil verlaten. Daarnaast biedt de nieuwe opzet het bedrijfsleven ook een bepaalde mate van flexibiliteit om de vluchtwegen af te stemmen op de lokale situatie.

Vervoer van steenkool

Aan het einde van 2011 vonden er op de Rijn in Duitsland enkele incidenten plaats waarbij steenkool, vervoerd in bulk in open binnenvaartschepen, tot zelfontbranding kwam. Op basis van verschillende testen is in internationaal overleg bepaald dat steenkolen in de binnenvaart moet worden behandeld als gevaarlijke stof. Aangezien het gevaar relatief beperkt is, blijft het vervoer in open binnenvaartschepen onder voorwaarden mogelijk.

§ 2.3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen

Overgangsbepalingen voor oude reservoirwagens (tankwagons) voor gas

Gaswagens gebouwd voor 1 oktober 1978 die niet geheel voldoen aan de wanddikte-eisen van het RID, worden uitgefaseerd. Voor deze oude gaswagens gold een algemene overgangsbepaling waardoor deze voor onbepaalde tijd verder konden worden gebruikt zonder aan de eisen betreffende de wanddikte te voldoen.

Vervoer van steenkool

Steenkool kan in bepaalde gevallen worden aangemerkt als een gevaarlijke stof, zo is gebleken uit testen die in Duitsland zijn uitgevoerd. Deze testen zijn uitgevoerd na een aantal ongevallen in Duitsland. Een modus is gevonden om het vervoer enerzijds veilig (d.w.z. zonder gevaar voor zelfontbranding) en anderzijds op een zo praktisch mogelijke manier te laten plaatsvinden. Vervoer op open wagens blijft mogelijk. Als de ladingtemperatuur bij of na beladen aantoonbaar niet boven de 60 graden Celsius uitkomt, dan hoeft aan overige voorschriften van het RID niet te worden voldaan.

Harmonisering tussen RID en Annex 2 van SMGS

In bepaalde Oost-Europese landen gelden zowel de voorschriften van RID als die van bijlage II van de SMGS (Overeenkomst betreffende het internationale goederenvervoer per spoor), met het oog op vervoer van en naar Rusland en ander landen. Verschillen in voorschriften belemmeren het vervoer tussen Europa en Rusland, China. Een aantal aanpassingen wordt in het RID gedaan om belemmeringen van vervoer weg te nemen.

§ 2.4 Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Inhoudelijk is een groot aantal verduidelijkingen in de tekst doorgevoerd en zijn verwijzingen naar inmiddels gewijzigde normen geactualiseerd. Voorts is een aantal nieuwe, in VN-kader, vastgestelde stoffen opgenomen in de stoffenlijst van bijlage 1. Ook is er op een aantal punten nieuwe regelgeving opgenomen, bijvoorbeeld voor voorzieningen voor de toevoeging van additieven op tankwagens, het vervoer van lampen die gevaarlijke stoffen bevatten, verpakking van afvallithiumbatterijen en het vervoer van ongereinigde verpakkingen. Voorts is ook de mogelijkheid geboden om bij de periodieke testen de conventionele hydraulische drukproef van bepaalde LPG-tanks te vervangen door alternatief, bijvoorbeeld ultrasoon, onderzoek. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een aantal EN-ISO normen.

Met de invoering van specifieke EN-normen in het ADR sinds 2009, mag LNG alleen over de weg worden vervoerd in vacuümgeïsoleerde, dubbelwandige tanks en niet in schuimgeïsoleerde enkelwandige tanks. Voor oudere tanks is al voorzien in overgangsbepalingen in hoofdstuk 1.6 van het ADR.

Hoofdstuk 3. Gevolgen

De wijzigingen in de VBG, de VLG, de VSG en de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen houden verband met de wijzigingen van de internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze wijzigingen vinden tweejaarlijks plaats. In die tweejaarlijkse periode komen de wijzigingen tot stand in internationaal verband en in nauwe samenwerking met de verschillende vervoersbranches. In internationaal verband worden in algemene termen de handhaafbaarheid, veiligheid en haalbaarheid van de verschillende wijzigingen onderzocht en voorgelegd aan de partijen. Deze bevindingen zijn meegenomen in de totstandkoming van de wijzigingen. De branches zijn daarmee op de hoogte van de eventuele gevolgen die de wijzigingen voor de afzonderlijke sectoren met zich meebrengen en hebben daarmee ook ingestemd. Met de wijzigingen wordt voldaan aan de verplichte implementatie die op grond van de afzonderlijke verdragen is voorgeschreven. Met de wijzigingen worden enerzijds versoepelingen aangebracht naar aanleiding van in de praktijk gesignaleerde problemen door vervoerders in de toepassing van de regels. Anderzijds heeft het op een aantal onderwerpen geleid tot een aanscherping. In algemene zin kan worden opgemerkt dat de wijzigingen geen nieuwe informatieverplichtingen met zich meebrengen zodat de lasten daarvan niet toenemen of tenminste gelijk zullen blijven.

Hoofdstuk 4. Inwerkingtreding

De onderhavige regeling is niet twee maanden voor de inwerkingtreding gepubliceerd in de Staatscourant. Daarnaast is de regeling niet in werking getreden op een vast verandermoment. Omdat sprake is van implementatie van internationale voorschriften en de doelgroep van de regeling baat heeft bij een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de regeling, is met gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheden die Aanwijzing 174, vierde lid, onder a en d, van de Aanwijzingen voor de regelgeving daarvoor biedt, afgeweken van het stelsel van vaste verandermomenten.

Hoofdstuk 5. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (Wijziging Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen)

In de tabellen behorende bij de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen zijn bepaalde randnummers uit het ADR, het ADN en het RID opgenomen ten aanzien waarvan een instantie door de Minister als erkende instantie kan worden aangewezen. De tabellen zijn aangepast aan de tweejaarlijkse revisie van ADR, ADN en RID.

Artikel II (Wijziging VBG)

Onderdeel B

In verband met de internationale wijzigingen is bijlage 1 opnieuw vastgesteld.

Onderdeel C

Artikel 2 van bijlage 3 is geschrapt omdat in het ADN zelf inmiddels een voorschrift is opgenomen dat hetzelfde doel dient.

Onderdeel D

De wijzigingen in tabel 1 van bijlage 4 houden verband met de wijzigingen in het ADN.

Artikel III (Wijziging VSG)

Onderdeel A

De bevoegdheid inzake handelingen met betrekking tot radioactieve materialen berust niet langer bij de Minister van Economische Zaken, maar is overgedragen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. In verband hiermee is de aanwijzing van de Minister van Economische Zaken als bevoegde autoriteit voor radioactieve stoffen geschrapt.

Onderdeel B

In verband met de internationale wijzigingen is bijlage 1 opnieuw vastgesteld.

Onderdeel C

De fysieke beveiliging van kernmateriaal is thans geregeld in de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen. Om verschillen en strijdigheden tussen voornoemde regeling en de NE-bepaling 1.9.5.3 in bijlage 2 te voorkomen, is deze bepaling vervallen. De Minister van Infrastructuur en Milieu is op basis van de Kernenergiewet verantwoordelijk voor het vervoer van radio-actieve stoffen en heeft voor het vervoer van kernmateriaal – ter uitvoering van het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal – regels gesteld in voornoemde regeling. Tevens kunnen nadere regels gesteld worden op basis van een vervoersvergunning.

De controleplicht bedoeld in de NE-bepaling 4.3.3.4.3 in bijlage 2, behoort volgens het RID niet bij de afzender van de gassen, maar bij de vuller van de in de bepaling bedoelde reservoirs. Om die reden is de NE-bepaling in lijn gebracht met het RID.

De NE-bepaling 7.5.1.4 is vervallen omdat deze bepaling op gespannen voet stond met randnummer 7.5.1.4 van het RID. Volgens het RID moeten van klasse 1 uitsluitend de stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep L als wagenlading worden vervoerd. Volgens bijlage 2 van de VSG moeten alle stoffen en voorwerpen van klasse 1 als wagenlading of gesloten lading worden vervoerd, behalve categorie 1.4S.

Onderdeel D

De wijzigingen in tabel 1 van bijlage 3 houden verband met de wijzigingen in het RID.

Artikel IV (Wijziging VLG)

Onderdeel A

In verband met de internationale wijzigingen is bijlage 1 opnieuw vastgesteld.

Onderdeel B

De wijziging van de N-bepaling 8.1.2 in hoofdstuk I van bijlage 2 houdt verband met het vervallen van de Regeling houdende vrijstelling ten behoeve van het vervoer over de weg van ondergrondse opslagtanks, leeg en ongereinigd van benzine, dieselolie, gasolie of stookolie, (Stcrt.1994 nr. 71) waar in de bepaling naar werd verwezen.

De wijzigingen in de artikelen 1 en 4 tot en met 7 van hoofdstuk II van bijlage II houden verband met het schrappen van de eisen die waren opgenomen ten aanzien van het vervoer van vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram. Inmiddels is een betere en betrouwbaarder classificatie van dit consumentenvoorwerk tot stand gekomen. Daardoor kan – anders dan voorheen – ervan uitgegaan worden dat de betreffende verpakkingen ook daadwerkelijk consumentenvuurwerk bevatten en niet een andere explosieve stof. Om die reden kan de bijzondere behandeling van de UN-nummers 0336 en 0337 met een netto explosieve massa van meer dan 20 kg vervallen.

Aan artikel 3 van hoofdstuk II van bijlage 2 zijn twee tunnels toegevoegd. Het gaat om de Sluiskiltunnel bij de gemeente Terneuzen, onder het kanaal van Gent naar Terneuzen, en de Salland-Twentetunnel in de gemeente Hellendoorn. Voor beide tunnels is een categorie C vastgesteld.

De categorisering is het resultaat van de toepassing van het afwegingskader voor tunnelcategorisering dat is opgenomen in de Circulaire vervoer gevaarlijke stoffen door wegtunnels (Stcrt. 7028, van 15 maart 2013, hierna: de circulaire). Daarin is het uitgangspunt opgenomen dat het vervoer van gevaarlijke stoffen zo min mogelijk wordt beperkt. Voorts is in de circulaire aangegeven dat de indeling in een tunnelcategorie plaatsvindt aan de hand van de criteria die hiervoor zijn opgenomen in bijlage 1 bij de VLG (het ADR, randnummer 1.9.5.2.1). Daarmee dient een afweging plaats te vinden op basis van kenmerkende eigenschappen van de tunnel. Voorts is in het ADR opgenomen de beoordeling van de risico’s met inbegrip van de beschikbaarheid en geschiktheid van alternatieve routes en de wijzen van vervoer en, tenslotte, overwegingen met betrekking tot het regelen van het verkeer.

Als kenmerkende eigenschap van de Sluiskiltunnel geldt dat het een oeverbinding vormt. Gelet op zijn functie voor het doorgaande verkeer wordt deze als essentiële oeververbinding gezien. Ten aanzien van de beschikbaarheid van alternatieven en regelen van het verkeer geldt dat het deel van de N62 waarin de tunnel gelegen is geen onderdeel vormt van een doorgaande route voor gevaarlijke stoffen. Ook voor meer lokale bestemmingen van het vervoer van gevaarlijke stoffen is de tunnel niet noodzakelijk. Er is namelijk een alternatieve route beschikbaar (de Sluiskilbrug) en er is, buiten die route, een geschikte omleidingsroutes aanwezig, namelijk de brug bij Sas van Gent. In dat verband is relevant dat de Sluiskilbrug in de N61, juist ten noorden van de tunnel zijn functie behoudt en onderdeel vormt van een gevaarlijke stoffen route. Als alternatieve route voor stoffen waarbij vervoer door de tunnel niet is toegestaan op basis van de keuze voor categorie C, kan de bestaande brug derhalve dienst doen, waarbij als achtervang de brug via Sas van Gent nog beschikbaar is. Dit betekent dat het tunnelregime kan aansluiten bij de keuze voor de routering van gevaarlijke stoffen, waarbij een keuze voor categorie C in de rede ligt. Of het wegvak waarin de tunnel gelegen is onderdeel vormt van het basisnet weg is hier niet relevant omdat de tunnel als essentiële oeververbinding geldt: overeenkomstig de circulaire is dan een categorie C van toepassing.

De Commissie Transport Gevaarlijke Goederen (CTGG), waarin een groot aantal betrokkenen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen verenigd is, heeft per brief aangegeven in te stemmen met het de toekenning van een categorie C aan de Sluiskiltunnel. Als voorwaarde stelt men dat zorggedragen wordt voor een goed en tijdig onderhoud van de Sluiskilbrug en de brug bij Sas van Gent en dat de bestaande omleidingsroutes in de toekomst gegarandeerd blijven. Indien de omstandigheden structureel wijzigen kan dit aanleiding zijn tot heroverweging van de categorisering van de Sluiskiltunnel.

Zoals aangegeven wordt met de onderhavige regeling de Salland-Twentetunnel ingedeeld in de categorie C. Dit eveneens op basis van het afwegingskader voor tunnelcategorisering dat is opgenomen in de circulaire. De drie genoemde punten die ontleend zijn aan het ADR zijn in zoverre relevant dat er bij de N35 geen sprake is van een doorgaande route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gelet op artikel 19 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is de doorkruising van de bebouwde kom van Mariënheem hiervoor de belangrijkste belemmering. De N35, waarin de tunnel is gelegen, wordt geen geschikte route geacht voor het interlokale vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor dat doorgaande vervoer is een alternatief aanwezig, namelijk de A1, de A50 en de A28. Dit alternatief wordt thans ook gebruikt. Dit maakt dat het openstellen van de tunnel voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen niet noodzakelijk is.

Dit betekent dat overwegingen met betrekking tot het regelen van het verkeer alleen relevantie hebben voor het locale verkeer, ofwel bestemmingverkeer. In dat verband geldt dat stoffen die opgenomen zijn in tabel 1 van bijlage 2 van de VLG, onderworpen zijn aan gemeentelijke routering. Het ligt daarbij binnen de gemeentelijke competentie en de mogelijkheden van de gemeente om lokaal alternatieve routes aan te wijzen. Dit is ook de huidige praktijk. Zowel de gemeente Hellendoorn, waarin bij de kern Nijverdal de Salland-Twentetunnel ligt, als de aangrenzende gemeente Raalte hebben aangegeven een voorkeur te hebben voor een indeling in tunnelcategorie C. Men ziet daarbij voldoende alternatieve routes, zonder voor de betreffende stoffen gebruik te willen laten maken van vervoer door de tunnel. Bij de alternatieve routes gaat het daarbij in de eerste plaats om de routes gevaarlijke stoffen. Zowel de gemeentelijk Hellendoorn als de gemeente Raalte hebben dergelijke routes aangewezen. Deze routes zijn toegankelijk voor vervoer dat juist belemmerd wordt door een indeling van de tunnel in categorie C. In de tweede plaats gaat het daarbij om de mogelijkheid van gemeenten om voor de betreffende stoffen ontheffingen te verlenen voor vervoer buiten die routes. Daarmee zijn er alternatieven aanwezig en behoeft de tunnel, gegeven de genoemde voorkeur van de betrokken gemeenten niet belast te worden met het vervoer van stoffen dat via de gemeentelijke routering of ontheffingen wordt geleid.

Het belangrijkste criterium in het ADR is dat een beoordeling van de risico’s met inbegrip van de beschikbaarheid en geschiktheid van alternatieve routes dient plaats te vinden. Kenmerk van dit onderdeel uit het ADR is dat het gaat om een afweging. Aan de ene kant betreft dit het in beginsel toegankelijk maken van de tunnel voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Aan de andere kant gaat het om de gevaarzetting en de aanwezigheid van alternatieven. Zoals in het bovenstaande is aangegeven zijn er alternatieven aanwezig voor het vervoer van stoffen die bij indeling van de tunnel in de categorie C geen toegang tot die tunnel hebben. Daarmee weegt het risico zwaarder dan het uitgangspunt om het vervoer door de tunnel te faciliteren.

Zowel het vervoer door de tunnel van brandbare gassen als de stoffen die aangemerkt worden als giftig bij inhalatie vallen onder de gemeentelijke routering. Het vervoer van die stoffen door tunnels die in de categorie C ingedeeld zijn is verboden, zij het dat er een deels verschillende indeling gehanteerd wordt. Zo bezien sluit een indeling van de Salland-Twentetunnel in de categorie C het meest aan bij de gemeentelijke routering. Benzine en diesel zijn bijvoorbeeld niet routeplichting ingevolge tabel 1 van bijlage 2 bij de VLG en evenmin onderhevig aan beperkingen bij een categorie C tunnel. Het ontheffingenbeleid van de gemeenten Hellendoorn en Raalte is voorts zodanig dat de relevante stoffen niet bij de tunnel kunnen geraken. Dit betekent dat, beschouwd vanuit een meer lokale invalshoek, een indeling in een categorie C voor de hand ligt.

De specifieke regels waar in de circulaire sprake van is hebben alle betrekking op de indeling van tunnels op een gevaarlijke stoffenroute. Uit het bovenstaande blijkt dat voor de Salland-Twentetunnel geen sprake is van een dergelijke route. Daarbij geldt dat het wegdeel tussen Nijverdal en Raalte ook geen onderdeel vormt van het zogeheten basisnet, en ook in die context niet als gevaarlijke stoffenroute is aangemerkt. De specifieke regels zijn hier derhalve niet ter zake doend.

In oktober 2014 is overleg gevoerd met landelijke koepels. De landelijke koepels hebben daarbij het standpunt weergegeven dat bij landtunnels, overeenkomstig de circulaire, een indeling past bij categorie A. Daarbij hebben zij aangegeven dat dit een kwestie van principe is, waarbij gewezen is op precedentwerking. Daarbij heeft men aangegeven dat ook aanwijzing als categorie A inhoudt dat nog steeds geen extra gevaarlijke stoffen door de tunnel zullen gaan en er geen hoger risico aan de orde is. Ook wijst de sector op de mogelijkheid voor de gemeente om ontheffingen te verlenen van de gemeentelijke routering, terwijl een tunnelverbod een meer absoluut karakter heeft. In het bovenstaande is aangegeven dat, onder meer vanwege de aanwezigheid van alternatieven, de afweging is uitgevallen naar indeling van de Salland-Twentetunnel in de categorie C. Het meer principiële punt van de landelijke koepels weegt daar niet tegen op.

In tabel 1 van bijlage 2 bij de VLG zijn stoffen aangewezen die onder de gemeentelijke of provinciale routering kunnen vallen. Waar gemeenten of provincies daartoe besluiten, moeten deze stoffen langs bepaalde, voorgeschreven en aangeduide routes worden vervoerd. In de tabel is aangesloten bij een meer op de externe veiligheid gerichte selectie van stoffen. Hiervoor is ingegaan op de wijziging met betrekking tot vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337. Voorts is de kolom ‘losgestort’ als geheel komen te vervallen. Voor klasse 1 stoffen (ontplofbare stoffen en voorwerpen) geldt al dat losgestort vervoer niet toegestaan is, waardoor een routering voor die stoffen geen meerwaarde heeft. Voorts is losgestort materiaal van klasse 4.3 (stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen) vervallen. Voor klasse 4.3 gaat het daarbij om een twintigtal stoffen, waarvan de meeste in verpakkingsgroep III vallen en een enkele in verpakkingsgroep II. De externe veiligheid is hierbij niet in die mate in het geding dat dit handhaving in de routeringstabel zou rechtvaardigen.

Onderdeel C

De wijzigingen in tabel 1 van bijlage 3 houden verband met de wijzigingen in het ADR.

Onderdeel D

In bijlage 4 bij de VLG zijn keuringsvoorschriften opgenomen ten behoeve van Rijkstypekeuringen van voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een groot aantal van deze voorschriften zijn inmiddels opgenomen in het ADR zelf. Via bijlage 1 bij de VLG dient al aan deze voorschriften te worden voldaan. Daarnaast zijn voorschriften door de tijd achterhaald. Om die reden is een groot aantal van de voorschriften in bijlage 4 vervallen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld