Beschikking van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende ontheffing voor Ostfriesischer Flug Dienst GmbH van het verbod VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte boven het water

Datum: 7 januari 2015

Nummer: ILT-2015/4283

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gezien het verzoek om ontheffing van 11 december 2014 van Ostfriesischer Flug Dienst GmbH, adres: Gorch Fock Strasse 103, 26721 Emden, Duitsland; tel.: +49 4921 8992 10; e-mail: sylke.kasterlek@fliegofd.de;

Overwegende dat de vereiste relevantie blijkt uit de opdracht voor het uitvoeren van VFR-vluchten boven de Noordzee in het gebied zoals beschreven in bijgevoegde kaart voor onderzoek naar de gevolgen van offshore windturbines op bruinvissen, andere zeedieren en zeevogels;

Gelet op artikel 19, derde lid, van het Besluit Luchtverkeer 2014;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op het vliegtuig van het type Britten Norman Islander BN 2B 26 met registratienummer D-IFBN, D-IOLO of D-IOLK, of een vergelijkbaar vervangend vliegtuig in gebruik bij Ostfriesischer Flug Dienst GmbH, waarmee de VFR-vluchten op een hoogte van minimaal 250 ft boven de Noordzee worden uitgevoerd in het gebied zoals beschreven in bijgevoegde kaart, voor zover het gaat om FIR Amsterdam.

Artikel 2

Aan de gezagvoerder van het in artikel 1 genoemde vliegtuig wordt vanaf 7 januari 2015 tot en met 31 december 2015 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, om VFR-vluchten uit te voeren boven water, beneden de minimum VFR-vlieghoogte, gedurende de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 1˚, van het Besluit luchtverkeer 2014, bedoelde luchtvaartgids, met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de gezagvoerder is in het bezit van een geldig CPL of ATPL;

  • b. de minimum toegestane vlieghoogte binnen het gebied, bedoeld in artikel 1, bedraagt 250 ft, doch ten minste 100 ft boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 m van het luchtvaartuig;

  • c. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1°. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2°. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • d. er wordt niet bij voortduring laaggevlogen, doch slechts gedurende de periode dat dit voor het daadwerkelijk uitvoeren van de onderzoeksvluchten noodzakelijk is;

  • e. vóór en ná de vlucht is de opdracht van de opdrachtgever ter inzage aanwezig zodat deze kan worden gecontroleerd door de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart, of de Inspectie Leefomgeving en Transport;

  • f. er worden geen passagiers vervoerd tijdens de vlucht, anders dan benodigd voor het onderzoek naar zeedieren en zeevogels;

  • g. voor de inzittenden zijn voldoende zwemvesten en reddingsmiddelen aanwezig;

  • h. tijdens het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • i. vóór de aanvang van de vlucht worden ingelicht:

    de meldkamer van de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart (tel.: 020 5025693 of fax: 020 5025699 of e-mail dlvplvt@klpd.politie.nl), en ILT (e-mail aviation-approvals@ilent.nl), waarbij de volgende gegevens worden verstrekt:

    • 1°. naam gezagvoerder(s), registratie en model/type;

    • 2°. route en periode van de voorgenomen vlucht;

    • 3°. het nummer van deze beschikking;

  • j. één uur vóór aanvang van de vlucht wordt gecoördineerd met de Operationele Helpdesk (tel.: 020 4062201; fax: 020 4063672; e-mail: ops_helpdesk@lvnl.nl); aan de voorwaarden door hen gesteld wordt strikt de hand gehouden.

Artikel 3

De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerder en de cameraman of dierenexpert bekend zijn met de inhoud van deze ontheffing.

Artikel 4

De aanvrager voert bij de voorbereiding van elk project een veiligheidsanalyse uit. Daarbij wordt in kaart gebracht welke risico’s er zijn als gevolg van het uitvoeren van VFR-vluchten beneden de minimum VFR-vlieghoogte boven het water. Vervolgens worden risicobeperkende maatregelen in kaart gebracht en toegepast zodanig dat de vlucht op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd.

Artikel 5

Het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften of beperkingen kan aanleiding zijn deze ontheffing in te trekken.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 7 januari 2015 en vervalt met ingang van 1 januari 2016, tenzij deze voortijdig wordt ingetrokken.

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, DE INSPECTEUR ILT/LUCHTVAART, M. van Velzen Senior Inspecteur

Bezwaarmogelijkheid

Tegen dit besluit kunt u binnen een termijn van 6 weken na dagtekening bezwaar indienen. Het bezwaar moet minimaal bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Het bezwaar kan onder vermelding van ‘bezwaar’ gestuurd worden naar het volgende adres:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Postbus 16191

2500 BD Den Haag

Naar boven