Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2014
Nr. 9197

Gepubliceerd op 31 maart 2014 09:00



Procesregeling bestuursrecht 2013

Deze procesregeling heeft betrekking op (de voortgang van de procedure in) algemeen-bestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en fiscaalrechtelijke zaken bij de rechtbanken. Ieder gerechtsbestuur heeft voor het eigen gerecht een met deze modelregeling overeenkomende procesregeling vastgesteld. De data waarop dat is gebeurd, staan vermeld in de Staatscourant.

Een met deze regeling overeenkomende regeling is vastgesteld door het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam op 6 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland op 24 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Gelderland op 6 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Overijssel op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Rotterdam op 25 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Limburg op 7 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Oost-Brabant op 6 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 maart 2014.

Modelregeling, vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 23 januari 2014 houdende richtlijnen voor het behandelen van algemeen-bestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en fiscaalrechtelijke zaken bij de rechtbanken.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    a. een voorlopige-voorzieningzaak:

    een zaak als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

    b. een belastingzaak:

    een zaak waarop het procesrecht van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is;

    c. een vreemdelingenzaak:

    een zaak waarin de rechtbank Den Haag ingevolge artikel 6 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bevoegd is;

    d. een vrijheidsontnemende maatregel:

    een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59 van de Vw 2000;

    e. een eerste beroep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel):

    een beroep waarop artikel 94 van de Vw 2000 van toepassing is;

    f. een vervolgberoep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel):

    een beroep waarop artikel 96 van de Vw 2000 van toepassing is;

    g. een AA-zaak:

    een voorlopige-voorzieningzaak over een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 die met toepassing van artikel 3.114 en/of 3.115 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is afgedaan;

    h. een Dublinzaak:

    een voorlopige-voorzieningzaak over een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, krachtens artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000, die niet met toepassing van artikel 3.114 en/of 3.115 van het Vb 2000 is afgedaan;

    i. Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV):

    het onderdeel van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) dat is aangewezen voor het indienen van beroepschriften en verzoekschriften in een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet Coa) en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

  • 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een beroepschrift gelijkgesteld een verzoekschrift als bedoeld in titel 8.4 Awb.

Artikel 2 De verzending van stukken door de rechtbank (de artikelen 8:37 en 8:38 van de Awb)

  • 1. De griffier verzendt de uitnodiging voor de zitting aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

  • 2. De griffier verzendt stukken waarin (de griffier van) de rechtbank een laatste termijn stelt voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde afdoening, eveneens aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax.

  • 3. De griffier verzendt stukken waarop artikel 8:37, tweede lid, van de Awb betrekking heeft bij gewone brief of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

Artikel 2a Elektronisch indienen van beroepschriften, verzoeken om een voorlopige voorziening en nader ingediende elektronische stukken(artikel 8:40a van de Awb)

De rechtbank neemt een elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift uitsluitend in behandeling, indien het is ingediend via een van de webapplicaties van de rechtbank (http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht). Hetzelfde geldt voor nader ingediende elektronische stukken. Deze bepaling heeft geen betrekking op faxverkeer.

Artikel 3 De gemachtigde (de artikelen 6:17 en 8:24 van de Awb)

Indien een partij zich door een gemachtigde laat bijstaan of vertegenwoordigen, richt de rechtbank correspondentie en zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken uitsluitend aan die gemachtigde. Een oproeping van een partij zendt de rechtbank, voor zover het desbetreffende adres bekend is, aan die partij zelf. Zij stelt de gemachtigde daarvan in kennis.

Artikel 4 Uitstel van een door de rechtbank gestelde termijn

  • 1. De rechtbank verlengt een door haar gestelde termijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.

  • 2. De rechtbank deelt haar beslissing op het verzoek om uitstel aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.

  • 3. Indien de rechtbank een verzoek om uitstel inwilligt, geeft zij aan de verzoeker een nadere termijn van ten hoogste vier weken na de verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De rechtbank wijst een volgend verzoek om verlenging van een gestelde termijn dat betrekking heeft op dezelfde aangelegenheid in beginsel af.

Artikel 5 Openbare stukken

  • 1. Indien een partij een beroep doet op stukken van algemene aard (inclusief rechterlijke uitspraken) behoeft zij daarvan geen kopie over te leggen indien zij de vindplaats vermeldt en die vindplaats openbaar is.

  • 2. In een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Coa en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wav merkt de rechtbank in ieder geval de bronnen vermeld in de lijst die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, als openbare vindplaats aan.

Artikel 6 Versnelde behandeling (artikel 8:52 van de Awb)

  • 1. Binnen twee weken na ontvangst van een gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb deelt de rechtbank partijen mee of het verzoek wordt ingewilligd.

  • 2. In geval van versnelde behandeling kunnen de in deze procesregeling gestelde termijnen worden verkort, voor zover de wet dit toelaat.

HOOFDSTUK 2 HET BEGIN VAN DE PROCEDURE

Artikel 7 De ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift (de artikelen 6:14 en 8:42 van de Awb)

  • 1. De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen één week nadat het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.

  • 2. De rechtbank verzendt de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, tweede lid, van de Awb, binnen één week nadat het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid verzendt het CIV in een vreemdelingenzaak de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, tweede lid, van de Awb, binnen één werkdag nadat het beroepschrift bij hem is binnengekomen. De zittingsplaats waaraan de zaak is toebedeeld, bericht het bestuursorgaan daarvan binnen één week dan wel, indien hoofdstuk 9, 10, 11 of 12 van deze regeling van toepassing is, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.

  • 4. Bij de kennisgeving, genoemd in het tweede lid, onderscheidenlijk bij de berichtgeving, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.

  • 5. In een belastingzaak verzoekt de rechtbank, in afwijking van het vierde lid pas nadat de indiener van het beroepschrift eventuele verzuimen heeft hersteld en het verschuldigde griffierecht is ontvangen, het bestuursorgaan binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.

  • 6. Indien de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stelt een verweerschrift in te dienen, stelt de rechtbank daarvoor een termijn van vier weken.

Artikel 8 De derde-belanghebbende (de artikelen 8:26 en 8:43 van de Awb)

  • 1. Indien aanstonds blijkt van een derde-belanghebbende stelt de rechtbank hem binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift en de gronden van het beroep ambtshalve in de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen. De rechtbank zendt hem het bestreden besluit, het beroepschrift en de gronden van het beroep. De rechtbank stelt hem een termijn van twee weken om kenbaar te maken of hij als partij aan het geding wil deelnemen.

  • 2. De rechtbank beslist binnen vier weken na ontvangst van een verzoek van een derde-belanghebbende om als partij aan het geding deel te nemen, op dat verzoek.

  • 3. Binnen twee weken nadat is komen vast te staan dat een derde-belanghebbende als partij aan het geding deelneemt, zendt de rechtbank hem de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen vier weken een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

  • 4. De rechtbank verlengt de in het eerste en derde lid genoemde termijnen voor zover dat noodzakelijk is vanwege besluitvorming over beperking van de kennisneming of geheimhouding van stukken of vanwege de feitelijke uitvoering van een beslissing die de rechtbank daarover heeft genomen.

Artikel 9 Verwijzing, voeging en splitsing (de artikelen 8:13 en 8:14 van de Awb) en overdracht aan een zittingsplaats

  • 1. De rechtbank beslist op een verzoek om verwijzing, voeging of splitsing als bedoeld in de artikelen 8:13, tweede lid, en 8:14, tweede lid, van de Awb binnen vier weken na ontvangst daarvan.

  • 2. In een vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Coa of artikel 21 van de Wav kan een zittingsplaats van de rechtbank het beroep in iedere stand van de procedure overdragen aan een andere zittingsplaats.

  • 3. Indien een partij in een vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Coa of artikel 21 van de Wav verzoekt om behandeling door een andere zittingsplaats, beslist de rechtbank binnen vier weken op dat verzoek.

HOOFDSTUK 3 DE VEREISTEN VOOR DE PROCEDURE

Artikel 10 Herstel van een verzuim (de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt zij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen vier weken te herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 2. Indien de voorzieningenrechter in een met het beroep samenhangende voorlopige- voorzieningzaak de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid stelt een verzuim als bedoeld in het eerste lid te herstellen binnen een van dat eerste lid afwijkende termijn en bovendien de indiener van het verzoekschrift en de indiener van het beroepschrift dezelfde (rechts)persoon is, kan de rechtbank in de beroepszaak de indiener van het beroepschrift een termijn gelijk aan die in de voorlopige-voorzieningzaak stellen.

Artikel 11 De machtiging (artikel 8:24 van de Awb)

Indien de rechtbank van een gemachtigde als bedoeld in artikel 8:24 van de Awb een machtiging verlangt, nodigt zij hem schriftelijk uit de machtiging binnen vier weken in te zenden.

Artikel 12 Het griffierecht (de artikelen 8:41 en 6:15 van de Awb)

  • 1. Na ontvangst van het beroepschrift nodigt de griffier de indiener per gewone post uit het griffierecht binnen vier weken te voldoen.

  • 2. Indien na de verzending van de uitnodiging per gewone post de termijn waarbinnen dient te worden betaald, is verstreken en het verschuldigde griffierecht niet is ontvangen, verzendt de griffier de mededeling, genoemd in artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb, aangetekend.

  • 3. Indien na verzending van de mededeling, genoemd in het tweede lid, het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, geeft de rechtbank toepassing aan artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.

  • 4. Indien de rechtbank het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste of tweede lid, van de Awb doorzendt aan een bestuursorgaan of aan een andere bestuursrechter niet zijnde een andere rechtbank, heft de griffier, voor zover nodig in afwijking van het eerste tot en met het derde lid, geen griffierecht.

  • 5. Indien de rechtbank, nadat griffierecht is geheven, het beroepschrift doorzendt aan of de zaak verwijst naar de bestuursrechter van een andere rechtbank, bericht de doorzendende of verwijzende rechtbank haar zo spoedig mogelijk over de ontvangst van het griffierecht. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van een vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wav aan een andere zittingsplaats, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van deze regeling.

  • 6. Indien griffierecht is geheven voordat de rechtbank het beroepschrift doorzendt aan een bestuursorgaan ter behandeling als bezwaarschrift of administratief-beroepschrift of aan een andere bestuursrechter dan genoemd in het vijfde lid, eerste volzin, ter behandeling als beroepschrift, betaalt de griffier het griffierecht na ontvangst terug, tenzij de doorzending plaatsvindt nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

  • 7. Indien het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, betaalt de griffier het eventueel na de (laatste) termijn betaalde griffierecht ter zake van dat beroep terug.

HOOFDSTUK 4 HET VOORONDERZOEK

Artikel 13 De geheimhouding en beperking van de kennisneming (artikel 8:29 van de Awb)

  • 1. Indien in een verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming slechts van delen van de inlichtingen of stukken geheimhouding of beperking van de kennisneming wordt verzocht, wijst de rechtbank de verzoeker er zo nodig op dat van hem wordt verwacht dat hij een versie van de inlichtingen geeft of stukken overlegt die aan de andere partij(en) mag worden gezonden.

  • 2. Indien het, zonodig op grond van het eerste lid aangevulde, verzoek betrekking heeft op (delen van) stukken waarvan de openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is geweigerd en het beroep tegen die weigering is gericht, handelt de rechtbank alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is ingewilligd.

  • 3. Indien de verzoeker ook beperking van de kennisneming wenst van (delen van) de motivering van het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming, houdt de rechtbank met dat verzoek slechts rekening indien hij dat bij het verzoek meedeelt en tevens een versie van zijn verzoek overlegt die ook aan de andere partijen mag worden gezonden.

  • 4. De rechtbank kan de andere partij(en) in de gelegenheid stellen binnen een termijn van twee weken op het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming te reageren. Daarbij neemt de rechtbank het in het derde lid bedoelde verzoek om beperking van de kennisneming van (delen van) de motivering van het verzoek in acht.

  • 5. Tenzij de rechtbank de partij dan wel het bestuursorgaan of de werkgever, bedoeld in artikel 8:45, tweede respectievelijk derde lid, van de Awb, om nadere toelichting op het verzoek vraagt, deelt zij de beslissing, bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, mee aan partijen en, voor zover van toepassing, aan het bestuursorgaan of de werkgever als hiervoor bedoeld:

    • a. binnen vier weken na ontvangst van het verzoek of,

    • b. indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, binnen vier weken na ontvangst van de reactie(s) of het ongebruikt verstrijken van de reactietermijn.

  • 6. Indien de rechtbank het verzoek om beperking van de kennisneming afwijst, stelt de rechtbank de verzoeker in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk mee te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de rechtbank verbindt. De rechtbank voldoet aan een in reactie hierop gedaan verzoek tot terugzending van de stukken waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 7. Indien en voor zover de rechtbank de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, stelt zij de andere partij(en) in de gelegenheid, voor zover niet op een eerder moment al toestemming is verleend, op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb de rechtbank binnen twee weken te berichten of die partij(en) er in toestemt, onderscheidenlijk toestemmen dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de (delen van de) stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht.

  • 8. Na de uitspraak op het beroep zendt de rechtbank de stukken waarvan de kennisneming is beperkt op grond van een beslissing van de rechtbank, binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak terug aan de partij die dan wel het bestuursorgaan dat of de werkgever die deze heeft ingediend.

  • 9. Het zesde en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in het derde lid bedoelde motivering waarvan de beperking van de kennisneming is verzocht.

Artikel 14 De repliek, de dupliek en de schriftelijke uiteenzetting (artikel 8:43 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, geeft zij aan de indiener van het beroepschrift een termijn van vier weken om te repliceren.

  • 2. Na ontvangst van de repliek stelt de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk te dupliceren.

  • 3. De rechtbank stelt dan tevens een derde-belanghebbende die als partij aan het geding deelneemt, (nogmaals) in de gelegenheid binnen vier weken een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Bij toepassing van artikel 8:52 van de Awb kan de rechtbank de eerste volzin buiten toepassing laten.

Artikel 15 Het deskundigenonderzoek (de artikelen 8:47 en 8:48 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:47, derde lid, tweede volzin, van de Awb, geeft zij aan partijen een termijn van twee weken om hun wensen omtrent het onderzoek aan haar kenbaar te maken.

  • 2. De termijn, genoemd in artikel 8:47, vierde lid, van de Awb, bedraagt ten hoogste dertien weken.

  • 3. De rechtbank zendt het verslag, bedoeld in artikel 8:47, vierde lid, van de Awb, aan partijen binnen één week na ontvangst daarvan, onder verwijzing naar de mogelijkheid van partijen, bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb.

  • 4. De rechtbank legt de ingekomen reacties binnen twee weken voor commentaar voor aan de deskundige, tenzij het commentaar daarvoor geen aanleiding geeft. De rechtbank geeft de deskundige daarbij een termijn van ten hoogste vier weken om zijn nader verslag in te dienen. Met overeenkomstige toepassing van het derde lid zendt de rechtbank dat nader verslag aan partijen.

HOOFDSTUK 5 HET ONDERZOEK TER ZITTING

Artikel 16 De uitnodiging of oproeping voor de zitting (de artikelen 8:56 en 8:59 van de Awb)

  • 1. In de uitnodiging of oproeping vermeldt de rechtbank of de zaak door een enkelvoudige of een meervoudige kamer wordt behandeld. Tevens vermeldt de rechtbank hierin de naam, onderscheidenlijk namen van de rechter(s).

  • 2. Indien de rechtbank een partij oproept, vermeldt zij in de oproeping zo mogelijk de reden waarom de partij wordt opgeroepen. Zij stelt ook de wederpartij(en) van die redengeving in kennis.

  • 3. Indien de rechtbank zaken ter zitting gevoegd of gesplitst behandelt en zij daarvan niet eerder mededeling heeft gedaan, doet zij daarvan mededeling in de uitnodiging of oproeping.

  • 4. Als de datum van behandeling niet op andere wijze in overleg met partijen is bepaald, kondigt de rechtbank aan partijen aan wanneer de zitting zal plaatsvinden en biedt de rechtbank partijen gedurende een week na verzending van die aankondiging de gelegenheid een andere datum te verzoeken onder vermelding van verhinderdata. Die verhinderdata dienen te liggen in de periode van twee weken voor en twee weken na de aangekondigde zittingsdatum als de rechtbank de aankondiging binnen zes weken na binnenkomst van het beroepschrift aan partijen heeft verzonden. In de andere gevallen dienen die verhinderdata te liggen in de periode van zes weken na de geagendeerde zittingsdatum. Indien een partij binnen een week na de aankondiging en onder vermelding van verhinderdata om een andere datum verzoekt, willigt de rechtbank een verzoek om verdaging steeds in.

  • 5. De rechtbank willigt een verzoek om verdaging slechts in indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, behoudens in de situatie zoals bedoeld in de laatste zin van het vierde lid.

  • 6. De rechtbank deelt een weigering de zitting te verdagen mee aan de verzoekende partij binnen een week na ontvangst van dit verzoek.

  • 7. De rechtbank stelt partijen en eventuele andere betrokkenen binnen een week in kennis van een beslissing tot verdaging.

  • 8. Indien de rechtbank een partij aan wie de vrijheid is ontnomen in persoon oproept, gelast zij ambtshalve het transport.

  • 9. Indien een partij aan wie de vrijheid is ontnomen de rechtbank verzoekt de zitting te mogen bijwonen, gelast de rechtbank het transport. Dit verzoek dient uiterlijk twee weken voor de zitting, of zo snel als redelijkerwijs mogelijk bij de rechtbank te worden ingediend.

Artikel 17 Bijstand door een tolk ter zitting (de artikelen 8:59 en 8:60 van de Awb)

  • 1. Bij een eerste beroep inzake een vrijheidsontnemende maatregel zorgt de rechtbank steeds voor een tolk ter zitting indien betrokkene tolkbijstand behoeft. In andere zaken zorgt de rechtbank op verzoek voor een tolk ter zitting indien een partij in persoon is opgeroepen of de rechtbank ambtshalve getuigen en/of deskundigen wil horen en tolkbijstand daarvoor nodig is. De tweede volzin vindt geen toepassing indien betrokkene de vrijheid is ontnomen en hij uitsluitend wordt opgeroepen omdat hij heeft verzocht te willen worden gehoord.

  • 2. De rechtbank zorgt op verzoek voor een tolk ter zitting indien de zaak over een punitieve sanctie gaat en tolkbijstand nodig is om te garanderen dat degene aan wie de punitieve sanctie is opgelegd het verhandelde ter zitting kan volgen in een taal die hij verstaat.

Artikel 18 De schorsing (artikel 8:64 van de Awb)

Indien ter zitting niet alle partijen aanwezig waren en de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft geschorst, doet de griffier binnen twee weken na die zitting mededeling aan partijen van de schorsing en van de wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet.

Artikel 19 De sluiting van het onderzoek zonder (nadere) zitting (de artikelen 8:57 en 8:64 van de Awb)

Binnen vier weken nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, eerste volzin, van de Awb, deelt de rechtbank de beslissing over de sluiting van het onderzoek aan partijen mee. Indien de rechtbank toepassing geeft aan artikel 8:57, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, tweede volzin, van de Awb, deelt de rechtbank de beslissing omtrent de sluiting van het onderzoek aan partijen mee binnen vier weken nadat zich één van de situaties heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 8:57, tweede lid, van de Awb.

HOOFDSTUK 6 DE UITSPRAAK

Artikel 20 De termijn voor de schriftelijke uitspraak (artikel 8:66 van de Awb)

Indien de rechtbank de termijn, genoemd in artikel 8:66, tweede lid, van de Awb, overschrijdt, doet zij aan partijen hiervan mededeling onder vermelding van de datum waarop uiterlijk uitspraak wordt gedaan.

Artikel 21 De grosse (artikel 8:76 van de Awb en artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

  • 1. De griffier verstrekt kosteloos en bij aangetekende brief aan iedere partij op verzoek niet meer dan éénmaal een grosse van een uitspraak. Daarbij worden gezamenlijk procederende personen als één partij aangemerkt.

  • 2. Een door de rechtbank verstrekte grosse is een afschrift van de uitspraak, opgemaakt in de voor afschriften gebruikelijke vorm, behoudens de volgende afwijkingen. Aan het hoofd plaatst de griffier de woorden: ‘IN NAAM DES KONINGS’. Aan het slot plaatst de griffier de woorden: ‘Uitgegeven voor eensluidend afschrift en GROSSE aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden (datum), de griffier,’. Deze slotformule wordt gevolgd door een afdruk van het stempel van de rechtbank en de handtekening van degene die de grosse afgeeft. Gelijktijdig met de ondertekening van de grosse plaatst de griffier op het voorblad van het origineel (de minuut) van de uitspraak met inkt de aantekening: ‘GROSSE afgegeven aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden (datum), de griffier’. Deze aantekening waarmerkt de griffier met een paraaf.

Artikel 22 Publicatie van een uitspraak in een belastingzaak (artikel 27g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

In een belastingzaak beslist de rechtbank op een door een partij gedaan verzoek als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen om de uitspraak niet vrij te geven aan anderen dan partijen alleen inhoudelijk, indien die partij dat verzoek uiterlijk ter zitting en gemotiveerd doet.

HOOFDSTUK 7 HET NIET TIJDIG NEMEN VAN EEN BESLUIT

Artikel 23 Het beroep tegen het niet tijdig nemen of bekendmaken van een besluit met toepassing van afdeling 8.2.4A van de Awb (de artikelen 6:2, 6:20 en 8:55b tot en met 8:55f van de Awb)

  • 1. Indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb, behandelt de rechtbank, los van het antwoord op de vraag of daarna wordt beslist tot toepassing van de vereenvoudigde behandeling, bedoeld in artikel 8:54 van de Awb, het beroep versneld met toepassing van artikel 8:52 van de Awb. Dit wordt partijen meegedeeld in de ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, eerste en tweede lid, van de Awb.

  • 2. Indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb en sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt de rechtbank in afwijking van artikel 10, eerste lid, van deze regeling de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 3. Bij de kennisgeving, genoemd in artikel 7, tweede lid, van deze regeling verzoekt de rechtbank in afwijking van artikel 7, vierde en zesde lid, het bestuursorgaan binnen twee weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden en een verweerschrift in te dienen. In de brief deelt de rechtbank het bestuursorgaan mee dat indien het bestuursorgaan hieraan niet of niet geheel voldoet, op het beroep zal worden beslist op grondslag van de beschikbare stukken.

  • 4. Indien de rechtbank het beroep ter zitting behandelt, zendt zij partijen de uitnodiging of oproeping om op een zitting van de rechtbank te verschijnen ten minste twee weken voor de datum van de zitting. In dat geval doet de rechtbank binnen twee weken na de zitting uitspraak.

  • 5. Binnen één week nadat een verzet gegrond is verklaard als bedoeld in artikel 8:55e, derde lid, van de Awb geeft de rechtbank toepassing aan het vierde lid, eerste volzin. In dat geval doet de rechtbank binnen twee weken na de zitting uitspraak.

  • 6. Indien het bestuursorgaan alsnog een besluit neemt en dat aan de rechtbank heeft gezonden voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, behandelt de rechtbank het beroep verder op de gewone wijze.

  • 7. In een belastingzaak kan de rechtbank het eerste tot en met vijfde lid buiten toepassing laten en het beroep op de gewone wijze behandelen.

HOOFDSTUK 8 HET VERZET

Artikel 24 Het verzet (artikel 8:55 van de Awb)

  • 1. De rechtbank behandelt een verzet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2, 3, 4, 5, 7, eerste en tweede lid, 16 en 17 van deze regeling.

  • 2. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt zij de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 3. Indien de rechtbank de wederpartij de gelegenheid geeft te reageren op het verzet, stelt de rechtbank een termijn van twee weken.

  • 4. Indien de rechtbank de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid stelt ter zitting te worden gehoord, zendt zij de kennisgeving daarvan ten minste drie weken voor de datum van de zitting aan de indiener en stelt zij de overige partijen in de bodemzaak daarvan op de hoogte.

  • 5. De rechtbank behandelt het verzet binnen dertien weken na ontvangst van het verzetschrift ter zitting of doet binnen deze termijn zonder zitting uitspraak.

HOOFDSTUK 9 DE VOORLOPIGE VOORZIENING

Artikel 25 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een zaak over een verzoek om voorlopige voorziening, niet zijnde een AA-zaak of een Dublinzaak.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 2, 2a, 3, 4, 5, 7, eerste, tweede en derde lid, 8, 9, 10, eerste lid, 13, 16, achtste en negende lid, 17, 18, 21 en 22 van deze regeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 26 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb)

De voorzieningenrechter verzoekt het bestuursorgaan een afschrift van de stukken gelijktijdig ook aan (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 27 De uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel 8:83 van de Awb)

In de uitnodiging of oproeping vermeldt de voorzieningenrechter voor zover van toepassing de in artikel 78 van de Vw 2000 bedoelde mogelijkheid dat de voorzieningenrechter niet alleen op het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar of administratief beroep, maar ook op dat bezwaar of administratief beroep beslist.

Artikel 28 De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de Awb)

De voorzieningenrechter doet binnen twee weken na de zitting uitspraak.

HOOFDSTUK 10 DE VRIJHEIDSONTNEMENDE MAATREGEL

Artikel 29 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een zaak over een vrijheidsontnemende maatregel.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 2, 2a, 3, 4, 5, 7, eerste, tweede en derde lid, 8, 9, 10, eerste lid, 13, 16, eerste, achtste en negende lid, 17, 18, 21 en 39 van deze regeling van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 30 De ontvangstbevestiging (artikel 6:14 van de Awb)

De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.

Artikel 31 De toevoeging van een raadsman (de artikelen 100 en 101 van de Vw 2000)

De rechtbank voegt, zowel bij een eerste beroep, als bij een vervolgberoep, ambtshalve aan de vreemdeling een raadsman toe als bedoeld in de artikelen 100 en 101 van de Vw 2000, tenzij vaststaat dat de vreemdeling zelf een raadsman heeft gekozen. Onder dit laatste wordt tevens verstaan de situatie dat de vreemdeling al wordt bijgestaan door een raadsman, die op verzoek van die vreemdeling door het bureau rechtsbijstandvoorziening aan de vreemdeling

is toegevoegd.

Artikel 32 De op de zaak betrekking hebbende stukken in een eerste beroep (artikel 8:42 van de Awb en artikel 94 van de Vw 2000)

  • 1. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan indien het om een eerste beroep gaat, de op de zaak betrekking hebbende stukken, bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en artikel 94, tweede lid, vierde volzin, van de Vw 2000, in te zenden op zodanig tijdstip dat deze uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur worden ontvangen.

  • 2. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

Artikel 33 De inlichtingen betreffende een vervolgberoep (artikel 96 van de Vw 2000)

  • 1. Indien het om een vervolgberoep gaat, zendt de rechtbank het beroepschrift aan het bestuursorgaan en stelt zij het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen drie werkdagen na die verzending inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak (de zogenoemde voortgangsrapportage).

  • 2. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

  • 3. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen stelt de rechtbank de vreemdeling in de gelegenheid binnen twee werkdagen schriftelijk op deze inlichtingen te reageren en zich uit te laten over de noodzaak van behandeling van het vervolgberoep ter zitting. De rechtbank neemt een verzoek de vreemdeling in persoon op te roepen in behandeling indien de vreemdeling uiterlijk bij het geven van deze reactie daarom verzoekt.

HOOFDSTUK 11 DE AA-ZAAK

Artikel 34 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een AA-zaak.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 2, 3, 5, 7, derde lid, 9, tweede en derde lid, 16, achtste en negende lid, 17 en 21 van deze regeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 35 De ontvangstbevestiging en de uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:14, en artikel 8:83 van de Awb)

  • 1. De voorzieningenrechter verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen twee werkdagen nadat het verzoekschrift is ingediend.

  • 2. De voorzieningenrechter nodigt de indiener van het verzoekschrift bij de brief met de in het eerste lid genoemde bevestiging uit of roept hem daarbij op voor een zitting, dan wel deelt hem mee op welke datum het verzoek ter zitting zal worden behandeld.

Artikel 36 Vaste zittingsdagen (artikel 8:83 van de Awb)

De voorzieningenrechter behandelt het verzoek om voorlopige voorziening op vaste

wekelijkse zittingsdagen waarvan de data worden gepubliceerd in de Bijlage betreffende AA-zaken (www.rechtspraak.nl).

Artikel 37 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb)

  • 1. De voorzieningenrechter verzoekt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op het tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AA-zaken (www.rechtspraak.nl) in te zenden.

  • 2. De voorzieningenrechter verzoekt het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 38 Herstel van een verzuim (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb)

  • 1. Indien de voorzieningenrechter vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt hij de indiener van het verzoekschrift in de brief met de in artikel 35, eerste lid, genoemde bevestiging in de gelegenheid het verzuim te herstellen. De termijn voor het herstel eindigt op het tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AA-zaken (www.rechtspraak.nl). Deze termijn wordt niet verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 2. De voorzieningenrechter verzoekt de indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 39 De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de Awb)

De voorzieningenrechter doet binnen vijf werkdagen na de zitting uitspraak.

HOOFDSTUK 12 DE DUBLINZAAK

Artikel 40 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een Dublinzaak.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 2, 3, 5, 7, derde lid, 9, tweede en derde lid, 16, achtste en negende lid, 17 en 21 van deze regeling van (overeenkomstige) toepassing, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 41 De ontvangstbevestiging (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:14 van de Awb)

De voorzieningenrechter verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen twee werkdagen nadat het verzoekschrift is ingediend.

Artikel 42 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb) en het verweerschrift (in de onderliggende beroepszaak; artikel 8:42 van de Awb)

  • 1. De voorzieningenrechter verzoekt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk binnen één week na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening in tweevoud in te zenden.

  • 2. De voorzieningenrechter verzoekt het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

  • 3. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan een verweerschrift in te dienen op zodanig tijdstip dat dit uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur wordt ontvangen.

  • 4. De voorzieningenrechter deelt het bestuursorgaan in de brief met het in het eerste lid bedoelde verzoek om inzending van stukken mee dat indien het bestuursorgaan na die inzending van stukken nog (nadere) stukken in het geding wil brengen, hem wordt verzocht een afschrift van die (nadere) stukken gelijktijdig ook aan (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 43 Herstel van een verzuim (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb)

  • 1. Indien de voorzieningenrechter vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt hij in de brief met de in artikel 41 genoemde bevestiging de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een termijn van drie weken. Deze termijn wordt niet verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 2. De voorzieningenrechter verzoekt de indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 44 De uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel 8:83 van de Awb)

Binnen twee weken nadat de in artikel 43 genoemde termijn voor het herstellen van een verzuim is verstreken, nodigt de voorzieningenrechter de indiener van het verzoekschrift uit of roept hem op voor een zitting. Indien geen termijn voor het herstellen van een verzuim wordt gesteld, nodigt de voorzieningenrechter binnen twee weken nadat de brief met de in artikel 41 genoemde bevestiging is verzonden de indiener van het verzoekschrift uit of roept hem op voor een zitting. De zittingsdatum wordt in (telefonisch) overleg met (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift vastgesteld. De voorzieningenrechter nodigt gelijktijdig het bestuursorgaan uit voor de zitting.

Artikel 45 Vaste zittingsdagen (artikel 8:83 van de Awb)

De voorzieningenrechter behandelt het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting binnen tien weken na indiening van dat verzoek.

Artikel 46 De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de Awb)

De voorzieningenrechter doet binnen twee weken na de zitting uitspraak.

HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALING

Artikel 47 Slotbepaling

  • 1. Op de termijnen, bedoeld in deze regeling, is de Algemene termijnenwet van toepassing.

  • 2. De tekst van deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst en tevens op www.rechtspraak.nl gepubliceerd.

  • 3. Deze regeling treedt in werking op 1 april 2014.

  • 4. Deze regeling wordt aangehaald als: Procesregeling bestuursrecht 2013.

TOELICHTING BIJ DE PROCESREGELING BESTUURSRECHT 2013

Artikel 2 De verzending van stukken door de rechtbanken (de artikelen 8:37 en 8:38 van de Awb)

De hoofdregel is, gelet op jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2012:BW4068), CRvB (ECLI:NL:CRVB:2012:BY7511) en HR (ECL:NL:HR:2013:BY3238), het aangetekend verzenden van de uitnodiging voor de zitting, de uitspraak en het herstel van verzuimen.

Verzending van deze stukken per fax is alleen toegestaan als daarmee de met artikel 8:37 van de Awb beoogde waarborg wordt gegarandeerd. Daarvoor is noodzakelijk dat in een beroepszaak zekerheid wordt gegeven over het gebruik van de fax. Onderhavig artikel 2 geeft geen uitsluitsel op de vraag wanneer een uitnodiging voor de zitting per fax, aangetekend of met bericht van ontvangst wordt verzonden. Het biedt slechts de mogelijkheid deze stukken per fax te verzenden.

Indien het gaat om een individuele zaak, volgt uit bovengenoemde jurisprudentie dat deze stukken per fax kunnen worden verzonden, indien dit telefonisch, of in geval van de uitspraak, ter zitting aan partijen is aangekondigd.

Overige stukken kunnen per gewone brief worden verzonden.

Artikel 2a Elektronisch indienen van beroepschriften, verzoeken om een voorlopige voorziening en nader ingediende elektronische stukken

Hoewel faxverkeer ook onder de definitie van ‘elektronisch verkeer’ valt, spreekt voor zich dat faxverkeer niet via een webapplicatie maar via telefoon/faxapparatuur plaats blijft vinden via daarvoor bekendgemaakte faxnummers.

Artikel 5 Openbare stukken

Het eerste lid

De website www.rechtspraak.nl, alle reguliere jurisprudentiebladen en vaktijdschriften en de van staatswege uitgegeven bladen zijn openbare bronnen.

Het tweede lid

De bronnen die voor vreemdelingenzaken zijn aangewezen op www.rechtspraak.nl als openbare vindplaats gelden nu als ‘in ieder geval’ aan te merken als openbare vindplaats.

Verwezen wordt in de regeling slechts naar de site, zonder nadere aanduiding die al snel verouderingsgevoelig zou kunnen blijken. Door opneming van de term ‘in ieder geval’ is beoogd de rechtzoekende in voorkomend geval de gelegenheid te bieden te claimen dat een door hem genoemde bron die niet op die lijst voorkomt, toch een openbare bron is. Wat openbare bronnen zijn, is immers dynamisch van aard en valt niet altijd sluitend in een lijst te vatten.

Als een partij claimt dat een stuk waarop zij zich beroept in een openbare bron te vinden is, is zij, vanzelfsprekend, wel gehouden een precieze aanduiding daarvan te geven. Verwijzing naar een (mogelijk zeer uitgebreide) site zal veelal niet volstaan.

Artikel 7 De ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift

Het derde lid

De regeling van de kennisgeving aan het verwerende bestuursorgaan laat verschillen zien tussen het algemene bestuursrecht en het vreemdelingenrecht. Dit wordt veroorzaakt door de ‘tussenschakeling’ van het CIV. Die instantie verzendt de wettelijke kennisgeving (strekking: ‘er is beroep ingesteld tegen uw besluit’).

Het vierde lid

Als de zaak aan een rechtbank wordt toebedeeld, stuurt zij ook een brief aan het verwerende bestuursorgaan (strekking: ‘de zaak is bij ons aanhangig’), maar dat is niet de in artikel 6:14, tweede lid, van de Awb bedoelde kennisgeving. In de procesregeling is die laatste brief, ter onderscheiding, ‘berichtgeving’ genoemd.

Artikel 8 De derde-belanghebbende

Dit artikel bevat een regeling die is toegesneden op de derde-belanghebbende die aanstonds uit het dossier naar voren komt. Deze bepaling laat onverlet dat er in elke stand van de procedure nog een derde-belanghebbende zich kan melden en laat eveneens onverlet dat eerst ter zitting definitief kan worden vastgesteld of iemand als derde-partij tot het geding moet worden toegelaten.

Het derde lid

In dit lid wordt gesproken over toezending van bepaalde stukken aan de derde belanghebbende. Het spreekt wellicht voor zich dat betrokkenen hieraan geen recht kunnen ontlenen stukken te verkrijgen waarover, met toepassing van met name de artikelen 8:29 en 8:32 van de Awb, is beslist dat zij, kort gezegd, niet aan derden mogen worden vrijgegeven.

Artikel 10 Herstel van een verzuim

Het eerste lid

In verband met de Crisis- en herstelwet is in het eerste lid ingevoegd het woord ‘herstelbaar’, omdat met invoering van die wet bepaalde verzuimen niet buiten de beroepstermijn mogen worden hersteld.

De verwijzing naar artikel 6:6 Awb is sinds de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding op 1 juli 2013 niet alleen van toepassing op herstel van verzuimen ten aanzien van artikel 6:5 Awb, maar ook op herstel van verzuimen bij verzoekschriften op grond van titel 8.4 Awb. In artikel 8:92 Awb zijn de vereisten voor indiening van een verzoekschrift opgenomen, in artikel 8:94 Awb is artikel 6:6 Awb hierop van overeenkomstige toepassing verklaard.

Het tweede lid

Dit lid is van belang voor de Dublinzaak waar in de voorlopige-voorzieningzaak een termijn voor het herstellen van een verzuim van drie weken wordt gegeven (zie ook artikel 43, eerste lid). Parallellie met de hoofdzaak is hier gewenst in die gevallen waarin in de beroepszaak en de voorlopige-voorzieningzaak gelijktijdig een herstelmogelijkheid wordt geboden. Het is een ‘kan’-bepaling, omdat in andere zaken (met name AA-zaken) wordt gekozen voor een ‘losse’ herstelmogelijkheid in de voorlopige-voorzieningzaak, zonder een parallelle herstelmogelijkheid in de beroepszaak; zo nodig volgt die laatste dan later met de ‘gewone’ termijn van vier weken. Vanwege de systematiek van deze procesregeling – waarin het beroep het uitgangspunt is – is dit tweede lid opgenomen, strekkende tot een termijnstelling in de beroepszaak parallel aan de termijnstelling in de voorlopige-voorzieningzaak. Het laat onverlet dat ook kan worden gekozen voor de omgekeerde parallellie, met een termijnstelling in de voorlopige-voorzieningzaak parallel aan de termijnstelling in de beroepszaak. Het tweede lid is immers een ‘kan’-bepaling.

Artikel 11 De machtiging

Het ontbreken van een machtiging is pas een verzuim als de rechtbank daarom heeft gevraagd. Voor het herstellen daarvan wordt in diezelfde brief de herstelmogelijkheid geboden.

Artikel 12 Het griffierecht

Het zevende lid

Dit lid regelt bestaande praktijk. Het wordt onwenselijk geacht dat diegene die te laat betaalt uiteindelijk slechter af is dan degene die helemaal niet betaalt.

Artikel 13 De geheimhouding en beperking van de kennisneming

‘Geheimhouding’ is de in de procesregeling gekozen term voor wat in artikel 8:29 van de Awb heet ‘de weigering inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen’.

Het tweede lid

Ten einde de procesgang te bekorten kan in die zaken een toetsing aan artikel 8:29 van de Awb geheel achterwege blijven. Het zevende, achtste en negende lid zijn wel van toepassing.

Het derde lid

Ook is geregeld de regelmatig voorkomende mogelijkheid dat de verzoeker om geheimhouding/beperking van de kennisneming, tevens verzoekt om beperkte kennisneming van het verzoek zelf.

Het vierde lid

Met dit lid is uniformering beoogd: de rechtbank kan de wederpartij(en) in de gelegenheid stellen haar of hun visie op het verzoek om geheimhouding te geven alvorens zij beslist op het verzoek. Hiermee is beoogd om recht te doen aan het beginsel van hoor- en wederhoor, aangezien het bij toepassing van artikel 8:29 van de Awb gaat om een belangrijke inbreuk op het principe dat beide partijen toegang hebben tot dezelfde stukken (equality of arms). Omdat soms een zaak zich hiervoor evenwel niet leent (bijvoorbeeld omdat de wederpartij(en) er niets zinnigs over kan/kunnen zeggen juist vanwege onbekendheid met het desbetreffende stuk), is dit lid wel als ‘kan’-bepaling geredigeerd.

Artikel 16 De uitnodiging of oproeping voor de zitting

Bij zaken met een streeftermijn van behandeling van 13 weken plant de rechtbank de zitting zo snel mogelijk. Omdat er ook zittingen met andere zaken gepland zullen moeten worden waarin de termijnen minder scherp spelen, is er een differentiatie aangebracht in de regeling verhinderdata.

Artikel 23 Het beroep tegen het niet tijdig nemen of bekendmaken van een besluit met toepassing van afdeling 8.2.4A van de Awb

Het zevende lid

Voor de belastingrechtspraak is in dit lid een uitzonderingsmogelijkheid gehandhaafd In het belastingrecht wordt vaak niet alleen (processueel) op het beroep tegen het niet tijdig beslissen, maar ook op de zaak ten gronde beslist. Dit lid is echter niet dwingend geformuleerd, zodat de belastingrechter dus ook een processuele beslissing op het beroep tegen het niet tijdig beslissen kan nemen.

Artikelen 25 tot en met 46

Voor de vreemdelingrechtelijke categorieën is in elk van de vier hoofdstukken een aantal artikelen van de algemene regeling van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Belangrijk om op te merken is dat in artikel 1 de Dublinzaak en de AA-zaak zijn gedefinieerd als (uitsluitend) de voorlopige-voorzieningzaak in de desbetreffende procedure. Dat wil zeggen dat de samenhangende beroepszaak steeds onder de algemene regeling van de hoofdstukken 1 tot en met 8 valt.

Waar in de hoofdstukken 9 tot en met 12 over de voorlopige-voorzieningzaak, de AA-zaak en de Dublinzaak (de uitnodiging of oproeping voor) de zitting ter sprake komt, zou mogelijk de misvatting kunnen ontstaan dat elke zaak ter zitting wordt behandeld. Dat heeft evenwel te maken met de wijze van regelen, met name omdat in deze hoofdstukken alleen de voorlopige-voorzieningzaak is geregeld. De (rechtbank onderscheidenlijk de) voorzieningenrechter zal zo nodig, toepassing gevend aan artikel 8:54 van de Awb, (de bodemzaak en daarmee samenhangend ook) de voorlopige voorzieningzaak zonder zitting afdoen.

In de hoofdstukken over de vrijheidsontnemende maatregel, de AA-zaak en de Dublinzaak is een regeling voor de ontvangstbevestiging van het beroepschrift van twee werkdagen opgenomen (de artikelen 30, 35 en 41). Op de overige vreemdelingrechtelijke (voorlopige voorziening) zaken is de ‘gewone’ termijn voor de ontvangstbevestiging van een week van toepassing (artikel 25, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid).

Artikel 26 De op de zaak betrekking hebbende stukken

Het tweede lid

Indien een derde-belanghebbende als partij deelneemt aan de procedure zal de griffier zorgdragen voor doorzending van stukken aan die partij, tenzij het bestuursorgaan de voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat het de stukken niet alleen aan de voorzieningenrechter en indiener, maar ook aan de vergunninghouder of andere derde-belanghebbende heeft gezonden.

Artikel 27 De uitnodiging of oproeping voor de zitting

De voorzieningenrechter kan in een vreemdelingenzaak zowel hangende beroep ‘kortsluiten’als hangende bezwaar ‘doorpakken’. In artikel 8:86, tweede lid, van de Awb wordt wel gezegd dat in de uitnodiging voor de zitting wordt meegedeeld dat die mogelijkheid hangende beroep bestaat. Opneming daarvan in de procesregeling is dus niet nodig. Van mededeling in de uitnodiging voor zitting van de bevoegdheid om door te pakken hangende bezwaar is geen wettelijke bepaling aan te wijzen. Daarom is alleen die laatste bevoegdheid genoemd in de procesregeling, artikel 27.

HOOFDSTUK 10 DE VRIJHEIDSONTNEMENDE MAATREGEL

Anders dan in de andere hoofdstukken over vreemdelingenzaken ontbreken hier bepalingen over de zitting. Voor een eerste beroep regelt de wet zelf de termijn (veertien dagen, artikel 94 van de Vw 2000). Voor een vervolgberoep is van belang dat de rechtbank ook buiten toestemming van partijen uitspraak kan doen zonder zitting (artikel 96 van die wet). Verder worden voor deze zaken vaste zittingsdagen gehanteerd, met per zittingsplaats gestelde vaste termijnen.

HOOFDSTUK 11 DE AA-ZAAK

In artikel 35 wordt wel de uitnodiging of oproeping voor de indiener van het verzoekschrift geregeld, maar niet die voor verweerder. Dat neemt niet weg dat verweerder wel tijdig wordt uitgenodigd. Omdat verweerder niet per zaak, maar voor de zitting als geheel wordt uitgenodigd, is een uitnodigingstermijn te moeilijk bepaalbaar voor opneming in de procesregeling.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl