Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2014
Nr. 8920

Gepubliceerd op 31 maart 2014 09:00



Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 maart 2014, nr. 2014-0000018380, tot het opnieuw vaststellen van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers teneinde deze uit te breiden met Asbestose (Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, en 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    asbest:

    stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:

    • a. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4);

    • b. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5);

    • c. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5);

    • d. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5);

    • e. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6);

    • f. crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4);

    asbestose:

    een aandoening die is gekenmerkt door verbindweefseling (longfibrose) van de long als gevolg van asbestblootstelling;

    huisgenoot:

    de persoon met wie de werknemer een duurzaam hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning ten tijde van de blootstelling aan asbest;

    Instituut Asbestslachtoffers:

    Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ‘s-Gravenhage;

    lasten:
    • a. voorschot;

    • b. vergoedingen die door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling;

    maligne mesothelioom:

    door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies als bedoeld in het protocol diagnostiek maligne mesothelioom;

    minister:

    Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    nabestaanden:
    • a. de langstlevende van de echtgenoten;

    • b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

    • c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in gezinsverband leefde;

    productaansprakelijke:

    de producent, bedoeld in artikel 187, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wiens gebrekkig product oorzaak is van de asbestose of het maligne mesothelioom bij de werknemer;

    protocol diagnostiek asbestose:

    protocol diagnostiek asbestose, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    protocol diagnostiek maligne mesothelioom:

    protocol diagnostiek maligne mesothelioom, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;

    SVB:

    Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet SUWI;

    voorschot:

    een uitkering als voorschot op de eventuele vordering op de werkgever op wie de immateriële schade kan worden verhaald;

    werkgever:

    de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de werknemer arbeid in Nederland verricht of het verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    werknemer:

    degene die voor een natuurlijke of rechtspersoon arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    Wet SUWI:

    Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

  • 2. In deze regeling wordt met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner en de persoon die op grond van artikel 1, derde lid, onder a, en vierde tot en met zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet en de daarop berustende bepalingen mede als zodanig wordt aangemerkt.

  • 3. In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Artikel 2. Arbeid op vaartuig

Arbeid die wordt verricht aan boord van schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, wordt ten opzichte van de bemanning aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.

HOOFDSTUK 2. HET RECHT OP EN DE HOOGTE VAN EEN VOORSCHOT IN GEVAL VAN MALIGNE MESOTHELIOOM

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot

De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek maligne mesothelioom de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld heeft recht op een voorschot, indien:

  • a. hij aannemelijk heeft gemaakt dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

  • b. hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 19.201,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

  • c. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onder d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

  • d. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers;

  • e. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

  • f. hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onder d; en

  • g. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onder f.

Artikel 4. Recht op voorschot nabestaanden

De nabestaanden hebben in plaats van de werknemer recht op het voorschot indien de werknemer is overleden:

  • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad; of

  • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad.

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

  • 1. Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een betaling van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 3 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 19.201,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

  • 2. Geen recht op een voorschot bestaat indien de werknemer of diens nabestaanden reeds een:

    • a. voorschot op grond van deze regeling of een betaling als bedoeld in de artikelen 3, onder b, en 10, onder b, van € 19.201,– of hoger van de werkgever of de productaansprakelijke hebben ontvangen;

    • b. voorschot of eenmalige uitkering op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers hebben ontvangen; of

    • c. tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom hebben ontvangen.

Artikel 6. Hoogte voorschot

  • 1. Het voorschot strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 19.201,–.

  • 2. Indien de werkgever of de productaansprakelijke in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 19.201,– of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 19.201,–.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, wordt als maatstaf genomen de hoogte van de betaling nadat daarop de verschuldigde belasting op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 en premies voor de volksverzekeringen op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering zijn gebracht.

Artikel 7. Toepassingsgebied

Deze regeling is, met inachtneming van de artikelen 8 en 9, van overeenkomstige toepassing op huisgenoten.

Artikel 8. Het recht van huisgenoten op het voorschot

In afwijking van artikel 3, onder a, heeft de huisgenoot die op het moment van aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek maligne mesothelioom de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld, recht op een voorschot als bedoeld in artikel 3 indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat:

  • a. er sprake is van een duurzaam hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid;

  • b. de werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is blootgesteld aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer, en

  • c. hij als gevolg hiervan de ziekte maligne mesothelioom heeft opgelopen.

Artikel 9. Beperkingen recht van huisgenoten op het voorschot

Voor de huisgenoot bestaat geen recht op een voorschot indien aan de huisgenoot of diens nabestaanden reeds een voorschot op grond van deze regeling of een betaling als bedoeld in de artikelen 3, onder b, en 10, onder b, van € 19.201,– of hoger door de werkgever of de productaansprakelijke is betaald.

HOOFDSTUK 3. HET RECHT OP EN DE HOOGTE VAN EEN VOORSCHOT IN GEVAL VAN ASBESTOSE

Artikel 10. Voorwaarden recht op een voorschot

De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek asbestose de ziekte asbestose is vastgesteld en waarbij sprake is van een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 en 4 van het protocol diagnostiek asbestose heeft recht op een voorschot, indien:

  • a. hij aannemelijk heeft gemaakt dat de asbestose is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

  • b. hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte asbestose van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 19.201,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

  • c. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onder d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

  • d. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers;

  • e. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

  • f. hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onder d, en

  • g. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onder f.

Artikel 11. Recht op voorschot nabestaanden

De nabestaanden hebben in plaats van de werknemer recht op het voorschot indien de werknemer is overleden:

  • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad; of

  • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad.

Artikel 12. Beperking recht op voorschot

  • 1. Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte asbestose een betaling van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 10 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 19.201,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

  • 2. Geen recht op een voorschot bestaat indien de werknemer of diens nabestaanden reeds een:

    • a. voorschot op grond van deze regeling of een betaling als bedoeld in de artikelen 3, onder b, en 10, onder b, van € 19.201,– of hoger van de werkgever of de productaansprakelijke hebben ontvangen;

    • b. voorschot of eenmalige uitkering op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers hebben ontvangen; of

    • c. tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom hebben ontvangen.

Artikel 13. Hoogte voorschot

  • 1. Het voorschot strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 19.201,–.

  • 2. Indien de werkgever of productaansprakelijke in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte asbestose een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 19.201,– of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 19.201,–.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt als maatstaf genomen de hoogte van de betaling nadat daarop de verschuldigde belasting op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 en premies voor de volksverzekeringen op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering zijn gebracht.

HOOFDSTUK 4. HET GELDEND MAKEN VAN HET RECHT OP HET VOORSCHOT

Artikel 14. De aanvraag om het voorschot

  • 1. De SVB stelt op aanvraag van de werknemer vast of recht op het voorschot bestaat.

  • 2. Een aanvraag om het voorschot wordt bij de SVB ingediend.

  • 3. Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van het voorschot daarbij inbegrepen.

Artikel 15. Overlijden na verzoek tot bemiddeling of aanvraag

  • 1. De behandeling van de aanvraag respectievelijk de behandeling van het verzoek tot bemiddeling en vervolgens de aanvraag worden ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen, indien de werknemer is overleden:

    • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist; of

    • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend.

  • 2. Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

  • 1. De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot in ieder geval de inlichtingen en bewijsstukken die noodzakelijk zijn ter vaststelling van maligne mesothelioom of asbestose.

  • 2. In verband met de voorwaarde dat aannemelijk wordt gemaakt dat het maligne mesothelioom of asbestose is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer verstrekt de werknemer de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot voorts in ieder geval de inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken omtrent:

    • a. de blootstelling aan asbest gedurende het verrichten van arbeid als werknemer;

    • b. de periode gedurende welke die blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden; c. degenen die in verband met de arbeid waarbij de blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt.

  • 3. De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.

  • 4. Indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is dit artikel op hen van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 5. BETALING EN TERUGVORDERING

Artikel 17. Uitbetaling

Het voorschot wordt door de SVB zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de werknemer of de nabestaande, bedoeld in artikel 14, derde lid.

Artikel 18. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1. De SVB herziet een besluit tot toekenning van het voorschot of trekt dat in indien degene aan wie het voorschot is toegekend of de nabestaande hiervan:

    • a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op het voorschot, of

    • b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3, onder c, f en g, 10, onder c, f en g, en 16 niet of niet behoorlijk zijn nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het voorschot.

  • 2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

  • 3. Het voorschot dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie het voorschot is toegekend, of de nabestaande hiervan, teruggevorderd.

Artikel 19. Indexering van bedragen

De in deze regeling genoemde bedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari gewijzigd met het percentage van de wijziging van het wettelijk minimumloon en door of namens de minster bekendgemaakt in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 6. UITVOERING EN FINANCIERING

Artikel 20. Uitvoeringsorgaan

Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Artikel 21. Advies Instituut Asbestslachtoffers

  • 1. De SVB kan over het recht op het voorschot advies vragen aan het Instituut Asbestslachtoffers.

  • 2. De SVB stelt de eisen vast waaraan het advies voldoet en stelt een termijn binnen welke het advies wordt verwacht.

Artikel 22. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

  • 1. De SVB en het Instituut Asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:

    • a. op welke wijze de behandeling van aanvragen van een voorschot plaatsvindt;

    • b. op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;

    • c. op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;

    • d. welke vergoeding door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers zal worden verstrekt;

    • e. op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld onder d, zal worden ingericht;

    • f. dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;

    • g. welke informatie door het Instituut Asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de minister;

    • h. hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.

Artikel 23. Raming baten en lasten

  • 1. Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de minister in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

  • 2. In de opgave van de uitkeringslasten, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de posten genoemd in artikel 25, tweede lid.

Artikel 24. Betaling voorschot

  • 1. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.

  • 2. De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onder a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 23, van:

    • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en

    • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

  • 3. De minister kan, na overleg met de SVB, van de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 25. Afrekening

  • 1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

  • 2. Op de in het eerste lid bedoelde uitkeringslasten komen in mindering:

    • a. de bedragen die op grond van de artikelen 3, onder e en f, en 10, onder e en f, zijn terugbetaald;

    • b. de voorschotten die op grond van artikel 18 zijn teruggevorderd en zijn terugbetaald.

  • 3. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 26. Overgangsrecht

Op een aanvraag voor een eenmalige uitkering of een voorschot ingediend voor 1 april 2014, alsmede op de financiële afwikkeling daarvan, wordt beslist met toepassing van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers zoals die regeling luidde op 31 maart 2014.

Artikel 27. Intrekking Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers

De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers wordt ingetrokken.

Artikel 28. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 21 maart 2014

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1, EERSTE LID, VAN DE REGELING TEGEMOETKOMING ASBESTSLACHTOFFERS 2014

Protocol diagnostiek asbestose

1. Algemeen

  • 1.1 Asbestose is een aandoening gekenmerkt door verbindweefseling (‘fibrose’) van de long in reactie op asbestblootstelling. Asbeststapeling in macrofagen die achterblijven in de longblaasjes en het longweefsel speelt een oorzakelijke rol. De longfibrose kent doorgaans zijn begin rondom de kleinste vertakkingen van de luchtwegen en breidt zich daarna uit in de omliggende longstructuren. Dit geeft aanleiding tot bindweefselvorming, verschrompeling en verlies van elasticiteit van de long. Tevens ontstaat hierdoor een verstoring van het zuurstof opnemend vermogen van de long. Een en ander resulteert in geleidelijk toenemende kortademigheid die kan leiden tot invaliditeit en uiteindelijk tot de dood.

  • 1.2 Asbestose kan alleen ontstaan na intensieve en langdurige blootstelling aan asbest. Intensiteit en duur van de blootstelling zijn beide van belang voor het moment waarop de asbestose zich manifesteert, maar tussen het begin van de blootstelling en het moment waarop de diagnose longfibrose door de behandelend arts is gesteld, verstrijkt in de praktijk tenminste 15 jaar. Er bestaat een verband tussen de cumulatieve blootstellingdosis en de ernst van de aandoening (respons).

  • 1.3 Asbestose is een aandoening die in principe een progressief beloop kent. De snelheid van het ziekteproces en het verlies van longfunctie kunnen echter per individu sterk verschillen.

2. Vaststellen van asbestose

Asbestose is een vorm van longfibrose, ontstaan door blootstelling aan asbest. Voor de diagnose is essentieel dat een longfibrose wordt vastgesteld (zie 2.1 en 2.2) én dat er een significante asbestexpositie is geweest (zie 2.4)

  • 2.1 Longfibrose kan worden vastgesteld door middel van high-resolution computertomografie. Hierbij kunnen in de vroege stadia reticulaire verdichtingen, intralobulaire lijnen, curvilineaire subpleurale lijnen en interlobulaire septale verdikkingen gezien worden, vaak posterobasaal in de long gelocaliseerd. In latere, ernstiger stadia van asbestose is ook sprake van honeycombing, tractie-bronchiectasiën en parenchymateuse fibrotische banden.

  • 2.2 Longfibrose kan worden bevestigd door middel van patholoog anatomisch onderzoek van (open) longbiopten.

  • 2.3 Het nemen van een longbiopt bij patiënten met longfibrose in een gevorderd stadium is een ingreep met hoge kans op complicaties. Omdat er geen behandeling bestaat die bij asbestose werkzaam is, wordt een biopsie bij leven niet verantwoord geacht als het gaat om het bevestigen van de diagnose uitsluitend ten behoeve van de aanvraag bij het IAS.

  • 2.4 Vaststellen asbestblootstelling

    Een vermeende asbestblootstelling wordt ten behoeve van een aanvraag bij het Instituut Asbestslachtoffers vastgesteld aan de hand van een arbeidsanamnese.

Arbeidsanamnese: vaststellen intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig. De vermeende asbestblootstelling kan allereerst worden vastgesteld door middel van een historisch onderzoek naar de blootstelling aan asbest. Hierin dient te worden vastgesteld dat betrokkene als werknemer of anderszins beroepsmatig langdurig en intensief aan asbest is blootgesteld. De Gezondheidsraad adviseert in haar advies inzake asbestose (1999) een ondergrens van vijf vezeljaren aan te houden.

De beoordeling van deze voorwaarde vindt plaats conform bijlage E: Risicomatrix van het protocol asbestziekten: asbestose van de Gezondheidsraad (1999). De matrix bepaalt hoeveel jaar bepaalde werkzaamheden moeten zijn verricht of gewerkt moet zijn in een bepaald beroep om de blootstellingsdrempel voor asbestose te overschrijden1.

Om de blootstellingsdrempel te bepalen worden allereerst de werkzaamheden of het beroep van de betrokkene ingedeeld in één van de genoemde werkzaamheden en beroepen in de matrix. Vervolgens moet worden bepaald in welke kalenderjaren de betrokkene is blootgesteld. Aan de hand van deze twee factoren kan in de tabel worden afgelezen welke blootstellingsdrempel van toepassing is. Indien de aanvrager niet gedurende het gehele kalenderjaar voltijds (minimaal 36 uur per week) werkzaam was, maar in deeltijd werkte of slechts een gedeelte van het jaar heeft gewerkt dan wordt dat kalenderjaar slechts gedeeltelijk meegeteld bij de beoordeling of is voldaan aan de blootstellingsdrempel. Het equivalent van 1 jaar blootstelling in voltijd kan dan worden bereikt door de blootstellingsduren in verschillende jaren bij elkaar op te tellen. Het equivalent van 1 jaar blootstelling in voltijd wordt bereikt als iemand in totaal 12 maanden is blootgesteld tijdens zijn arbeid. Hierbij geldt, indien nodig, dat 1 maand gelijk is aan 4 weken of 20 dagen.

Als de betrokkene minimaal is blootgesteld aan de volgens de matrix vastgestelde blootstellingsdrempel wordt voldaan aan de voorwaarde. Indien betrokkene niet aan deze voorwaarden voldoet, komt hij niet in aanmerking voor voorschot en bemiddeling. In de situatie waarin het beroep van betrokkene of diens werkzaamheden niet te koppelen zijn aan de risicomatrix kan niet worden vastgesteld dat betrokkene aan deze voorwaarde voldoet. Het Nederlands Asbestose Panel (NAP – voor toelichting zie art. 4.2) is bevoegd om in het geval waarin op basis van de arbeidsanamnese wel duidelijk sprake is geweest van intensieve en langdurige asbestblootstelling te oordelen dat aan de blootstellingsdrempel is voldaan.

  • Tussen het begin van de blootstelling en het moment waarop de diagnose longfibrose door de behandelend arts is gesteld, verstrijkt in de praktijk tenminste 15 jaar.

  • Het Instituut Asbestslachtoffers voert dit onderzoek uit en concludeert of op basis van bovenstaande beoordelingsmethodiek sprake is van intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig.

3. Vaststelling van de ernst van de stoornis van de longfunctie

De ernst van de beperkingen die een aanvrager ondervindt als gevolg van de asbestose dient te worden vastgesteld.

  • 3.1 De beoordeling van de ernst van de stoornis van de longfunctie geschiedt aan de hand van longfunctieonderzoek. Het gaat hierbij om de vitale capaciteit (FVC), de maximale expiratoire 1-seconde waarde (FEV1), de diffusiecapaciteit en inspanningsonderzoek (fietsergometrie) ter bepaling van de maximale zuurstofopnamecapaciteit (VO2-max).

  • 3.2 De ernst van het functieverlies door de aandoening wordt geclassificeerd volgens de normen van de American Medical Association (AMA) en beschreven in hun ‘Guides to the evaluation of permanent impairment’, 6de editie, 2008. Daarbij onderscheidt de AMA 5 klassen gebaseerd op de longfunctiebeperkingen. De voor de asbestose meest relevante longfunctieparameters dienen in de beoordeling van de ernst van de asbestose leidend te zijn bij de beoordeling van de klasse waarbinnen de longfunctiebeperking valt (conform de aanbevelingen van de AMA).Voor asbestose zijn dat de vitale capaciteit (FVC), de CO-diffusie (DLCO) en de VO2max. De parameter met het laagste percentage bepaalt de klasse waarin de patiënt valt.

    Klasse

    0

    1

    2

    3

    4

    FVC1

    ≥ 80%

    70–79%

    60–69%

    50–59%

    <50%

    DLCO1

    ≥ 75%

    65–74%

    55–64%

    45–4%

    <45%

    VO2 max (ml/kg/min)

    >25

    22–25

    18–21

    13–17

    <15

    X Noot
    1

    de gegeven percentages zijn percentage van de voor leeftijd, lengte en geslacht voorspelde normaalwaarden.

  • 3.3 Relatie longfunctiebeperking met asbestose. Het Nederlands Asbestose Panel (NAP) dient bij iedere beoordeling aan te geven of de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak is van de longfunctiebeperking. Het NAP bestudeert de klinische gegevens en geeft aan of, naar haar mening, de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak is van het longfunctieverlies.

4. Procedure met betrekking tot de diagnose asbestose en de vaststelling van het longfunctieverlies

  • 4.1 Aanvragers bij het Instituut Asbestslachtoffers zullen worden gevraagd om een ‘medische machtiging’. Na ontvangst neemt de medisch adviseur van het IAS contact op met de behandelend longarts ter verkrijging van de relevante informatie vanuit het medisch dossier en de radiologie- en pathologieonderzoeken van betrokkene.Dit houdt tenminste in: een brief van de behandelend specialist, verslag(en) van de beeldvormende diagnostiek samen met de beeldvorming op CD-ROM, de longfunctie-onderzoeken en de inspanningsergometrie, en verslag van het histologisch en/of cytologisch onderzoek van de long. Het IAS levert dit materiaal aan het Nederlands Asbestose Panel (NAP) samen met de conclusie van het arbeidshistorisch onderzoek.

  • 4.2 Deskundigen uit de werkgroepen mesotheliomen en interstitiële longziekten van de longartsenvereniging NVALT vormen het Nederlands Asbestose Panel (NAP) dat de beoordelingen voor het IAS zal verrichten. De aanvraag zal door drie van de panelleden onafhankelijk van elkaar worden beoordeeld. Hen zal gevraagd worden de volgende vragen met ja/nee te beantwoorden:

    • 1. Is er sprake van longfibrose: ja/nee

    • 2. Is de asbestblootstelling de meest waarschijnlijke oorzaak van de longfibrose: ja/nee

    • 3. Is er longfunctieverlies: ja/nee

    • 4. Is de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak van het longfunctieverlies: ja/nee

    Indien alle vragen met ja zijn beantwoord zal het panellid aangeven hoe groot het longfunctieverlies is. Indien de meerderheid van de beoordelaars alle vragen met ja hebben beantwoord zal het Nederlands Asbestose Panel (NAP) het IAS de diagnose asbestose bevestigen met de bijbehorende AMA-klasse. Bij complexe casuïstiek houdt het panel zich het recht voor om haar conclusie te formuleren tijdens een plenaire vergadering van het panel. Uiteindelijk kan aan de hand van het longfunctieverlies het functieverlies volgens de AMA-klasse worden bepaald.

  • 4.3 Indien de behandelend longarts een aanzienlijke verslechtering van de longfunctie constateert, die naar verwachting leidt tot indeling in een hogere AMA-klasse, kan de aanvrager een verzoek indienen voor herbeoordeling. In dit geval neemt de medisch adviseur op basis van een nieuwe ‘medische machtiging’ opnieuw contact op met de behandelend longarts ter verkrijging van het bijgestelde medisch dossier. Indien uit het medisch dossier blijkt dat van een toename van de stoornis sprake is, beoordeelt het Nederlands Asbestose Panel (NAP) aan de hand van longfunctieonderzoek of betrokkene in een andere klasse moet worden geplaatst.

5. Medische informatieverstrekking

  • 5.1 De werkgever of diens verzekeraar kan zonder toestemming van de aanvrager geen aanspraak maken op een afschrift van het verslag van de medisch adviseur, noch van het Nederlands Asbestose Panel (NAP).

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1, EERSTE LID, VAN DE REGELING TEGEMOETKOMING ASBESTSLACHTOFFERS 2014

Protocol diagnostiek maligne mesothelioom

1. Algemeen

  • 1.1 Het maligne mesothelioom is een meestal snel dodelijk verlopend kwaadaardig proces dat primair uitgaat van een sereus vlies (weivlies) van het lichaam. Meestal gaat het hierbij om het longvlies (pleuraal maligne mesothelioom) doch het komt ook voor dat de ziekte uitgaat van het buikvlies (peritoneaal maligne mesothelioom) of, veel zeldzamer, het hartzakje (pericard) en het sereuze vlies van de teelbal (tunica vaginalis).

    Een relatie met beroepsmatige asbestcontacten is in het merendeel van de gevallen waarschijnlijk.

    De latentietijd tussen de blootstelling aan vrije asbestvezels en het zich ontwikkelen van het maligne mesothelioom is vrijwel altijd langer dan twintig jaar en bedraagt in de regel tussen de dertig en veertig jaar, doch ook een langere latentietijd, tot zeventig jaar, is waargenomen. Een latentietijd van minder dan vijftien jaar is uitzonderlijk.

  • 1.2 Het maligne mesothelioom is niet gekenmerkt door een specifiek symptomen-complex. Noch symptomatologie, lokalisatie, radiologisch beeld of klinisch beloop maken het mogelijk het maligne mesothelioom te onderscheiden van andere oorzaken.

    Hierdoor kan de diagnostiek problematisch zijn. Zo is het maligne mesothelioom in een aantal gevallen moeilijk te onderscheiden van (uitzaaiingen van) andere tumoren en bepaalde goedaardige aandoeningen.

    De grootst mogelijke zekerheid met betrekking tot de diagnose wordt verkregen door middel van histologisch onderzoek. In enkele gevallen kan met cytologisch onderzoek voldoende zekerheid verkregen worden.

2. Procedure met betrekking tot het onderzoek naar de diagnose

  • 2.1 Bij alle patiënten die mogelijk lijden aan de ziekte maligne mesothelioom en die zich gemeld hebben bij het Instituut asbestslachtoffers wordt door de medisch adviseur van het Instituut bij het Nederlands Mesotheliomenpanel (verder te noemen: NMP) geïnformeerd of reeds om een klinisch-pathologische beoordeling door het NMP is gevraagd. Indien dit zo is dan verzoekt de medisch adviseur van het instituut om een bevestiging van het oordeel van het NMP. Er vindt geen nieuw klinisch-pathologisch onderzoek plaats door het NMP tenzij er argumenten zijn op grond waarvan een nieuw of aanvullend onderzoek toch gerechtvaardigd kan worden. In dit laatste geval verzamelt de medisch adviseur, indien nodig, de relevante medische informatie zoals genoemd in punt 2.2.

  • 2.2 Indien het NMP niet in het kader van de behandeling een klinisch-pathologisch onderzoek heeft uitgevoerd, dan verzamelt de medisch adviseur van het instituut de relevante informatie, te weten:

    • de relevante klinische informatie over het ziekteproces. Dit houdt tenminste in een brief van de behandelend specialist en verslag(en) van de beeldvormende diagnostiek;

    • (zo mogelijk) de verslagen van de klinisch-patholoog, de coupes en de paraffineblokjes die betrekking hebben op de diagnose (het klinisch-pathologisch materiaal).

De volgende situaties kunnen worden onderscheiden:

  • a. Er is wel een klinisch-pathologisch onderzoek uitgevoerd doch daarbij is het NMP niet betrokken.

    Het NMP voert een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien het NMP over onvoldoende materiaal beschikt voor een betrouwbare diagnostiek dan meldt het NMP dit aan de medisch adviseur van het instituut. De medisch adviseur benadert de behandelend arts met de vraag of er aanvullend materiaal is of alsnog kan worden verkregen. Is dit het geval dan wordt het materiaal aan het NMP gezonden voor nader onderzoek. Indien geen aanvullend materiaal verkregen kan worden dan beoordeelt de medisch adviseur of op basis van de beschikbare medische gegevens een expert-beoordeling door een expertgroep van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (verder te noemen: NVALT) is aangewezen.

    Is dit naar de mening van de medisch adviseur het geval dan worden de beschikbare gegevens naar de expertgroep van de NVALT gezonden.

    Is dit naar de mening van de medisch adviseur van het instituut niet het geval dan staat de diagnose maligne mesothelioom onvoldoende vast.

  • b. Er is geen klinisch-pathologisch onderzoek uitgevoerd.

    De medisch adviseur van het instituut beoordeelt of op basis van de beschikbare medische gegevens er voldoende aanleiding is om een nader onderzoek in te stellen.

    Indien dit het geval is dan benadert de medisch adviseur van het instituut de behandelend arts met de vraag of er materiaal voor een klinisch-pathologisch onderzoek beschikbaar gesteld kan worden.

    Is dat het geval dan zendt de medisch adviseur het materiaal ter beoordeling door naar het NMP en voert deze een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien er onvoldoende materiaal is voor een betrouwbaar klinisch-pathologisch onderzoek dan meldt het NMP dit aan de medisch adviseur. De medisch adviseur benadert de behandelend arts met de vraag of er aanvullend materiaal is of alsnog kan worden verkregen. Is dit het geval dan wordt het materiaal aan het NMP gezonden en voert deze alsnog een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien geen (aanvullend) materiaal verkregen kan worden dan beoordeelt de medisch adviseur of op basis van de beschikbare medische gegevens een beoordeling door de expertgroep van de NVALT is aangewezen.

    In het geval dat de medisch adviseur geen aanleiding heeft om een nader onderzoek in te stellen dan staat de diagnose maligne mesothelioom onvoldoende vast.

3. Procedure met betrekking tot het histologisch en cytologisch onderzoek door het NMP

  • 3.1 Wanneer reeds in het kader van de behandeling door het NMP een klinisch-pathologisch onderzoek was uitgevoerd dan wordt door het NMP binnen twee weken na ontvangst van het verzoek van de medisch adviseur het resultaat van het eerdere onderzoek medegedeeld indien er geen argumenten zijn voor een nieuw onderzoek.

  • 3.2 In de overige gevallen waarin het NMP door de medisch adviseur van het instituut wordt ingeschakeld stelt het NMP binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een voorlopig verslag op. Het voorlopig verslag heeft de opbouw van een standaard pathologieverslag bestaande uit:

    • de klinische gegevens;

    • een beschrijving van de macroscopie;

    • een beschrijving van de microscopie met daarin argumentatie voor de gestelde diagnose;

    • een voorlopige conclusie. Hierin wordt aangegeven of het gaat om een maligne mesothelioom (zeker of waarschijnlijk); of een maligne mesothelioom zeker of waarschijnlijk is uitgesloten; of er sprake is van onvoldoende materiaal voor een betrouwbare diagnostiek.

  • 3.3 Het voorlopig verslag wordt door het NMP toegestuurd aan het inzendende pathologielaboratorium en het Instituut asbestslachtoffers.

  • 3.4 Indien uit het voorlopig verslag van het NMP blijkt dat er zeker of waarschijnlijk sprake is van een maligne mesothelioom dan zal het Instituut Asbestslachtoffers een onderzoek beginnen naar het arbeidsverleden.

  • 3.5 Indien uit het voorlopig verslag blijkt dat het ingezonden materiaal onvoldoende basis biedt voor een betrouwbare diagnostiek dan zal het NMP dit melden aan de medisch adviseur van het instituut. De medisch adviseur zal beoordelen welke verdere procedure gevolgd moet worden.

  • 3.6 Het NMP komt (gemiddeld) eens in de twee maanden bijeen waarbij alle gevallen die in de daaraan voorliggende periode aan het NMP zijn voorgelegd worden beoordeeld. Deze beoordeling zal tenminste geschieden door drie leden van het panel.

    Het panel spreekt in de gevallen een definitieve conclusie uit.

  • 3.7 De definitieve conclusie wordt binnen vier werkdagen na de bijeenkomst van het NMP toegestuurd aan het inzendende pathologielaboratorium en naar het Instituut Asbestslachtoffers.

4. Beoordeling van het histologisch en cytologisch onderzoek door het NMP

  • 4.1 Bij de definitieve conclusie van het NMP zijn er de volgende categorieën:

    • I. Maligne mesothelioom. Er is geen twijfel over de diagnose;

    • II. Past bij een maligne mesothelioom. Er is enige twijfel doch het beeld past het meest bij een maligne mesothelioom. In de microscopie zal worden toegelicht waardoor de twijfel werd veroorzaakt;

    • III. Geen zekerheid. Er is een differentiaaldiagnose; in de microscopie wordt toegelicht waarop de onzekerheid met betrekking tot de diagnose berust en wat de andere mogelijkheden zijn;

    • IV. Geen maligne mesothelioom. Er is een andere diagnose;

    • V. Er is te weinig materiaal voor een betrouwbare diagnostiek.

  • 4.2 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorieën I. of II. staat de medische diagnose in voldoende mate vast.

  • 4.3 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorieën III. of IV. staat de medische diagnose in onvoldoende mate vast.

  • 4.4 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorie V. wordt door de medisch adviseur van het instituut bezien of een oordeel van de expertgroep van de NVALT is geïndiceerd. Is dat het geval dan worden de beschikbare medische gegevens doorgezonden naar de expertgroep van de NVALT. Is dat niet het geval dan staat de diagnose maligne mesothelioom in onvoldoende mate vast.

5. Procedure met betrekking tot het expertoordeel van de NVALT

  • 5.1 De expertgroep van de NVALT bestaat uit de leden van de Mesotheliomenwerkgroep.

  • 5.2 Door een van de leden van de expertgroep van de NVALT zal binnen twee weken na ontvangst van de stukken die zijn toegezonden door de medisch adviseur van het instituut een voorlopige conclusie worden gezonden naar de medisch adviseur van het instituut. Indien daaruit blijkt dat een maligne mesothelioom waarschijnlijk geacht kan worden dan zal het instituut een onderzoek instellen naar het arbeidsverleden.

  • 5.3 De expertgroep van de NVALT zal binnen een periode van twee maanden de gevallen beoordelen. Deze beoordeling zal tenminste geschieden door drie leden van de expertgroep.

    De expertgroep spreekt in deze gevallen een definitieve conclusie uit.

  • 5.4 Indien de expertgroep van de NVALT de diagnose maligne mesothelioom bevestigt dan staat de medische diagnose in voldoende mate vast.

  • 5.5 De definitieve conclusie wordt binnen twee werkdagen na de bijeenkomst van de expertgroep van de NVALT toegestuurd naar het Instituut Asbestslachtoffers.

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Sinds 26 januari 2000 is de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS-regeling) van kracht. Deze regeling is bedoeld voor (ex) werknemers en hun huisgenoten die als gevolg van het werken met asbest de ziekte maligne mesothelioom hebben ontwikkeld. Deze ziekte wordt ook wel longvlieskanker of borstvlieskanker genoemd. De regeling heeft tot doel mensen met maligne mesothelioom een financiële tegemoetkoming te bieden voor de immateriële schade die zij hebben als gevolg van hun ziekte. Achtergrond van de regeling is dat het slachtoffer zelf bij leven de maatschappelijke erkenning moet kunnen verkrijgen. Daarom kan zowel een tegemoetkoming worden verkregen door mensen met een niet-verhaalbare vordering als door mensen met een verhaalbare vordering op de (ex) werkgever. Zo wordt gekomen tot een snelle uiting van maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van slachtoffers die door blootstelling aan asbest in hun verleden als werknemer of als huisgenoot van een werknemer maligne mesothelioom hebben ontwikkeld. Met de voorliggende regeling wordt het ook voor werknemers die als gevolg van de blootstelling aan asbest de ziekte asbestose hebben ontwikkeld mogelijk om in aanmerking te komen voor een voorschot. Vanwege de omvangrijke wijzigingen die dit met zich meebrengt is ervoor gekozen de bestaande regeling in zijn geheel te vervangen door een nieuwe. In de hierop volgende toelichting op de voorliggende regeling is gebruik gemaakt van toelichtingen bij de bestaande regeling en latere wijzigingen daarin.

Historie

In de aanloop naar de totstandkoming van de regeling in 2000 werd onderkend dat het voor mensen die ziek zijn als gevolg van werken met asbest vaak een ingewikkeld en langdurig proces is om de schade daarvan vergoed te krijgen van werkgevers. Het voeren van een civiele procedure is voor asbestslachtoffers ook een zware emotionele belasting omdat ze hiernaast de lasten hebben te dragen van hun ernstige ziekte (in geval van maligne mesothelioom komen de meeste slachtoffers binnen één jaar na het vaststellen van de diagnose te overlijden). Daarnaast bleek in een niet verwaarloosbaar aantal gevallen een vordering te falen, omdat het aansprakelijkheidsrecht geen soelaas biedt (onvindbare/failliete werkgever of verstrijken van de verjaringstermijn). Vanwege deze redenen hebben georganiseerde asbestslachtoffers gepleit voor de instelling van een asbestfonds als oplossing voor de juridische lijdensweg. Mede op aandrang destijds van de Tweede Kamer ontstond er een overleg over de mogelijkheden voor het oplossen van de schrijnende problematiek van asbestslachtoffers tussen de meest betrokken partijen: werkgeversorganisaties, vakbeweging, asbestslachtoffers, verzekeraars en overheid. Dit resulteerde op voorstel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een opdracht aan prof. mr. J. de Ruiter (oa voormalig minister van Justitie en Defensie) om een advies op te stellen. Dit advies is uitgebracht op 24 maart 1997. Om de procesgang van slachtoffers met een verhaalbare vordering te bespoedigen adviseerde prof. mr. J. de Ruiter te komen tot een instituut ter afhandeling van schadeclaims van asbestslachtoffers.

Het convenant Instituut Asbestslachtoffers

Naar aanleiding van het advies van prof. mr. J de Ruiter werd een convenant gesloten tussen vertegenwoordigers van het Comité Asbestslachtoffers, FNV, CNV, VNO-NCW, MKB Nederland, LTO Nederland, Verbond van Verzekeraars, Verbond Sectorwerkgevers Overheid en de Ministeries van SZW en (toenmalig) Justitie. In het convenant zijn afspraken gemaakt over het op te richten Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Doel van dit instituut was en is te bewerkstelligen dat er snel een schikking wordt getroffen tussen werkgevers/verzekeraar en asbestslachtoffers met maligne mesothelioom om hun schade vergoed te krijgen. Ook zijn in het convenant afspraken gemaakt over de hoogte van de schadevergoeding die moet worden betaald door de verantwoordelijke werkgever aan de (ex) werknemer die maligne mesothelioom heeft gekregen als gevolg van het werken met asbest. De genoemde convenantpartijen stimuleren werkgevers, verzekeraars en slachtoffers om gebruik te maken van de diensten van het instituut. Indien een werkgever of slachtoffer niet kiest voor bemiddeling door het IAS, dan staat de normale rechtsgang open.

TAS-regeling

Tegelijkertijd met het convenant is de TAS-regeling in het leven geroepen. De regeling uit 2000 voorzag in een tegemoetkoming voor asbestslachtoffers met een niet-verhaalbare vordering. Wat betreft deze asbestslachtoffers met een niet-verhaalbare vordering moet worden gedacht aan die gevallen, waarin de werkgever failliet of onvindbaar is, en aan de gevallen waarin de verjaringstermijn is verstreken. De regering meende de asbestslachtoffers met een niet-verhaalbare vordering een financiële tegemoetkoming in de geleden immateriële schade toe te moeten kennen. Daarbij werd gesteld dat deze niet mocht worden beschouwd als een vergoeding van de schade die zou zijn verkregen als de voormalige werkgever nog wel aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. De overheid neemt niet de aansprakelijkheid van de voormalige werkgever over. De eenmalige tegemoetkoming in de immateriële schade van asbestslachtoffers met een niet-verhaalbare vordering moet worden beschouwd als een uiting van maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van de asbestslachtoffers. Deze tegemoetkoming werd pas toegekend als de civiele procedure om de schade te verhalen op de vroegere werkgever mislukt was.

Wijzigingen

Per 1 januari 2003 is de TAS-regeling gewijzigd zodat mensen met een verhaalbare vordering ook een uitkering kunnen krijgen in de vorm van een voorschot op de nog op de werkgever te verhalen schadevergoeding. De gedachte hierachter is dat zonder de mogelijkheid van een voorschot het meestal niet mogelijk is om mensen nog tijdens hun leven een geldelijke erkenning te geven van de immateriële schade die zij hebben als gevolg van hun ziekte. Het kan namelijk lang duren voor het komt tot een schikking tussen partijen of een uitspraak van de rechter. Per 1 juli 2003 is de TAS-regeling zodanig aangepast dat ook huisgenoten van werknemers die met asbest hebben gewerkt en als gevolg van het contact met die werknemer maligne mesothelioom hebben ontwikkeld in aanmerking kunnen komen voor een voorschot of eenmalige tegemoetkoming.

Uitbreiding van de regeling met asbestose

Vanaf de totstandkoming van de TAS-regeling in 2000 is er discussie geweest over de vraag of de ziekte asbestose ook onder de werking van het convenant en de TAS-regeling moest komen. In een brief van 21 december 2005 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 25 834, nr. 36) heeft toenmalig Staatssecretaris van Hoof aangegeven, dat wanneer de convenantpartijen consensus zouden bereiken over het uitbreiden van het Convenant met (ex) werknemers met de ziekte asbestose, ook de TAS-regeling uitgebreid zou worden hiermee. De convenantpartijen hebben in 2011 deze consensus bereikt en dit heeft in december 2013 geresulteerd in een uitbreiding van het convenant. De convenantpartijen hebben onder andere afspraken gemaakt over de hoogte van de immateriële schadevergoeding indien sprake is van asbestose. In navolging van de uitbreiding van het convenant wordt de TAS-regeling nu ook uitgebreid met asbestose. Met het in werking treden van deze (voorliggende) regeling zal het IAS ook asbestslachtoffers met asbestose bijstaan in de bemiddeling met de (voormalige) werkgever.

Toelichting nieuwe regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014

Aan de bestaande TAS-regeling wordt een nieuw hoofdstuk 3 toegevoegd waarin regels met betrekking tot een voorschot in geval van asbestose worden opgenomen. Dit hoofdstuk sluit qua systematiek aan op de bestaande regels met betrekking tot een voorschot in geval van maligne mesothelioom. Ook bij asbestose functioneert de TAS-regeling als een vangnetregeling, waarbij de aansprakelijkheid van de (voormalige) werkgever voorop staat. Dat betekent dat mensen met een niet-verhaalbare vordering een tegemoetkoming kunnen krijgen en mensen met een verhaalbare vordering een voorschot op deze vordering kunnen krijgen. De praktijk van de huidige regeling leert dat van tevoren niet duidelijk is of de vordering wel of niet verhaalbaar zal zijn. Daarom wordt in de praktijk altijd een voorschot verleend en nooit een tegemoetkoming. Om deze reden wordt in de voorliggende regeling alleen nog voorzien in het verlenen van een voorschot. Deze wijziging heeft voor asbestslachtoffers geen praktische gevolgen omdat de hoogte van het bedrag van een voorschot of tegemoetkoming gelijk was. Het voorschot in de nieuwe regeling moet worden beschouwd als een tegemoetkoming in de opgelopen schade wanneer uiteindelijk blijkt dat het niet is gelukt om via de civiele procedure een schadevergoeding te krijgen. Een voorschot kan nooit worden beschouwd als een vervanging voor de schadevergoeding van de werkgever. Met enkele voorwaarden in de regeling voor voorschotverlening, zoals de verplichte medewerking van het slachtoffer in het vervolgtraject, wordt ingezet op het verhalen van de schade bij de primair aansprakelijke werkgever. Als van de werkgever een schadevergoeding wordt ontvangen dan moet het voorschot aan de uitvoerder van de regeling, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) worden terugbetaald.

Maligne mesothelioom én asbestose

Het verschil tussen de nieuwe en de huidige regeling is dat ook asbestslachtoffers met asbestose tot de doelgroep gaan behoren. Recht op een voorschot hebben werknemers bij wie met toepassing van het betreffende protocol asbestose (bijlage 1) en/of maligne mesothelioom (bijlage 2) is vastgesteld. Zowel bij maligne mesothelioom als bij asbestose moet de ziekte opgelopen zijn vanwege blootstelling als werknemer aan asbest. Asbestslachtoffers moeten daarom naar vermogen aantonen in de uitoefening van hun werkzaamheden aan asbest te hebben blootgestaan. Het is aan het slachtoffer om daarvoor het nodige bewijsmateriaal te overleggen, zoals dat ook dient te gebeuren in een civiele procedure. Door inzicht te verschaffen in zijn arbeidsverleden kan het asbestslachtoffer aannemelijk maken dat blootstelling aan asbest als werknemer heeft plaatsgevonden. Een (ex) werknemer of diens nabestaande(n) heeft slechts één keer recht op een voorschot. Dus iemand kan bijvoorbeeld niet voor asbestose een voorschot krijgen als voor maligne mesothelioom al een voorschot is ontvangen.

Maligne Mesothelioom

Het maligne mesothelioom wordt in meer dan 80% van de gevallen veroorzaakt door blootstelling aan asbest. In de overige 20% is de oorzaak niet bekend. Dat kan zijn omdat de blootstelling aan asbest niet is aan te tonen of omdat er mogelijk andere – spontane – oorzaken aan het ontstaan van het maligne mesothelioom ten grondslag liggen. De diagnostiek van het maligne mesothelioom vereist grote deskundigheid en ervaring. Het Nederlands Mesotheliomen Panel beschikt over de deskundigheid en ervaring om de behandelend arts te adviseren over de waarschijnlijkheid van de diagnose, indien hij de aanwezigheid van een maligne mesothelioom bij een patiënt vermoedt. De diagnose kan worden gesteld zonder kennis te hebben van een mogelijke blootstelling aan asbest. Het proces voor het vaststellen van maligne mesothelioom is beschreven in het bij deze regeling behorend medisch protocol (bijlage 2). Wanneer een mesothelioom wordt gediagnosticeerd is therapie niet mogelijk. De gemiddelde overlevingsduur van patiënten met het maligne mesothelioom is één jaar.

Asbestose

Asbestose kan alleen ontstaan na intensieve en langdurige blootstelling aan asbest. Intensiteit en duur van de blootstelling zijn beide van belang voor het moment waarop de asbestose zich manifesteert, maar tussen het begin van de blootstelling en het optreden van de ziekte (latentietijd) verstrijkt in de praktijk altijd tenminste 15 jaar. Anders dan bij maligne mesothelioom is het voor asbestose nodig om vast te stellen of iemand intensief en langdurig is blootgesteld aan asbest en er om die reden sprake is van longfibrose. Het onderzoek naar de blootstelling aan asbest als werknemer wordt uitgevoerd door het IAS. Het proces voor het vaststellen van asbestose is beschreven in het bij deze regeling behorend medisch protocol (bijlage 1). Het Nederlands Asbestose Panel (NAP), een expertgroep van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) zal middels dit medisch protocol vaststellen of sprake is van asbestose en zal de ernst van het longfunctieverlies vaststellen. Pas als sprake is van een bepaalde mate van longfunctieverlies kan recht bestaan op een voorschot. Ook dit is beschreven in het medisch protocol.

Huisgenoten

Huisgenoten die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom komen ook in aanmerking voor bemiddeling en een voorschot. Het gaat dan vooral om echtgenotes die blootgesteld zijn aan asbeststof via de werkkleding van de werknemer die met asbest heeft gewerkt. Huisgenoten kunnen geen voorschot krijgen als zij asbestose hebben. Dat is omdat asbestose alleen kan ontstaan na langdurige en intensieve blootstelling. Aangenomen wordt daarom dat dit bij huisgenoten niet voorkomt, omdat deze groep zelf niet direct met asbest in aanraking is gekomen. Om als huisgenoot met maligne mesothelioom in aanmerking te komen voor een voorschot dient aannemelijk te worden gemaakt dat mesothelioom is ontwikkeld als gevolg van het contact in de thuissituatie met de werknemer die tijdens werk is blootgesteld aan asbest. Hierbij zal het gaan om blootstelling via de kleding van de werknemer waarin deze met asbest heeft gewerkt. Het voorschot wordt niet verleend in andere situaties zoals die waarin de werknemer asbesthoudende producten mee naar huis heeft genomen. Het moet gaan om huisgenoten waarmee een duurzaam hoofdverblijf is gedeeld ten tijde van de blootstelling aan asbest. Een familierelatie is niet vereist. Onder duurzaam wordt verstaan dat er sprake moet zijn van een periode van minimaal zes maanden waarin de huisgenoot het gezamenlijk hoofdverblijf had met de werknemer, ten tijde van de periode waarin de werknemer in de arbeid is blootgesteld aan asbest. In uitzonderingsgevallen kan deze periode korter zijn. Het duurzaam hoofdverblijf ten tijde van de asbestblootstelling van de werknemer tijdens diens arbeid, dient door het slachtoffer aannemelijk te worden gemaakt. Een enkele verklaring van het slachtoffer volstaat daarvoor niet. Het slachtoffer zal aanvullende gegevens dienen te verstrekken waaruit het duurzaam gezamenlijk hoofdverblijf aannemelijk wordt. Te denken valt bijvoorbeeld aan relevante gegevens uit de gemeentelijke registers.

Algemene procedure voor de aanvraag en toekenning van het voorschot

Het gaat in deze regeling om de erkenning van het leed van het slachtoffer zelf en niet van diens nabestaande(n). Essentieel is daarom dat het slachtoffer zich bij leven aanmeldt bij het IAS. Vervolgens bereidt het slachtoffer met het IAS een aanvraag voor een voorschot voor. Het IAS begeleidt het slachtoffer in de procedure die leidt tot de aanvraag voor het voorschot. Het slachtoffer dient de aanvraag ook bij leven bij de SVB in te dienen. Het IAS adviseert de SVB over de verstrekking van het voorschot. Dit advies is gebaseerd op de conclusie van het NAP of sprake is van asbestose en als dit het geval is in welke mate er sprake is van longfunctieverlies. Voor de doelgroep huisgenoten met maligne mesothelioom is een apart protocol vastgesteld. In de verschillende protocollen staan de stappen beschreven die het IAS moet doorlopen zodat het slachtoffer tot een aanvraag kan komen en het IAS tot een advies over deze aanvraag. De SVB toetst na ontvangst van de aanvraag of de aanvraag volledig is en of het IAS alle in het protocol beschreven stappen heeft doorlopen. De SVB toetst procedureel. Als het voorschot door de SVB wordt toegekend – wat een aparte, zelfstandige beschikking van de SVB is – gaat het IAS onderzoeken of een voormalige werkgever van de werknemer aansprakelijk is en op basis van de stand van de jurisprudentie terzake bemiddelen tussen slachtoffer en werkgever.

Bewijsstukken en recht op voorschot nabestaanden

In artikel 16, tweede lid, is een aantal gegevens en bewijsstukken opgesomd die bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overgelegd. Het betreft hier gegevens en bewijsstukken die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen in hoeverre wordt voldaan aan het recht op een voorschot. Overigens zijn deze gegevens veelal ook in een procedure volgens burgerlijk recht vereist indien de werknemer schadevergoeding van de werkgever vordert in verband met asbestschade. De werknemer zelf is de eerst aangewezene om de betreffende gegevens en bewijsstukken te verzamelen en te overleggen. In de praktijk wordt hierin vaak hulp geboden door het IAS. Het kan voorkomen dat niet alle gegevens die nodig zijn voor de behandeling, op tijd kunnen worden geleverd. In verband met de slechte gezondheidstoestand van de werknemer kan het zijn dat uitstel van de indiening van de aanvraag voor een tegemoetkoming in afwachting van het beschikbaar komen van de betreffende gegevens, er toe zou leiden dat de betreffende gegevens pas na het overlijden van de werknemer beschikbaar komen en de nabestaanden in dat geval geen aanspraak meer zouden kunnen maken op de uitkering. De aanvraag voor een voorschot moet immers bij leven worden ingediend. Om te voorkomen dat het recht op het indienen van een aanvraag niet komt te vervallen als het slachtoffer komt te overlijden tijdens de bemiddeling door het IAS zonder dat nog een formele aanvraag is ingediend, is een bepaling opgenomen dat in die gevallen de nabestaanden ook in aanmerking kunnen komen voor een voorschot. Deze bepaling geldt alleen als het slachtoffer zich bij leven bij het IAS heeft aangemeld voor bemiddeling. Als het slachtoffer overlijdt tijdens de behandeling van de aanvraag dan kunnen de nabestaanden recht hebben op het voorschot. Ook nabestaanden moeten het voorschot terug betalen als een schadevergoeding wordt verkregen.

In artikel 16, derde lid, is erin voorzien dat de SVB het IAS kan aanwijzen als instantie waaraan de gevraagde gegevens door de werknemer worden verstrekt. Of dit wenselijk is, is primair ter beoordeling van de SVB en het IAS.

Financieel beslag en het beroep op de regeling

In 2012 zijn er 345 TAS-voorschotten toegekend voor een bedrag van ruim € 6,4 miljoen. Daarnaast zijn er in 2012 181 terugvorderingen geweest voor een bedrag van ruim € 3,3 miljoen. De netto-uitkeringslasten voor de TAS-regeling bedroegen in 2012 dus € 3,1 miljoen. Voor de komende jaren worden geen grote schommelingen in het aantal TAS-voorschotten of -terugvorderingen verwacht.

Vanwege de toevoeging van asbestose aan de regeling worden enkele tientallen extra aanvragen per jaar verwacht. In het eerste jaar van de aangepaste regeling, 2014, wordt een piek van het aantal aanvragen verwacht. Dit komt doordat al eerder met asbestose gediagnosticeerde werknemers ook een TAS-aanvraag kunnen doen. De hoogte van het voorschot verschilt niet voor mensen met maligne mesothelioom of asbestose. De kosten van de uitbreiding van de TAS-regeling zullen naar schatting jaarlijks € 0,6 miljoen bedragen, met een piek van € 1,2 miljoen in 2014. Structureel worden de uitkeringslasten van de TAS-regeling op circa € 4 miljoen geraamd.

Hoogte voorschot

De hoogte van het voorschot bedraagt per 1-4-2014 € 19.201,– en wordt jaarlijks per 1 januari van het kalenderjaar geïndexeerd met de ontwikkeling van het minimumloon.

Uitvoeringsaspecten

De SVB heeft een uitvoeringstoets uitgebracht op deze regeling. De regeling is als uitvoerbaar en handhaafbaar beoordeeld. De implementatie- en uitvoeringskosten bedragen € 642.000 in 2014, € 221.000 in 2015 en € 175.000 structureel in de jaren na 2015.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
Werkgever en werknemer

De regeling richt zich op de situaties waarin de problematiek een duidelijke band heeft met de Nederlandse samenleving. Bij de omschrijving van het begrip werknemer komt die band met Nederland tot uitdrukking en is er daarnaast naar gestreefd op zo eenvoudig mogelijke wijze te kunnen vaststellen of de betrokkene als werknemer kan worden aangemerkt. Het werknemerscriterium is op de problematiek toegespitst, dit wijkt af van de definitie van het begrip werknemer zoals dat elders in bestaande wetgeving wordt gebruikt.

Voor het beoordelen van de band van de arbeid met Nederland worden in het kader van deze regeling geschikt geacht de plaats waar de arbeid werd verricht, en de toepasselijkheid van Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst. Indien deze elementen aanwezig zijn, wordt de band met Nederland van voldoende gewicht geacht om de regeling toepassing te laten vinden.

De enkele omstandigheid dat de arbeid in Nederland is verricht is in het kader van deze regeling niet toereikend. Weliswaar is op arbeid die in Nederland wordt verricht de Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving van toepassing, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te concluderen tot een zodanig sterke band van de betreffende arbeid met Nederland dat de regeling ook in deze situaties zonder meer zou moeten voorzien. Daarom geldt eveneens de eis dat de arbeidsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht.

Indien de arbeid buiten Nederland is verricht, is de band met Nederland onvoldoende sterk om de zorg van de Nederlandse overheid daartoe uit te breiden. Arbeid die in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever buiten Nederland is verricht, valt derhalve buiten het bereik van deze regeling, ook als op de arbeidsverhouding Nederlands recht van toepassing was. Deze keuze bevordert een zo eenvoudig mogelijke uitvoering, omdat kan worden afgezien van een onderzoek naar de vestigingsplaats van de werkgever en naar de buitenslands verrichte arbeid.

Gelet op de nauwe aansluiting die in deze regeling bestaat tussen het recht op een voorschot en de Nederlandse wettelijke regeling van de aansprakelijkheid van de werkgever, wordt steeds als voorwaarde gesteld dat op de arbeidsverhouding Nederlands recht van toepassing is. Wanneer hiervan sprake is moet worden beoordeeld volgens internationaal privaatrecht. De arbeidsovereenkomst zelve zal voor deze beoordeling belangrijke aanknopingspunten bieden. Bij de publiekrechtelijke aanstellingen die onder het bereik van de regeling vallen gaat het steeds om een Nederlandse publiekrechtelijke organisatie.

Asbest

De in dit onderdeel opgenomen definitie van asbest is ontleend aan artikel 4.37 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De zogenaamde ‘Cas-nummers’ verwijzen naar het unieke nummer waaronder de stof door de Chemical abstract service (Cas) is geregistreerd in een openbaar databestand.

Maligne mesothelioom, asbestose, Protocol diagnostiek voor Maligne mesothelioom en Protocol diagnostiek asbestose

Het is van belang dat de uitvoering van de regeling zo min mogelijk problemen geeft met betrekking tot de vaststelling van de ziektes maligne mesothelioom en asbestose. Een zo uniform mogelijke diagnostisering van de ziekte is belangrijk voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van de belanghebbenden. Om deze reden wordt in de definitiebepalingen verwezen naar de protocollen diagnostiek voor maligne mesothelioom en asbestose. Deze protocollen worden door het IAS gebruikt bij advisering aan de SVB en bij de uitvoering van de bemiddelingstaak.

In de genoemde protocollen wordt een beschrijving gegeven van de stand van de medische wetenschap bij de diagnostiek, zoals die wordt gezien door ter zake gespecialiseerde artsen. Ze bevatten bruikbare en concrete aanwijzingen voor de onderzoeken. Verwijzing in de regeling naar deze protocollen heeft derhalve zowel voor de belanghebbenden, de onderzoekers en de uitvoerders van deze regeling een duidelijke meerwaarde ter bevordering van een uniforme werkwijze. De protocollen zijn dan ook als bijlage bij deze regeling gevoegd en maken op die wijze onderdeel uit van deze regeling.

Nabestaande, tweede en derde lid

In bepaalde omstandigheden komt het recht op uitkering toe aan de nabestaanden. Als nabestaanden worden dezelfde personen aangemerkt als degenen die voor een overlijdensuitkering ingevolge artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in aanmerking komen. Met de echtgenoot wordt gelijkgesteld de geregistreerde partner of degene die met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde. Overeenkomstig de AOW is daarom ook in het derde lid bepaald, dat degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is niet als nabestaande wordt aangemerkt.

Met de toepassing van deze regels heeft de SVB ervaring in het kader van de uitvoering van de AOW.

Voorschot

In dit onderdeel wordt de definitie gegeven van het begrip ‘voorschot'. Dit betreft een uitkering in afwachting van een immateriële schadevergoeding van de aansprakelijk gestelde werkgever. De immateriële schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke ten bedrage van het voorschot wordt op grond van de volmacht als bedoeld in de artikelen 3, onder e, en 10 onder e, (terug)betaald aan de SVB. Feitelijk gebeurt dit door verrekening door de SVB van de door de SVB namens de werknemer ontvangen schadevergoeding met het verleende voorschot. Gelet op het karakter van het voorschot mag worden verwacht dat bij de toepassing van artikel 100 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (voordeelstoerekening) de rechter bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding geen rekening zal houden met het voorschot omdat dit terugvloeit naar de SVB.

Zowel in de situatie waarbij de schadevergoeding wordt verrekend met het voorschot, als in de situatie dat de schade niet meer kan worden verhaald, wordt de voorschotbeschikking niet herzien; het voorschot valt dan definitief toe aan de werknemer.

Productaansprakelijke

Onder producent wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof, de fabrikant van een onderdeel of een degene die zich als producent presenteert door zijn naam, merk of ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen.

Onder productaansprakelijke in deze regeling wordt verstaan de producent van het product waardoor de werknemer tijdens de arbeid in aanraking is gekomen met asbest en hierdoor de ziekte maligne mesothelioom of asbestose heeft opgelopen.

Huisgenoten

Om als huisgenoot in aanmerking te komen voor een voorschot dient aannemelijk te worden gemaakt dat maligne mesothelioom is ontwikkeld als gevolg van het contact in de thuissituatie met de werknemer die tijdens de arbeid is blootgesteld aan asbest. Het moet gaan om huisgenoten waarmee een duurzaam hoofdverblijf is gedeeld ten tijde van de blootstelling aan asbest. Een familierelatie is niet vereist. Onder duurzaam wordt verstaan dat er sprake moet zijn van een periode van minimaal zes maanden waarin de huisgenoot het gezamenlijk hoofdverblijf

had met de werknemer, ten tijde van de periode waarin de werknemer in de arbeid is blootgesteld aan asbest.

Artikel 2. Arbeid op vaartuig

Op een Nederlands schip of luchtvaartuig verrichte arbeid wordt aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.

Hoofdstuk 2. Het recht op en de hoogte van een voorschot in geval van maligne mesothelioom

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot bij maligne mesothelioom

In dit artikel zijn de voorwaarden geformuleerd voor het recht op een voorschot in geval van maligne mesothelioom. De voorwaarden zijn cumulatief weergegeven, er moet zowel zijn voldaan aan de voorwaarden in de aanhef als in de verschillende onderdelen. Voor de betekenis van het begrip `voorschot' wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting van artikel 1.

De bedoeling van het voorschot is om zoveel mogelijk bij leven van de werknemer een geldelijke erkenning te geven van de immateriële schade. Dit gebeurt in de vorm van een voorschot op de eventuele schadevergoeding van de werkgever. Het recht op een voorschot is een persoonlijk recht van de door maligne mesothelioom getroffen werknemer. De werknemer moet er dus zelf blijk van hebben gegeven het voorschot te willen ontvangen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de voorwaarde dat de werknemer in beginsel zelf het voorschot moet aanvragen.

De voorwaarden in de aanhef in combinatie met de voorwaarden, bedoeld in de onderdelen a en b, betreffen de inhoudelijke eisen die aan de verlening van een voorschot worden gesteld. De overige voorwaarden betreffen procesgerelateerde eisen en hebben betrekking op de verplichting tot medewerking in het vervolgtraject indien eenmaal een voorschot is verleend.

In de aanhef wordt een aantal voorwaarden gesteld voor het recht op een voorschot. Het moet gaan om een werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is, ten aanzien van wie op een eenduidige wijze is vastgesteld dat sprake is van maligne mesothelioom. Er bestaat geen recht op een voorschot indien niet aannemelijk is dat de blootstelling aan asbest tijdens arbeid in Nederland heeft plaatsgevonden. Ten behoeve van een goede uitvoering is van groot belang dat op een uniforme wijze wordt vastgesteld of de werknemer lijdt aan maligne mesothelioom. Om die reden wordt in de aanhef van artikel 3 bepaald dat die vaststelling plaatsvindt als beschreven in het protocol diagnostiek maligne mesothelioom.

In onderdeel a wordt de voorwaarde gesteld dat aannemelijk gemaakt moet worden dat de werknemer tijdens het verrichten van arbeid is blootgesteld aan asbest en dat de opgedane ziekte daarvan het gevolg is. Onderdeel a brengt dus voor de beoordeling of er recht bestaat op een voorschot een verlichting mee van de bewijslast. Dat is essentieel om snel erkenning te geven aan die werknemers die dat behoeven. De verlichting komt er op neer dat werknemers niet meer hard hoeven aan te tonen dat ze een relevant arbeidsverleden hebben, maar kunnen volstaan met het aannemelijk maken dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Voor de vaststelling van die `aannemelijkheid' zal de werknemer op grond van artikel 16, tweede lid, bij de aanvraag enige gegevens moeten verstrekken die het relevante arbeidsverleden aannemelijk maken. Voor de ‘aannemelijkheid' geldt een eigen verklaring van de werknemer over het arbeidsverleden als minimaal noodzakelijke voorwaarde. Dat omvat een volledige beschrijving van de arbeidsgeschiedenis en werkzaamheden van de werknemer. Dit wordt in het protocol voorschotuitkering verder gepreciseerd. Gedacht moet worden aan het in beeld brengen van de arbeidsomstandigheden, de beroepen of functies waarin de aanvrager gedurende welke periode werkzaam is geweest en blootgesteld is geweest aan asbest, welke taken en werkzaamheden zijn verricht, de aard van de arbeidsverhoudingen en de plaats waar de werkzaamheden zijn verricht, in Nederland of daarbuiten en de identiteit van de werkgever(s) c.q. rechtsopvolgers.

Deze gegevens zullen nadrukkelijk aan de orde komen tijdens de intake door het IAS waarbij de aanvraag wordt voorbereid. Het IAS zal in zijn advisering aan de SVB over de aannemelijkheid van het relevante arbeidsverleden zich baseren op van de werknemer verkregen gegevens en – met name als er geen bewijsstukken kunnen worden geleverd – op de kennis en ervaring die het IAS heeft opgebouwd van het bedrijfsleven in relatie tot arbeid met asbest. De SVB toetst de aanvraag procedureel, op volledigheid ervan en op grond van het protocol door het IAS en de werknemer gezette stappen. Zo nodig kunnen terzake beleidsregels worden gesteld. Het protocol maakt deel uit van de (te wijzigen) overeenkomst tussen de SVB en het IAS, bedoeld in artikel 22.

In onderdeel b is de voorwaarde gesteld dat de werknemer geen betaling van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen in verband met asbestblootstelling tijdens de arbeid, of een betaling die lager is dan het bedrag van het voorschot van € 19.201,–. In gevallen waarin wel een betaling van € 19.201,– of meer heeft plaatsgevonden is immers langs reguliere weg een oplossing gevonden en is een voorschot niet aan de orde.

Het is niet van belang in welke vorm de betaling door de werkgever wordt gedaan of welk etiket op de betaling wordt geplakt. Elke betaling waarvan duidelijk is dat die door de werkgever wordt gedaan in verband met het maligne mesothelioom of asbestose, sluit verlening van een uitkering uit of komt daarop in mindering.

In onderdeel c is de voorwaarde gesteld dat de werknemer zich verplicht tot medewerking aan de bemiddeling door het IAS tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en voorts dat de werknemer verplicht is tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen.

Indien blijkt dat met succes de schade kan worden verhaald, dan vloeit het voorschot terug naar de SVB, ingevolge onderdeel e. In het geval er wel een aansprakelijk gestelde werkgever is maar desondanks de bemiddeling niet tot succes heeft geleid, dan zal in de praktijk het IAS dat melden aan de werknemer en de SVB. In voorkomende gevallen zal dan door de werknemer of – op basis van de volmacht van onderdeel d – namens de werknemer door de SVB worden geprocedeerd om alsnog de immateriële schade op de werkgever te kunnen verhalen. Voor de toepassing van deze regeling kan met een uitspraak van een rechter in eerste aanleg worden volstaan. Dit betekent dat wanneer in rechte de werkgever aansprakelijk kan worden gesteld en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, het aan de werknemer verleende voorschot op grond van onderdeel e terugvloeit naar de SVB. In het geval de werkgever niet wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, staat het de werknemer uiteraard vrij om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechter in eerste aanleg om alsnog te bereiken dat de werkgever schadeplichtig wordt zodat later alsnog een schadevergoeding kan worden verkregen. In deze situatie dient de werknemer het voorschot op grond van de onderdelen f en g terug te betalen aan de SVB.

In onderdeel d is de voorwaarde gesteld dat de werknemer de SVB een onherroepelijke volmacht tot vertegenwoordiging verleent om namens hem te procederen. Dit sluit niet uit dat de werknemer of diens nabestaanden zelf kunnen procederen. Uiteraard zal de SVB geen gebruik maken van deze machtiging indien door of anderszins namens de werknemer wordt geprocedeerd.

In de praktijk zal op basis van de conclusies van het IAS door betrokkenen worden bekeken of de werknemer c.q. diens nabestaande gaat procederen of dat de SVB dat namens de werknemer zal doen. Daarbij is van belang dat de SVB zal procederen voor de immateriële schadevergoeding volgens de normbedragen van het convenant, terwijl de werknemer vrij is om in een procedure ook vermogensschade en ruimere vergoedingen voor immateriële schade te eisen.

In onderdeel e is de voorwaarde gesteld dat de werknemer de SVB een onherroepelijke volmacht verleent om namens hem de immateriële schadevergoeding van de werkgever te innen en vervolgens deze vergoeding te verrekenen met het verleende voorschot. Deze volmacht ziet zowel op de situatie dat de werkgever via een geslaagde bemiddeling schadevergoeding betaalt als de situatie dat de werkgever in rechte wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Bij een geslaagde bemiddeling zal in de praktijk het IAS de werkgever wijzen op het bestaan van de volmacht van de SVB opdat de werkgever de schadevergoeding aan de SVB betaalt. In de situatie dat met toepassing van onderdeel d de SVB namens de werknemer procedeert jegens de aansprakelijk gestelde werkgever, zal, wanneer de werkgever wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, de SVB de werkgever wijzen op het bestaan van de volmacht. Door de volmachtverlening kan op praktische wijze de schadevergoeding worden verrekend met het verleende voorschot. Indien de schadevergoeding hoger is dan het voorschot, wordt het verschil aan de werknemer of diens nabestaanden uitbetaald. Indien de schadevergoeding lager is dan het voorschot – wat zich zelden zal voordoen – zal de werknemer of diens nabestaanden het verleende voorschot kunnen behouden en zal de SVB het verschil tussen het voorschot en de schadevergoeding niet terugvorderen.

In de onderdelen f en g zijn voorwaarden gesteld om in situaties dat de SVB niet namens de werknemer of diens nabestaanden procedeert, maar dat de werknemer of diens nabestaanden zelf hiertoe het initiatief nemen, er zeker van te zijn dat het voorschot aan de SVB wordt terugbetaald wanneer de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de SVB geen gebruik maakt van de volmacht te procederen omdat al dan niet in overleg met de SVB de werknemer of diens nabestaanden zelf de rechtsvordering instellen. Ook is het mogelijk dat de werknemer of diens nabestaanden in hoger beroep gaan tegen een uitspraak (in eerste aanleg) waarbij de vordering is afgewezen. In deze gevallen wordt er buiten de SVB om geprocedeerd zodat een eventuele schadevergoeding rechtstreeks aan de werknemer of diens nabestaanden wordt uitgekeerd. Om er zeker van te zijn dat het verleende voorschot terug wordt betaald aan de SVB is hiertoe in onderdeel f een zodanige verplichting geformuleerd. In onderdeel g is de voorwaarde opgenomen dat de werknemer onverwijld aan de SVB moet melden dat hij een schadevergoeding heeft ontvangen zodat de SVB in het geval dat het voorschot niet wordt terugbetaald, in de gelegenheid wordt gesteld om eventueel met toepassing van artikel 18 het verleende voorschot als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Indien de ontvangen schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot gaat de terugbetalingsverplichting van het voorschot op grond van onderdeel f niet verder dan het bedrag van de ontvangen schadevergoeding.

Artikel 4. Recht op voorschot nabestaanden

Deze bepaling heeft betrekking op de situaties waarin de werknemer komt te overlijden op het moment dat: de werknemer wel al bij het IAS kenbaar heeft gemaakt een aanvraag in te willen dienen, maar nog niet daadwerkelijk de aanvraag heeft ingediend of de aanvraag om het voorschot wel is ingediend, maar de SVB nog niet tot een beslissing is gekomen. Het recht op het voorschot komt dan niet toe aan de (nalatenschap van de) werknemer, maar aan de nabestaanden. Het recht op een voorschot gaat slechts op de nabestaanden over indien de overledene recht op een voorschot zou hebben gehad. Dit brengt met zich mee dat de nabestaanden zijn gehouden om mee te werken aan het onderzoek of recht op een voorschot zou hebben bestaan. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de medewerking aan de bemiddeling om de schade van de werkgever vergoed te krijgen.

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

In dit eerste lid is er een beperking op het recht op uitkering opgenomen. Het is denkbaar dat blootstelling aan asbest zowel gedurende arbeid in Nederland als daarbuiten heeft plaatsgevonden. Het is niet opportuun dat een belanghebbende wegens binnenlandse werkzaamheden op grond van de regeling aanspraak op een voorschot kan maken, indien in verband met buitenlandse werkzaamheden al een schadeloosstelling is betaald en deze op grond van artikel 3, onderdeel b, in aanmerking zou zijn genomen indien het een `binnenlandse betaling' zou betreffen. Dit artikel voorziet erin dat een `buitenlandse betaling' dezelfde gevolgen heeft voor het recht op het voorschot als een `binnenlandse'.

Op grond van het tweede lid komen de werknemer of diens nabestaanden niet in aanmerking voor een voorschot indien reeds een voorschot is uitgekeerd op grond van deze regeling of de voorganger hiervan. Dit geldt dus zowel in het geval dat een voorschot is uitgekeerd op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, als in het geval dat een voorschot is uitgekeerd op grond van artikel 10 van deze regeling vanwege asbestose. Ook als de werkgever of de productaansprakelijke een betaling voor immateriële schade heeft uitgekeerd vanwege maligne mesothelioom of asbestose, dat € 19.201,– bedraagt of meer, dan zal er niet uitgekeerd worden. In het geval de betaling lager is dan € 19.201,– wordt dat bedrag in mindering gebracht op het voorschot.

Daarnaast is er ook een beperking op het recht op uitkering indien er een tegemoetkoming is ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (TNS). In dit geval kan er geen aanspraak meer gemaakt worden op een tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling.

Artikel 6. Hoogte voorschot

Het voorschot betreft een uitkering in afwachting van een schadevergoeding van de aansprakelijk gestelde werkgever of productaansprakelijke.

Artikel 6 betreft een bepaling met betrekking tot de hoogte van het voorschot. Het stellen of aannemelijk maken van schade en de omvang daarvan is geen voorwaarde voor het bepalen van het recht op en de hoogte van het voorschot. Het voorschot is niet bedoeld als schadeloosstelling voor specifieke kosten, maar als een voorschot op een immateriële schadevergoeding van de aansprakelijk gestelde werkgever.

Belasting ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 en premie voor de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen is over het voorschot niet verschuldigd.

Op grond van het tweede en derde lid wordt het voorschot verminderd met het bedrag dat de werknemer al heeft ontvangen. Voor de vergelijking van het bedrag van het voorschot en het door de werkgever betaalde bedrag worden op grond van het derde lid netto bedragen tegen elkaar afgezet. Het kan zijn dat het eerder ontvangen bedrag wel aan heffing van belasting en premies was onderworpen. Bij de vergelijking gaat het om netto bedragen.

Artikel 7 tot en met 9. Huisgenoten

Naast de werknemer die aan asbest is blootgesteld, heeft ook de huisgenoot die duurzaam samen heeft geleefd met een werknemer die tijdens arbeid is blootgesteld aan asbest, recht op een voorschot op basis van deze regeling. De regeling is daarom ook als het gaat om de ziekte maligne mesothelioom van overeenkomstige toepassing. De huisgenoot moet naast de in artikel 3 genoemde voorwaarden ook aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • er is sprake van een duurzaam hoofdverblijf;

  • de werknemer is blootgesteld aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

  • als gevolg van bovenstaande heeft de huisgenoot de ziekte maligne mesothelioom opgelopen.

In artikel 9 is een beperking van het recht voor de huisgenoot te vinden, wanneer er reeds een voorschot is uitbetaald, is er, net zoals in artikel 5, geen recht meer op een voorschot.

Hoofdstuk 3. Het recht op en de hoogte van een voorschot in geval van asbestose

Artikel 10 tot en met artikel 13

Artikel 10 tot en met 13 zijn equivalent aan de artikelen 3 tot en met 6. In plaats van het maligne mesothelioom, gaat het hier om asbestose. Voor de toelichting van deze artikelen wordt dan ook op hoofdlijnen aangesloten bij de toelichting van artikelen 3 tot en met 6.

In artikel 10 van de TAS-regeling is specifiek voor het recht op een voorschot in geval asbestose geregeld dat er recht op een voorschot bestaat indien is vastgesteld dat de werknemer de ziekte asbestose heeft en er sprake is van een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 en 4 van het protocol diagnostiek asbestose. In artikel 3.2 van dat protocol is de indeling in klassen nul tot en met vier opgenomen afhankelijk van het percentage longfunctiebeperking.

Hoofdstuk 4. Het geldend maken van het recht op het voorschot

Artikel 14. De aanvraag om het voorschot

De aanvraag van het voorschot wordt op grond van artikel 14, tweede lid, in alle gevallen bij de SVB ingediend. De SVB is het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan. De aanvraag kan dus niet bij het IAS worden gedaan. Wel zal de werknemer zich in de regel eerst bij het IAS melden voor bemiddeling en de voorbereiding van aanvragen. In de praktijk stelt het IAS de aanvraagformulieren aan asbestslachtoffers ter beschikking. Ook bij de SVB zijn aanvraagformulieren beschikbaar.

Alvorens de werknemer een aanvraag doet om een voorschot te ontvangen, kan hij zich tot het IAS wenden. Het IAS zal de werknemer dan bijstaan bij de voorbereiding van de aanvraag zodat deze zo volledig mogelijk wordt gedaan. Zodoende kan worden voorkomen dat de SVB, na indiening van de aanvraag, de werknemer moet verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken omdat de aanvraag niet volledig is. Dit zou namelijk met zich meebrengen dat de beslistermijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt opgeschort. Bij de opzet van het IAS is bij het verlenen van dergelijke ondersteunende diensten rekening gehouden. Ten behoeve van een correcte indiening van een aanvraag worden door de SVB en het IAS protocollen ontwikkeld op grond waarvan zorgvuldig een aanvraag wordt voorbereid.

In de artikel 16 is een aantal gegevens opgesomd die bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overlegd. Indien de aanvraag niet compleet is, kan de SVB op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door de SVB gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Indien de SVB een dergelijke termijn ter aanvulling van de aanvraag stelt, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Het kan zich voordoen dat een werknemer een aanvraag voor een voorschot bij de SVB indient zonder dat het IAS daarbij betrokken is. In de praktijk zal de SVB zo'n aanvraag voor advies aan het IAS voorleggen.

In geval van een voorschotaanvraag zal het IAS dan conform het vastgestelde protocol advies uitbrengen aan de SVB over de aannemelijkheid van het arbeidsverleden, de vraag of vast is komen te staan dat sprake is van mesothelioom of asbestose en of aan de procesmatige vereisten voor het voorschot is voldaan.

Het recht op het voorschot is een persoonlijk recht van de door maligne mesothelioom en/of asbestose getroffen werknemer. Het voorschot is primair bedoeld als tegemoetkoming aan de werknemer zelf in verband met ondervonden leed vooruitlopend op de eventuele schadevergoeding door de werkgever. De werknemer moet er zelf blijk van hebben gegeven het voorschot te willen ontvangen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de eis dat de werknemer het voorschot aanvraagt.

De nabestaanden kunnen na het overlijden van de werknemer alleen aanspraak maken op het voorschot indien de werknemer bij het IAS kenbaar heeft gemaakt een aanvraag in te willen dienen of indien de aanvraag al is ingediend

Indien er meer dan één nabestaande is, kan de aanvraag op grond van het vierde lid alleen worden gedaan indien de nabestaanden iemand uit hun midden machtigen tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van de regeling, de uitbetaling daaronder begrepen. Hierdoor is voor de SVB helder aan wie eventueel nadere inlichtingen moeten worden gevraagd, de beslissing moet worden gezonden, terugvordering moet plaatsvinden, enz.

Artikel 15. Overlijden na aanvraag

Dit artikel regelt dat na het overlijden van de werknemer de behandeling van de aanvraag wordt voortgezet, tenzij de nabestaanden daaraan geen behoefte hebben.

Artikel 16. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

Op de werknemer rust de verplichting om de informatie aan te leveren die nodig is voor de beoordeling van de aanvraag om een voorschot. Het IAS verricht de intake en helpt de aanvraag voor te bereiden. De stappen die het IAS zet, zijn in het protocol voorschotuitkering vastgelegd.

In het eerste en tweede lid is een aantal basisgegevens vermeld, dat bij de indiening van de aanvraag in ieder geval moet worden geleverd. Zie in het bijzonder de toelichting op artikelen 3, aanhef en onderdeel a, en 10, aanhef en onderdeel a. Op basis van deze gegevens, en eventuele aanvullende informatie, die kan worden verlangd op basis van het derde lid, kan zowel het advies van het IAS als de beslissing op de aanvraag door de SVB met voortvarendheid worden voorbereid. Indien de aanvraag niet volledig is kan de SVB op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb een termijn stellen waarbinnen de ontbrekende gegevens moeten worden aangeleverd. In dat geval wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort.

Op grond van het vierde lid is artikel 16 ook van toepassing indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden.

Hoofdstuk 5. Betaling en terugvordering

Artikel 17. Uitbetaling

Het voorschot wordt door de SVB zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de werknemer of de nabestaande, bedoeld in artikel 14, derde lid.

Artikel 18. Herziening, intrekking en terugvordering

Dit artikel is van toepassing op een besluit waarbij een voorschot is toegekend. Indien bij de indiening van de aanvraag onjuiste gegevens zijn overlegd, wordt in beginsel de uitkeringsbeslissing herzien en kan vervolgens het voorschot worden teruggevorderd. Als uitgangspunt geldt dat de persoon van wie wordt teruggevorderd dezelfde is als degene die het voorschot heeft ontvangen. Indien de werknemer of de nabestaanden onjuiste gegevens hebben verstrekt, kan terugvordering plaatsvinden. Ook kan de uitkeringbeslissing worden herzien en het voorschot worden teruggevorderd indien de werknemer zijn verplichtingen op grond van de artikelen 3, 10, onderdelen c, f en g, en 16, niet nakomt.

Voorheen was het zo dat indien een voorschot aan de werknemer was toegekend en uitbetaald, en na zijn overlijden bleek dat er grond was voor terugvordering, dit in de praktijk geëffectueerd diende te worden ten laste van de nalatenschap. Nu is ervoor gekozen om ook in het geval van overlijden van de aanvrager, terugvordering van nabestaande mogelijk te maken.

Dit artikel verplicht de SVB niet om een actief en permanent beleid te voeren gericht op het signaleren van gevallen waarin terugvordering aan de orde is, doch is primair gericht op het aanpakken van gevallen waarin concreet blijkt dat ten onrechte een voorschot is verstrekt.

Indien dringende redenen aanwezig zijn, kan op grond van het tweede lid van herziening (en daarmee dus van terugvordering) worden afgezien. Wanneer daarvan sprake is, staat per individueel geval ter beoordeling van de SVB. Het begrip dringende redenen heeft hier dezelfde betekenis als in overeenkomstige bepalingen in de Algemene Ouderdomswet (artikel 24, vijfde lid), de Algemene nabestaandenwet (artikel 53, vijfde lid) en de Algemene Kinderbijslagwet (artikel 24, vijfde lid).

Artikel 19. Indexering van bedragen

Op grond van artikel 19 worden de in de regeling vermelde bedragen eenmaal per jaar geïndexeerd aan de hand van de indexering van het wettelijke minimumloon. De gewijzigde bedragen worden voor het eind van elk kalenderjaar bekend gemaakt in de Staatscourant. De indexering heeft niet alleen betrekking op het bedrag van het voorschot maar ook op de (verrekening van) bedragen (die overigens wat de hoogte betreft gelijk zijn aan het voorschot) die reeds van een werkgever zijn ontvangen.

Hoofdstuk 6. Uitvoering en financiering

Artikel 20. Uitvoeringsorgaan

De beslissingen op aanvragen worden door en onder volledige verantwoordelijkheid van de SVB genomen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de deskundigheid van het IAS. Over de wijze van samenwerking beperkt deze regeling zich tot een aantal hoofdpunten, nader in te vullen door de SVB en instituut zelf.

Artikel 21. Advies Instituut Asbestslachtoffers

De SVB kan advies vragen aan het IAS, bijvoorbeeld over het recht op een voorschot. Dit advies zal aan bepaalde volwaarden voldoen en binnen een termijn geleverd moeten worden. Hoe dit wordt ingevuld, zal in overleg tussen de SVB en het IAS bepaald worden.

Artikel 22. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

Het is van groot belang dat de SVB en het IAS in onderling overleg afspraken maken, gericht op een goede samenwerking in het belang van het asbestslachtoffer. In artikel 22 is bepaald dat de SVB en het IAS een overeenkomst opstellen, waarin een aantal essentiële punten in ieder geval is geregeld.

Artikel 23 tot en met 25. Financiering regeling

In de artikelen 23 tot en met 25 worden regels gesteld met betrekking tot de financiering van de regeling ten laste van de rijksbegroting. Als uitvoerder van de regeling draagt de SVB zorg voor het beheer en de administratie van de financiële middelen. Daartoe wordt op grond van artikel 23 jaarlijks voor 1 oktober bij de minister een opgave van het totaalbedrag van de geraamde lasten voor het komende jaar ingediend. Het bedrag van de opgegeven lasten, wordt gestort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv. Afrekening vindt ingevolge artikel 25 plaats via de jaarrekening.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 26. Overgangsrecht

In artikel 26 is geregeld dat indien er al een aanvraag voor een eenmalig uitkering of een voorschot op grond van de (reeds bestaande) TAS-regeling is ingediend voordat die regeling is ingetrokken, op deze aanvragen zal worden beslist op grond van de (reeds bestaande) TAS-regeling.

Artikel 27. Intrekking Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers

Aangezien er in deze regeling een nieuwe TAS-regeling (TAS-regeling 2014) wordt vastgesteld, wordt de huidige TAS-regeling ingetrokken.

Artikel 28. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.


X Noot
1

De matrix met de daarin opgenomen blootstellingsdrempels zal worden herzien indien de Gezondheidsraad in de toekomst hieromtrent anders adviseert.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl