Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 maart 2014, nummer WBV 2014/13, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A3/3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3. Vertrektermijnen

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

  • de vertrektermijn voor de vreemdeling wordt op grond van artikel 62, lid 2 Vw verkort;

  • de vreemdeling moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking of veroordeling ter zake van een misdrijf. Ook het aanvaarden van een transactie ter zake van een misdrijf wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. De Korpschef moet een verdenking van een misdrijf gepleegd door een vreemdeling bevestigen.

Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wordt in beginsel niet tegengeworpen bij de eerste aanvraag van de vreemdeling voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

In alle volgende situaties wordt een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken bij de eerste aanvraag van de vreemdeling voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wel tegengeworpen:

  • als het een grensgeweigerde vreemdeling betreft;

  • als de vreemdeling in bewaring is gesteld;

  • als de vreemdeling zich niet direct heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • als tegen de vreemdeling eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.

De IND, KMar en politie hoeven zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, lid 3, Vb niet nader toe te lichten om een risico op onttrekken aan toezicht aan te nemen.

De IND, KMar en politie moeten lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, lid 4, Vb nader toelichten om een risico op onttrekken aan toezicht aan te nemen.

Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.1b, lid 4 onder d, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en paragraaf B1/4.3.3 Vc.

Het is niet mogelijk de vreemdeling de vertrektermijn te onthouden wegens kennelijke ongegrondheid van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DT&V mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken.

Een vreemdeling kan een verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn uitsluitend op een van de volgende manieren indienen:

  • persoonlijk bij één van de loketten van de IND;

  • schriftelijk tijdens vertrekgesprekken met de ambtenaar van de DT&V. De ambtenaar van de DT&V moet het verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn doorsturen naar de IND.

Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim bieden en geeft onmiddellijk een beschikking.

B

Paragraaf A4/2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.1. Gronden voor het inreisverbod

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67 lid 1 onder b tot en met e Vw, is van overeenkomstige toepassing op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a lid 7 onder a, b, c en d Vw. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e Vc.

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a lid 2 Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 Vc.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit op grond van artikel 66a lid 2 Vw aan onder andere een vreemdeling die de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.

De IND heft een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a lid 6 Vw op en vaardigt een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a lid 7 Vw uit als artikel 66a lid 7 Vw van toepassing is.

De IND maakt gebruik van de in artikel 6.5, lid 4, Vb geboden mogelijkheid om af te wijken van het eerste tot en met het derde lid ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

C

Paragraaf A4/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Geen inreisverbod

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:

  • a. de IND een ander land dat partij is bij Verordening (EU) nr. 604/2013 heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;

  • b. de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU of van de EER of door Zwitserland;

  • c. het uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.

Ad b.

Uitsluitend als de andere lidstaat van de EU (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland) of van de EER of Zwitserland die de verblijfsvergunning aan de vreemdeling heeft verleend na consultatie via SIRENE instemt de verblijfsvergunning in te trekken, vaardigt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling een inreisverbod uit.

Ad c.

Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.

In aanvulling op artikel 6.5, lid 2, Vb vaardigt de IND geen inreisverbod uit als:

  • artikel 66a, lid 7, Vw op de vreemdeling niet van toepassing is;

  • de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van gezinsmigratie (B7), humanitair tijdelijk (B8) of humanitair niet-tijdelijk (B9).

Artikel 3 EVRM

Een opgelegd inreisverbod staat niet in de weg aan inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. Beoordeling van asielgerelateerde aspecten, waaronder artikel 3 EVRM, vindt dan ook niet plaats in het kader van het inreisverbod. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien de openbare orde aspecten die aan de vreemdeling worden tegengeworpen, zouden leiden tot weigering van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C2/6.2.7). In dat geval kan inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd immers niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zodat het in de rede ligt de aanspraken op vluchtelingschap of artikel 3 EVRM bij de beoordeling van het inreisverbod te betrekken. Toetsing vindt plaats overeenkomstig A4/3.6.

D

Paragraaf A4/2.5.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.5.1 De vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

Het beleid dat geldt voor de vorm van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.5 Vc.

De IND merkt een aanvraag tot opheffing van het inreisverbod aan als (grond van het) bezwaar- of beroepschrift als tegen het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

E

Paragraaf A4/2.5.5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.5.5 Ambtshalve opheffing van het inreisverbod

In aanvulling op artikel 6.5, lid 2 en 3, Vb heft de IND een inreisverbod dat aan een vreemdeling is uitgevaardigd ambtshalve op als:

  • artikel 66a, lid 7, Vw op de vreemdeling niet van toepassing is; en

  • de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van gezinsmigratie (B7), humanitair tijdelijk (B8) of humanitair niet-tijdelijk (B9); of

  • de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

F

Paragraaf A4/2.5.6 Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.5.6 Van rechtswege vervallen

Het inreisverbod vervalt van rechtswege na afloop van de duur die aan het inreisverbod is verbonden.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 maart 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze: de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder.

TOELICHTING

ALGEMEEN

Dit besluit bevat wijzigingen die verband houden met de regelgeving door middel waarvan de terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd. In dit besluit wordt een aantal passages, die bij een eerdere wijziging per abuis niet was opgenomen, hersteld. Tevens wordt een aantal beleidsregels toegevoegd om de knelpunten in de beslispraktijk weg te nemen.

ARTIKELSGEWIJS

A

A3/3 bevat een verwijzing naar artikel 5.1b Vb. Naar aanleiding van de wijziging van artikel 5.1b Vb bij besluit van 18 december 2013 is A3/3 dienovereenkomstig aangepast.

B

Artikel 6.5, lid 4, Vb bevat een facultatieve bepaling. Deze bepaling is nader ingevuld door middel van een imperatief geformuleerde beleidsregel.

C

De omstandigheden die in artikel 6.1, lid 2, Vb worden genoemd om geen inreisverbod uit te vaardigen worden aangevuld met gezinsmigratie, humanitair tijdelijk en humanitair niet-tijdelijk. Deze wijziging ligt in het verlengde van de wijziging onder E.

Bij een eerdere wijziging van de Vreemdelingencirculaire is de passage over artikel 3 EVRM per abuis niet opgenomen. Deze omissie wordt met dit wijzigingsbesluit hersteld.

D

Gebleken is dat tegen het uitvaardigen van een inreisverbod regelmatig niet alleen rechtsmiddelen worden aangewend maar ook (tegelijkertijd) een aanvraag om opheffing van het inreisverbod wordt ingediend. In dat geval is de aanvraag om opheffing van het inreisverbod overbodig. Deze zal worden aangemerkt als een aanvullende grond van het rechtsmiddel.

E

In artikel 6.1, lid 2, Vb worden verblijfsdoelen genoemd die gelet op het derde lid van genoemd artikel aanleiding kunnen vormen een reeds opgelegd inreisverbod op te heffen. In de Vreemdelingencirculaire zijn deze verblijfsdoelen aangevuld met gezinsmigratie en medische behandeling. Met dit besluit wordt deze aanvulling verder uitgebreid met alle humanitaire verblijfsdoelen.

F

Uit de Vreemdelingenwet kan worden afgeleid dat met het verstrijken van de aan het inreisverbod verbonden duur het inreisverbod van rechtswege komt te vervallen. Met deze wijziging wordt deze bedoeling verwoord.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze: de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder.

Naar boven