Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2014, 5468Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 februari 2014, 2014-0000017865, houdende voorwaarden voor de projectvoorstellen voor financiële middelen uit het Europees Globaliseringsfonds 2014–2020 (Subsidieregeling EGF 2014–2020)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 21, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014–2020) en tot intrekking van Verordening (EG) 1927/2006 (PbEU 2013, L347) en artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Aanvrager:

rechtspersoon die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EGF en daartoe een projectvoorstel indient bij de minister;

Auditautoriteit:

Auditdienst Rijk van het ministerie van Financiën;

Certificeringsautoriteit:

Certificeringsautoriteit van het ministerie van Economische Zaken;

Minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Verordening:

Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014–2020) en tot intrekking van Verordening (EG) 1927/2006 (PbEU 2013, L347);

EGF:

Europees Globaliseringsfonds;

Managementautoriteit:

Agentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat door de minister is aangewezen als uitvoerder van deze regeling;

Project:

Een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening, met het doel om aan de beoogde ontslagen werknemers tegemoet te komen;

Referentieperiode:

de periode waarbinnen de vereiste 500 ontslagen zijn gevallen of een periode die, wanneer er geen 500 ontslagen zijn gevallen, om uitzonderlijke redenen door de Europese Commissie is aangewezen als referentieperiode.

Artikel 2 Subsidie uit EGF

De minister verstrekt subsidie aan de aanvrager ter hoogte van het door de Europese Commissie toegekende bedrag onder de voorwaarden, gesteld bij en krachtens de verordening, en de voorwaarden op grond van deze regeling.

Artikel 3 Aanvraag

  • 1. De aanvrager dient een projectvoorstel in bij de minister.

  • 2. De minister kan ondersteuning bieden bij de uitwerking van het projectvoorstel.

  • 3. Wanneer het projectvoorstel past binnen de doelstelling van het EGF en voldoet aan de bij of krachtens de verordening gestelde voorwaarden, kan de minister besluiten het voorstel conform de daaraan gestelde voorwaarden in te dienen bij de Europese Commissie.

Artikel 4 Indiening

  • 1. De aanvrager dient de aanvraag binnen 6 weken na de referentieperiode in bij de minister.

  • 2. De minister dient slechts een verzoek om middelen op grond van het EGF in bij de Europese Commissie, na controle van de vereiste ontslagen in de referentieperiode en nadat hij een convenant heeft afgesloten met de aanvrager, waarin afspraken over de samenwerking en de wijze van uitvoering van de beheers- en controle activiteiten worden vastgelegd.

  • 3. De minister dient de aanvraag binnen 12 weken na de referentieperiode bij de Europese Commissie in.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

  • 1. De kosten van een project als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening, zijn subsidiabel vanaf de datum waarop gestart wordt met individuele dienstverlening aan de ontslagen werknemers, welke datum niet voor de referentieperiode ligt.

  • 2. De kosten die gemaakt zijn ter ondersteuning van het tot stand brengen van een aanvraag, zijn subsidiabel vanaf de einddatum van de referentieperiode mits de individuele dienstverlening is gestart. De aanvrager draagt er zorg voor dat deze kosten marktconform zijn.

Artikel 6 Looptijd

  • 1. Het project heeft, vanaf de datum waarop de minister de aanvraag indient, een looptijd van 24 maanden. Het individuele begeleidingstraject kan uiterlijk 3 maanden na de indieningdatum starten; de looptijd van 24 maanden vangt dan aan vanaf de startdatum van het individuele begeleidingstraject.

  • 2. De periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag door de minister kan worden toegevoegd aan de looptijd van het project, vanaf de datum waarop het eerste individuele begeleidingstraject voor de ontslagen medewerker is gestart.

  • 3. Deze startdatum valt binnen de referentieperiode.

  • 4. De aanvrager start met het project uiterlijk 3 maanden na indiening van het verzoek door de minister bij de Europese Commissie.

Artikel 7 Verlening en voorschot

  • 1. De minister geeft de aanvrager een beschikking tot subsidieverlening, nadat de Europese Commissie het projectvoorstel heeft goedgekeurd.

  • 2. De minister verstrekt de aanvrager een voorschot van de Europese financiering voor de projectsubsidie naar rato van de gerealiseerde kosten, mits:

    • a. de Europese Commissie het projectvoorstel heeft goedgekeurd;

    • b. de uitvoering conform de aanvraag en het convenant, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geschiedt;

    • c. de gerealiseerde kosten zijn gecontroleerd door de managementautoriteit.

Artikel 8 Administratievoorschriften en inlichtingenverplichtingen

  • 1. De aanvrager draagt zorg voor een inzichtelijke en controleerbare projectadministratie met betrekking tot de uitvoering van de projectactiviteiten en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Hierin zijn een financiële administratie, een deelnemersadministratie en een projectadministratie met geleverde prestaties opgenomen.

  • 2. De aanvrager richt de nodige beheers- en controle systemen in conform de eisen die worden gesteld bij en krachtens de verordening en werkt volledig mee aan de door de minister en de auditautoriteit uitgevoerde controles.

  • 3. De aanvrager bewaart de projectadministratie op een centrale locatie; dit lid is ook van toepassing voor sectorale aanvragen.

  • 4. De aanvrager geeft inzage in of toegang tot de projectadministratie op verzoek voor controle door de minister, de auditautoriteit, de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer.

  • 5. De projectadministratie wordt bewaard tot 3 jaar na de vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 10.

  • 6. De aanvrager verstrekt aan de managementautoriteit, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, 3 maal het burgerservicenummer van de deelnemers aan zijn project.

Artikel 9 Rapportage

Gedurende de looptijd van het project kan de minister jaarlijks verzoeken om een rapportage over de voortgang van het project. Tevens kan de minister in individuele gevallen inzicht vragen in de stand van zaken van concrete activiteiten.

Artikel 10 Vaststelling van de subsidie

  • 1. Uiterlijk zes weken na afloop van het project dient de aanvrager bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie. Dit verzoek bestaat uit een eindverslag over de uitvoering van de projectactiviteiten en een einddeclaratie van de kosten.

  • 2. Indien de minister tot het oordeel komt dat bepaalde kosten in de einddeclaratie van de aanvrager niet subsidiabel zijn onder de gestelde voorwaarden van de verordening deelt hij dit aan de aanvrager mee met het verzoek de einddeclaratie op dit punt te wijzigen.

  • 3. Uiterlijk zes maanden na afloop van het project levert de minister, na controles door de managementautoriteit, de auditautoriteit en de certificeringsautoriteit, aan de Europese Commissie het eindverslag in samen met de einddeclaratie waarin de uitgaven worden verantwoord conform de in de verordening gestelde eisen.

  • 4. De minister stelt de aanvrager zo snel mogelijk op de hoogte van de definitieve beslissing van de Europese Commissie waarin de financiële bijdrage van het EGF wordt afgesloten, en stelt, met inachtneming van het oordeel van de Commissie, de subsidie vast.

Artikel 11 Intrekking en terugvordering

Ingevolge het bepaalde in afdeling 4.2.6. en afdeling 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de minister worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen of voorschotten worden teruggevorderd, indien:

  • a. het project wordt uitgevoerd in afwijking van het projectvoorstel, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd;

  • b. de doelstellingen van het projectvoorstel, ten gevolge van nalatigheid van de aanvrager, niet of slechts ten dele worden gerealiseerd;

  • c. de aanvrager niet heeft voldaan aan een of meer administratievoorschriften.

Artikel 12 Publiciteit

De aanvrager verleent zijn medewerking aan publicitaire activiteiten van lidstaten van de EU, informeert alle deelnemers over de bijdrage uit het EGF en voert zelf activiteiten uit ter promotie van de bijdrage van het EGF.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 2014 en vervalt met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 14 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling EGF 2014–2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 19 februari 2014

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

1. Algemeen

Met deze regeling wordt nadere uitwerking gegeven aan artikel 21, eerste en tweede lid van de Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014–2020) en tot intrekking van Verordening (EG) 1927/2006 (PbEU 2013, L347), ook wel het Europees Globaliseringsfonds (EGF) genoemd (hierna: de verordening). Europa heeft dit fonds in het leven geroepen om werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt door de globalisering of de financieel/economische crisis weer aan de slag te helpen. Door middel van bijvoorbeeld scholing, hulp bij het zoeken naar een baan en steun bij het opzetten van een eigen bedrijf. Voor de periode 2014–2020 is een nieuwe verordening vastgesteld, maar het programma wordt grotendeels in de bekende vorm voortgezet. Onveranderd is het uitgangspunt dat een bedrijf of sector minimaal 500 werknemers heeft moeten ontslaan om een beroep te kunnen doen op het EGF. Verder is de reikwijdte van het fonds verbreed en is de doelgroep vergroot. Niet alleen vaste werknemers, ook medewerkers met een flexibel contract en kleine bedrijven die zakelijk verbonden waren met de hoofdaanvrager kunnen meetellen voor de 500 ontslagen. In regio’s met meer dan 25 procent jeugdwerkloosheid (voor Nederland gaat dit niet op) mogen EGF middelen ook worden ingezet voor werkloze jongeren.

Op grond van de verordening fungeert de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) als aanvrager van de financiële steun uit het EGF. Dit betekent dat de minister projectvoorstellen met een verzoek om financiële steun uit het EGF kan indienen bij de Europese Commissie. Er is geen maximumbedrag gesteld aan een aanvraag, echter voor alle lidstaten in de Unie is een bedrag van € 150 miljoen per jaar beschikbaar. De Commissie is daarom genoodzaakt aanvragen op volgorde van binnenkomst in behandeling te nemen. Na eventuele goedkeuring door de Europese Commissie is de minister in eerste instantie verantwoordelijk voor het beheer en de financiële controle op de door het EGF gesubsidieerde acties in Nederland.

Overeenkomstig artikel 21, eerste en tweede lid, van de verordening worden in deze regeling de belangrijkste zaken rondom het aanvragen van steun uit het EGF en het vervolgens benutten van het geld geregeld.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1 Definities

Als auditautoriteit wordt aangewezen de auditdienst Rijk. Deze controleert de goede werking van het beheers- en controlesysteem van operationele programma’s als ESF en EGF; de auditautoriteit gaat na of aan alle nationale en Europese regels voor de subsidiabiliteit van de uitgaven is voldaan.

Als Certificeringsautoriteit wordt aangewezen de Certificeringsautoriteit van het ministerie van Economische Zaken. Zij beoordeelt de gedeclareerde uitgaven en voorziet deze van een certificaat.

Artikel 2 Subsidie uit EGF

Op grond van diverse artikelen in de verordening zijn de volgende voorwaarden bepaald om subsidie uit EGF te ontvangen (dit betreft mede de voorwaarden die zijn opgenomen in het besluit van de Europese Commissie en het Europees parlement):

  • a. het massaontslag betreft minimaal 500 personen in een bedrijf of sector;

  • b. de ontslagen zijn het gevolg van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of het gevolg van een voortzetting van de wereldwijde financiële en economische crisis dan wel een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis;

  • c. de subsidiabele activiteiten richten zich op een individuele dienstverlening om doelgroepen, als genoemd in de inleiding, te ondersteunen bij het vinden van een baan;

  • d. de aanvrager dient minimaal 40 procent van de totale geraamde kosten te financieren, de resterende 60 procent wordt vanuit het EGF gefinancierd;

  • e. de activiteiten moeten aanvullend zijn op bestaand beleid. Dit geldt zowel voor het bestaande structuurbeleid van de Europese Unie, de reguliere maatregelen van de lidstaat als de specifieke regelingen en voorzieningen van de desbetreffende sector;

  • f. indien een aanvrager naast EGF-subsidie ook bijdragen ontvangt vanuit andere Europese, nationale en/of regionale fondsen, mag er geen sprake zijn van dubbelfinanciering. Een activiteit komt dus niet voor EGF-subsidie in aanmerking wanneer deze al vanuit een ander fonds wordt gefinancierd.

Ad a)

In artikel 4 van de verordening is bepaald dat het moet gaan om 500 ontslagen in een periode van vier maanden binnen één bedrijf òf 500 ontslagen binnen een periode van negen maanden als de ontslagen zijn gevallen in een bepaalde sector (behorende tot dezelfde Nace-2-code) in één of twee aan elkaar grenzende provincies.

Boven op de vereiste 500 ontslagen in één of twee aan elkaar grenzende provincies mogen ontslagen uit andere aangrenzende regio’s worden toegevoegd. In specifieke uitzonderingsgevallen kan Brussel ertoe besluiten om af te wijken van de grens van 500 ontslagen. Zie artikel 4, lid 2 van de verordening. Dit geldt voor kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden. Voorwaarde is dat moet worden aangetoond dat de gedwongen ontslagen ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en de lokale economie. De start van de periode waarbinnen de ontslagen moeten worden geteld, de zogeheten referentieperiode, kan door de aanvrager zelf worden bepaald. De startdatum van deze periode is van belang, omdat de aanvraag door de minister binnen 12 weken na afloop van de referentieperiode moet zijn ingediend bij de Europese Commissie.

Voor de berekening van het aantal gedwongen ontslagen, telt een ontslag mee vanaf:

  • de datum van de individuele kennisgeving door de werkgever dat de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer daadwerkelijk beëindigd wordt, of

  • de datum van de feitelijke beëindiging van een arbeidsovereenkomst voordat die afloopt, of

  • de datum waarop de werkgever de daartoe bevoegde instantie schriftelijk in kennis stelt van een plan voor collectief ontslag, of de datum waarop een bedrijf met minder dan tien werknemers faillissement heeft aangevraagd door het aantoonbaar wegvallen van opdrachten van de hoofdaanvrager.

Ad b)

Op grond van artikel 4 in relatie tot artikel 2 van de verordening moet de aanvrager duidelijke statistische en achtergrondinformatie verstrekken waaruit blijkt dat de ontslagen het gevolg zijn van:

  • de financieel-economische crisis

  • een substantiële toename van de invoer in de EU

  • een snelle daling van het marktaandeel van de EU in een bepaalde sector

  • de verplaatsing van de productie naar een niet-EU-land

  • een substantiële verschuiving van de handel van de EU in goederen of diensten

Uit gegevens over verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar derde landen moet blijken dat productie die voorheen in de EU plaatsvond naar een niet-EU-land is overgebracht.

Ad c)

EGF dient niet ter ondersteuning van de aanvrager (het bedrijf of de sector). De subsidie is exclusief bedoeld voor de begeleiding en re-integratie van de in artikel 6 van de verordening genoemde ontslagen werknemers uit de doelgroepen (zie ook inleiding van de toelichting). De Europese Commissie vraagt daarbij uitdrukkelijk aandacht voor de meest kwetsbare groepen zoals jongeren, ouderen of arbeidsbelemmerden die mogelijk moeite hebben met het vinden van een baan.

Ad d)

De periode die de Commissie nodig heeft om een projectaanvraag te beoordelen, kan negen maanden duren. In die tijd is er geen financiering beschikbaar voor de aanvrager anders dan de eigen bijdrage. In artikel 13 van de verordening is bepaald dat de eigen bijdrage minimaal 40 procent van de subsidiabele kosten is.

Ad e)

Dit onderdeel betreft de zogenaamde complementariteit; de aanvulling op het bestaande. In dit geval is het van belang dat de met EGF gefinancierde activiteiten iets nieuws of extra’s bieden, of van toegevoegde waarde zijn op eventuele bestaande maatregelen. Uitgaande van het beschikbare aanbod, dient EGF andere of extra maatregelen aan te bieden, die de bestaande maatregelen kunnen versterken.

Ad f)

Een activiteit die met EGF-subsidie wordt gefinancierd mag niet tevens met subsidie vanuit de Sectorplannen, ESF of andere fondsen worden gefinancierd.

Artikel 3 Aanvraag

Het indienen van een aanvraag voor het Globaliseringsfonds begint met een informeel voortraject. Een (branche-)organisatie, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of een andere partij die een dreigend ontslag signaleert van meer dan 500 werknemers en daarop actie wenst te ondernemen, kan contact opnemen met het ministerie of de managementautoriteit. Het ministerie en de managementautoriteit treden vervolgens in overleg met deze potentiële aanvrager. In verkennende gesprekken zal gezamenlijk een analyse worden uitgevoerd naar de achtergronden van de situatie en bekeken worden in hoeverre de casus voldoet aan de criteria in de verordening.

Op het moment dat er een wederzijdse verwachting op een kansrijk beroep op het EGF is, kan een rechtspersoon, zoals een werkgever, (branche-)organisatie of het UWV, een conceptaanvraag indienen bij de managementautoriteit. De managementautoriteit en het ministerie assisteren bij het opstellen van de definitieve aanvraag. Zie artikel 4 en 8 van de verordening voor een overzicht van de criteria waaraan een aanvraag moet voldoen. Uiteindelijk kan de minister besluiten de aanvraag formeel in te dienen bij de Europese Commissie.

Artikel 4 Indiening

De aanvrager is verplicht om in ieder geval binnen zes weken na de referentieperiode de aanvraag bij de minister in te dienen. Vervolgens heeft de minister nog zes weken om de aanvraag in te dienen bij de Europese Commissie.

Voorafgaand aan het indienen van het verzoek om financiële steun bij de Europese Commissie, sluiten de minister en de aanvrager een convenant af. In dit convenant worden onder andere afspraken vastgelegd over verantwoordelijkheidsverdeling tussen de minister en de aanvrager, de samenwerking, de ondersteuning die het ministerie van SZW de aanvrager zal bieden, de eisen die aan de projectadministratie worden gesteld (conform de verordening). Dit convenant is van kracht tot het moment dat de individuele subsidiebeschikking door de minister is verstrekt. Voorafgaand aan het indienen van het verzoek controleert de managementautoriteit of de grens van 500 ontslagen werknemers is behaald en of de gehanteerde Nace codes juist zijn bij sectorale aanvragen. Bij een sectorale aanvraag dient er sprake te zijn van 1 Nace code voor alle bedrijven die onderdeel uitmaken van de aanvraag en dient het aantal van 500 ontslagen te zijn gerealiseerd in 1 provincie of in twee aan elkaar grenzende provincies.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

In artikel 7 van de verordening worden de verschillende activiteiten benoemd die voor subsidie in aanmerking komen. Bij de inzet van activiteiten staat de werknemer centraal. Er valt bij subsidiabele activiteiten vooral te denken aan een aanbod van maatwerktrainingen die uitgaan van een realistisch arbeidsmarktperspectief. Gezien de diversiteit van het gemiddelde werknemersbestand is het denkbaar een breed pakket aan maatregelen samen te stellen. Te denken valt onder andere aan sollicitatietrainingen, evc-trajecten (Eerder Verworven Competenties), jobcoaching, outplacement, scholingstrajecten. Daarnaast kan worden gedacht aan ondersteuning bij het starten van een eigen onderneming waarbij tot maximaal € 15.000 per werknemer beschikbaar wordt gesteld. Er wordt van de aanvragers extra inzet gevraagd voor werknemers met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voorbeelden hiervan zijn ouderen, jongeren of arbeidsgehandicapten.

De kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 7 van de verordening, zijn subsidiabel vanaf het moment dat gestart wordt met de individuele dienstverlening aan ontslagen werknemers. Voor de exacte voorwaarden van de subsidiabele periode wordt verwezen naar artikel 6 van de regeling. Andere kosten die niet betrekking hebben op het individuele begeleidingstraject, maar gericht zijn op het indienen van een aanvraag, zijn subsidiabel na de referentieperiode, mits het individuele begeleidingstraject is gestart.

Indien de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten bovenmatig hoog zijn, kan de managementautoriteit besluiten het meerdere boven de 20 procent van de totale directe kosten te corrigeren.

De aanvrager is verantwoordelijk voor het tijdig aantonen van de marktconformiteit van de kosten van activiteiten die worden ingekocht; dit dient voorafgaand aan de start van de activiteiten plaats te vinden. Voor advies over het aantonen van marktconformiteit wordt verwezen naar de Handleiding Projectadministratie EGF (www.agentschapszw.nl ).

Artikel 6 Looptijd

De subsidiabele periode kan variëren: wanneer de individuele dienstverlening start op de datum waarop de aanvraag formeel wordt ingediend of uiterlijk drie maanden na die datum, in de zin van artikel 8, eerste lid, van de verordening, bedraagt de looptijd precies 24 maanden.

Indien de aanvrager echter met de individuele dienstverlening begint voordat de aanvraag wordt ingediend, dan kan de feitelijke looptijd aanzienlijk langer zijn dan 24 maanden. De voorwaarde die hierbij wordt gesteld is dat de aanvang van de individuele dienstverlening niet voor de referentieperiode ligt.

De kosten van het project zijn namelijk al wel subsidiabel vanaf de datum waarop gestart wordt met individuele dienstverlening aan de ontslagen werknemers. De aanvrager kan er ook voor kiezen het project later te laten starten. De start is dan uiterlijk binnen 3 maanden na datum indiening van het verzoek om steun bij de Europese Commissie.

De Europese Commissie beoordeelt de ingediende aanvraag en zal mogelijk om aanvulling ervan vragen. Het ministerie en de managementautoriteit zullen met de aanvrager zorg dragen voor het completeren van de aanvraag. Zodra de Europese Commissie na beoordeling van mening is dat wel of niet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit het EGF is voldaan, stelt zij de minister hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte. De minister zal de aanvrager zo snel mogelijk over het oordeel van de Commissie informeren.

Artikel 7 Verlening en voorschot

Op het moment dat de Europese Commissie positief beschikt en aan de overige twee criteria van het tweede lid van dit artikel is voldaan, kan de minister zelf beslissen of, wanneer en hoe vaak er een bevoorschotting plaatsvindt. Zoals aangegeven is de hoogte van deze bevoorschotting afhankelijk van de gerealiseerde kosten. Deze gerealiseerde kosten worden tussentijds gecontroleerd door de managementautoriteit en bieden de waarborg die nodig is bij de bevoorschotting van subsidies.

Het risico bestaat dat de aanvrager wel kosten maakt, maar dat de Europese Commissie de aanvraag uiteindelijk afwijst en er geen Europees geld komt. Indien de Europese Commissie de aanvraag afwijst, draagt de aanvrager het risico.

Artikel 8 Administratievoorschriften en inlichtingenverplichtingen

Nederland heeft er als lidstaat, samen met de aanvrager, belang bij dat de uitvoering goed verloopt en de projectadministratie op orde is. De subsidie voor de aanvrager is afhankelijk van de eindbeschikking door de Europese Commissie. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het indienen van de einddeclaratie bij de Europese Commissie. De managementautoriteit monitort het project door bezoeken af te leggen, tussenrapportages te beoordelen, (telefonisch) contact te onderhouden en als vraagbaak te fungeren. Daarnaast voorziet zij de aanvrager van advies met betrekking tot de administratie.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies, kan de minister gebruik maken van het burgerservicenummer (BSN) met oog op evaluatie van en rapportage over de besteding van de subsidie. Op die grond is in het zesde lid bepaald, dat de aanvrager het BSN van deelnemers verstrekt.

Artikel 9 Rapportage

De Europese Commissie hecht er zeer aan dat de subsidie direct ten goede komt aan de ontslagen werknemers. De Minister van SZW zal dan ook jaarlijks een rapportage vragen om zicht te houden dat de middelen ook echt worden besteed conform de verordening. De aanvrager wordt om die reden dan ook geacht vanaf aanvang van het project inzicht te kunnen verschaffen in de aangeboden aantallen en typen trajecten en in de uitstroomcijfers van de werknemers.

Artikel 10 Vaststelling van de subsidie

De criteria voor de EGF-subsidie dienen als basis bij het opstellen van de einddeclaratie. Aan de hand van deze criteria zal de Europese Commissie beoordelen of het project subsidiabel is. Essentieel onderdeel zijn de activiteiten voor de individuele werknemers. Van belang is dat zo duidelijk mogelijk in kaart wordt gebracht welke trajecten tot welk resultaat hebben geleid. Hierbij dient de aanvrager de status per werknemer te beschrijven aan de hand van zijn BSN. Gezien de aandacht van de Commissie voor de ondersteuning van kwetsbare werknemers, is het raadzaam dat een kwalitatieve beschrijving wordt toegevoegd van de investering in deze groep (de jonge, oudere en deels arbeidsongeschikte werknemers).

De Europese Commissie beslist binnen 6 maanden na ontvangst van de einddeclaratie of de aanvrager aan de eisen heeft voldaan en de toegekende steun uit het EGF juist heeft besteed.

Artikel 11 Intrekking en terugvordering

In aanvulling op hetgeen in de afdelingen 4.2.6. en 4.2.7. van de Awb is bepaald, kan de minister subsidies intrekken dan wel terugvorderen op het moment dat aan een van de criteria in artikel 11 is voldaan. Deze specifieke criteria zijn toegespitst op het bijzondere van deze subsidieverlening. Dit laat onverlet dat de gronden, genoemd in de Awb, ook van toepassing zijn op de verleende subsidies.

Artikel 12 Publiciteit

De Commissie hecht aan de promotie van het EGF door zowel lidstaten als aanvragers. Voor aanvragers valt te denken aan de verspreiding van (bij de managementautoriteitteit verkrijgbaar) promotiemateriaal en de organisatie van EGF-bijeenkomsten met werknemers, aandacht op website van bedrijf of branche, nieuwsberichten in vooral regionale en lokale media, de verspreiding van best practices, etc.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze regeling werkt terug tot en met 1 januari 2014, omdat vanaf die datum de middelen uit het EGF op grond van de verordening beschikbaar zijn.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher