Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2014, 5210Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2014, 2014-0000020505 tot wijziging van het Ontslagbesluit inzake regels voor AOW-gerechtigden in geval van bedrijfseconomisch ontslag

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 6, derde en vierde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Ontslagbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1:1 vervalt onderdeel d en wordt de puntkomma achter onderdeel c vervangen door een punt.

B

In artikel 2:3, eerste en tweede lid, wordt ‘Arbeidsinspectie’ vervangen door: Inspectie SZW.

C

Artikel 2:4 vervalt.

D

In artikel 4:1, eerste lid, tweede zin, wordt ‘artikel 3, vierde lid van de Wet melding collectief ontslag’ vervangen door: artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag.

E

Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘55 jaar en ouder’ vervangen door: 55 jaar tot de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet genoemde leeftijd.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot derde tot en met zesde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien in de desbetreffende categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging werknemers werkzaam zijn die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd hebben bereikt, worden deze werknemers, alvorens het eerste lid wordt toegepast, het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht. Van deze werknemers worden vervolgens de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht.

3. In het derde lid (nieuw) wordt na ‘eerste’ ingevoegd: en tweede.

4. In het vijfde en zesde lid (nieuw) wordt ‘eerste en tweede lid’ vervangen door: eerste en derde lid.

5. Na het zesde lid (nieuw) wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt:

  • 7. Het vierde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op de werknemers, bedoeld in het tweede lid.

F

Aan artikel 4:4 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op werknemers die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd hebben bereikt.

G

In de eerste en tweede zin van bijlage A wordt ‘artikel 4:2, eerste lid’ vervangen door: artikel 4:2, eerste en tweede lid.

H

Bijlage B wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘artikel 4:2, eerste lid’ wordt telkens vervangen door: artikel 4:2, eerste en tweede lid.

2. In de laatste zin wordt ‘artikel 4:2, derde, vierde en vijfde lid’ vervangen door: artikel 4:2, vierde, vijfde en zesde lid.

ARTIKEL II

Een voor de inwerkingtreding van deze regeling ingediend verzoek tot opzegging van de arbeidsverhouding wegens bedrijfseconomische redenen wordt op de voet van de artikelen 4:2 en 4:4 van het Ontslagbesluit, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, afgehandeld.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang 1 april 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 18 februari 2014

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.

TOELICHTING

Bij een ontslag om bedrijfseconomisch redenen kan het als gevolg van de toepassing van het zogenoemde afspiegelingsbeginsel nu zo zijn dat bijvoorbeeld een 55-jarige werknemer moet worden ontslagen en een 72-jarige werknemer, die dezelfde werkzaamheden verricht, in dienst kan blijven (voorbeeld uit de praktijk). Dit is een ongewenst en onbedoeld effect van de regelgeving dat met de onderhavige aanpassing van het Ontslagbesluit ongedaan wordt gemaakt. Op grond van deze wijziging worden AOW-gerechtigde werknemers in geval van ontslag wegens bedrijfseconomische redenen het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht. Hiermee wordt voorkomen dat een werknemer die voor zijn inkomen aangewezen is op het verrichten van arbeid plaats moet maken voor een AOW-gerechtigde werknemer voor wie dat niet het geval is. Het in deze regeling gemaakte onderscheid naar leeftijd wordt hiermee objectief gerechtvaardigd.

Artikel I

Onderdelen A tot en met D

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de onderdelen A tot en met D een aantal technische verbeteringen aan te brengen. Artikel 1:1, onderdeel d, en artikel 2:3, eerste en tweede lid, bevatten nog verwijzigen naar de Arbeidsinspectie die inmiddels is opgegaan in de Inspectie SZW. De definitie in artikel 1:1 is geschrapt en artikel 2:3 heeft nu betrekking op de Inspectie SZW (onderdelen A en B).

Artikel 2:4 komt te vervallen (onderdeel C). Dit artikel verwijst naar artikel 5:2, tweede lid. Artikel 5:2, tweede lid, is echter met ingang van 1 januari 2009 vervallen (artikel V, onderdeel G, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 23 december 2008, nr. UB/S/2008/34777, tot wijziging van de Regeling SUWI en enkele andere regelingen in verband met de evaluatie van de Wet SUWI en deregulering (Stcrt. 2008, 253). Daarmee is artikel 2:4 overbodig geworden.

Op grond van artikel I, onderdeel B, van de wet van 17 november 2011, houdende wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van deze wet (Stb. 597), is het vierde lid van artikel 3 van de Wet melding collectief ontslag vernummerd tot derde lid. De verwijzing in artikel 4:1 van het Ontslagbesluit is nog niet aan de nieuwe nummering aangepast. Dat gebeurt nu in onderdeel D.

Onderdelen E tot en met H

In dit onderdeel wordt de regeling die geldt voor bedrijfseconomisch ontslag (artikel 4:2) op een aantal punten aangepast. Onder 1 wordt een bovengrens gesteld aan de leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder, namelijk de AOW-gerechtigde leeftijd. Bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel worden de werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, dan ook niet meer in beschouwing genomen. AOW-gerechtigde werknemers worden aangeduid als ‘werknemers die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd hebben bereikt’. In artikel 7, onderdeel a, AOW wordt verwezen naar artikel 7a AOW, waarin de leeftijden worden aangegeven waarop recht op AOW ontstaat. Aldus is duidelijk welke AOW-gerechtigde leeftijd voor een individuele werknemer geldt.

Onder 2 wordt een nieuw tweede lid ingevoegd. Op grond hiervan worden de AOW-gerechtigde werknemers binnen een categorie uitwisselbare functies het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht, alvorens de in het eerste lid genoemde leeftijdsgroepen in aanmerking komen. De tweede zin van artikel 4:2, tweede lid, ziet op de situatie dat er minder arbeidsplaatsen vervallen dan er AOW-gerechtigde werknemers zijn: in dat geval geldt voor deze groep werknemers het anciënniteitsbeginsel.

Onder 3 wordt in de eerste plaats geregeld dat in het derde lid (nieuw) behalve naar het eerste lid, nu ook wordt verwezen naar het nieuwe tweede lid van artikel 4:2. In samenhang met de aanpassingen in bijlage A (zie artikel I, onderdeel G) leidt dit er voor de schoonmaaksector toe dat ook bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel overeenkomstig deze bijlage (op grond waarvan in de schoonmaaksector niet wordt uitgegaan van de bedrijfsvestiging maar van de ploegen binnen de bedrijfsvestiging) de AOW-gerechtigde werknemers het eerst voor ontslag in aanmerking worden gebracht, alvorens de in het eerste lid omschreven leeftijdgroepen in aanmerking komen. In samenhang met de wijzigingen van bijlage B (zie artikel I, onderdeel H) betekent dit voor de uitzendsector dat bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel overeenkomstig die bijlage (op grond waarvan in de uitzendsector niet wordt uitgegaan van de bedrijfsvestiging maar van bepaalde inleenopdrachten), de AOW-gerechtigde werknemers het eerst voor ontslag in aanmerking worden gebracht, alvorens de in het eerste lid omschreven leeftijdgroepen in aanmerking komen.

Onder 4 worden het vijfde en zesde lid (nieuw) aangepast aan de nieuwe nummering van de leden. Voorts wordt onder 5 aan artikel 4:2 een nieuw zevende lid toegevoegd op grond waarvan het vierde tot en met zesde lid (nieuw) niet van toepassing zijn op werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt.

Tenslotte wordt aan artikel 4:4 (zie artikel I, onderdeel F) een lid toegevoegd op grond waarvan toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding van een arbeidsgehandicapte werknemer slechts kan worden verleend indien de werkgever redelijkerwijs niet de mogelijkheid heeft om de werknemer te herplaatsen, niet geldt indien hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Artikel II

In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen voor verzoeken om toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, gedaan vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Deze worden volgens de oude regels afgehandeld.

Artikel III

De wijziging van het Ontslagbesluit treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.