Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2014, 36910Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C1/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.1 Volgorde van toetsing

De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde:

  • 1. De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw afwijst, toetst de IND de aanvraag niet verder;

  • 2. Als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet afwijst op grond van artikel 30 Vw, onderzoekt de IND of de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • 3. Als de IND concludeert dat de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, toetst de IND de aanvraag aan artikel 29, eerste en tweede lid, Vw;

  • 4. In het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, Vw beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de relevante elementen

  • 5. In het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, Vw beoordeelt de IND de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte relevante elementen

  • 6. Als de IND de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijst, beoordeelt de IND op grond van artikel 3.6a Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

  • 7. Als de IND ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie ook A3/7.3 Vc).

Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.

B

Paragraaf C1/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.2 Verstrekken onjuiste gegevens/fraude

De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mede de omstandigheid dat de vreemdeling bij zijn aanvraag onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft achtergehouden. Er is in ieder geval sprake van dergelijke omstandigheden als:

  • de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute;

  • de vreemdeling valse of vervalste identiteits- en/of reisdocumenten heeft overgelegd;

  • de vreemdeling zich heeft ontdaan van zijn al dan niet vervalste identiteits- en/of reisdocumenten;

  • er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie.

C

Paragraaf C1/3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.3 De geloofwaardigheid

De IND beoordeelt de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden:

  • a. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling;

  • b. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gebeurtenissen.

Ad a.

Gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling zijn in ieder geval:

  • de identiteit van de vreemdeling;

  • de nationaliteit van de vreemdeling;

  • de etniciteit van de vreemdeling;

  • (indien relevant) de seksuele geaardheid van de vreemdeling; en

  • (indien relevant) de geloofsovertuiging van de vreemdeling.

Ad b.

Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

3.3.1 De beoordeling van de geloofwaardigheid

Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde relevante elementen betrekt de IND:

  • alle documenten die de vreemdeling heeft ingediend;

  • de verklaringen van de vreemdeling; en

  • of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling.

Documenten zijn alle gegevensdragers die een vreemdeling ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft ingediend.

Als de IND een relevant element niet als geloofwaardig beoordeelt, kan de vreemdeling op basis van dit element geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, Vw.

3.3.2 Bewijslast voor de geloofwaardigheid

Er vindt een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaats. Hierbij worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang gewogen.

Omstandigheden die bij de geloofwaardigheidsbeoordeling kunnen worden betrokken, wanneer zij raken aan de geloofwaardigheid van één of meerdere relevante elementen, zijn in ieder geval:

  • de vreemdeling heeft reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland ingediend;

  • de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan volgehouden;

  • de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd die niet op hem betrekking hebben;

  •  de vreemdeling kan ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst.

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenbericht.

De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

  • een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

  • een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

D

Paragraaf C1/3.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.4 De zwaarwegendheid

De IND beoordeelt of de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, aannemelijk zijn.

Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer zal overkomen, betrekt de IND de volgende aspecten:

  • de aspecten bedoeld in artikel 3.35, tweede lid VV;

  • het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die voor de vreemdeling aanleiding vormden om zijn land van herkomst te verlaten en het moment van vertrek uit zijn land van herkomst; en

  • de vraag of degenen van wie de vreemdeling vervolging of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing vreest op de hoogte zijn of kunnen raken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept en op grond waarvan hij vreest te worden vervolgd of onmenselijk of vernederend te worden behandeld of bestraft.

Als de IND oordeelt dat deze vermoedens aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29 Vw.

Medische aspecten

De IND betrekt BMA niet bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de verklaringen van de vreemdeling.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 12 december 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de directeur-generaal Vreemdelingenzaken, J.C. Goet

TOELICHTING

ALGEMEEN

Uiterlijk op 20 juli 2015 moet de richtlijn 2013/32/EU (verder: de Procedurerichtlijn) in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geïmplementeerd. Het doel van deze richtlijn is gemeenschappelijke procedures vast te stellen voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming in de Europese Unie. De richtlijn stelt daartoe normen waaraan een asielprocedure dient te voldoen.

Op verschillende punten noopt de richtlijn tot aanpassingen van de Nederlandse wet- en regelgeving en de uitvoeringspraktijk. Eén van de aanpassingen in de uitvoeringspraktijk betreft de wijze van motiveren van de beoordeling van de geloofwaardigheid. Hoewel de richtlijn pas in juli 2015 in werking treedt zal al met ingang van 1 januari 2015 het leerstuk van de ‘positieve overtuigingskracht’ worden losgelaten. Vanaf die datum zal een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling centraal staan.

Op die wijze worden medewerkers van de IND al in een vroegtijdig stadium betrokken bij de veranderingen waarmee zij te maken zullen krijgen. Met het oog op het door de richtlijn vereiste volledige en ex nunc onderzoek door de rechtbank in eerste aanleg, is het van groot belang om de toetsing van de geloofwaardigheid zo inzichtelijk mogelijk te maken. Door de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wordt de kenbaarheid van de afwegingen verbeterd. Dit kan het onderzoek van de rechtbank vergemakkelijken in zoverre dat naarmate een beschikking beter is gemotiveerd, voor de rechtbank meer inzichtelijk wordt hoe de IND tot zijn besluit is gekomen.

Dit betekent dat vanaf 1 januari 2015 in de afwijzende beschikkingen van de IND de geloofwaardigheidsbeoordeling op een andere wijze zichtbaar zal zijn in de motivering.

Middels dit WBV wordt de tekst van de Vc in lijn gebracht met de terminologie van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Een nadere instructie vindt plaats op het niveau van een (openbare) werkinstructie voor de IND medewerkers.

ARTIKELSGEWIJS

A

Taalkundige aanpassingen om te zorgen voor eenduidig gebruik van begrippen.

B

Ongewijzigd.

C

Het leerstuk van de positieve overtuigingskracht wordt losgelaten en daarvoor in de plaats komt de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De terminologie is daarop aangepast.

D

Taalkundige aanpassingen om te zorgen voor een eenduidig gebruik van begrippen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de directeur-generaal Vreemdelingenzaken, J.C. Goet