Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2014, 33720Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 november 2014, nr. WJZ/14074918, houdende wijziging van de Regeling dierlijke producten in verband met de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen

De Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst;

Gelet op artikel 2.8a van het Besluit dierlijke producten;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling dierlijke producten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.10 wordt op alfabetische volgorde ingevoegd:

geslachte kippen:

geslachte kippen, met inbegrip van delen daarvan en eetbare bijproducten, alsmede producten op basis van geslachte kippen;

kippen:

pluimvee behorend tot de soort Gallus domesticus waarbij de punt van het borstbeen nog buigzaam is;

richtlijn 2000/13/EG:

richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PbEU 2000 L 109);

verordening (EG) nr. 543/2008:

verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (Pb EU 2008, L 157).

B

In artikel 2.11, onderdeel a, wordt ‘en nationale kwaliteitsvoorschriften voor kaas’ vervangen door: , nationale kwaliteitsvoorschriften voor kaas en nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen.

C

Aan hoofdstuk 2 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

Paragraaf 2.7. Nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen

Artikel 2.31. Vermeldingen van houderijsystemen
  • 1. Onverminderd verordening (EG) nr. 543/2008 worden ter aanduiding van het houderijsysteem bij de etikettering als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 2000/13/EG van geslachte kippen de vermeldingen:

    • a. ‘Scharrel ... binnengehouden’;

    • b. ‘Scharrel ... met uitloop’;

    • c. ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’, of

    • d. ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’,

    en de overeenkomstige aanduidingen in de andere talen van de Gemeenschap, uitsluitend gebruikt voor zover aan de in deze paragraaf gestelde voorschriften is voldaan.

  • 2. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing ten aanzien van in Nederland gehouden en geslachte kippen bij de etikettering waarvan de in het eerste lid, genoemde aanduidingen worden gebezigd.

Artikel 2.32. Stallen

De kippen worden gehouden in stallen:

  • a. waarin op het grondoppervlak dat de kippen ter beschikking staat ten hoogste twaalf dieren per vierkante meter worden gehouden, met dien verstande dat gedurende de eerste drie levensweken van de kippen ten hoogste vijftien dieren per vierkante meter grondoppervlak worden gehouden;

  • b. waarin het voor de kippen beschikbare grondoppervlak geheel is bedekt met losse blanke houtsnippers, houtkrullen, los stro, los gehakseld stro of ander strooiselmateriaal;

  • c. waarin de voor de kippen bestemde ruimte zodanig is ingericht dat bij een buitensterkte van 1.200 lux minimaal 10 lux aan daglicht beschikbaar is, de totale hoeveelheid licht gemeten op ooghoogte van de dierenoverdag te allen tijde minimaal twintig lux is op ten minste tachtig procent van het oppervlak, een intermitterend verlichtingsschema met perioden korter dan acht uur niet wordt toegepast, geen kunstlicht wordt toegepast gedurende een aaneengesloten periode van acht uur vallende in de avond en in de nacht en het kunstlicht niet afkomstig is van laag frequente TL-verlichting.

Artikel 2.33. Verzorging
  • 1. Met ingang van de derde levensweek wordt minimaal twee gram graan per kip per dag toegediend door het dagelijks strooien op het voor de kippen beschikbare grondoppervlak.

  • 2. Met ingang van de tweede levensweek wordt per mestperiode minimaal één stro-, hooi, of luzernebaal verstrekt per duizend kippen, waarbij de balen gelijkmatig over de ruimte worden verdeeld.

Artikel 2.34. Voeder

Gedurende de mestperiode wordt voeder verstrekt waarin het minimumgehalte aan graan en graanbijproducten 70% bedraagt en waaraan geen dierlijke producten, met uitzondering van melkproducten, zijn toegevoegd.

Artikel 2.35. Uitloop
  • 1. Bij gebruik van de vermeldingen, genoemd in artikel 2.31, onderdelen b, c en d:

    • a. hebben de kippen ten minste van het einde van de ochtendschemering tot het begin van de avondschemering of ten minste tien uur per dag toegang tot een uitloopruimte in de vrije lucht;

    • b. hebben de toegangsluiken tot de uitloop een minimale lengte per luik van zestig centimeter en een minimale hoogte van dertig centimeter en zijn zij gelijkelijk verdeeld over de kant van de stal waar zich de uitloop bevindt, en

    • c. hebben de kippen toegang tot de uitloop vanaf uiterlijk de 28e levensdag.

  • 2. Bij gebruik van de vermelding, genoemd in artikel 2.31, onderdeel b, mag de bezettingsdichtheid in de stal worden verhoogd tot dertien kippen per vierkante meter.

Artikel 2.36. Verkoop aan particulieren

Bij verkoop van geslachte kippen aan particulieren:

  • a. worden onverpakte geslachte kippen gescheiden aangeboden, en

  • b. houdt de verkoper een administratie bij waarin tenminste is opgenomen:

    • 1°. het aantal stuks en het nettogewicht van de aangevoerde kippen;

    • 2°. het aantal stuks en het nettogewicht van de verkochte geslachte kippen;

    • 3°. het aantal delen, het soort delen en het nettogewicht van de verkochte delen van geslachte kippen.

D

Na artikel 4.2a wordt ingevoegd:

Artikel 4.2b. Overgangsrecht aanduiding bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen

Vrijstellingen en ontheffingen verleend door het Productschap Pluimvee en Eieren die golden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, worden met ingang van de inwerkingtreding van dit artikel geacht te zijn verleend door de minister op grond van artikel 10.1 van de wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

ARTIKEL II

Archiefbescheiden van de bedrijfslichamen betreffende zaken die op basis van deze regeling worden behartigd door de Minister van Economische Zaken, worden overgedragen aan de Minister van Economische Zaken, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 november 2014

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

In het Regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ (hierna: het Regeerakkoord) is afgesproken dat de product- en bedrijfschappen worden opgeheven en dat de publieke taken van deze bedrijfslichamen worden overgenomen door de Minister van Economische Zaken. Een wetsvoorstel strekkende tot opheffing van het stelsel van bedrijfslichamen is thans in voorbereiding.

Vanwege de voorgenomen opheffing van de bedrijfslichamen, waaronder het Productschap Pluimvee en Eieren, is bezien of de door dat productschap gestelde regels over het gebruik de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen in aanmerking komen voor overname door de Minister van Economische Zaken. Deze regels betreffen vooral voorwaarden ten behoeve van dierenwelzijn van pluimvee in alternatieve houderijsystemen en zijn daarom aangemerkt als publieke taak die in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen wordt overgenomen door de Minister van Economische Zaken.

De onderhavige regeling wijzigt de Regeling dierlijke producten teneinde de materie uit de Verordening aanduiding bijzondere slachtpluimvee-houderijsystemen (PPE) 2004 (hierna: de PPE-verordening) in die regeling op te nemen. De desbetreffende regels liggen in het verlengde van Verordening EG nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (Pb EU 2008 L 157) (hierna: verordening 543/2008). Die verordening regelt het gebruik van aanduidingen van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen. Aan de verordening is uitvoering gegeven in de Regeling dierlijke producten. Voor in Nederland geproduceerde kippen is met de PPE-verordening gebruik gemaakt van de door verordening 543/2008 geboden mogelijkheid om nationaal zwaardere eisen te stellen voor het gebruik van aanduidingen van alternatieve slachtpluimveehouderijsystemen bij het verhandelen van pluimvee. Deze nationale eisen bevorderen het dierenwelzijn.

2. Inhoud van de regeling

De regels inzake de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen betreffen het gebruik van de vermeldingen ‘Scharrel ... binnengehouden’, ‘Scharrel ... met uitloop’, ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’ en ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’. Met deze regeling worden de eisen uit de PPE verordening op het gebied van stallen, verzorging, voeder, uitloop en verkoop aan particulieren overgenomen in de Regeling dierlijk producten. Bij het opstellen van deze regeling is de PPE-verordening als uitgangspunt genomen. De wijzigingen ten opzichte van de PPE-verordening betreffen met name actualisering van verwijzingen, het schrappen van voorschriften waarin andere regelgeving reeds voorziet, verduidelijking van enkele voorschriften en wetstechnische aanpassingen. Daarnaast wordt de eis inzake verlichting van de stal aangescherpt. Waar nodig worden de wijzigingen toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

De Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (hierna: COKZ) wordt belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften inzake de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen, omdat deze taak in het verlengde ligt van het toezicht op de naleving van de handelsnormen voor pluimveevlees (verordening 543/2008) waarmee het COKZ al is belast. Overtreding van de voorschriften is tuchtrechtelijk handhaafbaar via het tuchtgerecht van het COKZ. De tuchtrechtelijke maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn gelijk aan de tuchtrechtelijke maatregelen die voorheen konden worden opgelegd voor overtreding van de PPE-verordening.

3. Regeldruk

Deze regeling strekt ertoe de materie te regelen die tot nu toe door het PPE werd geregeld ten aanzien van de de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen. Voorheen werd hierin voorzien door de PPE-verordening. Voor de over te nemen taken in het kader van de opheffing van de bedrijfslichamen geldt het uitgangspunt dat de regelgeving gebaseerd wordt op de bestaande verordeningen.

Gelet op dit uitgangspunt wordt geen afweging gemaakt van minder belastende alternatieven. Om die reden is het kwantificeren van het regeldrukeffect van de voorschriften die worden overgenomen niet van invloed op de inhoud van deze regeling. Omdat het berekenen van de regeldruk wel noodzakelijk is om de overgang van taken te verwerken in de regeldrukboekhouding, zal de regeldruk als gevolg van de reeds bestaande voorschriften op een later moment gekwantificeerd worden.

Voor zover verplichtingen gewijzigd, toegevoegd, of verwijderd worden ten opzichte van de productschapsregelgeving is het regeldrukeffect wel in beeld gebracht. Een wijziging in de verplichtingen betreft de verlichting van stallen. De open norm van de PPE verordening (de stal moet goed verlicht zijn) is geconcretiseerd in een norm van 20 lux (zie toelichting artikel 2.32). Gezien het huidige verlichtingsniveau van scharrelstallen (cumulatie van dag- en kunstlicht) op een gemiddelde dag wordt er van uit gegaan dat de norm van 20 lux in de meeste gevallen nu al wordt bereikt en dat de bedrijven in de toekomst geen extra kosten zullen hoeven maken om aan de nieuwe eis te voldoen. Verder wordt ingeschat dat het niet overnemen van het voorschrift uit de PPE-verordening van een gemiddeld levend slachtgewicht van maximaal 2.100 gram voor de kippen geen invloed zal hebben op regeldruk.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, in lijn met de uitgangspunten voor vaste verandermomenten voor regelgeving.

II. Artikelen

Artikel I, onderdeel A

In artikel 2.10 wordt een aantal begripsbepalingen ingevoegd die verband houden met de voorschriften inzake de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen. Onder kippen wordt uitsluitend verstaan pluimvee behorend tot de soort Gallus domesticus, waarbij de punt van het borstbeen nog buigzaam en dus niet verbeend is.

Onder geslachte kippen wordt eveneens verstaan delen van geslachte kippen, eetbare bijproducten en producten op basis van geslachte kippen.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 2.11, onderdeel a, van de Regeling dierlijke producten regelt de bevoegdheid van het COKZ. Dit artikel wordt gewijzigd om COKZ te belasten met het toezicht op de nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen.

Artikel I, onderdeel C

Aan hoofdstuk 2 wordt een paragraaf toegevoegd waarin de voorschriften uit de PPE-verordening worden opgenomen. De voorschriften zijn uitsluitend van toepassing ten aanzien van in Nederland gehouden en geslachte kippen bij de etikettering waarvan bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen worden aangeduid. Dit betreft de aanduidingen ‘Scharrel ... binnengehouden’, ‘Scharrel ... met uitloop’, ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’ en ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’. De voorschriften in paragraaf 2.7 laten de eisen van verordening (EG) nr. 543/2008 onverlet. Indien in die verordening strengere eisen worden gesteld aan de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen, gelden dus die strengere eisen.

Artikel 2.32 regelt de voorschriften ten aanzien van de dierbezetting, het bedekken van het beschikbare grondoppervlak met strooiselmaterialen en de lichtvoorziening.

De voor de kippen bestemde ruimte moet zodanig zijn ingericht dat bij een buitensterkte van 1.200 lux tenminste 10 lux daglicht binnenkomt. Bij de bouw van de stal zal dus moeten worden voorzien in voldoende ramen, lichtplaten of lichtkoepels om dit te realiseren. In de PPE-verordening was de totale hoeveelheid licht (daglicht en kunstlicht) niet geconcretiseerd, maar werd slechts vereist dat de stal bij normaal daglicht goed verlicht is. Om dit te concretiseren en te zorgen dat de stal ook bij een lage buitensterkte voldoende verlicht wordt, wordt nu geregeld dat op ten minste tachtig procent van het oppervlak te allen tijde ten minste 20 lux licht in totaal (daglicht en kunstlicht) beschikbaar moet zijn, gemeten op ooghoogte van de dieren. Dit sluit aan bij de verlichtingseis voor reguliere vleeskuikenhouderijsystemen. Het kunstlicht mag niet afkomstig zijn van laag frequente TL verlichting (50 Hz), omdat die verlichting hinder en stress kan veroorzaken bij pluimvee.

Artikel 2.33 regelt de verzorging van de kippen. Het eerste lid bepaalt dat minimaal 2 gram graan per kip per dag toegediend wordt door het dagelijks strooien op het grondoppervlak. Dit strooien kan met de hand of automatisch, met een zogenaamde spinfeeder, gebeuren. Het derde lid bepaalt dat met ingang van de tweede levensweek per mestperiode minimaal één stro-, hooi-, of luzernebaal per 1.000 kippen wordt verstrekt. Daarbij mogen de bindtouwen al dan niet verwijderd zijn. Indien meerdere balen per ruimte worden verstrekt, worden de balen gelijkmatig verdeeld over de ruimte.

In de PPE-verordening was verder bepaald dat gedurende de mestperiode diergeneesmiddelen alleen uit curatief oogpunt worden toegediend en slechts de wettelijk toegestane coccidiostatica worden toegediend met het oog op de preventie van coccidiose. Deze voorschriften worden niet overgenomen in de Regeling dierlijke producten, nu hierover al regels zijn gesteld in de diergeneesmiddelenregelgeving.

Artikel 2.34 regelt dat gedurende de mestperiode voer wordt verstrekt waarin minimaal 70% graan of graanbijproducten voorkomt en waaraan met uitzondering van melkproducten geen dierlijke bijproducten zijn toegevoegd. Het verbod uit de PPE-verordening op het toedienen van groeibevorderaars tijdens de mestperiode wordt niet overgenomen in de Regeling dierlijke producten, nu dit al volgt uit de diergezondheidsregelgeving.

Artikel 2.35 betreft de uitloopvoorzieningen. Dit artikel is alleen van toepassing bij houderijsystemen met uitloop, en geldt dus alleen voor het gebruik van de aanduidingen ‘Scharrel ... met uitloop’, ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’ en ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’. Bij toepassing van deze houderijsystemen hebben de kippen ingevolge verordening (EG) nr. 543/2008 overdag voortdurend toegang tot een hoofdzakelijk begroeide uitloopruimte in de vrije lucht. Hieraan was met de PPE-verordening invulling gegeven door te bepalen dat de kippen ten minste 10 uur per dag uitloop hebben, met een marge van twee uur afhankelijk van het seizoen. Deze marge zorgt ervoor dat de toegang tot de uitloop in de winter minder dan 10 uur kan zijn, zodat de kippen in de schemering binnen kunnen worden gehouden. In artikel 2.35 wordt ten behoeve van de duidelijkheid in plaats van een marge van twee uur bepaald dat de kippen ten minste 10 uur, of ten minste van het einde van de ochtendschemering tot aan het begin de avondschemering toegang tot de uitloop moeten hebben. Daarmee blijft het mogelijk om de kippen in de winter tijdens de schemering binnen te houden. Artikel 2.35 regelt voorts dat er toegang tot de uitloop moet zijn vanaf de 28e levensdag en wat de afmetingen zijn van de luiken die toegang geven tot de uitloop. Het voorschrift uit de PPE-verordening betreffende de minimale totale lengte van de luiken wordt niet overgenomen in de Regeling dierlijke producten, nu dit voorschrift niet strenger is dan de minimale totale lengte (4 meter per 100 vierkante meter staloppervlak) die is voorgeschreven in verordening (EG) nr. 543/2008. Ook het voorschrift dat elke kip in de uitloopruimte beschikt over ten minste een vierkante meter grondoppervlakte is niet overgenomen, omdat dit niet strenger is dan hetgeen is bepaald in verordening (EG) nr. 543/2008.

In artikel 2.32 is bepaald dat ten hoogste 12 dieren per vierkante meter worden gehouden. Artikel 2.35, tweede lid, maakt daarop een uitzondering voor ‘scharrel ... met uitloop’. Door de aanwezigheid van een uitloop mag bij ‘scharrel ... met uitloop’ de bezettingsdichtheid in de stal worden verhoogd tot dertien kippen per vierkante meter. Deze uitzondering is beperkt tot ‘scharrel ... met uitloop’, omdat voor de overige houderijsystemen met uitloop de bezettingsdichtheid ingevolge verordening (EG) nr. 543/2008 maximaal 12 kippen per vierkante meter is. Naast het maximaal aantal kippen per vierkante meter geldt ingevolge verordening (EG) nr. 543/2008 ook een maximum aantal kilogram levend gewicht per vierkante meter. Voor ‘scharrel ... met uitloop’ geldt een maximum van 27,5 kilogram levend gewicht per vierkante meter, voor de overige houderijsystemen geldt een maximum van 25 kilogram levend gewicht per vierkante meter.

Het voorschrift uit de PPE-verordening van een gemiddeld levend slachtgewicht van maximaal 2.100 gram voor de kippen is niet overgenomen, omdat er behoefte is om, als de markt daarom vraagt, zwaardere kippen te kunnen leveren die om die reden later worden geslacht dan op de minimale slachtleeftijd. Van belang blijven de eisen zoals beschreven in verordening (EG) nr. 543/2008 betreffende minimale slachtleeftijden voor het desbetreffende houderijsysteem en het gebruik van als langzaam groeiend erkende rassen voor de houderijsystemen ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’ en ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’.

Artikel 2.36 regelt dat, indien geslachte kippen onverpakt worden aangeboden, de kippen gescheiden worden aangeboden. Dit ten behoeve van de controleerbaarheid van de producten. Om die reden wordt ook geregeld dat de verkoper een administratie bijhoudt waarin het aantal en het gewicht van de aangevoerde en verkochte kippen is opgenomen, alsmede het aantal delen, het soort delen en het gewicht van de verkochte delen van geslachte kippen.

Artikel I, onderdeel D

Het nieuwe artikel 4.2b regelt dat vrijstellingen en ontheffingen die door het productschap zijn verleend, worden beschouwd als vrijstellingen en ontheffingen verleend door de minister op basis van artikel 10.1 van de Wet dieren, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

Artikel II

Teneinde te voldoen aan artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995 regelt artikel IV dat de archiefbescheiden betreffende zaken die op basis van deze regeling worden behartigd door de Minister van Economische Zaken, aan hem worden overgedragen, voor zover zij niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok